Ga direct naar de content

De Sovjetunie voor een moeilijke keuze

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 11 1990

De Sovjetunie voor een moeilijke
keuze
De Sovjetunie staat voor een moeilijke keuze. Er is een overschot aan geld, maar een
tekort aan goederen. Door de prijzen los te laten en de markt zijn werk te laten doen , zal
de inflatie de kop opsteken. Maar meer regulering is ook geen oplossing, dat is in het
verleden wel gebleken. De auteur pleit daarom voor invoering van een markteconomie en
voor beperking van het overheidstekort. Daarnaast is verhoging van de rentestand en
invoering van een goed belastingstelsel nodig om de inflatie in te dammen.

DR. E.T. GAIDAR
Begin 1989 is de ontreddering van de staatsfinancien
eindelijk in het centrum van de politieke belangstelling
gekomen. De inflatie had al een wezenlijk momentum
bereikt; men was de controle over het inkomen van de
bevolking kwijt. De regering stond voor een dilemma: ofwel
krachtige maatregelen nemen ter verbetering van de financie’le situatie en verdergaande hervormingen doorvoeren,
ofwel de controle op lonen en prijzen verscherpen, dus een
verdere reglementering van het economisch leven, dat wil
zeggen een stap terug. Alle socialistische landen die hebben getracht hun economie te hervormen hebben tussen
deze alternatieven moeten kiezen.
Karakteristiek voor het afgelopen jaar was de tegenstrijdigheid tussen inconsequente anti-inflatiemaatregelen en
gedwongen stappen die de doeltreffendheid van de economische besturing ondermijnen. Het traditionele regeringssysteem is niet in staat gebleken het produktieproces
normaal te regelen, maar voorwaarden voor een effectieve
werking van het marktmechanisme zijn niet geschapen. Er
is een situatie van economische anarchie ontstaan.

Onderdrukte inflatie
Op korte termijn wordt een toename van de inflatie in de
economie bepaald door drie belangrijke factoren. Dat zijn
het saldo van de inkomsten en uitgaven van de overheid,
de investeringen van de bedrijven en de omvang van de
spaartegoeden van ondernemingen en bevolking. Als de
vrijwillige besparingen (en niet gedwongen uit gebrek aan
consumptiegoederen, zoals thans het geval) groot zijn, kan
men zich een groot begrotingstekort veroorloven of in
grotere mate kredieten verlenen. Wanneer de besparingen
klein zijn, is het nodig ofwel de uitgaven sterk te beperken,
ofwel buitenlands kapitaal te lenen. Als zowel het een als
het ander niet lukt, is groei van de inflatie onvermijdelijk.
In het afgelopen jaar waren alle stimulansen om te
sparen afwezig. De betalingsdiscipline van de ondernemingen bleef laag. Het was voor ondernemingen voordelig om
leningen niet binnen de termijn af te lessen. De rente bleef
namelijk duidelijk onder het tempo van de geldontwaar-

336

ding; op kortlopende kredieten bedroeg de rente maar
2,8% en op lange-termijnkredieten slechts 0,82% per jaar.
De korte-termijnschulden aan de staat en de schulden
tussen ondernemingen onderling bedroegen hierdoor op 1
december 1989 31,6 miljard roebel. Een serieuze factor die
de interesse in sparen verminderde, waren de steeds
hardnekkiger wordende speculaties over de op handen
zijnde monetaire hervorming. Voor zover desondanks de
tegoeden van ondernemingen en de bevolking bleven
groeien, kwam dit slechts doordat de besparingen een
gedwongen karakter hebben. Zij weerspiegelen slechts het
groeiende tekort aan goederen.
De investeringen gefinancierd uit eigen middelen van de
ondernemingen bleven in 1989 groeien, maar in een lager
tempo dan in 1988. In deze situatie kwam de last van de
anti-inflatiepolitiek op de begroting te liggen. Er zijn dringende en krachtige maatregelen nodig ter beperking van
het begrotingstekort.
In de voor 1989 vastgestelde begroting vervolgde de
regering haar gevaarlijke koers van vergroting van de
financiele onevenwichtigheden, die zij ook in de eerste
jaren van het vijfjarenplan voerde. In het begin van het jaar
begon het zoeken naar wegen ter stabilisering, maar veel
van de bedachte oplossingen kwamen niet van de grand.
Zo werd bij voorbeeld het plan om aan de cooperaties en
de bevolking voor 1,6 miljard roebel aan produktiemiddelen
te verkopen slechts voor 2,3% gerealiseerd. Van enkele
maatregelen moest men helemaal afzien omdat ze politiek
onaanvaardbaar bleken.
Zoals verwacht kon worden, bleef de meeste aandacht
gericht op de militaire uitgaven, de staatsinvesteringen en
het gebruik van de valutareserves. Wel werd het beleid
rationeler. Voor het eerst in 25 jaar was het idee de militaire
uitgaven te verminderen algemeen geaccepteerd. De limiet aan de staatsinvesteringen is met 7,5 miljard roebel
verlaagd. Na een harde strijd is men met de herverdeling
van de valuta-uitgaven begonnen, met het doel de aankoop
van consumptiegoederen te vergroten.
* De auteur is lid van de redactiecommissie van Kommunist. Dit
artikel is een verkorte vertaling van Trudnyi vibor, Kommunist,
1990, nr. 2, biz. 23-34.

Dit zijn absoluut noodzakelijke, reeds lang beproefde
anti-inflatiemaatregelen. Maar helaas zijn ze niet omvangrijk genoeg. Tegelijkertijd was er immers een toenemende
maatschappelijke druk tot meer sociale uitgaven op de
staatsbegrating. In zijn totaliteit is het tekort op de begroting
niet verminderd; het heeft zich gestabiliseerd op het gevaarlijke niveau van 10% van het bruto nationaal produkt
en vormt zo een sterke katalysator voor de inflatie.
Er is een eenvoudig criterium voor het bepalen van de
doeltreffendheid van de financiele regulering: staat zij de
consequente opheffing van de controle op de prijzen toe
en maakt zij het mogelijk de centrale bevelen te vervangen
door een marktmechanisme? Een markt zonder prijzen is
immers een vreemd en weinig effectief mechanisme. Juist
in dit opzicht is de zwakte van de gevoerde politiek pijnlijk
duidelijk. Het einde van het jaar werd gevierd met een
pakket maatregelen, gericht op verdere beperking van de
reeds beperkte rechten van bedrijven met betrekking tot de
prijsvorming. Toen het niet lukte de inflatiegolf met financiele middelen te stoppen, werd opnieuw geprobeerd de
economische wetten met verordeningen te bestrijden.
De snelle groei van het inkomen van de bevolking, die
vorig jaar veel aandacht getrokken heeft, is niet de oorzaak
van de financiele problemen maar het gevolg ervan. De
combinatie van inflatie en teruglopende investeringen,
waarbij de snelle groei van de winsten van bedrijven samenvalt met teruglopende overheidsinkomsten, is een zekere weg naar de ineenstorting van het financiele systeem.
De verdubbeling van de economische stimuleringsfondsen
voor de ondernemingen in een jaar tijd moest op de een of
andere manier wel resulteren in contante betalingen.
Natuurlijk kan de overheid niet werkeloos toezien hoe
deze middelen zich op de consumptiemarkt ‘storten’ en
daarmee stabiliseringsmaatregelen ongedaan maken. Zij
doet haar best de groei van de inkomens te beperken en
controle te krijgen op de verhouding tussen de groei van
de lonen en de arbeidsproduktiviteit, om daarna een belasting op de groei van het loonfonds in te voeren. Maar de
ondernemingen zijn niet geneigd zich neerte leggen bij het
feit dat de middelen, die zij terecht als de hunne beschouwen, bevroren worden. De natuurlijke reactie zal zijn dat ze
de produktie tot het hoogst noodzakelijke inkrimpen en
belastingsvoordelen eisen. Met als resultaat een terugval
van de economische groei en een verscherping van arbeidsconflicten. Een snelle groei van het nominale inkomen van de bevolking met tegelijkertijd een stagnerende
produktie en een toenemende invloed van de onderdrukte
inflatie op alle processen, een teken van anarchie in de
economie.
De hierarchische mechanismen die vroeger het produktieproces reguleerden zijn in het afgelopen jaar duidelijk
verzwakt. De ondernemingen zagen in grote getale af van
het uitvoeren van de staatsverordeningen of verijdelden de
vervulling van produktiedoelstellingen en brachten hun
bovenplanmatige produktie naar voordeligere afnemers.
Ondanks een goede graanoogst, aanmerkelijk groter dan
in 1988 (211 tegen 195 miljoen ton), zijn de staatsaankopen
van graan beduidend verminderd. De regie’s kwamen hun
leveranties aan het nationale fonds niet na. De ministeries
kunnen weinig uitrichten met verordeningen. Hun tot nu toe
belangrijkste dwangmiddel is het monopolie op de leveranties van materialen en halffabrikaten.
Hoewel restrictieve maatregelen de prijsstijgingen nog
kunnen intomen, ontstaat er een situatie die de onderzoekers van hyperinflatie zeer goed kennen. De activiteiten
verplaatsen zich van het zoeken naar een manier om de
effecliviteit van de produktie te verhogen naar speculatieve
operaties. De ondernemingen proberen zich zo snel mogelijk te ontdoen van hun geld door het te investeren in
allerlei soorten produktiemiddelen. De voorkeur gaat uit
naar ruilhandel in natura. Dit is overigens alleen van toe-

ESB 11/18-4-1990

passing op staatsgeld, want tegelijkertijd neemt de betaling
in vreemde valuta’s toe en treedt een proces van ‘dollarisatie’ van het economische stelsel op.
Het vergroten van de zelfstandigheid van republieken en
plaatselijke organen met betrekking tot de regulering van
de sociaal-economische ontwikkeling in de regio’s is een
natuurlijk proces en een onaantastbaar bestanddeel van
de hervormingen. Zelfbestuur kan niet effectief zijn indien
het niet steunt op autonome budgetten van de republieken
en plaatselijke overheden en wanneer de uitgave van elke
kopeke aan hogere organen verantwoord moet worden.
Maar tegenwoordig is er duidelijk een tendens van regionalisering van de economie waar te nemen die nog een
flink stuk verder gaat: een tendens naar regionaal protectionisme. Overal houdt men zich bezig met de vraag hoe
het wegvloeien van middelen uit de regio kan worden
voorkomen en hoe bovenplanmatige produktie binnen de
regio kan worden gehouden. En hoe er voor kan worden
gezorgd dat ondernemingen die onder de staat of republiek
vallen, toch produceren voor de wijk, stad of regio. Een
bacchanaal van regionaal protectionisme dat in staat is
elke rechtgeaarde econoom tot wanhoop te brengen. De
laatste keer dat zo’n epidemie op grote schaal voorkwam
was eind jaren twintig, begin jaren dertig. Hiervoor moest
betaald worden met een economische crisis die zijn weerga in de geschiedenis niet kende. Maar regionaal protectionisme is slechts een natuurlijke reactie op de instorting
van een verordeningssysteem, dat niet gecompenseerd
wordt door de vorming van een volwaardige markt.

Stagnatie van de produktie
Tegen de achtergrond van de hervormingen van de
staatsfinancien en de geldomloop heeft het produktiesysteem tot voor kort een relatief hoge stabiliteit vertoond. De
inertie van het economische systeem van de Sovjetunie,
dat vaak om gegronde redenen bekritiseerd werd, speelde
hier de rol van krachtige stabilisator. Midden 1989 echter
verspreidde het crisisverschijnsel zich onder invloed van
de toenemende sociale druk, ook steeds meer naar de
produktiesfeer. De kostprijs van de industriele produktie
begon te stijgen. De groei van de industriele produktie die
in de eerste helft van 1989 nog 2,7% bedroeg, viel in het
derde kwartaal terug tot 1% (zie ook tabel 1). Op zich is
een terugval van de produktie nog geen reden tot paniek,
maar het is wel zorgwekkend dat dit proces in veel produktiesectoren plaatsvindt ondanks duidelijke in het plan vastgestelde maatregelen om de produktie te vergroten. De
staat heeft de situatie steeds minder onder controle.
De eerste jaren van het vijfjarenplan stonden in het teken
van de poging de economische groei te versnellen door
middel van een flinke verhoging van de investeringen. Het
belangrijkste resultaat dat bereikt werd was een groei van ca.
60 miljard roebel aan niet-gerealiseerde bouwprojecten, tot
uiting komend in half gegraven bouwputten, gelegde fundamenten en half voltooide gebouwen. De algehele desorienTabel 1. Groeitempo van de produktie vergeleken met het
plan (jaargemiddelden in %)
12e
1981-85
a

Geprod. nat. inkomen 3,2
Industriele produktie
3,6
Agrarische produktie

1,0

vijfjarenplan

1988

4,2
4,6
2,7

4,4
3,9
1,7

1989
3,0b
1,7
0,8

a. Gepreciseerde gegevens van het Staatscomite voor Statistiek SSSR.
b. Met yerrekening van de werkelijkei yeranderjng van depnjzen; 2,4%.

337

tatie in de bouw vindt haar weerslag in de sociale sfeer. De
hiertussen 1985 en 1987 bereikte vooruitgang, bestaande
uit een toename van woonruimte, ziekenhuizen en scholen
– het duidelijkste bewijs dat het economische systeem zich
meer op de mens is gaan richten – is gestagneerd. Niettegenstaande de zowel door de staat als op regionaal niveau
gedane moeite nam het aantal gebouwde woningen in de
tweede helft van 1988 af. Men is er niet in geslaagd dit proces
vorig jaar te stoppen. In een jaar daalde de toename van het
volume aan woningen met 4 procentpunten. De wachtlijst
voor een betere woning blijft groeien: eind 1989 stonden er
al ca. 14 miljoen gezinnen op de wachtlijst.
Rantsoenering
De belangrijkste factor die vorig jaar de situatie op de
markt bepaalde was de wedijver tussen de groei van de
inkomens van de bevolking en de groei van de verkoop van
wodka. De verhoging van de verkoop van wodka was
24,3%. Als resultaat werd in het eerste halfjaar de vermindering van de goederenvoorraad in de detailhandel tot
staan gebracht, zij steeg zelfs met 0,6 miljard roebel. De
praktijk leerde echter dat het onmogelijk is de drukpers in
te halen. De inkomens van de bevolking groeiden in een
jaar tijd met 13%. Het gemiddelde maandloon van werknemers groeide ongeveer driemaal zo snel als in het plan
voorzien was. In de tweede helft van het vorig jaar nam de
goederenvoorraad wederom af; hij daalde met ongeveer
een miljard roebel. Tegen het einde van het jaar was de
voorraad bijna 11 miljard roebel onder de norm.
De snelle vermindering van de voorraad van een hele
reeks dagelijkse levensbehoeften schept de voorwaarde
voor een verdere uitbreiding van het bonnensysteem. Vrijwel overal was suiker op de bon. Van de 146 onderzochte
steden was in 33 vlees en gevogelte op de bon, in 20
steden boteren in 16 steden thee. Ondanks de snelle groei
van de wodkaproduktie was de wodka in 16 steden op de
bon. Er was gepland dat de produktie voor dagelijkse
levensbehoeften met 10% zou groeien. Dat werd niet bereikt. Er kwam voor 13,5 miljard roebel minder aan goederen op de markt dan verwacht.

Onverantwoorde investeringsbeslissingen
Wanneer de samenleving verscheurd wordt door zich
verscherpende sociale tegenstellingen, dan is de verleiding erg groot de voortdurend optredende problemen bij de
produktie en de consumptie op te lessen ten koste van
buitenlandse schulden.
In de regeringsverklaring aan het Tweede Congres van de
Volksafgevaardigden van de Sovjetunie werd benadrukt dat
het tekort op de deviezenbalans een bijzonder tekort is, het
gevaarlijkste en schadelijkste van alle balanstekorten. Helaas slaagde men er niet in deze groeiende bezorgdheid om
te zetten in effectieve maatregelen, gericht op de beperking
van niet-effectieve import en stimulering van de export. De
externe financiele positie van het land bleef verslechteren. In
de periode 1988-1989 nam de omvang van de totale export
toe met 0,1%, tegelijkertijd steeg de import met 15,5%. In
1990 zal onze ‘debt/service-ratio’ meer dan 35% bedragen.
GeTmporteerde investeringsgoederen worden veelal niet gebruikt of geTnstalleerd. In 9 maanden groeide de voorraad
niet ge’installeerde geTmporteerde machines met 27%. Op 1
oktober 1989 was dit al 5,8 miljard roebel.
Het Astrakan gascomplex en het Blagovesjtstyjcomplex
vormen twee voorbeelden van de situatie die ontstaat bij
projecten die opgezet worden in samenwerking met buitenlandse ondememingen. Door de ernstige verslechtering van
de ecologische toestand van de beneden-Wolga moest de
produktie van het Astrakan gascomplex teruggebracht wor-

338

den tot het eerste niveau. Maar ook bij een produktie op
minder dan de helft van het geplande niveau overtrof de
uitstoot van schadelijke stoffen in de eerste 8 maanden van
het vorig jaar de norm voor het gehele jaar. Ondanks pratesten van Gosstroj (Staatscomite voor de bouw) en Goskompriroda (Staatscomite voor de bescherming van de natuurlijke hulpbronnen en de natuur) tegen de uitvoering van de
tweede fase van het project, gaat de bouw voort. Er is voor
220 miljoen roebel in buitenlandse valuta aan geTmporteerde
materialen en apparatuur in de bouw gestopt.
De bouw van het Blagovesjtsyj-complex voor de produktie van polyestervezels begon in 1985, geraamde kosten
1,2 miljard roebel. De in Japan gekochte machines arriveerden op de bouwplaats. Deze werden niet alleen niet in
elkaar gezet, maar zelfs niet normaal opgeslagen, zodat,
geheel begrijpelijk, buitenlandse leveranciers de verantwoording voor het niet functioneren van de apparatuur niet
op zich namen.
Natuurlijk zijn ongunstige buitenlandse handelsovereenkomsten voor ons niets nieuws. Maar wanneer de
traditionele commandomethode het af laat weten en er nog
geen marktmechanisme is, dan neemt het risico van een
ongecontroleerde schuld exponentieel toe. Momenteel
voeren ondememingen die behoren tot het Ministerie van
Aardoliechemie, het Staatsgasbedrijf en de associatie
‘Agrochem’ onderhandelingen over het opzetten van negen grote gemeenschappelijke ondememingen, met geraamde kosten van meer dan 17 miljard dollar. Vnesjekonombank heeft erop gewezen dat bij deze projecten de
rechten en verantwoordelijkheden onevenredig verdeeld
zijn. Vrijwel al het risico wordt door ons land gedragen. De
bank benadrukt dat niet een van de uitgevoerde onderzoeken de economische effectiviteit van de projecten heeft
bevestigd en dat een objectieve marktanalyse ontbreekt.
En dat al deze slecht gecoordineerde plannen een uiterst
negatieve invloed hebben op onze relaties met buitenlandse banken en de voorwaarden verslechteren waarop men
bereid is ons kredieten te verlenen. Maar toch worden de
contracten getekend en gaan de bouwactiviteiten door.
Wie deze onvermijdelijke valutaverliezen zal moeten
verantwoorden zal de tijd ons leren. Voorlopig zijn diegenen die de beslissingen nemen er duidelijk van overtuigd
dat niemand verantwoordelijk is. En als dat zo is, dan kan
men gerust op krediet blijven kopen.

Conflict-inflatie
De economische situatie van het afgelopen jaar is onmogelijk te begrijpen zonder de toenemende politisering
van het economische systeem in ogenschouw te nemen.
Nog in maart werden pogingen ondernomen om de begrotingstekorten te stoppen op de traditionele fiscale manier.
De termijnen voor het verhogen van het niet-belastbare
minimumloon werden verschoven (een besparing van 110
miljoen roebel), de verlenging van de termijn van de kinderbijslag voor minder-bedeelde gezinnen werd uitgesteld
(een besparing van 135 miljoen roebel), enzovoort. Dit zijn
economisch onverstandige maatregelen, slechts leidend
tot onbeduidende besparingen die niet in verhouding staan
tot de financiele tekorten. Het is bovendien een vreemde
keuze van sociale groepen die voor de financiele gezondmaking moeten betalen. Na de verkiezingen van de volksafgevaardigden in het voorjaar van 1989 werd het onmogelijk deze lijn voort te zetten. De omvang van de middelen,
die werden uitgetrokken voor de oplossing van sociale
problemen werd snel groter, maar de voorgestelde kortetermijntoewijzingen verliezen de band met de realiteit van
een zwaar ziek economisch systeem. Naast echt verontruste woorden over de noodzakelijkheid van buitengewo-

ne economische maatregelen is een bijzonder grote geldverspilling waarneembaar.
De groeiende politieke activiteit in een verslechterende
economische situatie en het groeiend ongeloof in de competentie van de centrale overheidsorganen om de al lang
bestaande problemen op te lossen, leiden onherroepelijk
tot een escalalie van eisen en verlangens en een overmoed bij herverdelingen. De overheersende verlangens in
voordrachten over economische thema’s zijn belastingverlaging, beschikbaarstelling van meer middelen uit het budget, verhoging van de groothandelsprijzen bij gelijkblijvende detailhandelsprijzen, vergroting van de rechten van
ondernemingen en bevrijding van nun verantwoordingsplicht alsmede verlening van nieuwe kredieten en afschrijving van oude schulden. Arbeidsconflicten en stakingen
toonden aan dat de eisen aan de overheid niet alleen met
woorden kracht worden bijgezet.
Tot begin 1989 was de ‘demand-pull’-inflatie de bepalende
invloed op de economische ontwikkeling. Deze inflatie was
hetgevolg van misrekeningen in de economische politiek en
onbekwaamheid om de middelen, bestemd voor de ontwikkeling van diverse sectoren, in overeenstemming te brengen
met de beschikbare financiele middelen. Daarna veranderde
de situatie. De toenemende sociale druk beperkte de vrijheid
van handelen op centraal niveau en er trad conflict-inflatie
op. Dit verschijnsel treedt op, wanneer de samenleving diep
verdeeld is over principiele vragen over de economische
politiek, als sociale groepen niet bereid zijn tot overeenstemming te komen over de verdeling van de beperkte
middelen en als geen van hen machtig genoeg is om de
ander zijn wil op te kunnen leggen. Mijnwerkers en spoorwegpersoneel, agrariers en cooperaties verdedigen alien
energiekhun belangen. Hun vertegenwoordigers leggen een
grote onverdraagzaamheid aan de dag. En ondertussen
worden de problemen waarover men het niet eens kan
worden in de regering opgelost door de drukpers.

Anti-inflatiepolitiek
In onze situatie zijn de basistaken en instrumenten van
de anti-inflatiepolitiek geheel duidelijk: het is noodzakelijk
de groei van de geldvoorraad af te remmen, het tekort op
de staatsbegroting moet sterk verminderen en de uitgaven
moeten in overeenstemming worden gebracht met de beschikbare financiele middelen. De omvang van de investeringen door ondernemingen moet tijdelijk worden verlaagd
behalve in de basissectoren als ten minste een evenwichtige verlaging van de staatsinvesteringen wordt gegarandeerd. Buitenproportioneel gegroeide bedrijfstakken, de
inefficiente industrieen, moeten worden ingekrompen. Het
sparen moet worden gestimuleerd, de rentestand verhoogd tot een niveau waarop een evenwicht tussen vraag
en aanbod tot stand komt. De verhoogde, niet reele koers
van de roebel moet worden losgelaten, er dient een valutamarkt gecreeerd te worden. Na de controle op het verloop
van de consumptieve vraag gegarandeerd te hebben, kan
men beginnen met het loslaten van de prijzen.
Het probleem zit hem in het feit dat bij alle economische
duidelijkheid omtrent de anti-inflatiemaatregelen de verwezenlijking ervan politiek altijd uiterst moeilijk ligt. Het is geen
populaire, eenvoudige weg, waarbij de aanspraken van sociale groepen en economische mogelijkheden altijd met
elkaar in overeenstemming zijn. De maatschappij is verdeeld. De eisen tot belastingverlaging, langzame stijging van
de prijzen en opheffing van de tekorten zijn in conflict met het
streven naar het behoud van de bestaande economische
structuren.
De belangrijkste sociaal-politieke factor is momenteel het
conflict tussen het agro-industriele complex, dat nog niet in

ESB 11/18-4-1990

staat is levensmiddelen te produceren tegen algemeen aanvaardbare kosten, en de consument die niet van plan is de
feitelijke kosten te dekken. De staat speelt in dit conflict de
rol van tussenpersoon en is volgens iedereen de schuldige.
De subsidies in het agro-industriele complex bedragen al
meer dan 10% van het bnp (in kapitalistische landen is dit in
de regel 1 tot 3%) en blijven nog steeds snel groeien.
Niemand is bereid zo’n sterke groei doorbelastingverhoging
te financieren, noch om de groei te stoppen. Wanneer de
politiek van inkrimpen van de vraag niet voldoende vastberaden wordt uitgevoerd kan men nog slechts hopen dat het
lukt met hervormingen van een niet-functionerende markt de
effectiviteit te verbeteren en de produktie te verhogen.
Bij de beoordeling van een mogelijke monetaire hervorming vermengen zich in de regel twee geheel verschillende
opgaven waarvan men veronderstelt dat die door hervormingen opgelost worden. Aan de ene kant is er de garantie van
sociale rechtvaardigheid, het in beslag nemen van niet door
arbeid verkregen geld. Aan de andere kant de stabilisering
van de markt. In feite gaat het hier niet om aanvulling van het
een door het ander, maar moet er een keuze worden gemaakt. Bij de bestaande verdeling van de spaartegoeden
komen de monetaire hervormingen, die slechts gericht zijn
op de verwijdering van dat deel van de besparingen dat
duidelijk niet door arbeid is verkregen, bijna niet tot uitdrukking in de omvang van de geldstroom. Vermogende groepen
hebben, hoe meer ze betrokken zijn bij het functioneren van
de schaduweconomie, vele mogelijkheden de spaartegoeden om te zetten in andere vormen of wegen te vinden om
de voorgenomen geldvoorraadbeperking te omzeilen. Om
de differentiate van de inkomens te regelen is het veel
logischer de invoering van een belastingsysteem op basis
van belastingaangifte versneld door te voeren.
De monetaire hervorming die tot een wezenlijke beperking van de geldvoorraad van de bevolking leidt, is qua
sociale verhoudingen een uiterst harde maatregel en is een
serieuze aantasting van de belangen van grote sociale
groepen. Daarbij maakt zij stabilisatie van de economie
slechts in dat geval mogelijk, wanneer de overheid de
lopende financiele problemen onder controle heeft en het
spaargeld van de bevolking niet meer nodig heeft voor de
financiering van haar eigen tekorten. Wanneer aan deze
voorwaarden is voldaan, maar de markt nog steeds een
oncontroleerbare stroom eerder geTnvesteerd geld blijft
opnemen, dan kan het onvermijdelijk worden de besparingen van de bevolking te bevriezen. De huidige situatie is
principieel anders, de staat heeft kredieten nodig.
Het makkelijkste beleid zou zijn op korte termijn geen
aanvullende maatregelen te nemen om de financiele situatie en de geldomloop te stabiliseren en de lijn van vergroting van zelfstandigheid van ondernemingen door te trekken en in nieuwe wetten vast te leggen. Het probleem is
dat bij al haar schijnbare politieke aantrekkelijkheid zo’n
economische koers erg gevaarlijk is. Indien zij gevolgd
wordt zal de regering spoedig de controle over de economische ontwikkeling verliezen, de onderdrukte inflatie zal
naar buiten treden en de verantwoording hiervoor zal bij de
regering en de regerende partij liggen.
Slechts de combinatie van verdere hervormingen met een
effectief stabiliseringsprogramma, dat er in slaagt de vraag
in overeenstemming te brengen met het aanbod, kan de
voorwaarden scheppen voor een stabiele ontwikkeling van
de economie. Ongeacht de gemaakte serieuze misrekeningen hebben we nog steeds de mogelijkheid deze koers te
kiezen en de situatie te verbeteren. Maar succes kan alleen
komen van een consequent doorgevoerde anti-inflatiepolitiek. Pogingen om principiele beslissingen zolang mogelijk
uit te stellen leiden er toe dat men ze uiteindelijk toch moet
nemen, maar dan in een nog moeilijkere situatie.

E.T. Gaidar
339

Auteur