Ga direct naar de content

,,Eurovisie

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 14 1982

,Eurovisie” gevraagd
PROF. DR. J. TINBERGEN

In dit artikel wordt de stalling verdedigd dat een stimulering van de bedrijvigheid moet worden
ondernomen op hoger dan nationaal niveau. De auteur ziet de besluitvormende infrastructuur
van de Europese Gemeenschappen als de daartoe meest geeigende, doch onvoldoende gebruikte
instantie. Terwijl een deel van het bedrijfsleven met internationale integratie verreweg vooroploopt
en ook de vakbeweging de noodzaak van Europese integratie steeds meer heeft ingezien
— het Europees Vakverbond congresseert deze week in Den Haag — schieten de tegenwoordige
regeringen in vergelijking daarbij — en ook vergeleken bij de houding van de grondleggers
van de EG — ernstig te kort. Franse initiatieven geven echter enige hoop en verdienen steun.

Een kwart eeuw EG
Dezer dagen zijn wij geconfronteerd met het zilveren jubileum van de Europese samenwerking zoals de voortrekkers
die in het Verdrag van Rome hadden vastgelegd. Er waren
herdenkingsbijeenkomsten waarop, uiteraard, de ruime blik
van de voortrekkers werd geprezen. Een der mannen uit die
tijd, Hallstein, overleed toevallig ook dezer dagen. Ook hem
werd de eer bewezen die hij verdient. Bind maart vond er
evenwel ook een topberaad plaats in Brussel. Wat daar tot
stand kwam, stak wel treurig af bij de doortastendheid van
een kwart eeuw geleden. lemand die zijn sporen verdiend
heeft, oud-voorzitter van de Europese Commissie Mansholt,
vroeg zich aan het einde van zijn toespraak bij de Haagse herdenkingsbijeenkomst op 25 maart jl. al af: ,,Waar zijn de
staatslieden die, zoals Adenauer, De Gasperi, Spaak, Schuman, Beyen in 1958, nu na 25 jaar een nieuw offensief ontwikkelen?” 1). Hij zal het woord ,,staatslieden” bedoeld hebben in de zin waarin Churchill staatslieden van politici onderscheidde: het zijn degenen die aan de volgende generatiedenken in plaats van aan de volgende verkiezing. Daar 1958
+ 25 = 1983, gaf Mansholt de echte staatslieden nog een jaar
om naar voren te treden.
Men zou naast het onderscheid dat Churchill maakte nog
een ander verschil in benadering kunnen vaststellen: dat tussen degenen die zich bij de problemen betrokken voelen en de
toeschouwers, degenen die het gebeuren analyseren — hoe
cynischer, des te objectiever. De daadkracht zal slechts worden bevorderd door de betrokkenen, degenen die zich medeverantwoordelijk voelen; niet door de alleen-maar-toeschouwers.
Meer toeschouwend dan betrokken schrijft in The Guardian van 31 maart jl. Peter Jenkins, die het gebrek aan
besluitvaardigheid alleen uit ,,de objectieve situatie” verklaart en zelfs Gaston Thorn het recht ontzegt om ook maar
een deel van de verklaring toe te schrijven aan gebrek aan
gemeenschapsgeest 2). Wie wil proberen de situatie volledig
wetenschappelijk te benaderen, zij eraan herinnerd dat de
politieke middelen om een ongewenste situatie te veranderen
niet worden gevonden door eerst alle oorzaken van die situatie op te sporen. Dit is een veel voorkomend misverstand.
Oorzaken moeten worden onderverdeeld in oorzaken die niet
kunnen worden gewijzigd en andere die wel kunnen worden
weggenomen. Dit wegnemen kan tot de middelen van de poli392

tick worden gerekend waaruit men kan kiezen. De onveranderbare oorzaken behoren niet daartoe. Opsporing ervan kan
de nieuwsgierigheid bevredigen, maar is van geen nut om de
beste politick te vinden.
Thorn heeft wel degelijk gelijk met te wijzen op een gebrek
aan gemeenschapsgeest. Want door een hogere mate van verlangen om tot een oplossing te komen, kan een aantal vraagstukken wel worden opgelost. Dat is een voorbeeld van een
middel, dat onafhankelijk is van oorzaken. Wij komen daarover nog te spreken.
Alvorens dat te doen is het goed dat wij vaststellen dat er
een belangrijk verschil in bereidheid tot internationale samenwerking bestaat tussen drie groepen ,,actoren” in de
sociaal-economische politick: bedrijfsleven, vakbeweging en
politici (regeringen, parlementen en ,voor een deel, ambtelijke instanties). Het bedrijfsleven is ver vooruit: denken
wij maar aan transnationale ondernemingen, doch ook aan
het feit dat de heer Agnelli (van Fiat) Europese samenwerking van de auto-industrie voorstelde op de vierdeconferentie
van de auto-industrie 3), of dat de heer Horrocks integratie
op wereldschaal voorstelde.
Voor de andere actoren, vakbeweging en politici, zijn de
druiven zuur. De vakbeweging is zo verstandig om aan internationale samenwerking ook steeds meer aandacht te geven.
Als dit artikel verschijnt is in Den Haag de Europese vakbeweging bijeen, onder voorzitterschap van Wim Kok. Op de
agenda staat een aantal zeer nuttige zaken 4), zoals de eis
aan regeringen en Europese instellingen (cursivering van
mij, JT) om volledige werkgelegenheid tot hoofddoel van hun
beleid te maken. Een andere eis is om monopolies en kartels
te bestrijden; en voorts arbeidstijdverkorting. De FNV stelt
voor om een investeringsimpuls van 1 procent van het bruto
nationaal produkt als een der instrumenten te gebruiken.
Ook daarop zal in het volgende worden teruggekomen.
Er zijn natuurlijk wel een paar niet zo eenvoudige aspecten
aan wat wordt voorgesteld. Wat moet er bij werktijdverkorting met het weekloon gebeuren? Een vermindering moet be-

1) Europa van morgen,jg. 12, nr. 13, 1 april 1982, biz. 189.

2) The Guardian, 31 maart 1982, biz. 13.

3) Europa van morgen,jg. 12, no. 13, 1 april 1982, biz. 197.

4) NRC Handelsblad, 1 april 1982, biz. 13.

spreekbaar blijven. Wat dat betreft hadden de leden van de
vakbeweging in 1951 meer vertrouwen in de adviezen van
economen dan de laatste tijd. Mocht dat vertrouwen weer
wat terugkomen, des te beter.
En dan nu de politici.
Kortzichtig beleid

Internationale samenwerking, zo zagen wij, is het moeilijkst voor politici en regeringen. Dat is in de achter ons liggende periode wel gebleken. In de terminologie van Churchill
zijn de staatslieden die de Europese samenwerking in een
verdrag hadden vastgelegd geleidelijk vervangen door politici. In dit artikel zal het hoofdaccent vallen op de sociaaleconomische politick die nodig is om uit de stagnatie te komen. Dit beleid is in alle landen een nationaal beleid geweest.
Zoals ik nader hoop te betogen, is dit een fundamentele fout.
Om met Napoleons minister Fouche te spreken, ,,c’est pire
qu’un crime, c’est une faute” 5).
Een bovennationale politick om de stagnatie te -boven te
komen, is duidelijk beter dan een nationale. Ik zal dit hier-

deel van de aanbevelingen van het rapport-Brandt kan door
de EG wel worden uitgevoerd en een daardoor vergrote
stroom financiele middelen naar de derde wereld zal voor

een aanzienlijk deel worden omgezet in meer vraag naar produktiemiddelen, dus orders voor de metaalverwerkende industrie in Europa. Dit kan een bijdrage tot een conjunctuuropleving in Duitsland, Frankrijk en Engeland vormen, waarvan Nederland ook een impuls kan ontvangen, zij het eerder
indirect dan direct.
Een omvangrijker gemeenschappelijk sociaal-economisch
beleid van de EG kan nog op andere wijze doorwerken. Het
gemeenschappelijk monetair beleid vereist een gemeenschappelijk financieel beleid. Als dan bepaalde besluiten op EG-vlak

worden genomen, heeft elke nationale regering een argument
tegenover het eigen parlement om minder populaire tnaatregelen aanvaard te krijgen die op langere termijn in het belang van onze werkgelegenheid kunnen zijn.
Een beleid op EG-niveau ter verlichting van de werkloosheidslast zal vooral afhangen van de houding van WestDuitsland en Frankrijk. De kracht die de Duitse bondskanselier Helmut Schmidt heeft willen uitoefenen voor het Duitse
werkgelegenheidsprogram — het stellen van de vertrouwenskwestie — zou ook ons ten goede kunnen komen.

onder nader uiteenzetten. Voordat wij dat bespreken is het
goed nog te bedenken dat wij in de EG een volledige infrastructuur tot het voeren van een bovennationaal beleid hebben. Dat is niet het geval met de OECD, nog minder met de
Verenigde Naties. Het apparaat — vooral dat deel dat door
Jean Monnet is geconcipieerd — is geschapen met de bedoe-

Wat Frankrijk betreft, heeft de minister van Buitenlandse
Zaken Cheysson een zeer duidelijk geluid laten horen in de
brochure La France et le tiers monde,- die op grote schaal

ling bovennationaal te zijn. Van die mogelijkheden is maar

evenals de Oostenrijkse bondskanselier Kreisky in zijn bood-

een onvolledig gebruik gemaakt; in het begin zijn enige belangrijke beleidsonderdelen — op het gebied van kolen en staal,
landbouw en handel in het algemeen — vastgelegd. lets later
ook de samenwerking met een aantal ontwikkelingslanden.

schap aan de Wereldtopconferentie in Canctin, een Marshallplan voor de derde wereld aanbeval. Tweemaal hebben regeringen van de Verenigde Staten een daad van groot belang gesteld. Van de huidige Amerikaanse regering is een dergelijke

is verspreid 7). Het is van enige betekenis dat hij daarin van de
door Roosevelt gebruikte woorden New Deal gebruik maakt,

Om een eind te maken aan de stagnatie is echter het besluit-

reactie op het rapport-Brandt niet te verwachten. Het is nu

vormingsapparaat zeer onvolledig gebruikt. Men is vrijwel
helemaal afgezakt tot het peil van aanbevelingen aan nationale regeringen, een werkwijze waarvan de ervaring met de
Verenigde Naties en zelfs die met de OECD de zwakte al een

Europa’s beurt. Eventuele Franse initiatieven verdienen alle
steun.

paar decennia heeft bewezen.

Steun van economisch onderzoek

Nationaal beleid in deze aangelegenheid is kortzichtig, zowel in de ruimte als in de tijd. Een goed beleid moet voor een

zo groot mogelijke ruimte gelden en gericht zijn op lange-

Het zojuist gepresenteerde betoog kan worden versterkt
door economisch onderzoek dat kortgeleden is verricht. In

termijndoelen. Een nationaal beleid, b.v. wanneer slechts

de eerste plaats heeft prof. dr. J. C. Siebrand 8) berekeningen

een land een impuls aan zijn investeringen tracht te geven,
stelt enge grenzen door de nadelige werking op de betalings-

gemaakt ter ondersteuning van zijn stelling dat een gezamenlijke politiek van een aantal landen tot duidelijk gunstiger

balans.

resultaten t.a.v. de economische ontwikkeling leidt dan een

Een beleid op EG-niveau

nationale politiek die los staat van die der andere landen.
In de zes door hem bestudeerde gevallen neemt de werkloosheid gemiddeld na vijf jaar met bijna 4 procent af. Voor uitkomsten omtrent andere belangrijke doelstellingen moet ver-

De gevolgen voor de betalingsbalans waren de voornaamste reden waarom, enige jaren geleden, de Westduitse rege-

ring weigerde om de ,,locomotieffunctie” te aanvaarden die
de Bondsrepubliek werd voorgehouden door de andere regeringen, toen Duitsland een gunstige betalingsbalans had. Hoe
groter het aantal landen dat in onderling overleg en tegelijkertijd een locomotieffunctie aanvaardt, des te minder moeite
zij met dit probleem hebben,
Maar als groep kan de EG ook een andere haard van stagnatie beter aanvatten dan afzonderlijke landen. Ik bedoel het
feit dat in de rijkste olie-exporterende landen oppotting
plaatsvindt. Niet zo lang geleden hebben Frankrijk en Duitsland ieder afzonderlijk een lening geplaatst in OPEC-landen.

Als dit door de EG gedaan zou worden, zouden de voorwaarden waartegen kan worden geleend allicht iets gunstiger uitvallen.
Deze gedachte komt dicht in de buurt van een der aanbevelingen van het rapport-Brandt 6). Ter financiering van grotere fmanciele overdrachten aan ontwikkelingslanden wordt

niet alleen gedacht aan verhoging van het obligatiekapitaal
van de Wereldbank — dat kan de EG niet bewerken — maar
ook aan de stichting van een fonds voor die geldgevers die
hun geld liever niet aan de Wereldbank toevertrouwen. Dit
ESB 21-4-1982

wezen worden naar zijn artikel in ESB. Overeenkomstig de
tegenwoordige houding der politici in de EG is hij weinig optimistisch over de verwerkelijking van zijn voorstellen, maar
,,economen hebben in mijn ogen de taak de samenleving te
confronteren met de kosten van het onafhankelijk opereren
van nationale beleidsorganen”, voegt hij er aan toe.

5) Uit het Engels terugvertaald uit The Nuttall dictionary of quotations, Supplement biz. 9, Frederick Warne en co., Londen.

6) Independent Commission on International Development Issues,
North-South, a programme for survival, Pan Books, Londen/
Sydney, 1980.
7) La France et le tiers monde, met voorwpprd van Claude Cheysson,
minister van Buitenlandse Zaken en inleiding van Jean-Pierre Cot,
minister van Samenwerking en Ontwikkeling, uitgave Diloutremer

Parijs, 1981.
8) J. C. Siebrand, Economische analyse en economische politiek,
Inaugurele rede Erasmus Universiteit, 17 September 1981; in enigszins verkorte vorm verschenen onder de titel ,,Het kwetsbare gelijk”
ESB, 28 oktober, 1981, biz. 1048-1053.

393

Een tweede studie is van zes Japanse economen afkomstig 9). Zij bestuderen de gevolgen van een impuls in de overheidsuitgaven van 0,5 procent van het BNP in een land (VS),

Als voornaamste conclusie moge ik nog eenmaal herhalen:
initiatieven tot een EG-aanpak van de economische stagnatie
verdienen alle steun 11).

drie landen (VS, Japan en West-Duitsland) en acht landen
(waarbij toegevoegd zijn Italic, het Verenigd Koninkrijk,

Frankrijk, Canada en Australie). De gevolgen worden berekend voor drie achtereenvolgende jaren (1978-1980). Als wij
deze herleiden op een impuls van dezelfde grootte (0,5% van
het BNP van de VS alleen) is de ree’le toeneming van het BNP
van alle beschouwde landen (dit zijn er 13) achtereenvolgens
1,2,1,8 en 1,4% voor het derdejaar 10).
Het zou ongetwijfeld nuttig zijn, als meer onderzoek aan de

twee genoemde onderzoekingen werd toegevoegd. Het is
eigenlijk onbegrijpelijk dat dit niet eerder is gedaan door
daartoe uitgeruste instituten. Wederom te weinig betrokkenheid?

Het organiseren van een opleving heeft uiteraard nog meer
aspecten, zelfs meer economische aspecten. In een tijdschriftartikel kunnen deze niet alle behandeld worden. Voor een

deel van die andere economische aspecten moge verwezen
worden naar de beide genoemde studies, die aanmerkelijk
meer informatie bevatten.

J. Tinbergen

9) Shuntaro Shishio e.a., A model for the coordination of recovery
policies in the OECD region, Journal of Policy Modeling, 2, 1980,

biz. 35-55.
10) De tekst is niet geheel duidelijk over de vraag of deze correctie al
geschied is in de daar vermelde cijfers, die achtereenvolgens 1,2, 3,1

en 3,3 zijn en dus aanmerkelijk gunstiger. Voor alle zekerheid heb ik
daarom gedeeld door de totale BNP’s van de locomotieflanden; voor

de VS alleen $ 2.135 mrd. in 1978, voor de drie landen $ 3.652 mrd. en
voor de acht landen $ 5.024 mrd. (ontleend aan de World Bank Atlas
van 1980), daarbij de VS op 1 stellend.
11) Zie ook Europa in Beweging, maandblad van de Europese Beweging in Nederland, maart 1982, in het bijzonder het artikel van
Frits Thissen; en Nieuw Europa, tijdschrift van dezelfde Europese
Beweging, maart 1982, o.a. het artikel van H. R. Nord.

Auteur