Ga direct naar de content

Laat ons de krappe arbeidsmarkt koesteren

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 17 2022
Alfred Kleinknecht, gasthoogleraar aan de Gaikun University in JapanAnna Weise

Er wordt recent veel geklaagd over een (te) krappe arbeidsmarkt. Maar hoe erg is een krappe arbeidsmarkt eigenlijk? In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw waren de werkloosheidscijfers in de OESO-landen nog een stuk lager dan nu. De economie groeide destijds niettemin als een tierelier, en de inflatie bleef laag dankzij een hoge productiviteitsgroei.

Daar kwam in de jaren zeventig een einde aan door een samenloop van averechtse economische schokken – zoals de olieprijsschokken van 1973 en 1978, de ‘Volckerschok’ van 1979, de ineenstorting van het Bretton Woods-systeem, en last but not least ‘de Hollandse Ziekte’. Dit alles heeft de werkloosheid structureel verhoogd. Over de laatste veertig jaar kent Nederland (met uitzondering van eind jaren negentig) een vrij hoge (deels verborgen) werkloosheid.

Deze hoge werkloosheid heeft vaderlandse politici, ­ambtenaren en wetenschappers in de ‘werk, werk en nogmaals werk!’-modus gebracht. Alles wat banen creëerde was welkom. Of het werd ten minste gedoogd – lage lonen, flexibele contracten, ­‘concurrerende’ belastingen op kapitaal (al dan niet geflankeerd door fiscale trapezekunstjes via de Zuidas), maar ook het niet zo hard van stapel lopen met het milieubeleid (het zou investeerders wel eens kunnen afschrikken) – het kon allemaal. Nee, het móést, want we hadden banen nodig.

De aanbodeconomen zijn intussen al zo’n veertig jaar bezig met het propageren van ‘structurele hervormingen’ op de arbeidsmarkt (loonmatiging, flexibilisering). Dat heeft een keerzijde. Hun structurele hervormingen mogen dan de efficiënte allocatie van schaarse middelen bevorderen, maar voor het innovatieproces zijn ze schadelijk. Perfect ­Competition is een bijzonder slecht milieu voor innovatie, met name voor het Schumpeter-II-innovatie­model. Want innovatie gedijt juist in imperfecte markten (met toetredingsbarrières), en heeft baat bij meer rigide arbeidsmarkten met een redelijke ‘insider’-bescherming (­Kleinknecht, 2020).

De grote OESO-landen vertonen na vele jaren van aanbodgericht economisch beleid, vanaf 2005 de laagste productiviteitsgroei sinds de Tweede Wereldoorlog. En dit terwijl de aanbod-­theoretici hadden verwacht dat de economie juist beter zou presteren naarmate hun hervormingen zouden vorderen!

In dit verband moeten we ons ook realiseren dat aanbodcondities zoals lage lonen en flexwerk volgens de logica van het ­Heckscher-Ohlin-model ook een laag productieve sectorstructuur favoriseren. De Haan en De Beer (2016) laten zien dat ­sectoren zoals horeca, detailhandel of andere traditionele dienstverlening veel gebruikmaken van flexibele arbeid. Dit zijn ook sectoren die met hun lage productiviteitsgroei dicht aanzitten tegen het model van de Cost-Disease van ­Baumol en Bowen (1965). Met zicht op de vergrijzing moeten we het van dit soort sectoren niet hebben.

Gelukkig hebben we nu een krappe arbeidsmarkt. Mochten sectoren met geringe productiviteitsgroei bij stijgende lonen straks in de problemen komen bij het werven van arbeidskrachten, dan is dat mooi meegenomen. Zo corrigeert de krappe arbeidsmarkt automatisch een onvoordelige sectorstructuur.

En een krappe arbeidsmarkt heeft meer voordelen. Probeer als milieubeweging maar eens in tijden van hoge werkloosheid een vliegveld als Lelystad tegen te houden. “Dit vliegveld is goed voor x-duizend banen!” “De Groene Khmers houden de mensen rond Lelystad werkloos!” Gelukkig kunnen in een krappe arbeidsmarkt bepaalde soorten economische groei beter achterwege blijven; alleen al omdat de arbeidskrachten elders in de economie dringend nodig zijn. De krappe arbeidsmarkt verschaft ons de luxe om te kiezen voor ­s­electieve groei: geen achtste landingsbaan op Schiphol, wel een nieuwe fietssnelweg.

Bovendien brengt de krappe arbeidsmarkt de machtsbalans tussen kapitaal en arbeid weer wat meer in evenwicht. De Nederlandse vakbeweging kan na veertig jaar van hoge werkloosheid, loonmatiging en flexibilisering geen deuk meer in een pakje boter slaan. De krappe arbeidsmarkt zou hier wel eens verandering in kunnen brengen. Iets agressievere looneisen van de vakbeweging bevorderen de diffusie van arbeidsbesparende technologie, en dat helpt de productiviteitsgroei (Vergeer en Kleinknecht, 2014).

De Polder moet nu dus vooral de krappe arbeidsmarkt haar werk laten doen. Krappere en duurdere arbeid ruimt lekker op aan de onderkant van de markt – zwakke onder­nemertjes die alleen bij de gratie van loonmatiging en goedkope dagloners kunnen bestaan, krijgen het straks moeilijk. Dan kan eindelijk de ‘creatieve destructie’ van Schumpeter haar werk gaan doen. We houden er op den duur een meer veerkrachtige economie aan over.

Literatuur

Baumol, W.J. en W.G. Bowen (1965) On the performing arts: the anatomy of their economic problems. The American Economic Review, 55(1/2), 495–502.

Haan, P. de, en P. de Beer (2016) Globalisering en flexibel werk gaan niet vanzelfsprekend samen. ESB, 101(4742), 651–653.

Kleinknecht, A. (2020) The (negative) impact of supply-side labour market reforms on productivity: an overview of the evidence. Cambridge Journal of Economics, 44(2), 445–464.

Vergeer, R. en A. Kleinknecht (2014) Do labour market reforms reduce labour productivity growth? A panel data analysis of 20 OECD countries (1960–2004). International Labour Review, 153(3), 365–393.

Auteur