Ga direct naar de content

De politieke economie van de arbeidsmarkt

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 25 1998

De politieke economie van de arbeidsmarkt
Aute ur(s ):
Dur, R.A.J. (auteur)
Erasmus Universiteit Rotterdam, Tinbergen Instituut.
Ve rs che ne n in:
ESB, 83e jaargang, nr. 4141, pagina 177, 27 februari 1998 (datum)
Rubrie k :
Uit de vakliteratuur
Tre fw oord(e n):
uit, de, vakliteratuur, politiek, democratie, arbeidsmarkt

De Franse en Duitse werklozen pikken het niet meer. De werkloosheid groeit dramatisch snel en bereikt na-oorlogse recordhoogten.
In navolging van de Fransen, zetten Duitse werklozen protestacties op waarbij banen worden geëist. Vooralsnog blijven belangrijke
hervormingen gericht op meer banen echter uit. Politici wijzen de vakbonden als schuldigen aan. Die zouden te hoge looneisen stellen,
waardoor de werkgelegenheid verder afbrokkelt. De vakbonden wijzen op hun beurt naar de regering, die zich vooral zorgen zou
maken om het financieringstekort in verband met de EMU.
Het verklaren van zo’n politieke patstelling is lange tijd het absolute domein geweest van politicologen. Economen hielden zich vooral
bezig met het verklaren van de werkloosheid. Jarenlang onderzoek en wetenschappelijk debat hebben ertoe geleid dat er onder economen
min of meer consensus bestaat over hoe werkloosheid bestreden kan worden (minder genereuze werkloosheidsuitkeringen, lagere
ontslagkosten, meer flexibiliteit, enz.). De jaarlijkse adviezen van de OESO aan regeringen zijn daar het toonbeeld van. Hoewel de
werkloosheid recordniveaus bereikt, lijken veel Europese regeringen echter doof voor de adviezen van economen. Ondanks het sterk
verergeren van de kwaal, weigert de patiënt het aanbevolen medicijn te slikken.
In een recent artikel stellen O’Flaherty en Bhagwati dat dit niet aan de politiek ligt, maar aan de economen 1. Bij het geven van advies
behandelen economen de overheid als een anonieme actor die het beste met iedereen, en vooral met de werklozen voor heeft. In
werkelijkheid regeert een democratische meerderheid die het beste met zichzelf voor heeft en beïnvloed wordt door belangengroepen.
Door het verkeerde beeld van de identiteit van de patiënt is beleids- advies van economen gedoemd in de prullenbak te verdwijnen. In de
woorden van O’Flaherty en Bhagwati: “if what governments do is the result of equilibrium behavior of self-interested actors, then
advising governments is as senseless an activity as advising monopolists to lower prices”. De inzichten van de groeiende school van
politieke economen zullen normatieve economen daarom de baan gaan kosten, zo voorspellen O’Flaherty en Bhagwati.
Saint-Paul laat zien dat het punt dat O’Flaherty en Bhagwati maken uitermate relevant is voor het arbeidsmarktbeleid 2. Hij
beargumenteert dat de recepten die economen voorschrijven voor het verlagen van de werkloosheid meestal niet in het voordeel zijn van
een meerderheid van de bevolking. Beleidsaanpassingen die de werkloosheid verlagen, zoals flexibilisering, minder ontslagbescherming
en meer marktconforme loonvorming, tasten de baanzekerheid van de werknemers aan die, ondanks de hoge werkloosheid, een
meerderheid vormen. Ook een verlaging van de uitkeringen hoeft niet op steun van een democratische meerderheid te rekenen. Lagere
uitkeringen betekenen een slechtere terugvalpositie voor werknemers waardoor zij minder sterk staan tijdens loononderhandelingen.
Vanuit dit licht bezien is het niet verbazingwekkend dat de gangbare adviezen van arbeidseconomen in de wind worden geslagen door
politici.
Nu zouden arbeidseconomen zich, volgens goed wetenschappelijk gebruik, kunnen beperken tot het verklaren en voorspellen van
verschijnselen. Economen, en Nederlandse economen in het bijzonder, lijken echter een voorliefde te hebben voor het geven van
beleidsadvies. Ook vanuit Den Haag klinkt een roep om maatschappelijk relevant onderzoek.
Is er een uitweg voor de maatschappelijk betrokken arbeidseconoom? Dixit denkt van wel 3. Als economen willen dat er iets met hun
advies wordt gedaan, zouden ze het politieke spel waarbinnen het beleid gemaakt wordt in hun analyse moeten betrekken. De sociale
welvaartsfunctie moet overboord. Daar moet een meer realistische beschrijving van de doelstellingsfunctie van politici voor in de plaats
komen. Maar dat is niet voldoende. Ook de ideologie van de adviseur speelt een rol bij het overbrengen van zijn boodschap. Een rechtse
minister zal weinig oor hebben voor het advies van een linkse econoom, omdat de minister niet zeker is van de onderliggende motieven
van de adviseur. Voor effectieve informatie-uitwisseling is het noodzakelijk dat de ideologie van de adviseur en de beleidsmaker niet te
ver uit elkaar liggen 4. Als aan deze voorwaarden is voldaan, kunnen de adviezen van economen een belangrijke functie vervullen in het
politieke proces. Dixit concludeert dan ook dat niet iedere normatieve econoom voor zijn adviesfunctie hoeft te vrezen. Alleen de puur
technocratische en politiek naïeve economen blijven, wat hun adviezen betreft, roependen in de woestijn.

1 B.O’Flaherty en J. Bhagwati, Will free trade with political science put normative economists out of work?, Economics and Politics,
november 1997, blz. 207-219.
2 G. Saint-Paul, Exploring the political economy of labour market institutions, Economic Policy, oktober 1996, blz. 263-315.

3 A. Dixit, Economists as advisers to politicians and to society, Economics and Politics, november 1997, blz. 225-230.
4 Zie voor een formele analyse W. Letterie en O.H. Swank, Learning and signalling by advisor selection, Public Choice, september 1997,
blz. 353-368.

Copyright © 1998 – 2003 Economisch Statistische Berichten ( www.economie.nl)

Auteur