Ga direct naar de content

De levensloop van ‘s Konings oudste dogter

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: juli 1 2005

b o e k b e s p re k i n g

De levensloop van
‘s Konings oudste dogter
J.W.N.P.M. van der Kaaij
De auteur is als plaatsvervangend directeur werkzaam bij
de directie Buitenlandse Financiële Betrekkingen van
het ministerie van Financiën.
j.w.n.p.m.kaaij@minfin.nl

De Nederlandsche Bank heeft zich ontwikkeld van lokale
kredietinstelling tot Europese stelselbank. Zowel de economische
achtergronden waarin de Bank opereerde als de ontwikkeling
van haar beleidsfilosofie en haar gecompliceerde relatie met
de staat, komen in dit boek aan bod.

n 2004 bestond De Nederlandsche Bank (DNB) 190 jaar. Ter
gelegenheid hiervan heeft de directie van de Bank aan Wim
Vanthoor gevraagd de geschiedenis van de Bank, die tot dan
door drie verschillende auteurs in zes dikke boekdelen was
beschreven, toegankelijker te maken.
Vanthoor is in deze missie geslaagd. In vierhonderd bladzijden leidt hij de lezer door de
geschiedenis van onze centrale bank, waarbij
hij een goed oog heeft voor de invloed van de
steeds veranderende omgeving op de Bank en
kritische geluiden niet onbesproken laat.

I

Moeizame eerste jaren

de uitgifte ervan geassocieerd werd met pervers financieringsgedrag van dezelfde staat, waarvan de Bank zo afhankelijk was.
De verdienste van de Bank in die eerste vijftig jaar is dat zij
zich langzaam aan bovenbeschreven catch 22-situatie heeft weten
te ontworstelen. Volgens Vanthoor is de Bank
er in deze periode in geslaagd langzaam het
vertrouwen van de financiële wereld te winnen
en de aanvaarding van haar bankbiljetten te
bewerkstelligen. Haar belangrijkste instrument
hierbij was een zeer terughoudend kredietbeleid, zeker jegens de staat. Al in deze eerste
jaren van haar bestaan is de verhouding van de
Bank met de staat van cruciaal belang en dit zal
altijd zo blijven. Vanthoor laat overigens na een
onderbouwing te geven voor zijn bewering dat
de Bank al in deze periode, ondanks haar
restrictieve kredietbeleid in algemene zin, op
cruciale momenten optreedt als een toevluchtsoord waar in uiterste nood altijd geld
beschikbaar is.

De eerste halve eeuw van het bestaan van
de Bank was moeizaam. De titel van het eerste
hoofdstuk (‘Een overwegend Amsterdamse
instelling’) geeft al aan dat van de ambitie van
Koning Willem I om een ware nationale bank
op te richten, voorlopig weinig terecht kwam.
De directie van de Bank vond de kosten hiervan niet opwegen tegen de verwachte baten.
Bovendien bleek dat de nieuwe bank zelfs op
De Nederlandsche Bank
Bank van Nederland
lokaal niveau moeite had zich een plaats in het
1814-1998
In de periode 1864-1914 breidden het
economisch-financiële verkeer te verwerven.
geografische bereik en het takenpakket van de
Wim Vanthoor
Het oorspronkelijke octrooi van de bank was
Bank zich uit. Met de Bankwet van 1863 werd
Uitgeverij Boom, Amsterdam
hieraan mede debet. Zo mocht de Bank alleen
gekozen voor het zogenaamde reguleringsbeginISBN 90 535 2982 9
krediet verlenen door het disconteren van hansel. Dit wordt door Vanthoor kernachtig neerdelspapier en het belenen op onderpand,
gezet als “de formulering van het monetarisme
onder andere van effecten en goederen. Aan de andere kant
avant la lettreâ€: een verplichte metaaldekking van de bankbiljetmochten in de eerste vijfentwintig jaar van haar bestaan – onder
tencirculatie werd gehandhaafd. De Bank krijgt echter nog
druk van de kassiershuizen – alleen het Rijk en enkele andere
steeds niet het wettelijke monopolie op de uitgifte van bankbiloverheidsinstellingen bij de Bank tegoeden aanhouden. Hierdoor
jetten. De uit academische kring afkomstige kritiek dat de Bank
was de Bank, zolang het door haar uitgegeven bankpapier bij het
te weinig energie zou uitstralen, speelde volgens de latere bankpubliek onvoldoende vertrouwen en aantrekkingskracht genoot,
president Vissering hierbij ook een rol. De dreiging van compevoor de financiering van haar kredietactiviteiten erg afhankelijk
titie zou de Bank tot grotere daden moeten bewegen. Of
van de overheid. Dit laatste was helaas lange tijd het geval.
Vanthoor deze kritiek deelt, wordt niet duidelijk. De in de nieuWeliswaar had de Bank toestemming gekregen om bankbiljetten
we Bankwet aan de Bank opgelegde verplichting om vóór 1865
uit te geven; van een wettelijk monopolie was geen sprake. De wetin Rotterdam een bijbank op te richten en zich ook elders in het
telijk voorgeschreven kleinste denominatie was daarbij zo groot,
land te vestigen, kan een andere indicatie zijn voor het genoemdat de bankbiljetten voor het gewone publiek onbruikbaar waren.
de ongenoegen over het functioneren van de Bank. Anderzijds
De belangrijkste handicap lag evenwel in het op het verleden
werd in de Bankwet van 1888 aan de Bank de bevoegdheid toegebaseerde wantrouwen van het publiek tegen papiergeld, omdat
gekend deviezen te kopen en te verkopen. Naast het gebruik van
298

ESB 01-07-2005

b o e k b e s p re k i n g

het disconto werd het hiermee voor de Bank mogelijk de wisselkoers te verdedigen zonder te hoeven overgaan op de afgifte van
goud. In de tweede helft van de negentiende eeuw was de Bank
volgens Vanthoor zowel een nationale als een centrale bank
geworden. Nationaal in de zin dat haar bankbiljetten via haar
kantorennet in het hele land circuleerden; centraal door haar de
facto monopolie op de bankbiljettenafgifte (en het daarvan afgeleide goud- en rentebeleid).
Het oordeel van Vanthoor over de Bank in de periode 18641914 is positief. Hoewel in Nederland voortdurend getwijfeld
werd aan het nut van de gouden standaard boven de dubbele
standaard – mede hierdoor kwam men na bijna vijf jaar parlementair geharrewar uit op een ‘hinkende standaard’ – was de
Bank succesvol in de wijze waarop zij de gouden standaard verdedigde door haar rentepolitiek in hoge mate af te stemmen op
het beleid van de Bank of England.1 Vanthoor tekent daarbij wel
aan dat de macro-economische randvoorwaarden voor het voeren van een vast wisselkoersbeleid in die jaren vrijwel ideaal
waren. Daarnaast zorgde de sterke uitbreiding van het kantorennet van de Bank ervoor dat ook buiten de industriële centra krediet ter beschikking kwam. Daarbij werd de indirecte kredietverlening via het stimuleren van het bankwezen steeds
belangrijker. Vanthoor merkt hier terecht op dat het niet in
overeenstemming was met de (moderne) rol van bankers’ bank
dat de Bank het bankwezen min of meer permanent aan
bedrijfskapitaal hielp.Tegelijkertijd legde deze innige financiële
vervlechting de basis voor de functie van lender of last resort en
de latere toezichtsfunctie van de Bank. Overigens vermoedt
Vanthoor dat het financiële ontwikkelingsproces in gang is gezet
door de ontwikkelingen in de reële economie en niet andersom.
Dit is omgekeerd aan wat koning Willem I voor ogen stond,
namelijk dat de Bank ervoor moest zorgen dat de economie uit
het slop zou worden getrokken.

Op weg naar een volwaardige
centrale bank
Volgens Vanthoor is de periode 1914-1948 voor de Bank een
waterscheiding geweest. Deinde ze tot 1914 mee op het ritme
van stabiele economische en politieke verhoudingen; twee
wereldoorlogen en de economische depressie in het interbellum
veranderden de Bank volledig. In 1948 had Nederland een volwaardige centrale bank, die zich – met de staat als enige aandeelhouder – exclusief richtte op haar publieke taken. Daartoe
behoorden haar optreden als volwaardige bankers’ bank en
lender of last resort. Doordat Vanthoor pas later in zijn boek een
eenduidige definitie geeft van het begrip bankers’ bank, blijft het
lang onduidelijk wanneer de Bank deze voor een centrale bank
cruciale functie werkelijk volwaardig is gaan vervullen.
Uiteindelijk lokaliseert hij op basis van de definitie van bankers’
bank als “verschaffer van krediet aan banken ter overbrugging van
tijdelijke liquiditeitstekorten†het einde van de jaren twintig als
het moment waarop dit gebeurde. Het is wel zoeken.

Duitsland ‘meer dan duidelijk’ was dat de werkelijke leiding van de
Bank buiten haarzelf lag. Jammer is wel dat Vanthoor nalaat de
twee betreffende directieleden gewoon bij hun naam te noemen.
Ook is Vanthoor kritisch over de houding van de Bank bij het overhevelen van joodse tegoeden en effecten naar een bijkantoor van de
beruchte bank Lippman Rozenthal & Co.
Op economisch gebied hekelt Vanthoor het dogmatisch geloof
van de directie in de heilzame werking van de gouden standaard,
ook nadat de devaluatie van het Britse pond in 1931 de scheuren
in het systeem zichtbaar had gemaakt. Een hoge dunk van de
intellectuele denkkracht van de Bank in die tijd heeft hij sowieso
niet, getuige zijn opmerking dat de Bank in het monetaire debat
schitterde door afwezigheid en de vaststelling dat de toenmalige
bankpresident Vissering inderdaad “geen zuivere geldtheoreticus
wasâ€. Met de komst van Holtrop zou dit veranderen.

Een onafhankelijke partner van
de regering
Met de nieuwe Bankwet van 1948 werd de Bank definitief
getransformeerd tot een volwaardige centrale bank. Naast het
monetaire beleid (stabilisatie van de externe én interne waarde
van de gulden) kreeg de Bank de zorg voor het betalingsverkeer
en het toezicht op het kredietwezen. Daarbij zag de Bank het laatste als een groeisector, maar hield deze zich afzijdig van het girale
betalingsverkeer. Wel verkreeg de Bank voor het eerst het wettelijke monopolie op de uitgifte van bankbiljetten. Hoewel het aanwijzingsrecht van de minister van Financiën een – terechte –
begrenzing inhield van de onafhankelijkheid van de Bank, heeft
dit recht de opbouw van het gezag van de Bank als beleidsonafhankelijke autoriteit naast de overheid niet in de weg gestaan.
Vanthoor geeft aan dat Holtrop optimaal gebruik heeft
gemaakt van de opdracht die de Bankwet hem gaf. Als voorwaarde voor handhaving van de interne waarde van de gulden
(naast het handhaven van de externe waarde) moest monetair
evenwicht bereikt worden. Hiertoe ontwikkelde Holtrop een
analytisch denkkader in de vorm van concrete beleidsregels voor
het geldhoeveelheidbeleid.2 De ware betekenis van dit analytische denkkader was, zoals Vanthoor terecht aangeeft, dat de
Bank daarmee haar positie als onafhankelijke (monetaire)
beleidsautoriteit ten opzichte van de staat wist te vestigen. Het
werd haar exclusieve domein. Het feit dat de resultaten van het
op dit denkkader gebaseerde monetaire beleid, eerst als gevolg
van de inflatoire buitenwereld en later als gevolg van de binnenlandse loonexplosie, te wensen overlieten, doet hier klaarblijkelijk niet aan af. Hier gaat Vanthoor, die terecht aandacht schenkt
aan de internationale belangstelling voor de monetaire analyse
van Holtrop – en vooral de monetaire benadering van de betalingsbalans – echter niet op in.

Zijlstra en ‘Den Haag’
Het is Zijlstra die, voortbouwend op de verzuchting van
Holtrop dat de centrale bank in een inflatoire buitenwereld
onder een vast wisselkoersregime tamelijk machteloos staat,

Kanttekeningen
Vanthoor laat niet na bij de periode 1914-1948 enkele kritische
kanttekeningen te maken. Zo plaatst hij grote vraagtekens bij in
ieder geval de lengte van de periode waarin twee directeuren tijdens
de Tweede Wereldoorlog op hun post zijn gebleven, ook toen de
NSB’er Rost van Tonningen het presidentschap van de Bank had
overgenomen en met de opheffing van de deviezengrens met

1 Dit beleid doet overigens in sterke mate denken aan het beleid dat de Bank
in de periode na 1973 voerde ten opzichte van de Duitse Bundesbank.
2 Dit beleid hield bijvoorbeeld in dat, onder de veronderstellingen van evenwicht op de betalingsbalans, neutrale financiering door de overheid en een
constante omloopsnelheid van het geld, de geldschepping door het bankwezen ten behoeve van de particuliere sector moest worden afgestemd op
de verwachte groei van de economie.

ESB 01-07-2005

299

p ro d u c t i v i t e i t

erop wees dat de lasten van een tekortschietend inkomens- of
begrotingsbeleid terecht zouden komen bij het monetaire
beleid. In tegenstelling tot Holtrop bracht hij daarmee het beleid
van de Bank dichter bij de ‘Haagse’ beleidsterreinen. Dit heeft er
ongetwijfeld toe bijgedragen dat vanaf de jaren zeventig vaker
sprake is geweest van frictie tussen Den Haag en de Bank. In de
beschrijving van deze fricties toont Vanthoor zich een meesterlijk verteller, die haarfijn de mogelijkheden van het aanwijzingsrecht voor de verschillende spelers uit de doeken doet. Zo citeert
hij naar aanleiding van het meningsverschil tussen het kabinetDen Uyl en de Bank over de introductie van een kredietrestrictie
in 1977 bankdirecteur Wellink. Deze wijst er fijntjes op dat
Zijlstra de kredietbeperking pas oplegde nadat het kabinet
demissionair was geworden en dus niet met een eventuele toepassing van het aanwijzingsrecht kon dreigen: “Hij wist de
momenten en mogelijkheden uit te kiezen.†In 1980 was bijna
sprake van een omgekeerd aanwijzingsrecht (in een een-tweetje
tussen de Bank en Financiën) toen Zijlstra en de toenmalige
minister van Financiën Van der Stee een briefwisseling op touw
zetten, waarin de Bank dreigde een kredietrestrictie op te leggen
aan de banken, waarbij de banken ook ten aanzien van de overheid beperkingen zouden krijgen opgelegd.
Onder Zijlstra kwam de beheersing van de liquiditeitsquote
(de verhouding tussen de geldhoeveelheid en het nationale
inkomen) in het beleid van de Bank steeds centraler te staan. In
1977 ging de Bank zelfs over tot de aankondiging van een heldere gekwantificeerde doelstelling hiervoor, na al jaren een
geconditioneerde liquiditeitsquotedoelstelling te hebben
gebruikt (Houben, 2000). In retrospectief wekt dit beleid
bevreemding, omdat tegelijkertijd een vaste wisselkoers (eerst
onder Bretton Woods, daarna in Europees verband) werd nagestreefd, terwijl Holtrop bij zijn afscheid al had geconstateerd
dat de verstoring van het monetair evenwicht via de lopende
rekening (er bestond nog geen vrij verkeer van kapitaal) de
centrale bank ‘tamelijk’ machteloos kon maken. Mede onder de
voortgaande kapitaalliberalisatie evalueerde het beleid zich
vanaf de jaren tachtig zich steeds meer tot een op de D-mark
gericht wisselkoersbeleid pur sang. Vanaf 1987 bleef zelfs de
sinds de jaren vijftig gebruikelijke presentatie van de veranderingen in de liquiditeitsquote achterwege. De koppeling met de
D-mark heeft ons land geen windeieren gelegd.

spilkoers van de gulden bij de eerste wisselkoersherschikking
onder het in datzelfde jaar opgerichte Europees Monetaire
Stelsel ook al 2% was achtergebleven ten opzichte van de
D-mark. (Bakker,1992). De ‘eens maar nooit meer’-houding die
toen bij de Bank ontstond, heeft ongetwijfeld bijgedragen aan
de heftigheid van het dispuut tussen regering en Bank in 1983.
In 1998 wordt de Bank onderdeel van het Europese Stelsel
van Centrale Banken, waarvoor een aanpassing van de Bankwet
noodzakelijk is. Deze had onder andere tot doel de onafhankelijkheid van de Bank verder te vergroten door het schrappen van
het aanwijzingsrecht. Het proces hiertoe wordt door Vanthoor
kort en kernachtig beschreven, inclusief de hechte samenwerking tussen Duitsland en Nederland: “Door zich samen met
Duitsland in te zetten voor stabiliteit en strikte criteria heeft
Nederland een Duits isolement helpen voorkomenâ€. In zijn nabeschouwing gaat Vanthoor nog kort in op het functioneren van
de Bank in het Europese Stelsel van Centrale Banken. Op een
wat krampachtige wijze – “de ECB is geen commandocentrum†–
benadrukt hij het belang van een aantal taken van de Bank in de
nieuwe setting. Hierdoor kan ten onrechte de indruk ontstaan
dat het voortbestaan van de Bank wordt bedreigd. Dit staat
haaks op het beeld van de Bank dat uit deze geschiedschrijving
oprijst, namelijk dat van een instelling die steeds flexibel weet in
te spelen op veranderingen in de omgeving.

Conclusie
Vanthoor heeft 184 jaar Nederlands monetaire geschiedenis
op een bewonderenswaardige manier geordend. Hij laat hierbij
vooral de feiten spreken. Kritiek op het beleid laat hij niet onbesproken, al doseert hij het vaak wel door de hoofdrolspelers zelf
op kritische wijze over hun eigen beleid te laten oordelen of verschillende meningen tegenover elkaar te plaatsen. Het resultaat
is een heel afgewogen en genuanceerd boek dat uitdaagt tot verder onderzoek. Het is ook een boek dat door zijn genuanceerdheid, in combinatie met de enorme feitenmassa, de lezer op
zichzelf terugwerpt. Het had daarom nog verder aan toegankelijkheid kunnen winnen als de schrijver zijn eigen oordeel directer naar voren had gebracht. â– 
Jan Willem van der Kaaij

Literatuur

Europees integratieproces
Met betrekking tot de rol van de Bank in het proces van de
Europese monetaire integratie beschrijft Vanthoor op heldere
wijze dat haar interesse hiervoor initieel niet zozeer voortkwam
vanuit een Europees perspectief. Er was veeleer het streven om
een mondiaal stelsel van vaste (en aanpasbare) wisselkoersen te
herstellen. Daarbij heeft de Bank zich consequent hard gemaakt
om onderlinge kredietmechanismen tussen aan de verschillende
wisselkoersarrangementen deelnemende landen te vermijden.
Deze zouden benodigde interne beleidsaanpassingen maar uitstellen. Hiermee trok de Bank haar opstelling ten aanzien van de
Europese Betalingsunie (EBU, 1961) en de General Agreement
to Borrow (GAB, 1967) consequent door. Veel aandacht besteedt
Vanthoor aan de desastreuze devaluatie (van 2%) van de gulden
ten opzichte van de D-mark in 1983. De teleurstelling van de
Bank over deze regeringsbeslissing is genoegzaam bekend. Wat
minder bekend is – en helaas ook in dit boek ontbreekt – is de
teleurstelling die in bankkringen al in 1979 ontstond toen de
300

ESB 01-07-2005

A.F.P. Bakker & A. Szász (red.) (1992) Achter de coulissen van het beleid:
drs. D.H. Boot, Geselecteerde notities en verslagen 1970-1992. Amsterdam:
De Nederlandsche Bank.
A.C.F.J. Houben (2000) The evolution of monetary policy strategies in Europe.
Dordrecht: Kluwer.

Auteur