Ga direct naar de content

Duurproef

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 22 1981

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

Duurproef
Nog v66r de verkiezingen zal de Sociaal-Economische
Raad zijn Advies inzake het sociaal-economisch beleid
op middellange termijn uitbrengen. Dat advies is van
belang omdat de komende nieuwe regering de beleidsaanbevelingen van haar belangrijkste adviesorgaan op
sociaal-economisch terrein niet zo maar naast zich neer
zal kunnen leggen. Hoewel de tijd reeds lang voorbij is
dat de top van werknemers- en werkgeversorganisaties
in onderlinge harmonic het sociaal-economisch beleid
voorkookte, spelen de adviezen van het georganiseerde
bedrijfsleven nog wel steeds een belangrijke rol bij de
vormgeying van het economische beleid. Wanneer over
enige tijd de opstellers van een regeerakkoord en vervolgens een regeerprogram zich zullen buigen over het
spciaal-economische beleid vopr de komende jaren, zullen
zij met het middellange-termijnadvies van de SER zeker
rekening moeten hpuden. Het is daarbij de vraag of zij in
de beleidsaanbevelingen van de SER veel aanknopingspunten zullen kunnen vinden.
Op het eerste gezicht zou men zeggen van niet. Uit het
vorige week verschenen concept-advies bleek duidelijk
dat werkgevers en werknemers op wezenlijke onderdelen
van het beleid fundamenteel van mening verschillen. De
druk van de economische situatie heeft de oude vertrouwde tegenstellingen nog niet doen verbleken; of voor zoyer
dat binnenskamers misschien wel het geval mocht zijn,
is dat niet in het concept-advies tot uitdrukking gebracht.
De werkgeversvertegenwoordigers zoeken een versterking van de economische structuur vooral langs de weg
van verlaging van arbeids- en oyerdrachtsinkomens, de
werknemersvertegenwoordigers zijn van mening dat in de
eerste plaats een actief en selectief stimuleringsbeleid
npodzakelijk is voor economisch herstel. Tot loonmatiging zijn zij alleen bereid wanneer concrete investeringsen werkgelegenheidsprogramma’s pnderdeel gaan uitmaken van het cao-overleg. De bereidheid tot loonmatiging wordt bovendien afhankelijk gesteld van een rechtvaardige verdeling van lasten, waarvoor een samenhangend inkomensbeleid moet worden ontworpen dat
niet alleen de inkomens van werknemers omvat. Verder
moeten de bestaande koppelingen tussen lonen, salarissen
van ambtenaren en trendvolgers en sociale uitkeringen
in stand worden gehouden.
Toch tekenen zich, wanneer men te midden van de
verdeeldheid zoekt naar de groptste gemene deler in het
advies, voor een nieuwe regering wel enige contouren
af voor het sociaal-economische beleid in de komende jaren. De gemeenschappelijke analyse van de economische
situatie die in het SER-advies wordt gepresenteerd,
mondt uit in gemeenschappelijke uitgangspunten voor
het beleid, die in een nieuw regeerprogramma op een of
andere manier nadere uitwerking zullen moeten krijgen.
Zo zijn de sociale partners het erover eens dat op de weg
naar economisch herstel de hoogste prioriteit mpet worden toegekend aan groei van de marktsector. Zij achten
het van het grootste belang dat de uitstoot van arbeidskrachten in deze sector wordt beeindigd en dat er nieuwe
arbeidsplaatsen tot stand komen. Gezien de bestaande
werkloosheidstrend en de vooruitzichten met betrekking
tot het nieuwe arbeidsaanbod in de komende jaren valt
echter niet te verwachten dat op deze manier voldoende
succes kan worden behaald in het bestrijden van de werkloosheid. Daarom zullen ook de mogelijkheden tot uitbreiding van de werkgelegenheid in de collectieve sector
en tot herverdding van de beschikbare arbeid zoveel
mogelijk moeten worden benut. Verder zijn de sociale
partners het erover eens dat ter versterking van de economische structuur zowel globale als gerichte maatregelen
nodig zijn. De werknemersvertegenwoordigers erkennen
de noodzaak van arbeidskostenmatiging ten einde de

ESB 29-4-1981

concurrentiepositie van het bedrijfsleven te versterken en
de rendementen te verbeteren; de werkgeversvertegenwoordigers onderschrijven de stelling dat ook specifiek
gerichte maatregelen die hun aangrijpingspunt vinden bij
een herstructurering aan de aanbodzijde van de economic
in de huidige situatie noodzakelijk zijn. De overheid hoeft
zich niet passief op te stellen: ,,zij kan eyenals in het verleden is geschied in tijden van moeilijke economische
omstandigheden, in concrete gevallen actief en offensief
pptreden daar, waar naar haar mening, zich nieuwe mogelijkheden aftekenen, waarop van de zijde van het bedrijfsleven onvoldoende wordt ingespeeld”.
Natuurlijk zijn er — om de terminologie van SERvporzitter De Pous te gebruiken — ,,accentverschillen”.
Uit het concept-advies van de SER blijkt duidelijk genoeg
dat zich in de uitwerking van deze gemeenschappelijke
uitgangspunten nog werelden van verschil kunnen openbaren. Maar het regeerprogram van een nieuwe regering
zal — als het tenminste wil aansluiten bij wat er pnder de
sociale partners leeft — naast globale lastenverlichtende
maatregelen in elk geval ook gerichte impulsen tot versterking van de marktsector moeten bieden. Gezien de
volstrekte verdeeldheid van de SER als het op de nadere
concretisering van dit punt aankpmt, zal de nieuwe regering op dit gebied echter wel zelf initiatieven moeten ontplooien, en niet tot immobiliteit mogen vervallen.
De SER geeft haar daarbij wel een steuntje in de rug. In
het advies wordt gesteld dat de regering zich in haar beleid, zoals dat tot stand kpmt in de wisselwerking tussen
pplitieke en maatschappelijke krachten, niet te gemakkelijk van haar beleidslijn moet laten afbrengen. Ten onrechte wordt er in het sociaal-economisch beleid van
uitgegaan, zo merkt de Raad op, dat een overeengekomen
beleidslijn ook zonder ,,bewaking” en ,,sturing” wel zal
worden gevolgd. Duidelijk dient te worden onderkend dat
kleine groepen die een bepaald belang eenzijdig behartigen door strategisch gedrag dit beleid kunnen proberen
te doorkruisen, waardpor aan grotere belangen schade
wordt berokkend. De link met de uitvoering van Bestek
’81 is niet moeilijk te leggen.
De sociale partners zijn zich dus blijkbaar gped bewust
van hun plaats in de sociaal-economische besluitvorming.
De vraag is natuurlijk of zij in de praktijk ook de consequenties van die opstelling zullen blijven trekken, wanneer het economische beleid in de komende vier jaar niet
zo snel tot het beoogde herstel van de marktsector leidt.
De weg naar herstel zal immers moeizaam en langdurig
zijn, misschien moeizamer en landuriger dan voor het geduld van de sociale partners is op te brengen. Er moet
rekening mee worden gehouden dat het beleid tot versterking van de economische structuur nog geen einde maakt
aan het inkrimpen van bedrijfstakken en het afsterven van
onrendabele bedrijyen. Daarnaast is een voortgaande
stijging van de arbeidsproduktiviteit in het bedrijfsleven
geboden die evenwel de creatie van nieuwe arbeidsplaatsen beperkt. Ook het globale beleid kan slechts met een
zeer grote vertraging tot nieuwe arbeidsplaatsen leiden.
En intussen zouden de mogelijkheden om in de collectieve
sector nieuwe banen te creeren en om tot herverdeling van
arbeid te komen wel eens ontoereikend kunnen zijn om de
stijging van het arbeidsaanbod op te vangen, om van een
terugdringing van de werkloosheid nog maar niet te
spreken.
Het geduld van de sociale partners komt dan voor een
zware duurproef te staan, ook al wordt het economische
beleid uitgevoerd volgens de lijnen die zij zelf hebben
aangewezen. Hoe die proef wordt volbracht hangt niet in
de laatste plaats af van het perspectief dat een nieuwe
regering zal weten te bieden.
L. van der Geest

381

Auteur