Ga direct naar de content

Leidt Belastingplan tot meer scholing?

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 8 2000

Leidt Belastingplan tot meer scholing?
Aute ur(s ):
Jacobs, B. (auteur)
Vakgroepen Algemene Economie UvA en KUB, Tinb ergen Instituut, en NWO Prioriteitsprogramma ‘Scholar’. Met dank aan Hessel Oosterb eek
voor commentaar en suggesties.
Ve rs che ne n in:
ESB, 85e jaargang, nr. 4246, pagina 203, 10 maart 2000 (datum)
Rubrie k :
Uit de vakliteratuur
Tre fw oord(e n):
onderw ijs

Investeringen in onderwijs en de vorming van menselijk kapitaal worden van groot belang geacht voor het toekomstig welvaartsniveau
van de Nederlandse samenleving. Vaak wordt gepleit voor hogere overheidsuitgaven aan onderwijs en aan fiscale maatregelen die
deelname aan onderwijs en latere scholing stimuleren. Echter, de evaluatie van deze beleidsmaatregelen is vaak partieel van aard.
Maar partiële analyses vertellen slechts een deel van het verhaal als het om programma’s gaat waarvan ook algemeenevenwichtseffecten te verwachten zijn. Goede evaluatie zou dan ook gebaseerd moeten zijn op algemeen-evenwichtsanalyses.
Recent hebben Heckman, Lochner en Taber een dynamisch algemeen-evenwichtsmodel met optimaliserende agenten voor de
Amerikaanse economie ontwikkeld, waarmee de effecten van overheidsmaatregelen op de deelname aan onderwijs en scholing, groei en
de inkomensongelijkheid zijn geanalyseerd 1. Zij gaan uit van twee typen werknemers: hoog- en laaggeschoolde. Verder verschillen
werknemers in talent om menselijk kapitaal te vergaren door scholing binnen de baan (‘on the job training’) en vanwege verschillen in
leeftijd; het is een model met overlappende generaties. Voor de beleidsanalyses wordt alleen naar de stationaire toestand van het model
gekeken, hoewel er ook transitie-effecten zijn. De auteurs vinden sterke dynamische schaaleffecten op basis van hun schattingen. Dit
betekent dat er grote welvaartswinsten verbonden zijn aan leren in vroege stadia van de levenscyclus: jong geleerd is oud gedaan. Dit
komt door de langere periode waarover de opbrengsten verdiend worden, maar ook omdat in de jonge jaren de opportuniteitskosten van
leren – gederfde inkomens – laag zijn. De belangrijke beleidsimplicatie is dat het het meest efficiënt is om in ‘jongeren’ te investeren en niet
in ‘ouderen’
Heckman bepleit met verve dat er daarom grote aandacht besteed moet worden aan het voorkomen dat mensen op jonge leeftijd al met
problemen het schoolsysteem binnenstromen 2. Specifieke voorschoolse projecten gericht op probleemgroepen zijn dan effectiever dan
generieke maatregelen zoals klassenverkleining. Generieke maatregelen slaan met name neer bij groepen zonder problemen. Dit maakt
deze maatregelen zeer kostbaar en ondoelmatig.
De auteurs analyseren verder twee belastinghervormingen. Allereerst kan progressie door een oplopend marginaal belastingtarief de
leerbeslissing negatief beïnvloeden omdat de kosten – gederfd inkomen en directe kosten van onderwijs (deze zijn niet aftrekbaar) – tegen
een lager tarief worden belast dan de toekomstige baten – hogere inkomens. Ten tweede, belastingen verstoren de leerbeslissing
vanwege niet aftrekbare directe kosten van onderwijs. De baten zijn dan onderhevig aan een hoger tarief dan de totale kosten (directe
kosten plus gederfd inkomen).
In de eerste exercitie wordt het progressieve tarief op arbeidsinkomsten omgezet in een flat tax- het tarief op kapitaal blijft constant. Dit
stimuleert de accumulatie van menselijk kapitaal. Echter, de prikkels om meer te leren nemen op termijn af omdat loonvoeten dalen
vanwege de resulterende geringere schaarste aan menselijk kapitaal. Op de lange termijn zijn de voordelen van deze
belastingverschuiving licht positief voor de voorraden menselijk kapitaal, productie en consumptie. Maar progressie in het
belastingstelsel heeft dus niet zo’n negatieve invloed op de leerbeslissing als wel gesuggereerd wordt.
In een tweede hervorming wordt het tarief op fysiek kapitaal verlaagd en het tarief op menselijk kapitaal verhoogd om
begrotingsevenwicht te handhaven. Deze herziening maakt sparen aantrekkelijker ten opzichte van leren. De effecten op productie en de
voorraden en fysiek en menselijk kapitaal zijn substantieel. Dit suggereert dat verstoringen door het belasten van fysiek kapitaal groter
zijn dan van de belasting op arbeid.
Als we de auteurs mogen geloven, hoeven we van de Belastingherziening 2001 dan ook geen grote effecten op de vorming van menselijk
kapitaal te verwachten. Aan de ene kant zal de afvlakking van de progressie door lagere marginale tarieven een gering positief effect
sorteren op deelname aan onderwijs en scholing binnen de baan. Aan de andere kant stimuleert de forfaitaire rendementsheffing de
besparingen en remt ze investeringen in menselijk kapitaal. De heffing leidt tot een daling van marginale tarieven op kapitaal, want het
tarief wordt dertig procent in plaats van het tarief voor arbeidsinkomsten. Ook daalt het effectieve marginale belastingtarief als er meer
vermogensinkomsten genoten worden dan de fictieve vier procent.
De auteurs tonen aan hoe belangrijk algemeen evenwichtseffecten zijn voor de uitkomsten van beleid. Beleid is meestal niet zo effectief
als gedacht. Generieke maatregelen, zoals hogere subsidies aan onderwijs of vermindering van de belastingprogressie, sorteren weinig
effect op de vorming van menselijk kapitaal

1 J.J. Heckman, L. Lochner, en C. Taber, Tax policy and human capital formation, AEA Papers and Proceedings, 1998, blz. 293-297 en: A
study of tuition policy, AEA Papers and Proceedings, 1998, blz. 381-386, general equilibrium cost-benefit analysis of education and tax
policies, in: G. Ranis and L.K. Raut (red.), Trade growth and development, Elsevier Science, 1999.
2 Zie J.J.Heckman, Policies to foster human capital, NBER Workingpaper 7288, 1999.

Copyright © 2000 – 2003 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteur