Ga direct naar de content

Geen baksteenmythe, maar een woningtekort

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 1 2021

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is er geen sprake van een groot woningtekort. Er zouden momenteel meer woningen per huishouden zijn dan twintig jaar geleden. Gecorrigeerd voor administratieve aanpassingen, laten de cijfers echter een toenemende schaarste op de woningmarkt zien.

In het kort

– Sinds 2012 nam volgens het CBS het aantal woningen administratief toe met 52.000, en het aantal huishoudens af met 35.000.
– Vergelijking van huishoudens- en woningvoorraadontwikkeling onderschat daardoor de toename van het woningtekort.

Reactie CBS

Peter Hein van Mulligen van het CBS heeft op dit artikel gereageerd in ESB. U kunt die reactie hier vinden.

In het kort

Dit artikel maakt deel uit van het project ‘Toegankelijke Woningmarkt.’ Volg deze pagina om op de hoogte te blijven van updates over het project.

Hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) stelt dat het woningtekort beperkt is. Hij twitterde op 28 mei 2021: “Het tekort aan woningen is historisch gezien niet hoog. Begin 2021 waren er voor iedere 100 woningen 101,2 huishoudens. Dat is lager dan het gemiddelde van de afgelopen 20 jaar.” Die uitspraak doet ertoe, omdat ze de stellingen van Hans de Geus en Dirk Bezemer dat er sprake is van een ‘bouwlobby’ (De Geus, 2021; ­Bezemer; 2021) legitimeert, en tot een beleid leidt dat niet inzet op nieuwbouw.

De bewering van Van Mulligen klopt echter niet. Hij baseert zich op de langjarige CBS-tijdreeksen die onvoldoende gecorrigeerd zijn voor twee methodebreuken, een in het aantal woningen en een in het aantal huishoudens. Door geen rekening te houden met deze methodebreuken zijn deze tijdreeksen niet geschikt om uitspraken te doen over de ontwikkeling van het woningtekort in de laatste twintig jaar. De recent door het CBS gepubliceerde detailcijfers bevestigen dit.

Methodebreuk in het aantal woningen

De belangrijkste bron van verwarring is de overschakeling van Woningregister naar Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) op 1 januari 2012. Hierbij is de definitie van woning aangepast tot een ‘verblijfsobject met woonfunctie’ en sindsdien worden wooneenheden en woonruimten in zorginstellingen groepsgewijs aangemerkt als ‘woning’. Daarnaast bleken er onvolkomenheden in het Woningregister te bestaan.

In de langjarige woningvoorraadreeks die centraal staat bij de berekening van het woningtekort houdt het CBS rekening met de initiële methodebreuk, en becijfert deze op 121.000 woningen méér in de BAG dan in het Woningregister per 1 januari 2012. Door problemen bij de invoering van de BAG ontstond er echter in de jaren 2012–2018 een vervolgmethodebreuk. Gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor het bijhouden van de BAG, hebben in deze jaren veel administratieve toevoegingen en onttrekkingen van woningen in de BAG opgevoerd.

Op 30 juni 2021 heeft het CBS voor het eerst een gedetailleerde uitsplitsing gepubliceerd van de administratieve wijzigingen in de woningvoorraad. Daaruit is af te leiden dat er per saldo in die periode 52.000 woningen ‘administratief’ aan de voorraad zijn toegevoegd. Bestaande woningen dus, die ten onrechte in 2012 niet in de BAG waren opgenomen.

Methodebreuk in het aantal huishoudens

Een tweede bron van verwarring vormt de huishoudensstatistiek. In 2014 heeft een methodebreuk in deze statistiek ertoe geleid dat het aantal huishoudens in Nederland met circa 35.000 is verlaagd. Hiervoor heeft het CBS in de langjarige tijdreeks van huishoudens niet gecorrigeerd, en zodoende wordt het aantal huishoudens in het verleden overschat.

Herberekenen (terugleggen) van de statistiek

In 2016 heeft het CBS de langjarige tijdreeks van de woningvoorraad voor de jaren 1971–2011 met terugwerkende kracht aangepast aan de nieuwe definitie van ‘woning’, zoals die per 1 januari 2012 wordt toegepast. Bij gebrek aan data is er een schatting gemaakt op basis van de initiële methodebreuk tussen BAG en Woningregister per provincie en van de provinciale bevolkingsgroei in het verleden. (Koren en Van der Wal, 2016).

Deze benadering ging ervan uit dat bevolkingsgroei en voorraadgroei gelijke tred hielden, waardoor een toename van het woningtekort in een specifieke periode op voorhand wordt uitgesloten. Zo zouden er, in de jaren 2008–2011, 27.000 woningen meer aan de woningvoorraad zijn toegevoegd dan het Woningregister vermeldt.

Dat er in die tijd zoveel woningen meer zouden zijn toegevoegd is, gezien de beperkte toename in die jaren van het aantal wooneenheden en de capaciteit in bijzondere woongebouwen, niet plausibel. Daarnaast wordt er in de schatting geen rekening gehouden met de vervolgmethode-breuk waardoor de omvang van de woningvoorraad in het verleden wordt onderschat.

Correctie

Volgens de langjarige tijdreeksen van het CBS zouden er in de periode 2008–2018 12.000 huishoudens meer zijn bijgekomen dan de uitbreiding van de woningvoorraad. De verhouding tussen huishoudens en woningen piekt in negatieve zin in 2018 met 101,50 huishoudens per 100 woningen (figuur 1). Op 1 januari 2021 is het verhoudingsgetal als gevolg van de door de coronacrisis tijdelijk gedaalde bevolkingsgroei afgenomen tot 100,97 huishoudens per 100 woningen. (Van ­Mulligen heeft waarschijnlijk de voorlopige cijfers voor 2021 in zijn tweet gebruikt.)

Na correctie voor methodebreuken in het aantal woningen en huishoudens, tonen CBS-data wel degelijk een sinds 2008 toenemende krapte op de woningmarkt, zie figuur 2. Gecorrigeerd voor de methodebreuken schat ik dat er in de periode 2008-2018 circa 120.000 huishoudens meer zijn bijgekomen dan woningen. Het gemiddelde in de jaren 2001–2020 is volgens de langjarige CBS-reeksen 101,55, terwijl mijn schatting op een gemiddelde komt van 100,68 huishoudens per 100 woningen.

Wel een woningtekort

Dat er wel degelijk sprake is van een toenemend woning­tekort blijkt ook uit andere analyses. Het woningtekort zoals ABF Research dat in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties becijfert, is gebaseerd op het aantal woningdelers van 25 jaar en ouder, alsmede het aantal starters dat op zoek is, en komt in 2021 op 279.000 woningen. Dat is 3,5 procent van de voorraad (Groenemeijer et al., 2021). Ook andere indicatoren, zoals het stijgende aandeel oudere jongeren dat thuis woont, verdubbeling van het aantal daklozen, en ja ook de stijgende woningprijzen, wijzen daarop.

Om terug te gaan naar meer acceptabele zoek- en wachttijden, adviseert ABF om het tekort in te lopen tot twee procent of lager. Dat zou een toevoeging van zo’n 120.000 woningen vergen, bovenop de woningen die er nodig zijn om in de verwachte huishoudensgroei te kunnen voorzien.

Getty Images

Literatuur

Bezemer, D. (2021) Baksteenmythe. De Groene Amsterdammer, 145(26).

Geus, H. de (2021) Hoe ik toch huisjesmelker werd: over woonarmoede en ongelijkheid. Amsterdam: Wereldbibliotheek.

Groenemeijer, L., K. Gopal, M. Stuart-Fox, et al. (2021) Vooruitzichten bevolking, huishoudens en woningmarkt: prognose en scenario’s 2031-2035. ABF Research, 2021-0025.

Koren, W. en E. van der Wal (2016) Onderzoek en reparatie methodebreuk in tijdreeksen woningvoorraad. CBS Paper, juni.

Auteur

Categorieën

1 reactie

  1. J de Groote
    1 jaar geleden

    Dus de baksteenmythe is zelf een mythe?
    Toch zorgelijk dat een econoom de frustraties en zorgen van een groot deel van de bevolking kan wegwuiven aan de hand van verkeerde cijfers. De bevolking groeit, huishoudens worden kleiner en er is in de crisis weinig bijgebouwd. Logisch dus dat de woningnood is toegenomen. Goed om te zien dat dat nu ook echt kan worden aangetoond. Het hier berekende woningtekort is waarschijnlijk nog een onderschatting, zoals uit het onderzoek naar starters en woningdelers blijkt. Veel jongeren wonen noodgedwongen nog bij hun ouders, in plaats van op zichzelf. De woningnood drukt dus het aantal huishoudens, waardoor het woningtekort lager lijkt dan het is.