Ga direct naar de content

Infrastructuur en economische groei (I)

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: juni 25 1986

Infrastructuur en
economische groei (I)
In Esa van 14 mei 1986 houdt A. van
der Zwan in het artikel “Infrastructuur
en economische groei” een pleidooi
voor het stimuleren van de overheidsinvesteringen. Centraal in zijn betoog
staat het zogenaamde
uitstralingseffect van de overheidsinvesteringen;
daarmee wordt bedoeld dat deze investeringen de voorwaarden
scheppen voor groeiherstel van de economie
in structurele zin. Hoewel wij waardering hebben voor en groot belang
hechten aan het elan dat uit het betoog
van Van der Zwan spreekt, lijken ons
enkele kanttekeningen
wel op hun
plaats.
De door Van der Zwan gepresenteerde cijfers zeggen weinig over de
causaliteit tussen de overheidsinvesteringen en de economische
groei.
Ten aanzien van de richting van het
oorzakelijk verband is alleszins de omgekeerde beïnvloeding van overheidsinvesteringen door economische groei
denkbaar (verdringing van overheidsinvesteringen door werkloosheidsIasten, middelengebrek,
verminderde
vraag naar bedrijfsterreinen).
Met betrekking tot dit punt kan worden verwezen naar enkele door het Centraal
Planbureau
uitgevoerde
analyses,
waaruit blijkt dat de bedrijfsinvesteringen met eniqe vertraging reageren op
de overheidsinvesteringen
1). Het is
echter allerminst zeker of hierbij sprake is van een duurzaam positief effect.
Bovendien is het nauwelijks mogelijk
ten aanzien van deze resultaten uitstralings- en bestedingseffecten
van
elkaar te onderscheiden.
Van der Zwan ondersteunt zijn plei-

Tabel 1. De samenstelling van de overheidsinvesteringen
naar type, 1984, in
mln. gld.
Scholen
Gebouwen
(exclusiefscholen)
Outillage transportmiddelen
en
Grond-, ater-en wegenbouwkundige
w
werken
(GWW)

970
2.000
1.600
6.710
11.280

dooi voor meer overheidsinvesteringen met cijfers over de bruto-investeringsquote. Deze cijfers bevatten bij
voorbeeld ook de investeringen in woningen en in scholen, waarvan het verloop in belangrijke mate samenhangt
met de omvang en samenstelling van
de bevolking. De overheidsinvesteringen met enige vertraging reageren op
de economische
groei wordt toegeschreven dan aan de investeringen
van bedrijven, zijn heterogeen van samenstelling. Uit de tabellen 1 en 2 kan

Tabel2. De samenstelling van de overheidsinvesteringen
in de GWW, 1984,
in mln. gld.
Rijk
– wegenbouw
– deltawerkenincl.Oosterschelde
– overige,

voornamelijk

1.900
650
960

waterbouw

en cultuurtechnische
werken

290

Gemeentenen provincies

4.160

bouwrijpmaken
van gronden voor
woningbouw,
woningverbetering

en industrie(exclusief
grondaankopen)
– wegenen rioleringen
– havensen rioolwaterzuivering

recreatie

Overige.

1.710
1.700
410
340

en overige

voornamelijk

water-

schappenen gemeenschappelijke
regelingen

650

Totaal

6.710

globaal het kwantitatieve gewicht van
de diverse opdrachtgevers
en van de
bepalende factoren worden afgelezen
2). Zeker niet al deze categorieën zijn
ons inziens trendsetters voor een blijvende economische
groei. Een belangrijk deel is trendvolgend, bij voorbeeld ten opzichte van de investeringen in woningen, of heeft een meer

consumptief
karakter.
Voorraadvorming is opgetreden
bij bedrijfsterreinen.
Gelet op het voorgaande lijkt er onvoldoende aanleiding te pleiten voor
het opvoeren van het algemene niveau
van de overheidsinvesteringen
op
grond van mogelijke uitstralingseffecten. Het opvoeren van de overheidsinvesteringen
kan ons inziens alleen
worden onderbouwd op basis van concrete projecten, waarvan aannemelijk
kan worden gemaakt dat deze leiden
tot het opheffen of voorkomen van
knelpunten of onderhoudsachterstanden die het economische herstel in de
weg staan. In verband met de vaak lange voorbereidings- en uitvoeringstijd is
het van groot belang deze projecten tijdig te inventariseren en er besluiten
over te nemen. Het is niet ondenkbaar
dat in bepaalde gevallen ook uitstralingseffecten aannemelijk kunnen worden gemaakt.
Projecten
zoals de
Eemshaven
en het Industrieterrein
Moerdijk leren ons echter dat hierbij
voorzichtigheid geboden is.

B.}. Roodenburg
R.}.}. Roemers
M.M.}. Vergeer

1) H.J. Roodenburg. Overheidsinvesteringen
en economische groei, CPB-Onderzoeksmemorandum nr. 10; en H. den Hartog e.a.; Investeren in Nederland, CPB-Onderzoeksmemorandum nr. 17, hfst. 2.
2) Zie o.a. Centraal Economisch Plan 1986,
par. VI.6.4.

Auteurs