Ga direct naar de content

Het mkb in 1993 en verder

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: januari 14 1993

Het mkb in 1993 en verder
J. Bais, H.J. Heeres en W.H.J. Verhoeven*

N

adat deproduktiegroei van bet midden- en kleinbedrijf (mkb) in 1992 al sterk
was afgezwakt tot 1,5%, zal de groei van bet mkb in 1993 verder vertragen tot
minder dan 1%. Voor volgendjaar is een groei van 2,5% haalbaar. Het mkb zal
daarmee minder groeien dan bet grootbedrijf. Er zijn een aantal zaken die op de
ontwikkeling in bet mkb inwerken. Naast de structuur en vitaliteit van bet mkb zelf
zijn dit de (inter)nationale conjunctuur en bet overheidsbeleid met betrekking tot
bet mkb.

De positie van het mkb
Het mkb vormt een belangrijk segment van onze
economic1. De volgende cijfers illustreren dit. Het
mkb telde per 1 januari 1992 459.000 bedrijven, terwijl binnen het particuliere bedrijfsleven het grootbedrijf maar circa 6.000 ondernemingen telt. Belangrijker is dat het mkb zorgt voor bijna twee miljoen
volledige banen (1992), waardoor 37% van de arbeidsjaren te vinden is binnen de muren van het
mkb; het mkb is daarmee een omvangrijkere werkgever dan het grootbedrijf (aandeel 27%). De produktie van het mkb bedroeg vorig jaar/ 151 miljard.
Het mkb levert daarmee een zelfde bijdrage als het
grootbedrijf in het nationaal inkomen, namelijk 30%.
Het mkb investeerde vorig jaar voor bijna / 22 miljard en neemt daarmee 28% van de rationale investeringen voor zijn rekening. Ook hier doet het mkb
nauwelijks onder voor het grootbedrijf2. Naast de
investeringen werd ook nog eens voor/ 4 miljard
geleased. De kwalitatieve betekenis van het mkb in
de economic is in feite nog belangrijker dan uit bovenstaande cijfers naar voren komt. Al jaren creeert
het mkb de meeste werkgelegenheid. Verder zorgt
het mkb voor vers bloed in ondernemersland. Sinds
1988 gaan jaarlijks gemiddeld 35.000 nieuwe ondernemers van start3.

nauwelijks onder voor het grootbedrijf. Wel verschilt
de samenstelling van de investeringen. Het grootbedrijf investeert veel meer in outillage. Binnen het
mkb hebben deze een aandeel van circa 45% tegenover 70% in het grootbedrijf. De investeringen in
transportmiddelen en gebouwen maken beide ongeveer een kwart van de mkb-investeringen uit. In het
grootbedrijf zijn deze aandelen veel lager. Ofschoon
de sectorstructuur hieraan mede debet is, vinden we
dit beeld ook terug binnen de meeste sectoren.
Wordt naar de S&O-uitgaven gekeken, dan lijkt
het vernieuwingspotentieel van het mkb gering. Van
de mkb-bedrijven tussen tien en honderd werknemers verricht slechts 25% S&O-inspanningen, of laat
deze verrichten, terwijl in het grootbedrijf 71% van
de bedrijven dergelijke inspanningen verrichten. In
de industrie liggen deze percentages overigens iets
hoger. Voor zover echter bedrijven in het mkb S&Oinspanningen leveren, besteden zij hier iets meer
dan 7% van het aantal arbeidsjaren binnen de onderneming aan, terwijl dit in bedrijven tussen de honderd en 500 werknemers niet meer dan 3% is.
Het vernieuwingspotentieel van het mkb is echter hoger dan de cijfers suggereren. In kleine ondernemingen wordt veelal ook op Jnformele wijze aan
produkt- en procesvernieuwingen gewerkt, terwijl
het mkb met de beschikbare middelen efficienter
omspringt dan het grootbedrijf. Recentelijk is geme-

De vitaliteit van het mkb
Dynamiek van het bedrijfsleven vloeit mede voort
uit de vernieuwingsdrang in bedrijven. De innovativiteit kan gemeten worden door te kijken naar de omvang van de investeringen. Deze bepaalt in hoeverre
technologische vooruitgang kan doordringen in het
bedrijfsleven. Ook kunnen de inspanningen op het
gebied van speur- en ontwikkelingswerk (S&O) worden bezien, omdat die idealiter tot nieuwe produkten en marktvernieuwingen leiden. Ook kan rechtstreeks gekeken worden naar de resultaten van de
vernieuwingsinspanningen.
In 1992 werd in het mkb per/ 100 produktie
voor/ 17,50 gei’nvesteerd. Het mkb doet hiermee

* De auteurs zijn werkzaam bij het Economisch Instituut
van het Midden- en Kleinbedrijf (EIM) te Zoetermeer. Zij
danken J.A. van Dijken, J.W. van Elk en A.R.M. Wennekers
voor hun waardevolle commentaar.
1. Tot het mkb worden alle particuliere bedrijven gerekend met winstoogmerk buiten de landbouw en de gezondheidszorg met minder dan 100 werknemers. Tot het
grootbedrijf behoren dan de particuliere bedrijven met
meer dan 100 werknemers.
2. EIM, Kleinschalig ondernemen, Zoetermeer, 1992; en
ook EIM/RMK, Het midden- en kleinbedrijf in de nationale economic, Den Haag, 1992.
3. EIM, Demografie van ondernemingen; de dynamiek in
het ondernemingenbestand sedert 1983; enkele achtergronden en gevolgen, Zoetermeer, 1992.

ten dat van de ruim 6.000 in 1989 in Nederland ge’introduceerde innovaties 25%
afkomstig is uit bedrijven met minder
dan tien werknemers. Minder dan 15%
blijkt afkomstig te zijn uit bedrijven met
meer dan 500 werknemers . De werkelij-

ke vernieuwingsdrang van het mkb blijkt

Duits- Belgie Frank-

Sector

land

Lux.

rijk

Industriele goederen
Ruwe landbouwprod.
Delfstoffen/aardgas
Totaal goederenexport

26
34
46
28

15
9
18
15

11
12
11
11

Totaal MKB-export

39

23

rest
EG

totaal
EG

24
26

76
82

16
23

91
77

10

79

VS

rest

Totaal*

20

15
8
18

100
100
100
100

19

100

Can.
6
3
1
5

dus niet zozeer uit de S&O-input, maar

uit de innovatie-output.

In discussies over de concurrentiepo* Door afrondingsverschillen komen de totalen niet steeds op 100 uit.
sitie en groeipotentie van het NederlandBron: EIM op basis van CBS en ABN Amro, op.cit., 1991.
se bedrijfsleven wordt vaak naar voren
gebracht dat in ons produktiepakket het
Tabel 1.
zijn , zodat het mkb belangrijke exportkansen laat
accent te veel ligt op bulkprodukten en andere techliggen. Dit heeft vooral te maken met tekortschieten- LandenoriSnnisch laagwaardige goederen en diensten . De onzede kennis over buitenlandse markten en afnemers. tatie van de
kere Internationale afzetperspectieven voor deze
Nederlandse
De groothandel is de enige sector waar het mkb
goederen, mede door de toenemende concurrentie
goederenexmeer exportgericht is dan het grootbedrijf doordat port vergelevan nieuwe industrielanden, zouden op den duur
het mkb een aantal specifiek op export gerichte
een gevaar kunnen betekenen voor de economische
ken met die
handelshuizen kent.
van de totale
groei. Beide soorten goederen hebben bovendien
export van
een relatief lage toegevoegde waarde en een lage
bet mkb.
Landenorientatie
groeipotentie. Een eerste globale becijfering van het
In het licht van de recente valuta-onrust en de mogeEIM leert dat bij het mkb, nog meer dan bij het grootlijke recessie in de Bondsrepubliek vormt de landenbedrijf, de nadruk ligt bij de ‘low tech’-goederen.
orientatie een belangrijk thema. Tabel 1 geeft een
Van de mkb-afzet kan twee derde als low tech wor-

den aangemerkt, tegen 55% van het grootbedrijf.

beeld van de totale Nederlandse export naar goede-

Slechts 6% is als technisth hoogwaardig aan te merken, tegen 17% in het grootbedrijf. Alleen bij medium tech ontlopen mkb en grootbedrijf elkaar niet.

rensoorten en van de totale mkb-export. Van de in-

dustriele goederenexport gaat 52% naar de kernlanden van het EMS (Duitsland, Belgie/Luxemburg en

Conjunctuurcyclus

6% gaat naar de VS en Canada en slechts 1% naar Ja-

Mkb en grootbedrijf vertonen ieder een eigen specifieke dynamiek in de conjunctuurcyclus. Dit hangt
samen met de sectorstructuur en de orientatie op het

rele dal klimt, krijgen allereerst de door het grootbedrijf gedomineerde basisindustrieen positieve impulsen. Deze sectoren zijn sterk exportgericht. Zet het

pan. Bij de landbouw en de delfstoffenwinning is de
orientatie op de EG nog hoger. Het mkb zoekt de afnemers dichter bij huis. Van de mkb-export gaat
naar schatting 70% naar de kernlanden van het EMS
en slechts 10% naar de overige EG-landen. Het toch
nog relatief hoge aandeel van de niet-EG-landen bij
de exportorientatie van het mkb is het gevolg van de

herstel door dan volgen toeleverende bedrijven in

specifieke handelshuizen die zich ofwel op specifle-

de Industrie en dienstverlening en kort daarop de op

ke produkten dan wel op specifieke landen richten.

Frankrijk) en 24% naar de andere landen van de EG;

buitenland. Wanneer de economic uit het conjunctu-

investeringsgoederen georienteerde sectoren. Deze

De export van voedings- en genotmiddelen en

laatste twee categorieen zijn doorgaans wat kleinschaliger, zodat het mkb in deze fase van de opleving begint te profiteren. Als laatste profiteren de
consumentgerichte sectoren van de opleving van de
economic. Hier heeft het mkb traditioneel een sterke
positie. Door dit faseverschil loopt het mkb in een
economische herstelperiode altijd achterop.

metaalprodukten heeft relatief de meeste last van de
valutacrisis. De export van delfstoffen, chemie en
overige industriele produkten heeft relatief de meeste last van de conjuncturele teruggang in Duitsland.
Het mkb heeft wat minder last van de duurder wordende gulden, maar des te meer van de zwakke
vraag in Duitsland. Ook is de concurrentie groter geworden met derden op de mkb-relevante markten.

De marktstructuur van het mkb
Een van de belangrijkste verschillen tussen het mkb
en het grootbedrijf betreft de marktorientatie. Het

Nederlandse mkb richt zijn verkoopactiviteiten veel

4. Zie A.H. Kleinknecht, J.O.N. Reijen, W. Smits, Een inno-

meer dan het grootbedrijf op binnenlandse afnemers. Daarbij spelen, de intermediaire leveringen via
toeleveringen en dienstverlening de hoofdrol. Daarnaast is het mkb meerconsumentgericht dan het
grootbedrijf. Ongeveer 20% van de mkb-afzet vindt
zijn weg over de grenzen.
Exporterende sectoren worden meestal gedomi-

ste resultaten, Beleidsstudies Technologic Economic, nr.
21, Den Haag, 1992.
5. In high tech-sectoren speelt de technologiewedloop een
belangrijke rol in de concurrentieverhoudingen. Basisinnovaties zijn hier cruciaal voor produktinnovatie.
6. Zie hiervoor het door het EIM in opdracht van de ABN

neerd door grootbedrijven. Dit is bij voorbeeld het
geval bij de chemie. Blijkens onderzoek zou de export van het mkb echter circa 20% hoger kunnen

ESB 13-1-1993

vatie-output meting voor Nederland; de methoden en eer-

Amro Bank uitgevoerde onderzoek Met kracht naar het
buitenland, Amsterdam, 1991, alsmede J.W. van Elk,
M.H.W.M. Hendriksen en MJ. Overweel, De onbenutte exportmogelijkheden van het MKB, ESB, 14 augustus 1991,
biz. 812 e.v.

Ontwikkelingen in binnen- en buitenland
Na de aanvankelijke optimistische geluiden over een
optredend herstel in de tweede helft van 1992, sloeg

de stemming in de nazomer vrij abrupt om. Het herstel in de Verenigde Staten bleef uit, terwijl in de EG
mede door de perikelen rond de goedkeuring van
het Verdrag van Maastricht grote spanningen rond
de onderlinge valutaverhoudingen ontstonden. Spanje en Portugal werden tot devaluatie gedwongen, terwijl het Verenigd Koninkrijk en Italic (tijdelijk) het
EMS verlieten. Ook landen buiten de EG, zoals Zweden en Finland moesten afhaken. De rust op het valutafront is nog steeds niet hersteld. Mede door de
blijvend hoge rente in Duitsland staat ook de Franse
frank nog regelmatig onder druk. Blijkens prognoses
van het CPB en de OESO wordt in Europa eerst in
de tweede helft van 1993 een herstel voorzien7. De
groei van een aantal Europese landen zal dit jaar
zelfs nog lager uitkomen dan vorig jaar. Zo zal de
Duitse economic volgens de laatste inzichten hooguit met 1% groeien. Eerst in 1994 zal een duidelijk
herstel optreden.
Ofschoon de groei van de Nederlandse economie te lijden heeft van de Internationale conjunctuur,
ligt deze tot dusverre hoger dan in veel andere EG-

landen. De conjunctuurindex uit de Barometer Ondernemerschap laat zien dat momenteel de conjunctuur zich in Nederland, na een forse groeivertraging
in de loop van 1991, op een lager niveau bevindt
dan in voorgaande jaren(zie figuur 1) . Van een verdere verslechtering was in 1992 echter geen sprake8.
Zowel CPB als OESO verwachten voor 1993
slechts een groei van het bnp met 1,25%. Dit is een-

zelfde groei als vorig jaar werd gerealiseerd. De export, tradteoneel de trekker van de Nederlandse economic, groeit maar met 2% tegen 2,5% vorig jaar. De
voor ons land zo belangrijke Duitse markt groeit amper, terwijl door de duurdere gulden de concurrentiepositie van de Nederlandse export in veel andere landen aanmerkelijk is verslechterd. De gulden is sinds
September ten opzichte van onze concurrenten circa
6% in waarde gestegen. Met name de export naar de

Figuur 1. De conjunctuurindex van de Barometer
Ondernemerscbap
106

104

91

92

ele overheidsconsumptie. Daarnaast leidt de duurdere gulden ertoe dat bedrijven ook op de binnenlandse markt terrein verliezen aan buitenlandse concurrenten.

In 1994 wordt een verbetering voorzien. De
OESO acht een bnp-groei van 2,5% haalbaar, het
CPB komt niet verder dan 2%. Het verschil hangt

samen met de verwachte loonontwikkeling. Het CPB
gaat uit van een versterkte loonmatiging (loonvoet

1,75%) waarbij de koopkracht daalt, terwijl de OESO
uitgaat van een zelfde loonvoetstijging als in 1993

(ruim 4%), zodat koopkrachtverbetering mogelijk is.
De consumptieve bestedingen groeien in het CPBscenario zelfs minder dan in 1993. Bij de OESO-raming kan door de verbeterde koopkracht naast de

export ook de particuliere consumptie als motor van
groei fungeren. In beide visies gaat het bedrijfsleven

in 1994 onder invloed van de verbeterde vooruitzichten en lagere rentestanden meer investeren.

Het mkb in 1992-1994
Tegen deze achtergrond zal het afzetvolume van het
mkb naar verwachting dit jaar slechts 0,75% stijgen,

een halvering ten opzichte van 1992, zie label 2.

fen, juist landen waar ons land de laatste tijd het

Voor volgend jaar is een herstel mogelijk tot 2,5%
(OESO-scenario) of 2,25% (CPB-scenario), maar de
verwachte groei blijft nog steeds ver achter bij de

marktaandeel had weten te vergroten. In het binnen-

groei in de tweede helft van de jaren tachtig, toen de

land zal de groei nog lager zijn. De particuliere consumptie neemt met 1,75% toe. De bedrijfsinvesteringen, zowel die in machines als in bedrijfsgebouwen,

afzet jaarlijks met 5% groeide. In de gehele periode

VS, het VK en Spanje wordt hierdoor zwaar getrof-

Tabel2.
Afxetontwikkeltngen
in bet mkb in
1992-1994

nemen door de minder gunstige perspectieven af.
Ook de woningbouw loopt terug evenals de materi-

1992

1993

1994a

1,25
-1,75
1,5
1,25
1

3
0

Overige dienstverlehing

1,25
0,5
1,5
1,25
1,5
2

1,5

3
2,5
3
3

Totaal mkb

1,5

0,75

2,5

Industrie
Bouwnijverheid
Groothandel

Detailhandel
Vervoer

a. OESO-scenario; b. CPB-scenario.

1994b

3
0
2,75
1
2,75
2,25
2,25

1992-1994 blijft de groei van het mkb achter bij die
van het grootbedrijf. Het verschil is het grootst in het
hersteljaar 1994. Voor het grootbedrijf is dan een
groei van 3,5% haalbaar.
Bij het economische herstel loopt, zoals hiervoor

geschetst, het mkb niet voorop. In het CPB-scenario
blijven, mede door de loonmatiging, de op de consument gerichte mkb-sectoren ver achter. In het OESOscenario is wel sprake van koopkrachtverbetering,
7. Zie CPB, Tussenrapportage over de Nederlandse Economie, Den Haag, november 1992; en OESO, OECD Econo-

mic Outlook, nr. 52, Parijs, december 1992.
8. De Barometer Ondernemerscbap wordt elk kwartaal
door het EIM samengesteld op basis van macro-economische realisatiegegevens, verwachtingen van ondernemers
en vertrouwensindicatoren.

waardoor het groeiverschil met het grootbedrijf geringer zal zijn. Het ligt in de lijn der verwachting dat
na 1994 het groeiverschil tussen grootbedrijf en mkb
weer zal afnemen.
Voor de industriele sectoren is het mogelijk de invloed van de landenorientatie op de exportprestatie

nader te bekijken. De recente valuta-onrust binnen
het EMS treft het mkb minder dan het grootschalige

bedrijfsleven door de sterkere orientatie op de landen die tot de kern van het EMS worden gerekend.

Wel geven exportrealisaties van voor de valutacrisis
in het afgelopen jaar aan dat de EMS-partners die
nun valuta devalueerden, belangrijke groeimarkten
waren voor Nederlandse produkten (exportgroeicijfers overtroffen soms de 10%). Het mkb wordt daarentegen in sterkere mate getroffen door de afzwakking van de groei in Duitsland. Op dit moment

1993

1992
Volume afzet
1,5
Volume binnenlandse afzet 1

1994a
2

Volume export

3

0,75
a,5
• -2,25… .

Nominate winst

0,25

, .

Werkgelegenheid
(arbeidsjaren)
Volume investeringen

-3

0,75

1

.” • ‘ . –

2,5

1994b

475
v– -.7

2,25
1,5
5
7

Oj75
2,75

0,5
2,75

0,25
-2,25

a. OESO-scenario; b. CPU-scenario.

van de kernlanden van het EMS zijn er ook in Belgie

zou mogen worden. Het mkb zorgt in de beschouw- Tabel 3. Kerngegevens mkb
de periode voor de grootste creatie van werkgele1992-1994
genheid. In arbeidsjaren is het aandeel in de groei
zelfs bijna 75%. Bij de grote bedrijven is in 1992 en
1993 sprake van een daling van de werkgelegenheid. Alleen in de niet-particuliere sector neemt de
werkgelegenheid eveneens toe. In de kleinschalige
bouwnijverheid wordt voor alle jaren uitgegaan van
een verlies van arbeidsplaatsen; in het industriele

en Frankrijk dit jaar weinig mogelijkheden voor een

mkb alleen voor 1993- In de andere sectoren zal de

duidelijk herstel. De volumegroei van de export van

werkgelegenheid in de periode 1992-1994 wel kunnen toenemen.
De investeringen van het mkb hebben in de periode 1992-1994 een hectisch verloop. In het afgelopen jaar stonden de investeringen binnen de Nederlandse economic sterk onder druk als gevolg van de

vertoont de Duitse economic kenmerken van een recessie, waardoor de invoervraag maar weinig zal

groeien. Door de sterke economische vervlechting

het mkb zal dit jaar blijven steken op 2,25%. Voor
volgend jaar zijn er betere vooruitzichten.

Het afgelopen jaar stagneerden de winsten in het
mkb. Dat kon vooral toegeschreven worden aan de
matige afzetgroei en de sterk oplopende kosten,
vooral de loonvoet (+5,5%). Voor 1993 wordt door
de magere afzetgroei amper winstherstel verwacht.

Eerst in 1994 mag onder invloed van het algehele
herstel weer een aanmerkelijke winstgroei worden
verwacht. In beide scenario’s wordt de winstgroei
geschat op 7%. In het OESO-scenario stijgt weliswaar de loonvoet aanmerkelijk meer dan in het CPBscenario, maar de invoerprijzen stijgen minder. In

conjuncturele tegenwind. De sterkste dalingen in het
mkb konden worden opgetekend bij metaal- en
bouwbedrijven. Voor 1993 wordt uitgegaan van een
stagnatie op het niveau van 1992. Herstel zal zich
pas in 1994 aandienen. Vooral in de industriele sectoren zullen dan sterke kapitaaluitbreidingen kunnen
plaatsvinden. De investeringen van het mkb blijven
in de hele periode achter bij die in het grootbedrijf.

1992 en 1993 is de winstontwikkeling van het mkb
gunstiger dan in het grootbedrijf, waar de winsten

Mkb en beleid

dalen. Volgend jaar zal het grootbedrijf evenwel een
groter winstherstel vertonen.

Mede door de toeneming van de belasting- en
premiedruk daalde het reeel beschikbaar inkomen
van een zelfstandige vorig jaar met 4,5%. Voor dit
jaar wordt een verdere daling voorzien van 0,5%. Opvallend, want blijkens de Tussenrapportage van het
CPB neemt de inkomensontwikkeling van loontrekkers exclusief incidenteel zowel in 1992 als in 1993
wel toe. Eerst in 1994 wordt bij zelfstandigen weer
een toename van het reeel beschikbaar inkomen
met gemiddeld 1,75% verwacht.
De hoge loonvoetstijging, in combinatie met de
afzwakking van de afzet- en winstgroei, zette in
1992 ook een rem op de uitbreiding van de werkge-

Ook het overheidsbeleid is van invloed op de economische ontwikkeling van het mkb. Onder druk van
de verslechterde economische vooruitzichten heeft

het kabinet een loonstop weten te bewerkstelligen
voor de eerste twee maanden van dit jaar. Het is echter de vraag in hoeverre een straffe loonmatiging
zonder koopkrachtmaatregelen gunstig is voor de
economische ontwikkeling. Er is een zekere tegenstelling tussen de sterk op het buitenland georienteerde sectoren en de vrijwel volledig binnenlands

opererende sectoren. De internationaal opererende
bedrijven zijn primair gebaat bij een beheerste kos-

tenontwikkeling, opdat de concurrentiepositie sterk
blijft. Voor de binnenlandse sector staat center inko-

legenheid. Toch blijft de groei opvallend hoog, wat

mensverbetering van de gezinnen evenzeer voorop,

zich uit in een zeer geringe stijging van de arbeids-

omdat dit leidt tot meer bestedingen. Probleem is
dat de banencreatie vooral afhangt van de ontwikkelingen in de binnenlandse sector, waarin het mkb relatief sterk is vertegenwoordigd. Koopkrachtverlies
brengt risico’s met zich mee voor de werkgelegenheidsgroei. Het bedrijfsleven zou het meest gebaat

produktiviteit. De werkgelegenheid in het mkb nam
vorig jaar nog met 15.000 arbeidsjaren toe. In perso-

nen is de werkgelegenheidscreatie hoger, namelijk
33-000. Dit jaar zal de werkgelegenheidsgroei in het
mkb naar schatting terugyallen tot 4.000 arbeidsjaren, ofwel 20.000 personen. Voor volgend jaar zal de

zijn bij een beheerste loonontwikkeling die gepaard

groei weer wat hoger uitvallen, maar door een hoge-

gaat met een structurele lastenverlichting, omdat dan

re arbeidsproduktiviteitsstijging is de stijging geringer dan op grond van het produktieherstel verwacht

kostenbeheersing gepaard kan gaan met inkomens-

ESB 13-1-1993

groei.

De overheid tracht verder door voorwaardenscheppend beleid het ondernemersklimaat te bevorderen,

waarbinnen de ondernemers hun eigen verantwoordelijkheid kunnen waarmaken . Binnen het alge-

meen sociaal-economisch beleid wordt rekening
gehouden met het mkb en de zelfstandige ondernemer. Zo verleent de overheid belastingaftrek voor
het aanleggen van reserves en het doen van investeringen, of om de ondernemer in staat te stellen zonder onttrekking van middelen aan het bedrijf zelf
een voorziening te treffen voor de oude dag. Ook
is er toenemende aandacht om regelgeving in te

dammen.
Daarnaast is er het functionele beleid dat zich
richt op versterking van de ondernemingsfuncties
van het mkb. In dit kader verschaft de overheid, onder andere via de Economische Voorlichtingsdienst

schap afnemen, waar ze in alle andere landen van
de EG sprongsgewijs toenemen.

Een ander voorbeeld van een bezuiniging die vragen oproept, is die bij de EVD op de promotionele
activiteiten. Deze zijn sinds kort beperkt tot de lan-

den buiten het OESO-gebied, alsmede Japan en Turkije. Ook wordt de dienstverlening aan Nederlandse
exporteurs door bij voorbeeld tie bilaterale Kamers
van Koophandel niet langer gesubsidieerd door de

EVD. Opmerkelijk, want een belangrijk deel van de
exportgroei komt tot stand doordat steeds meer kleine bedrijven een eerste stap in exportland zetten.
Deze startende exporteurs exporteren echter vrijwel

alleen naar Duitsland en Belgie en hebben al moeite
de overige EG-landen te vinden. Kennisverwerving

over de markt blijkt daarbij een van de grootste knelpunten van mkb-exporteurs . De bezuiniging van

(EVD), de ondernemers informatie, of subsidieert

de EVD treft derhalve de ondersteuning van het mkb

managementadviezen, stimuleert kennisoverdracht

op de voor hen meest relevante markten.
Ten slotte leidt de voortdurend terugkerende discussie over de handhaving van de investeringsaftrek,
die speciaal voor de kleine ondernemers bestaat,

via onderwijs en starterscursussen, vergemakkelijkt
de toegang tot de kapitaalmarkt, onder andere via
de borgstellingsregeling mkb-krediet, bevordert via
het technologiebeleid kwaliteitsverbetering en innovatie en voert campagne om mensen aan te sporen

steeds opnieuw tot onrust. Deze discussie wordt niet
zozeer gevoed door onderzoeksbevindingen over de
doelmatigheid of de effectiviteit van deze regelingen, maar lijkt vooral ingegeven door de geldzorgen

zelf ondernemer te worden. Verder wil de overheid
via modernisering van de vestigingswetgeving en via
het mededingingsbeleid een betere werking van de

van de rijksoverheid. Gezien het minder planmatige

markt bevorderen.

karakter van de investeringsbeslissing in het mkb, is

Door de problemen rond de beheersing van de
overheidsuitgaven komt het mkb-beleid echter de
laatste tijd in de knel. Het beleid spitst zich meer en
meer toe op de grotere bedrijven die als zodanig her-

kenbaar en aanspreekbaar zijn. Een groot bedrijf dat
verdwijnt is voorgoed verdwenen, terwijl kleine bedrijven die afvallen zo kunnen worden opgevolgd
door nieuwe, zo lijkt de redenering. Door de geringe

alleen de veroorzaakte onrust al nadelig voor de
investeringsgeneigdheid.

Dit alles is geen pleidooi tot ongebreidelde subsidiering van het mkb. Wel is het een goede zaak dat
regelingen doorzichtiger worden gemaakt en regelmatig getoetst worden op hun effectiviteit. Op dit

punt is er weliswaar zicht op verbetering , maar

ringskosten van specifieke mkb-regelingen hoog, terwijl de controle moeilijk is.
Deze nadruk op het grootbedrijf is een gevaarlij-

dient er toch nog veel te gebeuren. Zo kan beleidsevaluatie meer systematise!! worden uitgevoerd .
Bovendien is op dit punt een grotere creativiteit
mogelijk. Ook onderzoek vooraf kan een belangrijke
bijdrage leveren aan een effectiever beleid.

ke ontwikkeling. De bijdrage van het mkb aan het
bnp is immers vrijwel even groot als die van grote

J. Bate

omvang van de mkb-bedrijven zijn verder de uitvoe-

bedrijven. Bovendien dragen kleine bedrijven ook
indirect bij aan onze concurrentiepositie door toelevering, distributie en dergelijke. Zo zullen kleine

H J. Heeres

W.H J. Verhoeven

bedrijven die bij voorbeeld niet voldoende investeren en innoveren in de toekomst steeds meer wor-

den uitgesloten door zowel consument als uitbesteders. Steeds meer afnemers eisen een kwaliteits-

garantie, waaraan steeds minder kleine toeleveranciers kunnen voldoen. Toenemende importen zijn
het gevolg.
Een voorbeeld van een bezuiniging die het
belang van het mkb bij innovaties miskent, is de
afschaffing van de Innovatiestimuleringsregeling
(INSTIR). Met dit instrument werd door loonkosten-

subsidie S&O gestimuleerd. Uit onderzoek blijkt

9. Zie Ministerie van Economische Zaken, Ruim baan voor

ondernemen, Den Haag, 1987; en Rijksbegroting 1993,
Hoofdstuk XIII, Economische Zaken, Memorie van Toelichting.
10. Zie M.C. van den Berg (e.a.), Evaluatie van de generie-

ke innovatiestimulering, Beleidsstudies Technologic Economic, nr. 4, Den Haag, 1989; en A.H. Kleinknecht, J.O.M.

Reijnen en JJ. Verweij, Innovatie in de Nederlandse Industrie en dienstverlening, Beleidsstudies Technologic en Economic, nr. 6, Den Haag, 1990.

11. Zie hiervoor onder andere W.H.J. Verhoeven, Het ex-

evenwel dat overheidsfaciliteiten als de INSTIR en

portgedrag van het MKB, EIM, 1985, en het eerder aange-

het Technisch ontwikkelingskrediet extra S&O-in-

haalde ABN AMRO-onderzoek Met kracbt naar het buitenland, 1991.
12. F.L. Leeuw, Produktie en effectiviteit van overheidsbeleid; institutionele analyse en effectmeting, 1992.

spanningen tot gevolg hebben. Ook bleek dat mede

door de INSTIR onder kleine bedrijven de bewustwording van het belang van innovatie werd ver-

13. Zie Algemene Rekenkamer, Verslag 1990, deel 2,

groot10. Opmerkelijk is dat in Nederland de investe-

Beleidsevaluatie-onderzoek bij de Rijksoverheid, Den

ringen van de overheid in technologic en weten-

Haag, 1991.

Auteurs