Ga direct naar de content

De Rijksbegroting voor 2016

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 24 2015

Het kabinet beweert dat alle groepen er door het aangekondigde beleid op vooruit gaan, maar dat laat onverlet dat er binnen deze groepen vele honderdduizenden huishoudens zijn die soms tot ver onder de nullijn blijven steken.

546Jaargang 100 (4718) 24 september 2015
De Rijksbegroting voor 2016
OPENBARE FINANCIËN
I
n zijn eerste ramingen voor 2016 voorzag het
Centraal Planbureau (2015a) een economische
groei van 1,8 procent. Thans wordt de toename
van het bruto binnenlands product (bbp) ruim
een half procentpunt hoger ingeschat (tabel 1).
Dat de economie meer wind in de zeilen heeft, is voor een
deel te danken aan de overheidsfinanciën. De al voor de
zomer aangekondigde verlichting van de lasten op arbeid
met vijf miljard euro is blijkens de Miljoenennota 2016 nog
aangevuld met diverse eenmalige maatregelen om de koop –
kracht van uitkeringsontvangers en gepensioneerden te on –
dersteunen. Met deze koopkrachtreparaties is 860 miljoen
euro gemoeid. Precies hetzelfde bedrag trekt het kabinet
uit voor enkele intensiveringen – meer geld voor defensie,
verpleeghuiszorg en peuteropvang. Dat is dan nog ongere –
kend de kosten van de recente loonovereenkomst met de
ambtenarenbonden. Daarvoor is dit jaar een half miljard
beschikbaar, structureel oplopend tot 1,3 miljard euro. PROCYCLISCH BELEID
De budgettaire stimulans van al met al iets meer dan één
procent bbp – ten opzichte van eerdere beleidsvoornemens
– stuwt het groeitempo van de economie nog met enkele
tienden van een procent op (Centraal Planbureau, 2015b).
Een bestedingsprikkel in deze orde van grootte had beter
eerder – in 2010 – kunnen komen. Toen ontbrak echter de
daarvoor benodigde budgettaire ruimte, als gevolg van de
toezegging aan de Europese Commissie dat Nederland het
feitelijke begrotingstekort in geforceerd tempo zou terug

brengen tot ten hoogste drie procent bbp. Het na 2009 gevoerde begrotingsbeleid heeft de con –
junctuurbeweging verscherpt. Uitzonderlijk is dit niet,
want in de jaren 1970–2014 is het begrotingsbeleid vaak
procyclisch geweest. Dat geldt voor tijden van hoogcon –
junctuur en, zelfs in sterkere mate, voor perioden van laag –
conjunctuur (Homan en Suyker, 2015). Negatieve koopkrachtmutaties maken regeringspartij -FLIP DE KAM
Honorair hoogleraar
aan de Rijksuniversi-
teit Groningen.
Het na 2009 gevoerde begrotingsbeleid versterkt de schommeling
in het niveau van de economische bedrijvigheid. De tekst van de
Miljoenennota verdoezelt dat vele honderdduizenden huishou –
dens – ondanks de (slecht getimede) belasting verlaging – komend
jaar koopkracht verliezen. Na 2012 daalden de overheidsuitgaven
met 3,5 procent van de economie. Alle uitgavencategorieën droe –
gen aan deze contractie bij. Het voordeel door de verlaging van de
inkomstenbelasting neemt (in euro) toe met het inkomen. Maar
deze verlaging schept slechts weinig extra banen. De herziening
van de vermogensbelasting schiet tekort. Mogelijk tekent de Euro –
pese Commissie bezwaar aan tegen de stijging van het structurele
begrotingstekort, die het procyclische karakter van de begroting
voor 2016 onderstreept.
ESB Openbare financië n
Bron: Centraal Planbureau, 2015b
Kerngegevens economie en
overheidsfinanciënTABEL 1
2015 2016
Nationale economie
Groei van het bbp
1 2,0 2,4
Mediane koopkrachtmutatie
huishoudens
10,7 1,4
Werkloze beroepsbevolking2620 605
Inflatie (hicp)10,5 1,1
Saldo betalingsbalans3 10,910,7
Overheid
Bruto collectieve uitgaven
344,8 43,6
Collectieve lasten3 37,0 37,1
Niet-belastingontvangsten35,6 5,1
Begrotingssaldo3–2,1 –1,4
Overheidsschuld3 66,4 64,51 In procenten. 2 Maal duizend personen. 3 In procenten van het
bbp.

Openbare financi ESB
547Jaargang 100 (4718) 24 september 2015
en electoraal kwetsbaar. Het kabinet beweert in de Miljoe-
nennota (p. 24) dat alle groepen er door het aangekondigde
beleid in 2016 op vooruitgaan. Dat is juist, maar koopkracht –
beelden in de Macro Economische Verkenning2016 (MEV,
p. 69) laten evenwel zien dat vele honderdduizenden huis-
houdens – een beperkt deel van de werkenden, een deel van
de uitkeringsgerechtigde alleenstaanden en een groot aantal
gepensioneerde huishoudens – komend jaar wel degelijk
onder de nullijn blijven steken. Gepensioneerden ervaren dat pensioenfondsen probe –
ren hun dekkingsgraad op te voeren door ook volgend jaar
de uitkeringen aan post-actieven niet te indexeren – dus niet
te verhogen in lijn met de maatgevende loon- of prijsstijging.
Bij de gebruikelijke middelloonregeling tast niet-indexatie
ook de inmiddels opgebouwde pensioenaanspraken van
nog actieve deelnemers aan. Dit vermogensverlies blijft in
de koopkrachtplaatjes onzichtbaar. Dat geldt – onvermijde –
lijk – evenzeer voor de invloed van ingrijpende gebeurtenis-
sen met negatieve gevolgen voor de huishoudportemonnee,
zoals baanverlies en het overlijden van de partner (Gielen en
Wilkens, 2014). Al neemt de werkzame beroepsbevolking komend jaar
met 90.000 personen toe, de werkloosheid daalt slechts
licht, mede doordat ontmoedigde gegadigden voor een
baan terugkeren op de aantrekkende arbeidsmarkt. De in –
flatie ligt ook komend jaar beneden de doelstelling van de
Europese Centrale Bank, die mikt op een geldontwaarding
van dicht onder twee procent per jaar. Het aanhoudend
zeer omvangrijke overschot op de lopende rekening van de
betalingsbalans suggereert dat de overheid er goed aan zou
doen om een deel van het spaaroverschot van de private
sector te absorberen voor de financiering van productieve
publieke investeringen, ook al zou dit spanning opleveren
met in Brussel gemaakte afspraken over het structurele be –
grotingssaldo. Uitgaven en inkomsten van de overheid, het begro –
tingssaldo en de overheidsschuld plegen te worden gerela –
teerd aan de omvang van het bbp. Nu de economie in 2016
naar verwachting flink groeit, vallen de bedoelde quoten
dankzij het ‘noemereffect’ lager uit.
OVERHEIDSUITGAVEN
De collectieve uitgaven nemen, uitgedrukt als percentage
van het bbp, in 2015 en 2016 duidelijk af (tabel 2). Dat
komt zowel door nettobezuinigingen als door het noe –
mereffect. Het kabinet boekt onmiskenbaar succes bij het
verlagen van de uitgaven voor het openbaar bestuur. Deze
post krimpt door de relatief geringe stijging van de ambte –
narensalarissen – in de periode 2010–2014 cumulatief met
1,2 procent, tegenover 5,1 procent in de particuliere sector
(Centraal Bureau voor de Statistiek, 2015a) – en door de
afslanking van het apparaat – de werkgelegenheid bij de
overheid daalt in de periode 2012–2016 met ruim 30.000
arbeidsjaren. De uitgaven voor de sociale zekerheid zijn sinds het
uitbreken van de financiële crisis in 2008 gestegen. Niet al –
leen door de toegenomen werkloosheid, maar ook doordat
de eerste jaargangen babyboomers inmiddels AOW ont –
vangen. De daling van de zorgquote is een opmerkelijke
prestatie van minister Schippers en staatssecretaris Van Rijn. Na 2012 hebben ook de ‘overige uitgaven’ bijgedra

gen aan de daling van de uitgavenquote met cumulatief 3,5
procent bbp. Het betreft de rente op de overheidsschuld
(–0,4), de infrastructurele uitgaven (–0,2), de overdrach –
ten aan bedrijven (–0,3) en de uitgaven voor internationale
samenwerking (–0,3).
KABINET BLIJFT BINNEN BUDGETTAIRE KADERS
Het kabinet stuurt op drie uitgavenkaders, die bij de for –
matie voor de gehele kabinetsperiode zijn vastgesteld. Eén
deelkader omvat ruim veertig procent van de rijksuitgaven,
beide andere deelkaders gelden voor de sociale zekerheid
en de zorg. Eventuele tegenvallers moeten binnen de uitga –
venkaders worden gecompenseerd. In 2013 en 2014 bleef
er binnen het totaalkader ruimte over, in 2015 en 2016
wordt het gerespecteerd (tabel 3). Het is opmerkelijk dat
het CPB in de MEV – dit in afwijking van de Miljoenen –
nota – voor beide laatstgenoemde jaren een onderschrijding
van het totale kader raamt, ter grootte van een half miljard
euro. Het verschil is vrijwel volledig gelokaliseerd bij de
zorguitgaven. Dat komt niet door een andere inschatting
van beleidseffecten, maar doordat het CPB uitgaat van een
andere onderliggende groei van de uitgaven voor de Zorg –
verzekeringswet. Anders dan tot 2013 gebruikelijk was, wordt het Bud –
gettair Kader Zorg niet langer overschreden. In 2013 en
2014 liggen de nettozorguitgaven (circa 65 miljard euro)
maar liefst 1,1 miljard respectievelijk 2 miljard euro be –
neden het (bijgestelde) plafond. Circa de helft van deze
aanzienlijke meevaller treedt op bij de uitgaven voor medi-
cijnen en hulpmiddelen. Die bleven sterk achter bij eerder
opgestelde ramingen, dankzij het succesvolle inkoopbeleid
van de zorg verzekeraars. Zij zetten artsen en apothekers
aan om waar mogelijk de goedkoopste medicijnen voor
Bron: Centraal Planbureau, 2015b
Overheidsuitgaven1TABEL 2
2008 201020122014 2016 mutatie
2012–2016
Openbaar bestuur 9,5 10,3 9,8 9,5 8,5 –1,3
Onderwijs 5,1 5,5 5,3 5,4 5,2–0,1
Sociale zekerheid 10,8 12,2 12,5 12,6 12,1 –0,4
Gezondheidszorg 8,19,49,89,79,4 –0,4
Overige uitgaven 10,2 10,7 9,7 9,28,4 –1,3
Totaal (bruto) 43,7 48,1 47, 1 46,4 43,6 –3,5
1 In procenten van het bbp
Bronnen: Tweede Kamer, 2013; 2014; 2015
Kadertoetsing, in miljard euro1TABEL 3
20132014 20152016
Rijksbegroting in enge zin –0,4 0,2 0,7 1,3
Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt 0,2 –0,8 –0,4 –0,6
Budgettair Kader Zorg –1,1 –2,0 –0,2 –0,7
Totaal uitgavenkader –1,4 –2,6 0,0 0,0
1 – = onderschrijding

ESB Openbare financi
548Jaargang 100 (4718) 24 september 2015
te schrijven en te verstrekken. Een treffender illustratie
dat marktwerking de stijging van de zorguitgaven kan
afremmen is haast niet te vinden. De bijdrage aan de uit –
gavenbeheersing van de met de zorgaanbieders gesloten
zorgakkoorden is vooralsnog klein. Zowel in 2012 als in
2013 hebben de ziekenhuizen de gemaakte afspraken niet
nageleefd. In beide jaren lagen hun uitgaven ruim een half
miljard euro hoger dan eerder was afgesproken (Tweede
Kamer, 2014–2015). De budgettaire marges zijn smal. Of het totale uitga –
venkader ook in 2015 en 2016 wordt gerespecteerd is dus
on zeker. Van een aantal bezuinigingsmaatregelen staat het
succes immers niet bij voorbaat vast, zoals bij de decentralisa –
tie van taken naar de gemeenten. Die dienen met een kleiner
budget hun nieuwe taken bij de zorg en de arbeidsbemidde –
ling uit te voeren. Lopen gemeenten hierbij vast, dan zullen
zij zonder twijfel in Den Haag aankloppen voor extra geld.
OVERHEIDSINKOMSTEN
Ondanks de belasting verlaging stabiliseert volgend jaar de
lastenquote op circa 37 procent bbp (tabel 1). Dit komt door
belastingmaatregelen buiten het vijfmiljardpakket en de rela –
tief ‘belastingrijke’ samenstelling van de economische groei:
de loonsom groeit sterker dan het bbp en de winsten stijgen. Dit jaar liggen de collectieve lasten door beleidsmaat –
regelen uit de jaren 2011–2015 cumulatief negentien mil –
jard euro hoger, dan wanneer het beleid (zoals in 2010)
ongewijzigd was voortgezet (Suyker, 2015). Komend jaar
gaat daar vijf miljard euro vanaf; de robuustheid van de be –
lastingmix valt dan op. Het aandeel van de belastingen op
inkomen en vermogen (inclusief premies volksverzekerin –
gen) bedraagt in de jaren 2008–2016 circa 45 procent, het
aandeel van de consumptiebelastingen nam twee procent –
punt af, ten faveure van de premies voor de werknemersver –
zekeringen en de Zorg verzekeringswet. Bij het voor 2016 uitgestippelde belastingbeleid trekt
de omvangrijke verlaging van de inkomstenbelasting de
meeste aandacht: zij vergt 4,2 miljard euro. Het vijfmil –
jardpakket omvat daarnaast een verhoging van de kinder –
opvangtoeslag (0,3 miljard euro) en de introductie van het
lage-inkomensvoordeel (LIV ). Dit LIV is bedoeld om het
voor werkgevers aantrekkelijker te maken mensen met lage
inkomens in dienst te nemen. Het LIV treedt eerst in 2017
in werking ; het komend jaar is de daarmee gemoeide half
miljard euro gebruikt als eenmalige dekking voor koop –
krachtreparaties.
BUDGETTAIRE BERG BAART BANENMUIS
Het pakket heeft op korte en middellange termijn gunstige
gevolgen voor de economie en de werkgelegenheid. Voor
neo-keynesianen is dat niets nieuws. Door de bestedings-
impuls komt de jaarlijkse economische groei volgens het
CPB-model SAFFIER-II (Van Es, 2015) in de periode
2016–2019 circa 0,2 procent hoger te liggen en vermin –
dert de werkloze beroepsbevolking met enkele duizenden
personen (in 2019). De lastenverlichting kan volgens het
CPB-model MICSIM op lange termijn leiden tot een extra
arbeidsaanbod van 35.000 werkzoekenden. Het voor deze
raming gebruikte model veronderstelt dat de werkgelegen –
heid volledig door het arbeidsaanbod wordt bepaald. De extra werkzoekenden zouden dus allemaal werk vinden.
Voor de geringe effectiviteit van het pakket bestaat een
dubbele verklaring. Ten eerste heeft het grootste deel van de
lastenverlichting geen effect op het structurele arbeidsaan –
bod. Dit betreft de verlaging van het tarief van de tweede
en de derde schijf met bijna twee punten en de verhoging
van het aangrijpingspunt van het toptarief van 52 procent
met bijna 9.000 euro. Ten tweede constateert het Centraal
Planbureau (2015c) dat het arbeidsaanbod veel minder op
financiële prikkels reageert dan vroeger het geval was. Het
overgrote deel van de ‘prikkelbare’ werkzoekenden heeft
zijn draai op de arbeidsmarkt allang gevonden. De resultaten van de belasting verlaging blijven daar –
mee ver achter bij de in het najaar van 2014 geventileerde
kabinetsdoelstelling om de werkgelegenheid via lastenver –
lichting met ten minste 100.000 banen te vergroten. En
stel dat de aangekondigde belasting verlaging over tien tot
twintig jaar inderdaad 35.000 extra arbeidsplaatsen ople –
vert, zoals het CPB-model aangeeft – dan heeft die relatief
bescheiden banenwinst 50 tot 100 miljard euro gekost:
tien tot twintig jaar een vijf miljard euro lagere belasting –
opbrengst. Zou het niet veel verstandiger zijn om de aan –
komende twee decennia een groot deel van al dit geld te
gebruiken voor onderzoek, stimulering van energiebespa –
ring , versterking van de infrastructuur, en zo meer? Deze
inzet zou uiteindelijk wel eens meer banen en groene groei
kunnen opleveren dan de voorgenomen lastenverlichting ,
doordat betere kansen op de arbeidsmarkt extra aanbod
uitlokken.
KOOPKRACHTVERBETERING LOOPT STERK OP
MET HET INKOMEN
De lastenverzwaringen van de afgelopen jaren hebben bijna
alle burgers geraakt. De belasting verlaging van 4,2 miljard
euro komt evenwel uitsluitend ten goede aan werkenden en
mondjesmaat aan senioren met een redelijk tot hoog aanvul –
lend pensioen. Ook zij profiteren namelijk van de verlaging
van het tarief van de tweede en de derde schijf met afgerond
twee punten. Het voordeel door de belasting verlaging loopt
in euro’s sterk op met het inkomen (De Kam, 2015). Gefortuneerde senioren met een inkomen beneden
de 20.000 euro worden hard geraakt door het verdwijnen
van een extra vrijstelling voor ouderen bij de vermogens-
heffing. Hierdoor verliezen zij hun aanspraak op zorg- en
huur toeslag , want beide regelingen kennen een toets op
het fiscale vermogen. Vandaar dat koopkrachtverliezen van
gepensioneerden soms oplopen tot boven de tien procent,
zoals eerder aangegeven. Met zijn belastingplannen voor 2016 wijkt het kabi-
net significant af van de eigen begrotingsregels. Die regels
bepalen dat meevallende belastingopbrengsten volledig
bestemd zijn voor vermindering van het begrotingstekort.
Eerst wanneer de begroting meerjarig een overschot laat
zien, komt 25 procent van dat overschot beschikbaar voor
lastenverlichting.
DE ONRECHTVAARDIGE VERMOGENSBELASTING
De kleinere-vermogensbezitter heeft – afgezien van de
eventuele overwaarde van zijn eigen woning en zijn niet-
opneembare tegoed bij het pensioenfonds – vooral vermo –

Openbare financi ESB
549Jaargang 100 (4718) 24 september 2015
gen in de vorm van spaartegoeden bij het bankwezen. De
rentevergoeding is gedaald tot omstreeks één procent, maar
hij moet – afgezien van een vrijstelling van 21.330 euro per
belastingplichtige – dertig procent belasting afdragen over
een door de wetgever verondersteld rendement van vier
procent. Tegenbewijs is bij deze ‘vermogensrendements-
heffing’ niet mogelijk. De belastingdruk voor de gewone
spaarder bedraagt momenteel dus 120 procent (1,2 / 1 ×
100 procent).Het kabinet wil ingaande 2017 toe naar een structuur
met drie tariefschijven. Daarbij loopt het fictieve rende –
ment op met de omvang van het vermogen, van 2,9 procent
over vermogen in de schijf van 0 tot 100.000 euro tot 5,5
procent over vermogen in de derde schijf (boven één mil –
joen euro). Dit veronderstelde rendement wordt jaarlijks
aangepast op basis van realisaties in de voorafgaande jaren.
Een heffing op basis van het werkelijk genoten rendement
heet zeer complex en binnen afzienbare termijn voor de
Belastingdienst niet uitvoerbaar te zijn. Dit argument stuit
bij fiscalisten op onbegrip (Berentsen, 2015). De op spaar –
tegoeden uitbetaalde rente en door effectenbezitters geno –
ten inkomsten zijn voor de fiscus eenvoudig te achterhalen.
Het verdient de voorkeur – want sluit aan bij het recht –
vaardigheidsgevoel van de burgers – om in de toekomst
werkelijk behaalde rendementen te belasten, met inbegrip
van gerealiseerde vermogenswinsten. Het buitenland laat
zien dat deze aanpak werkbaar is. Bovendien zijn banken
en andere financiële instellingen in de EU vanaf komend
jaar verplicht rente, dividend en vermogenswinsten van de
cliën tèle door te geven aan de fiscus. Alleen bij beleggin –
gen in onroerend goed – waarvan de waarde bij de fiscus
bekend is – zou dan een fictief rendement worden belast.
UITSTEL VAN GASWINNING KAN LUCRATIEF ZIJN
Bij de niet-belastingontvangsten valt de tegenvaller bij het
staatsaandeel in de gaswinsten op. Deze wordt verklaard
door de lage gasprijs en doordat het tempo van de gaswin –
ning in Groningen wordt teruggeschroefd. Mede doordat
het gas langzamer wordt gewonnen, daalt het staatsvermo –
gen met 34,5 miljard euro (Centraal Bureau voor de Statis-
tiek, 2015b), aangezien de waarde van de winstrechten van
de staat wordt bepaald door toekomstige opbrengsten con –
tant te maken. Hoe langer het duurt voordat het gas wordt
gewonnen, hoe minder het dus waard is. In feite zal de gas-
prijs op lange termijn sterk stijgen en is uitstel (geen afstel!)
van gaswinning uiteindelijk gunstig voor de overheidsfinan –
ciën. Al staat de contante waarde van de gaswinsten onder
druk, het uitsmeren ervan in de tijd is niet slecht.
BEGROTINGSSALDO
Het voor 2016 geraamde feitelijke begrotingstekort van 1,4
procent bbp is geflatteerd door een incidentele ‘meevaller’
van 0,3 procent bbp: dan komt met terug werkende kracht
de Nederlandse korting op de EU-afdracht binnen. Besluit
het kabinet de aardgasproductie in het Groningenveld ten
opzichte van de nu geplande 33 miljard m
3 nog eens met tien
procent te verminderen, dan vallen de aardgasbaten voor de
schatkist 0,1 procent bbp lager uit. Het voor beide factoren
gecorrigeerde feitelijke tekort bedraagt 1,8 procent bbp. Mede door het gulle gebaar jegens de belastingbetalers stijgt het structurele – voor de stand van de conjunctuur
en incidentele factoren gecorrigeerde – begrotingstekort
van 0,5 procent bbp in 2014 naar 1,2 procent bbp in 2016.
Volgens in Brussel gemaakte begrotingsafspraken mag het
structurele tekort ten hoogste 0,5 procent bbp zijn. De
hierop betrekking hebbende regels zijn complex. Het ka

binet toont zich in de Miljoenennota vol vertrouwen dat
de Europese Commissie bij haar oordeel in november aan –
staande deze (tijdelijke?) afwijking zal accepteren. In dat
geval moet het structurele tekort in 2017 met minimaal 0,5
procent bbp (3,5 miljard euro) verbeteren – zoals de Raad
van State in zijn Septemberrapportage Begrotingstoezicht
constateert. Het kabinet schuift dit probleem door naar
2017 en dat maakt de voorbereiding van de begroting voor
dat jaar er niet eenvoudiger op.
CONCLUSIE
De Rijksbegroting geeft een bestedingsimpuls op het mo –
ment dat dit niet langer noodzakelijk is. In strijd met de
begrotingsregels wordt vijf miljard euro uitgetrokken voor
verlichting van de lasten op arbeid. Het beoogde positieve
effect van deze lastenverlichting op de werkgelegenheid is
op korte en lange termijn gering. Het verdient de voorkeur
de vijf miljard euro in te zetten om het tekort versneld weg
te werken, zodat de overheid beschikt over een sterkere
buffer om nadelige gevolgen voor de begroting van de vol –
gende recessie op te vangen. Een te overwegen alternatief
is een deel van de vijf miljard euro te bestemmen voor in –
vesteringen die de structuur van de economie versterken.
Los hiervan legt de stijging van het structurele tekort een
hypotheek op de voorbereiding van de Rijksbegroting voor
2017.
LITERATUUR
Berentsen, L. (2015) Staatssecretaris Eric Wiebes stapelt fictie op fictie. Het Financieele Dag-
blad, 14 september.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2015a) Ambtenarensalarissen stijgen minder snel dan die van
andere werknemers . Persbericht, 3 september.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2015b) Vermogen overheid neemt af doordat gasvoorraad
minder waard is. Persbericht, 3 september.
Centraal Planbureau (2015a) Centraal Economisch Plan 2015 . Den Haag: Sdu.
Centraal Planbureau (2015b) Macro Economische Verkenning 2016 . Den Haag: Sdu.
Centraal Planbureau (2015c) Kansrijk arbeidsmarktbeleid . Den Haag: Centraal Planbureau.
Es, F. van (2015) Beleidsvarianten met SAFFIER-II . Den Haag: Centraal Planbureau.
Gielen, M. en M. Wilkens (2014) Koopkracht, een kwestie van kwartjes. Den Haag: Centraal
Planbureau.
Homan, E. en W. Suyker (2015) Hoe anti-cyclisch is het Nederlandse discretionaire begrotingsbe-
leid? Den Haag: Centraal Planbureau.
Kam, F. de (2015) Een fiscalamiteit voor de PvdA dreigt. Socialisme & Democratie, 72(4), 5–10.
Suyker, W. (2013) Tekortreducerende maatregelen 2011–2017 (incl. 5-miljard-pakket). Den Haag:
Centraal Planbureau.
Tweede Kamer (2013-2014) Financieel Jaarverslag van het Rijk 2013 , 33930(1).
Tweede Kamer (2014-2015) Financieel Jaarverslag van het Rijk 2014 , 34200(1).
Tweede Kamer (2015-2016) Nota over de toestand van ’s Rijks financiën , 34300(1-2).

Auteur