Ga direct naar de content

Kansen worden niet gelijker door te hopen dat het goed komt

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 17 2018

Dat gelijke kansen in het onderwijs weer nadrukkelijk op de onderwijsagenda staan, is niet alleen belangrijk maar ook triest. Triest – omdat de reden hiertoe de talloze aanwijzingen zijn dat het met de gelijke kansen de verkeerde kant op gaat. En belangrijk – omdat het bieden van zo gelijk mogelijke onderwijskansen toch de basis van ieders denken over een rechtvaardige samenleving zou moeten zijn.

Maar hoe ongelijk zijn die kansen precies? Borghans et al. merken hier interessante dingen over op. Ze gaan vooral in op de effecten die resteren nadat er bij leerlingen voor toetsscores is gecorrigeerd. Twee leerlingen krijgen bijvoorbeeld een score van 535. Dus dan krijgen die zeker wel hetzelfde advies, zou je denken. Het antwoord is echter ‘nee’. En dat terwijl dit in feite toch een zeer bescheiden ambitie zou zijn.

Stel, je bekijkt die twee leerlingen met precies dezelfde scores op een eindtoets nog eens nader. Van de ene weet je dat zijn thuisklimaat cognitief zeer stimulerend is en dat er allerlei bijles aan te pas is gekomen. Daarentegen constateer je bij de andere dat die het allemaal op eigen kracht heeft gedaan. Bij welke leerling zou je dan het meeste groeipotentieel – en dus het hoogste advies – verwachten? Je zou zeggen, de leerling die het zelf heeft gedaan. Maar ons onderwijssysteem doet het omgekeerde, en dat zijn we normaal gaan vinden.

Van de Werfhorst laat zien dat ongelijkheid altijd zijn weg binnen de school weet te vinden. Dat herken ik. Alle ouders zijn onvermoeibaar op zoek naar de beste kansen voor hun kind, en met goed recht. Hoogopgeleide ouders hebben hier doorgaans meer middelen voor en meer ervaring mee. Een systeemverandering gericht op gelijkere kansen verandert niks aan die dynamiek. Dat betekent wel dat gelijke­kansenbeleid altijd een kwestie van permanent onderhoud zal zijn, van steeds gerichte interventies en analyses wat betreft de vraag waar we nu de grootste ongelijkheden aantreffen of zien ontstaan.

Een van de belangrijkste kenmerken van het Nederlandse onderwijs- systeem is vroege selectie. We sorteren leerlingen op twaalfjarige leeftijd in zes categorieën, van praktijkonderwijs tot vwo. Internationaal uniek. Maassen van den Brink is daar in haar bijdrage heel kritisch over. Er zijn tal van redenen aan te wijzen waarom brede brugklassen, of andere methoden om selectie uit te stellen, gunstig zouden uitpakken. Maar toch is de omgekeerde tendens al jaren gaande. Steeds minder brede brugklassen, steeds vroegere selectie.

Is ons onderwijsbeleid alert op andere ontwikkelingen die gelijke kansen bedreigen? Helaas niet. Laat ik een drietal ontwikkelingen noemen die nu gaande zijn, en die de ­kansen doen afnemen van kinderen in een zwakke sociaal-­economische positie.

Ten eerste daalt nu, door ondoordachte beleidsveranderingen in de kinderopvangtoeslag, in Amsterdam en andere grote steden het aantal kinderen dat aan de voorschool deelneemt met zo’n vijftien procent (Het Parool, 2018). Iedere econoom die wel eens van Heckman gehoord heeft, weet hoe onverstandig dit is. Heckman stelt immers dat interventies het meest effectief zijn bij jonge kinderen. Een daling van 15 procent is heel veel.

Ten tweede zien we overal wachtlijsten in de jeugdzorg ontstaan, door een combinatie van bezuinigingen en personeelstekorten (VNG, 2018). Dat is slecht voor de kinderen die deze zorg juist nodig hebben, en heeft een terugslag op de kansengelijkheid, omdat leerlingen met een lagere sociaal-economische status meer gebruik maken van de jeugdzorg.

Ten derde is er de huidige context van het lerarentekort (zie de website lerarentekortisnu.nl, waar dit per dag wordt bijgehouden). De Wolf en Boterman laten de toenemende segregatie zien naar sociaal-economische ­status. Er zijn een aantal factoren die scholen, wat betreft het lerarentekort, kwetsbaarder maken. De kwaliteit van de school is er een. Maar ook problematische leerlingen of een kleinere schaal maken een school kwetsbaarder – want als een kleinere school meer kinderen met problemen heeft, dan is het lerarentekort ook vaak groter. Dit ongelijkheidseffect van het lerarentekort is zichtbaar voor iedereen die nu in het onderwijs werkt. Het risico is daarmee zeer groot dat de leerlingen die onderwijs het hardst nodig hebben binnen enkele jaren het vaakst zonder gekwalificeerde docenten zullen zitten.

Naar aanleiding van deze drie ontwikkelingen die nu gaande zijn, neem ik geen nerveuze activiteit van beleidsmakers waar om te ­streven naar gelijke kansen. Bijvoorbeeld door leerkrachten extra te belonen die op scholen met een kwetsbare populatie werken. Of door alles op alles te zetten om de voorscholen bevolkt te houden. Het is nu eerder een kwestie van geduldig monitoren en hopen dat het goed komt.

Ik ben niet verbaasd als dat in 2030 zijn neerslag zal vinden in een ESB-special over gelijke kansen, waarin men dan helaas zal vaststellen dat de kansen almaar ongelijker zijn geworden.

Literatuur

Het Parool (2018) Ouders halen massaal peuters van voorschool vanwege kosten. Het Parool, 12 september.

VNG (2018) Wachtlijsten Jeugd-GGZ. Overzicht van publicaties op vng.nl.

Auteur

  • Arnold Jonk

    Bestuurder van de Stichting Samen Tussen Amstel en IJ, het openbaar onderwijs van Amsterdam-Oost

Categorieën