Ga direct naar de content

Het multivezelakkoord, de EG en de werkgelegenheid in ontwikkelingslanden

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: april 28 1982

Ontwikkelingskroniek

Het multivezelakkoord, de EG
en de werkgelegenheid
in ontwikkelingslanden
DRS. P. VAN DUCK EN DRS. H. VERBRUGGEN*

Inleiding
Bij de onderhandelingen over een
tweede verlenging van het eind 1981
aflopende multivezelakkoord stelden de
ontwikkelde landen zich protectionistischer op tegenover de import van textiel- en kledingprodukten uit ontwikkelingslanden dan bij eerdere onderhandelingen. De politieke druk in de ontwikkelde landen om de binnenlandse
textiel- en kledingindustrie te beschermen hangt ten nauwste samen met de
grote werkloosheid in deze landen. Het
in stand houden van werkgelegenheid,
ook in de textiel- en kledingindustrie,
heeft daarom een hoge prioriteit.
De werkgelegenheid die gecreeerd
wordt in ontwikkelingslanden met de
export van textiel- en kledingprodukten
staat veel minder in de belangstelling en
schijnt bij de onderhandelingen geen
politieke prioriteit te hebben. Men krijgt
soms de indruk dat over de arbeid in
exportindustrieen van ontwikkelingslanden niet meer te zeggen is dan dat
deze wordt verricht onder onwaardige
sociale omstandigheden en tegen lage
lonen. Niettemin is de creatie van inkomen en industriele werkgelegenheid in
ontwikkelingslanden van groot belang
ter bestrijding van onderontwikkeling
en armoede.
In dit artikel gaan wij in op enige belemmeringen voor de handel in textiel-

en kledingprodukten en presenteren wij
een schatting van de directe werkgelegenheid in ontwikkelingslanden die
verbonden is aan de export van textielen kledingprodukten naar de markten
van de EG.
Van ordening tot protectie
De wereldhandel in industriele produkten is in de na-oorlogse periode
sterk gestimuleerd door verscheidene
ronden van tariefverlagingen. Deze handelsliberaliserende ronden zijn ook de
exportmogelijkheden van ontwikkelingslanden ten goedegekomen. Dit geldt
evenwel in mindere mate voorde exportmogelijkheden van textiel- en kledingprodukten uit ontwikkelingslanden naar
de markten van de ontwikkelde landen.
Deze twee produktgroepen samen vormen ongeveer 30 procent van de totale industriele export van ontwikkelingslanden naar de ontwikkelde landen. De
tariefverlagingen voor deze twee produktgroepen waren geringer dan de gemiddelde tariefverlagingen voor industriele produkten. Daardoor lagen de
ad valorem tarieven op textiel- en kledingprodukten voor de laatste ronde van
handelsliberalisatie, de Tokio-ronde,
hoger dan het gemiddelde ad valorem
tarief op industriele produkten. In deze
situatie is ook na de Tokio-ronde geen
verandering gekomen.

Ontwikkelingslanden hebben tang preferentiele tarieven bepleit ter stimulering
van hun industriele export. Vanaf het
begin van de jaren zeventig zijn verschillende Algemene Preferentiele Stelsels
van de ontwikkelde landen van kracht
geworden, maar de stimulerende werking daarvan is beperkt gebleken. Bij
een aantal gevoelige produkten, waaronder veel textiel- en kledingprodukten,
zijn de tariefpreferenties slechts voor beperkte hoeveelheden van kracht.
Textiel- en kledingprodukten uit ontwikkelingslanden hebben dus minder
dan gemiddeld geprofiteerd van algemene handelsliberaliserende maatregelenen
slechts in geringe mate van preferentiele
tarieven. In toenemende mate worden
bovendien de mogelijkheden van ontwikkelingslanden om textiel-en kledingprodukten te exporteren naar ontwikkelde landen bemoeilijkt door niettarifaire handelsbelemmeringen. Deze
zijn er op gericht de snelle groei van het
aandeel van ontwikkelingslanden in het
verbruik van deze produkten af te remmen. In het kader van de GATT wordt
vanaf 1973 gepoogd een ordening aan
te brengen in de niet-tarifaire handelsbelemmeringen voor textiel- en kledingprodukten door middel van het arrangement regarding international trade in
textiles”, beter bekend als het multivezelakkoord. Het akkoord beoogt, althans naar de letter, het internationale
herallocatieproces op korte termijn geordend tot stand te brengen. Beperking
van de invoer wordt slechts in uitzonderlijke omstandigheden en voor een beperkte tijdsduur toegestaan en geldt
alleen voor nauw omschreven produkten
uit die landen die marktverstoringen veroorzaken. Uitdrukkelijk stelt het akkoord dat extra terughoudendheid is
vereist bij de toepassing van beperkende
maatregelen ten opzichte van de invoer
uit ontwikkelingslanden. Bij (dreigende)
marktverstoring kan het invoervolume
gedurende een jaar beperkt worden tot
op het niveau van het daaraan voorafgaande jaar. Bij prolongatie van invoerbeperkende maatregelen dient in het
volgende jaar de toegestane groei van
het invoervolume ten minste 6 procent
te bedragen.
Vergeleken met de Verenigde Staten
Japan is de EG, voornamelijk ten geIge van onderlinge meningsverschillen
ssen de lidstaten, laat geweest met het

te auteurs zijn verbonden aan de vakgroep
twikkelings- en agrarische economic van de
momische faculteit aan de Vrije Universi: te Amsterdam. Zij danken prof. dr.
Linnemann en drs. H. A. J. Coppens voor

n stimulerende kritiek. Dit artikel is een
:lresultaat van een onderzoek naar de eco-

-nische betekenis voor ontwikkelingslani van een op export gerichte industrialisa-

itrategie. Het onderzoek wordt gefinanrd door het Ministerie van Buitenlandse

ken en de Vrije Universiteit.
472

invoeren van beperkende maatregelen.
Mede ten gevolge van het optreden van
verschuivingen in handelsstromen, ver-

tot een zekere spreiding in het geexporteerde assortiment textiel- en kledingprodukten: het marktaandeel van de

oorzaakt door de beperkende maatrege-

meest beperkte landen is wat afgenomen

len in de twee eerder genoemde landen,
nam de groei van de invoer uit ontwikkelingslanden in de EG in de periode
1973-1976 sterk toe met ongeveer 25 procent per jaar. Vanzelfsprekend stijgt
daardoor ook het niveau waarop de import bevroren kan worden in geval van
handelsbeperkende maatregelen.
Ten tijde van de onderhandelingen in

en dat van minder of niet beperkte landen is toegenomen, terwijl niet-bescherm-

ningsprincipe ondergeschikt is aan protectie.

de produktgroepen een relatief hoge

Berekening werkgelegenheidseffecten:
methode

groei van het importvolume te zien heb-

Tarifaire en niet-tarifaire handels-

ben gegeven. Dergelijke substitutie-

belemmeringen hebben de exportmoge-

mogelijkheden tussen produktgroepen

lijkheden van textiel- en kledingprodukten uit ontwikkelingslanden beperkt.
Daardoor wordt de mogelijkheid om
werkgelegenheid te scheppen in deze ar-

leiden, bij afwezigheid van een herstruc-

tureringsbeleid, tot een voortgaande

1977 over een eerste verlenging van het

druk van binnenlandse producenten in
de EG het beschermende beleid te pro-

vier jaar geldende akkoord heeft de EG

longeren en uit te breiden.

derd. De omvang van dit werkgelegen-

sterk aangedrongen op het recht te mo-

Het besluitvormingsproces voorafgaand aan de tweede verlenging van
het multivezelakkoord is op het moment

heidseffect in ontwikkelingslanden zal
nu nader worden bezien. Bij een berekening van de directe werkgelegenheid ver-

col werd erkend, heeft de EG de moge-

van schrijven nog niet voltooid. De ontwikkelingslanden bepleiten een voortzetting van het akkoord omdat het wegvallen van Internationale afspraken het

bonden aan bepaalde handelsstromen
moet gebruik-worden gemaakt van een
sleutel die de waarde van de export uit
de handelsstatistieken via de produktie-

lijkheid geboden om in het kader van de

risico in zich draagt van een terugkeer

statistieken van exporterende landen

met afzonderlijke landen te sluiten bila-

naar ongeordend restrictief gedrag van

omzet in eenheden werkgelegenheid.

terale akkoorden een restrictief beleid te
voeren. Invoerprodukten zijn door de
Gemeenschap ingedeeld in vijf gevoeligheidsklassen en vooral met betrekking

importerende landen. Terugkeer naar
het oorspronkelijke multivezelakkoord
is voor ontwikkelingslanden veruit te
prefereren boven een voortzetting van

Onze berekeningen zijn gebaseerd op
de omzetting:

tot de gevoeligste produkten wordt een

de eerste verlenging waarin het recht op

zeer restrictief beleid gevoerd. De groei
van de invoer uit ontwikkelingslanden

,,reasonable departures” werd opgenomen. Maar net zoals het oorspronkelijke

waarvoor beperkingen van kracht waren, nam af van gemiddeld 25 procent
per jaar in de periode 1973-1976 tot min-

akkoord, dat als tijdelijke maatregel was
bedoeld, werd geprolongeerd, zo zal ook
het recht op tijdelijke afwijkingen van

waarin:
E A B = directe werkgelegenheid in land

der dan 4 procent per jaar in de periode

het akkoord worden verlengd. In ver-

1976-1979. De groei van het invoer-

schillende ontwikkelde landen wordt,

volume van de gevoeligste produkten
was in die periode minder dan 2 procent
per jaar. Zoals uit label 1 blijkt, nam
de invoer uit ontwikkelingslanden die

vanwege het mislukken van een actief
herstructureringsbeleid en de terugval
in de economische groei, gepleit voor
een koppeling van de groei van de invoer
uit ontwikkelingslanden aan de groei
van de binnenlandse vraag. Een derge-

produkt j naar land B;
waarde van de export van produkt j uit land A naar land B;

gen afwijken van de bepalingen van het
akkoord in gevallen waarin sprake is van

(dreigende) ernstige marktverstoringen.
Het recht op deze tijdelijke ..reasonable
departures” dat in het verlengingsproto-

via bilaterale akkoorden in het kader van
het multivezelakkoord wordt geregu-

beidsintensieve exportsectoren vermin-

AB

A verbonden aan de export van
AB

0 A = waarde van de produktie in secE

A_

tor j van land A;
werkgelegenheid in sector j van

land A.
In de vergelijking staat in de noemer

leerd, zelfs absoluut af, zowel in 1977

lijke koppeling gaat geheel voorbij aan

als in 1978 in vergelijking tot het vooraf-

de oorspronkelijke doelstellingen van

de ,,output-employment”-ratio voor sec-

gaande jaar. In het daarop volgende jaar
nam deze invoer center weer sterk toe
met meer dan 15 procent. Ondanks de
handelsbeperkende maatregelen die

het akkoord, die waren gericht op het
ordelijk doen verlopen van het internationale /zerallocatieproces. Het recentelijk geformuleerde mandaat van de

tor j. De breuk geeft naar rato het aandeel van de werkgelegenheid in sector j

vooral, maar niet uitsluitend, ontwikkelingslanden treffen, is de totale invoer
van alle textiel- en kledingprodukten uit
ontwikkelingslanden in de periode 19771979 met meer dan 9 procent per jaar

Europese Ministerraad aan de Europese

toegenomen 1).
De restricties hebben geleid tot een
zekere diversificatie in de groep van

exporterende ontwikkelingslanden en

Commissie beoogt het bevriezen of terugbrengen van de invoer uit de belangrijkste exporterende ontwikkelingslanden. De invoer uit de armste ontwikkelingslanden zou met 1 procent mogen

toenemen. Met een dergelijk uitgangspunt voor de onderhandelingen heeft de
EG de facto aangegeven dat het orde-

dat toegeschreven kan worden aan de

produktie voor de export. De vergelijking maakt een berekening van de directe werkgelegenheidseffecten mogelijk
per exporterend land, op basis van per
land en per sector verschillende gemiddelde produktiviteitsniveaus. Van de
grote groep ontwikkelingslanden die
textiel- en kledingprodukten naar de EG
exporteert, is echter slechts van een beperkt aantal landen de ,,output-employment”-ratio van de textielsector en de
kledingsector voor recente jaren bekend.

Tabel 1. Invoer in de EG van textiel- en kledingprodukten, in tonnen X 1.000.

1976

1977

1978

1979

Gemiddeld jaarlijkse
groei tussen beginen eindjaar van
periode

Invoer van produkten onder het akkoord uit
1.332,8

5,4

Invoer van produkten onder bet akkoord uit
595,7

581,7

667,5

3,9

Invoer van alle textiel- en kledingsprodukten
784,8

829.8

939,2

Bronnen: European Commission, COM (80) 438 def., juli 1980, supplement I lib, en NIMEXE, Analytical tables of foreign
trade, Brussel, verschillendejaren.

ESB 5-5-1982

1) Onder het totaal van textiel- en kledingprodukten vallen alle produkten in SITC 65

en 84. De invoer van deze produkten uit ontwikkelingslanden is berekend op basis van EG
NIMEXE-tabellen waarin ontwikkelingslanden zijn opgenomen als ,,class 2″-landen.
Wanneer de landenindeling van de Verenigde
Naties wordt gehanteerd, zouditgroeipercentage zelfs 11,8 zijn. De indeling van de Verenigde Naties is gebruikt bij de werkgelegenheidsberekeningen in het vervolg van dit artikel.
473

Voor ontwikkelingslanden waarvoor

Berekening werkgelegenheidseffecten:

Deze berekeningen zijn vervolgens ge-

geen ,,output-employment”-ratio’s beschikbaar zijn, moeten deze ratio’s dus

resultaten

corrigeerd voor de ontwikkeling van de
arbeidsproduktiviteit.

De werkgelegenheidseffecten zijn be-

eerst geschat worden.

Voor 27 van de 72 exporterende landen zijn gegevens van de produktie en de
werkgelegenheid in de textielsector en de

In een studie van Lydall is een statis-

rekend voor de jaren 1977en 1979. Indie

tisch significant positief verband aanper eenheid arbeid in verschillende in-

jaren exporteerden in totaal 72 ontwikkelingslanden textiel- en kledingprodukten naar de markten van de EG. De

dustriele sectoren en het bruto nationale

meeste van deze landen zijn slechts mar-

riode daarbinnen. Per land zijn de in

produkt (BNP) per hoofd 2).

ginale aanbieders. Dat blijkt uit de tabel-

lopende prijzen gestelde produktiege-

Daar het voor onze berekeningen gaat
om het schatten van ,,output-employ-

len 3 en 4. In 1977 kwam respectievelijk
79 en 89 procent van de EG volume-import van textiel-en kledingprodukten uit
de 10 belangrijkste exporteurs. In 1979

gevens gedefleerd met behulp van een
prijsindex die betrekking heeft op de
totale industriele produktie van een
land 6). De aldus voor 27 landen ver-

getoond tussen de toegevoegde waarde

ment’-ratio’s, is het volgende verband
verondersteld tussen deze variabele en
het BNP per hoofd:

is deze concentratie zowel van de textiel-

kregen jaarlijkse gemiddelde reele verandering van de arbeidsproduktiviteit

teur van textielprodukten naarde EG, ex-

Met behulp van de gewone OLS-techniek is deze relatie geschat voor de tex-

tielsector en de kledingsector in ontwikkelingslanden (zie label 2). Slechts voor
16 ontwikkelingslanden zijn eenduidige
gegevens voor (een van) deze sectoren
beschikbaar voor 1976 en 1977, en voor

10 daarvan voor beide jaren. De waarnemingen voor 1976 en 1977 zijn samen-

gevoegd 3).
De geschatte coefficie’nten en de
F-waarden zijn significant op het betrouwbaarheidsinterval van 99 procent.

De correlatiecoefficienten zijn redelijk
hoog als er rekening mee wordt gehouden dat slechts een onafhankelijk verkla-

rende variabele, afgezien van de constante, 75 procent ,,verklaart” van de varian-

tie in de gemiddelde produktiviteit van
de textielsector en de kledingsector in

ontwikkelingslanden.
Voor de berekeningen van de werkgelegenheidseffecten is een statistisch significant en zuiver geschat verband zoals

gespecificeerd in de tweede vergelijking
voldoende.
Een vergelijking van de geschatte

waarden van de coefficienten in label 2
leert dat in het produklieproces van kleding meer arbeid per eenheid produklie

wordl gebruikt dan in de produktie van
textiel. Op alle inkomensniveaus is de

kledingsector arbeidsinlensiever dan de
lexlielsector.
Met behulp van deze geschatle relalies
zijn we in staat de directe werkgelegenheidseffecten te berekenen van de export

van textiel- en kledingprodukten voor
die ontwikkelingslanden waarvoor geen
,,output-employment “-ratio’s beschikbaar zijn.

porteerde in 1979 zelfs minder dan in
1977. Ook de belangrijkste exporteurs

n

23

voor de kledingsector 1,02 procent. De
snellere groei van de arbeidsproduktiviteit in de textielsector in ontwikkelings-

landen is in overeenstemming met de

marktaandeel te zien ten opzichte van
hun marktaandeel in 1977.
Voor alle 72 exporterende ontwikkelingslanden is per land de directe werk-

hogere waarde van de coefficient a 2 in
de tweede geschatte vergelijking voor de
textielsector dan die voor de kledingsector. De berekeningen voor de landen

gelegenheid, verbonden aan de export

waarvoor geen produktiviteitsgegevens

van textiel- en kledingprodukten, afzon-

beschikbaar zijn, zijn voor de periode

derlijk berekend. De waarde van de export per land in 1977 is met behulp van
de eerst opgestelde vergelijking omgezet

de gemiddelden. Bij de groep van 27 lan-

in aantallen arbeidsplaatsen 4). Indien
beschikbaar voor 1977 zijn per land de

werkelijke ..output-employment “-ratio’s

1977-1979 gecorrigeerd met bovenstaanden kwam in een aantal gevallen een daling van de arbeidsproduktiviteit in de periode 1970-1977 voor. In die gevallen is

van de textielsector en de kledingsector

de verandering van de arbeidsproduktiviteit voor de periode 1977-1979 op nul

gebruikt. De ontbrekende ratio’s zijn via

gesteld.

de hierboven behandelde procedure
geschat 5).
In 1977 waren in ontwikkelingslanden
met de export van textielprodukten naar

Het resultaat van de berekeningen
voor 1977 is te vinden in de tabellen 3

de EG ruim 282.000 arbeidsplaatsen gemoeid; de export van kledingstukken
naar de EG verschafte in dat jaar aan
ongeveer 454.000 mensen in ontwikkelingslanden werk.
Om een schatting te kunnen maken
van de werkgelegenheidseffecten in 1979
moet rekening worden gehouden met de
inflatoire prijsstijging van de geexporteerde textiel- en kledingprodukten en
met de ontwikkeling van de arbeidsproduktiviteit in de exportsectoren. Het
probleem van de lopende exportprijzen
is opgelost door voor 1979 geen gebruik
te maken van exportwaarden maar van
exporthoeveelheden. Per land is hetaantal arbeidsplaatsen verbonden aan de
gee’xporteerde hoeveelheden in 1979
proportioneel afhankelijk gesteld van de
gee’xporteerde hoeveelheden in 1977.

a

i

a;

4 82
(9.28)
5,28
(12,35)

(8,45)
0,51
(7,84)

R2

F-waarde

0,75
0,75

Toelichting: De t-waarden staan tussen haakjes. De textielsector is gedefinieerd als 1S1C 321,de kledingsector als IS 1C 322.
Bronnen: Verenigde Naties, Yearbook of induslrialstalislics, verscheidenejaren; Wereldbank, Worldtables—thesecondedition,
1980; IMF, International financial statistics, jg. XXXIV, nr. 4, 1981.

474

bedraagt als ongewogen gemiddelde
voor de textielsector 3,73 procent en

van kleding, Hongkong en Zuid-Korea,
gaven in 1979 de grootste daling van hun

Tabel 2. Schattingsresultaten voor de relatie In O/E= a, + a2 h BNPp/h + u

Kleding ………………………….

riode 1970-1977 of voor een kortere pe-

import als van de kledingimport afgenomen. India, de belangrijkste expor-

In 2_ = a, + a2 In BNP P/h + u
E

Sector

kledingsector beschikbaar voor de pe-

en 4. De export van textiel- en van kledingprodukten naar de EG verschafte in
1979 aan respectievelijk 329.000 en
572.000 mensen in ontwikkelingslanden
werk. In twee jaar tijd is de werkgelegen-

2) H. F. Lydall, Trade and employment,

ILO, Geneve, 1975, hoofdstuk 4.

3) Om een andere reden dan de beschikbaarheid van gegevens zijn de waarnemingen voor
de textiel- en kledingsector in Kenya en voor
de kledingsector in Turkije niet in de schat-

tingen opgenomen. Ten opzichte van het BNP
per hoofd is de gemiddelde produktiviteit in
de textiel- en kledingsector in Kenya uitzonderlijk laag, terwijl voor de kledingsector in
Turkije het omgekeerde geldt. De in de regressie-analyse opgenomen landen zijn: Bangladesh, Colombia, Cyprus, Dominicaanse

Republiek, Equador, El Salvador, Hongkong,
India, Indonesie, Zuid-Korea, Mexico, Filip-

pijnen, Singapore, Tunesie, Turkije en Uruguay. De ,,output-employment”-ratio’s hebben doorgaans uitsluitend betrekking op ondernemingen met meer dan 10 werknemers.
4) Een arbeidsplaats heeft betrekking op de
eenheid arbeid die gemiddeld een jaar ingezet
wordt bij de produktie, ,,other than working
proprietors, active business partners, unpaid
family workers and homeworkers”. Zie: Verenigde Naties, Yearbook of industrial statistics, 1978 edition. New York, 1980.
5) Gegevens over BNP per hoofd zijn ontleend aan: Wereldbank, World tables – Tlie
second edition (1980), Washington, 1980.
6) De deflators voor de industriele sector
(ISIC 3) zijn berekend uit: Wereldbank, op.
cit., Series I, Economic data sheet 1: population, national account, and prices.

held in de textielsector met 47.000 arbeidsplaatsen toegenomen, of wel met

Tabel 3. Export van textiel uit ontwikkelingslanden naar de EG, in Amerikaanse

dollars en hoeveetheden. en de daaraan verbonden .directe werkgelegenheid in

jaarlijks 8,0 procent. In de kledingsector
bedroeg deze toeneming 117.000 ar-

ontwikkelingslanden, 1977 en 1979

beidsplaatsen, dat is jaarlijks 12,2 procent. De totale verandering van de werkgelegenheid in exportindustrieen van

Landen

Export in
I X 1.000
1977

Export in
metrieke
tonnen
1977

Volumeaandeel in
procenten

Export in
metrieke
tonnen
1979

Volumeaandeel in
procenten

1979 is toe te schrijven aan een stijging

26.710

Het gemiddelde niveau van de arbeidsproduktiviteit in de kledingsector van
Zuid-Korea, Hongkong en Singapore
ligt boven het gemiddelde niveau van die
sector in ontwikkelingslanden die kledingprodukten op de markten van de

7,1

1979

6,8

53 244

38.433
32.185
131.168

9.530
4,3
17,5

34.762
9.282
5.495

6,3
32.293

180.878

57.388

4,3
9,5

43 942
87.443

exporteurs ….. 1384.237
Totaal alte ontwikkelingslanden . . 2066.025

481.722

79,3

581.519

procent toegenomen. Het negatieve

naar de EG zijn veranderd. Het aandeel
van de landen met een gemiddeld lagere
arbeidsproduktiviteit in de kledingindustrie was in 1979 groter dan in 1977.

51.277

5,6
6,0

149.905

van textiel- en van kledingprodukten is
werkgelegenheidseffect ten gevolge van

7,3

34.120
36.674

plaatsen a)

10.230

jaarlijks met respectievelijk 11,1 en 11,5

de verbetering van de arbeidsproduktiviteit in de kledingindustrieen is meer dan
gecompenseerd door het positieve werkgelegenheidseffect dat is opgetreden
doordat de aandelen van diverse ontwikkelingslanden in de totale kledingexport

44.085

123.269

van het totale exportvolume, de verandering van de arbeidsproduktiviteit en
een verandering in de aandelen van de
exporterende landen. Het exportvolume

Werkgelegenheid
in arbeids-

plaatsen a)
1977

ontwikkelingslanden in de periode 1977-

Werkgelegenheid
in arbeids-

Totaal belangrijkste
607.511

100

750.156

77,5
100

215.805

246.592

282.400

329.215

Bron: OECD, Trade by commodities, market summaries : imports, Serie c, Parijs, verscheidene uitgaven.
a) Bij de berekening van de waarde van de exportproduktie in ontwikkelingslanden is gebruik gemaakt van OECD-importstatistieken. Deze import statistic ken zijn gebaseerd op c.i.f.-waarden. Dientengevolge treedt een overschatting van het
werkgelegenheidseffect van export op van circa 10 procent. Zie: A. J. Yeats, Trade barriers facing developing countries
commercial policy measures and shipping, Londen, 1979, biz. 90.

Tabel 4, Export van kleding uit ontwikkelingslanden naar de EG, in Amerikaanse
dollars en hoeveelheden, en de daaraan verbonden directe werkgelegenheid in
ontwikkelingslanden, 1977 en 1979
Landen

Export in
J X 1.000
1977

EG aanbieden.

Export in
metrieke
tonnen
1977

Export in

Volume-

metrieke
tonnen
1979

aandeel in
procenten

Werkgelegenheid
in arbeids-

Werkgelegenheid
in arbeids-

plaatsen a)
1977

Volume-

aandeel in
procenten

plaatsen a)

1979

Uit de berekeningen volgt dat, gegeven
de marktaandelen van alle exporterende

landen in 1979 en gegeven de gewogen
gemiddelde stijging van de arbeidsproduktiviteit in alle exporterende landen,
de import van textiel- en van kledingprodukten in de EG met jaarlijks respectievelijk 3,1 en 1,6 procent moet toenemen om
de werkgelegenheid in de exportindustrieen in ontwikkelingslanden op het
niveau van 1979 te houden. Een lagere

groei van de invoer leidt derhalve tot een
absolute daling van de werkgelegenheid
in de exportindustrieen in ontwikkelingslanden.

1122.947

97.894

37,1

Zuid-Korea ……

524.524

47.969

18,2

Marocco ……..

59.205

4.774

1,8

28.433
1 19.570
17.312
52.945

8,7
36,4
5,3
16,1

7.084
9.425

2,2
2,9
2,9

3,2
151.690
Totaal belangrijkste
exporteurs …..
Totaal alle ontwikkelingslanden . .

233.630

3056.831

263.967

64.664

62.377

12.168
33.292

17.695

11.139

2659.330

100.496

33.368

88,5
100

285.986
328.179

87,2
100

392.891

477.206

454.419

571.782

Bron: OECD, Trade by commodities, market summaries : imports, Serie c. “Parijs, verscheidene uitgaven.
a) Zie voetnoot bij tabel 3.

Aanvullende opmerkingen

De berekeningen van het werkgelegenheidseffect van de exportproduktie zijn
gebaseerd op gemiddelde ,,output-employment “-ratio’s van textiel-enkledingsectoren in de landen die naar de EG exporteren. Het hanteren van deze gemiddelde ratio’s kanleiden tot over-ofonderschattingen van het werkgelegenheidseffect van export wanneer het produktieassortiment voor de exportmarkt afwijkt
van het produktassortiment voor de binnenlandse markt en de bij de vervaardiging van deze assortimenten gebruikte
technieken afwijken in arbeidsproduktiviteit. Balassa en Kreuger hebben aangetoond dat het gebruik van ,,output-employment “-ratio’s die betrekking hebben
op een geaggregeerd produktassortiment
leidt tot onderschatting van het negatieve
werkgelegenheidseffect in ontwikkelde
ESB 5-5-1982

landen van invoerpenetratie door ontwikkelingslanden. Het produktassortiment dat uit ontwikkelingslanden
wordt gei’mporteerd, blijkt een lagere

fecten van internationale handel komt
voort uit verschillen tussen de arbeidsproduktiviteit in exporterende bedrijven
en bedrijven producerend voor de bin-

,,output-employment”-ratio te hebben

nenlandse markt. Voor zowel ontwikkel-

dan dat van het gemiddelde assortiment
dat in de ontwikkelde landen wordt
voortgebracht 7). Daaruit mag echter
niet worden geconcludeerd dat ook in het
exporterende ontwikkelingsland het geexporteerde produktassortiment een lagere ,,output-employment”-ratio heeft
dan dat van het gemiddelde assortiment

de als ontwikkelingslanden geldt dat exportproduktie meer is geconcentreerd in

van deze landen. De afwezigheid van internationaal gestandaardiseerde meer
gedesaggregeerde produktiestatistieken

maakt het onmogelijk hier algemeen geldende uitspraken over te doen.

Een tweede oorzaak van mogelijke
overschatting van werkgelegenheidsef-

grootschalige bedrijven dan de produktie
voor de binnenlandse markt. Grootschalige bedrijven produceren met een hogere ,,output-employment”-ratio, hetgeen
7) B. Balassa, Tlie changing international division of labor in manufactured goods, World
bank staff working paper, nr. 329, Washington, 1979; A. D. Kreuger, LDC manufacturing production and implications for OECD
comperative advantage, in: 1. Leveson en
J. W. Wheeler, Western economies in transi-

tion: structural change and adjustment policies in industrial countries. Boulder, 1980.
475

leidt tot een overschatting van het werk-

de handel, zoals een verhoging van de

gelegenheidseffect van de export.
Het verband tussen bedrijfsomvangen
hebben wij geschat op basis van gegevens
voor vijf belangrijke exporterende ontwikkelingslanden (Zuid-Korea, Taiwan,

produktiviteit door verbetering van de
kwaliteit van management en arbeid en
de verspreiding van technologische kennis. Deze indirecte effecten op inkomen
en werkgelegenheid in de rest van de
economie zijn onderling sterk verweven:

Singapore, Hongkong en Maleisie). Er

de realisering van het ene effect is af-

blijkt een positief significant verband te
bestaan tussen de bedrijfsomvang en de
mate waarin de ,,output-employment”ratio in een bedrijfsklasse afwijkt van

hankelijk van de omvang en de doorwerking van een ander effect. De mate
waarin de indirecte effecten worden gerealiseerd, wordt bepaald door de aard
en de organisatie van de exportproduktie, de structuur van de economie en de
gevoerde economische politick. De belangrijkste factor die de indirecte effecten kan reduceren bestaat uit het totale
,,importlek” van de exporterende economie: de directe en indirecte import die
nodig zijn om de toeneming van de export te produceren, alsmede de toe-

arbeidsproduktiviteit in de Industrie

de gemiddelde ,,output-employment”ratio in de industrie. De gemiddelde bedrijfsomvang in de industrie in ontwikkelingslanden is kleiner dan 100 werknemers. Wanneer wij er vanuit zouden
gaan dat exportproduktie uitsluitend
plaatsvindt in grootschalige bedrijven

met 500 werknemers, dan volgt dat de
werkgelegenheid verbonden aan exportproduktie 15 procent kleiner is dan de
hiervoor gevonden waarden die op basis
van de gemiddelde arbeidsproduktiviteit
in de industrie zijn berekend. Te zamen
met de overschatting ten gevolge van het

hanteren van importstatistieken die zijn
gebaseerd op c.i.f.-waarden (zie de toelichting bij label 3) leidt dit tot een overschatting van circa 25 procent van de

werkgelegenheidseffecten van export in
ontwikkelingslanden.

neming van de import van consumptiegoederen als gevolg van het gestegen inkomen.
Dit ,,importlek”is een structured kenmerk van een economic. Wanneer de industriele export van een ontwikkelingsland geproduceerd wordt in een van de

rest van de economie gei’soleerde sector
die geheel afhankelijk is van gei’mpor-

teerde inputs, zoals bij voorbeeld het ge-

Tot slot willen wij nog ingaan op het

val is bij de zogenaamde ,,export processing free zones”, zijn de indirecte effecten

optreden van werkgelegenheidseffecten

gering. Wordt daarentegen de export

die buiten het kader van de hier gepresenteerde berekeningen vallen. Deze berekeningen hebben alleen betrekking op
directe werkgelegenheidseffecten, maar
voor een economic kan een toeneming
van de industriele export eveneens in-

geproduceerd in een evenwichtig opgebouwde industriele sector, dan zijn de
indirecte effecten voor de binnenlandse
economie omvangrijker. In landen als
Zuid-Korea, Hongkong en Singapore
bedragen de indirecte effecten van de tex-

directe effecten hebben op inkomen en

tielexport op de produktie en werkgelegenheid naar schatting niet meer dan
een kwart van de omvang van de directe

triele produkten zoals textiel en kleding
kan een bijdrage leveren aan de verlichting van het werkloosheidprobleem in
ontwikkelingslanden. Dit geldt met
name voor een aantal kleine en dichtbevolkte Aziatische landen waar de industriele werkgelegenheid in relatief hoge
mate afhankelijk is van exportmogelijkheden van de industrie.
De exportmogelijkheden naar de
markten van de hoogontwikkelde landen zijn verkleind door een afname van
de groei van de vraag en door een restrictieve handelspolitiek, die vooral de exportmogelijkheden van ontwikkelingslanden beperkt. Sinds 1977, bij de eerste
verlenging van het multivezelakkoord,
heeft de EG een restrictief beleid gevoerd.
Het ziet er naar uit dat bij een tweede verlenging van het akkoord het beleid nog
restrictiever zal worden. De EG kiest
voor bescherming van de Europese
textiel- en kledingindustrie ten koste van
de industriele exportmogelijkheden van
ontwikkelingslanden.
Onze analyse geeft aan dat de volumeexport van alle ontwikkelingslanden te
zamen voor alle textiel- en kledingprodukten in totaal met respectievelijk
3,1 en 1,6 procent per jaar moet toenemen om de directe werkgelegeheid,
verbonden met de export naar de EG,
op het niveau van 1979 te houden.

werkgelegenheid. In de eerste plaats induceert een vergroting van de produktie
in exportindustrieen inkomen en werkgelegenheid in andere sectoren van de
economic wanneer deze sectoren intermediaire produkten leveren aan de ex-

portindustrieeen. Ten tweede vergroot
het inkomen dat verdiend wordt in de exportindustrieen en de binnenlandse toeleveringsbedrijven, bij besteding op de
binnenlandse markt via de werking van
de keynesiaanse multiplier opnieuw het
inkomen en de werkgelegenheid. Ten

derdeverzachteenstijgingvandeexportopbrengsten de ,,foreign exchange bottleneck” en maakt de import van strategische produkten mogelijk. Het proces
van economische ontwikkeling wordt
ernstig belemmerd wanneer een ontwikkelingsland niet in staat is die kapitaal-

goederen en intermediaire produkten te
importeren die nodig zijn omonderbezetting van het produktie-apparaat te vermijden en die onmisbaar zijn om nieuwe
economische activiteiten te ontwikkelen.
Voor ontwikkelingslanden die een nijpend tekort aan buitenlandse deviezen

effecten. De indirecte effecten van de export van kledingprodukten in deze landen bedragen nog minder, naar schatting
een vijfde van de directe effecten 9).

Wordt de export van textiel- en kledingprodukten echter geproduceerd in een
,,gei’ntegreerde” industriele sector en niet
in een ,,free zone”, dan zijn de indirecte
effecten op de produktie en werkgelegenheid veel aanzienlijker; voor Brazilie bij
voorbeeld werden de indirecte effecten
geraamd op ten minste 200 procent van
de directe effecten 10).
In deze voorbeelden is nog geen rekening gehouden met een additionele werking van de multiplier en met de economische betekenis van het verzachten van
de ,,foreign exchange bottleneck”. De
betekenis van deze effecten wordt bepaald door de mate waarin binnenlandse
toeleveringsbedrijven betrokken worden
bij de exportproduktie en van de gevoerde economische politick ten aanzien van
de besteding van de deviezenopbrengsten.

kennen, kan de export dan zelfs een
,,superengine of growth” worden 8).
Ten slotte kan nog gewezen worden op
het optreden van dynamische schaaleffecten als gevolg van een uitbreiding van
476

Besluit
De export van arbeidsintensieve indus-

Pitou van Dijck

Harmen Verbruggen

8) Zie: S. B. Linder, Trade and trade policy
for development. New York, 1967, biz. 50.

9) Gebaseerd op S. Watanabe, Exports and

employment: the case of the republic of Korea,
in: International Labour Review, jg. 106,1972,
1LO, Geneve, biz. 495-526; Tzong-biau Lin en
Mei-chiang Lin, Export and employment in
Hong Kong, in: Tzong-biau Lin, R. P. L. Lee,
en U. Simonis, Hong Kong-economic, social
and political studies in development, Hamburg, 1979; Singapore input-output tables
1973, Department of statistics, Singapore,
1978.
10) Gebaseerd op: W. G. Tyler, Manufactured export expansion and industrialization
in Brazil, Tubingen, 1976.

Auteurs