Ga direct naar de content

De knikkers van Kyoto

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 25 2000

De knikkers van Kyoto
Aute ur(s ):
Jeucken, M.H.A. (auteur)
De auteur is werkzaam b ij de Stafgroep Economisch Onderzoek van Rab ob ank Nederland.
Ve rs che ne n in:
ESB, 85e jaargang, nr. 4279, pagina 883, 3 november 2000 (datum)
Rubrie k :
Tre fw oord(e n):
milieu-economie

Reductie van broeikasgassen leidt tot omvangrijke kosten en baten voor bedrijven. De uitdaging voor banken en verzekeraars is om
passende financiële producten te ontwikkelen.
In 1997 hebben geïndustrialiseerde landen, met het oog op klimaatverandering, in Kyoto bindende afspraken gemaakt over reductie
van de uitstoot van broeikasgassen. In Den Haag vindt half november 2000 de opvolger van deze conferentie plaats. Er bestaan nog
diverse politieke ‘losse eindjes’, vooral over de concrete invulling van de rol van bedrijven. Bedrijven en banken staan echter vooraan
om in te springen op de ‘beloofde’ nieuwe markt. Ondanks de noodzaak van de participatie van bedrijven heeft de conferentie een sterk
politiek en wetenschappelijk karakter, waarin onvoldoende rekening lijkt te worden gehouden met bedrijfseconomische aspecten van
het beoogde marktsysteem. Dit artikel belicht de mogelijke rol van banken in een dergelijk systeem en sluit af met enkele
kanttekeningen voor de conferentie.
Klimaatverandering
Bepaalde natuurlijke stoffen in de atmosfeer zorgen voor een broeikaseffect, dat leven op aarde mogelijk maakt. Sinds de industriële
revolutie is de uitstoot van door mensen geproduceerde broeikasgassen echter zodanig toegenomen, dat men is gaan spreken van een
versterkt broeikaseffect. CO2 is het belangrijkste broeikasgas. De brede verwachting is, dat tussen 1990 en 2100 de gemiddelde
temperatuur op aarde met twee graden Celsius en de zeespiegel met vijftig centimeter zal stijgen 1. Een versterkt broeikaseffect kan het
ecologisch en klimatologisch systeem op aarde ernstig verstoren. Geologische gordels kunnen verschuiven, maar instabiliteit maakt het
inschatten van de effecten per regio of land moeilijk.
Klimaatbeleid
Om de potentiële immense materiële en immateriële schade van klimaatverandering te voorkomen, is internationaal overeenstemming
bereikt dat stringent klimaatbeleid noodzakelijk is. Aangezien het broeikaseffect wordt versterkt ongeacht waar de emissie van
broeikasgassen plaatsvindt, is mondiale samenwerking noodzakelijk. Hiertoe zijn in 1997 in Kyoto tussen meer dan honderd landen
afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen over de periode 2008-2012 met gemiddeld 5,2 procent te reduceren ten opzichte
van het referentiejaar 1990. Daartoe is een verdeling gemaakt, gebaseerd op de bestaande procentuele bijdrage aan de totale
wereldemissies van broeikasgassen en het ontwikkelingspeil van een land. Voor het EU-blok is een gemiddelde doelstelling van minus
acht procent afgesproken. Ontwikkelingslanden zijn vrijgesteld en de VS, Japan en Rusland kennen een doelstelling van min zeven, min
zes en nul procent 2.
In Kyoto is tevens bepaald welke methoden landen mogen hanteren om aan de doelstellingen te kunnen voldoen. Enerzijds gaat het om
emissiereductie door bedrijven in eigen land. Daarnaast is in Kyoto afgesproken, dat landen van drie instrumenten gebruik mogen maken
om reductie te doen plaatsvinden in het buitenland, die (deels) mee tellen voor de eigen klimaatdoelstellingen (de zogenoemde Kyotomechanismen). Deze instrumenten zijn: Joint Implementation, Clean Development Mechanism en International Emission Trading. In
figuur 1 worden de drie instrumenten en hun kenmerken weergegeven.

Figuur 1. De Kyoto-mechanismen. Hierin zijn Annex I-landen: de oeso-landen, Oost-Europa en de landen van de voormalige SovjetUnie. Non Annex I-landen zijn de overige (ontwikkelings)landen, die van een absoluut plafond zijn uitgesloten
Bij Joint Implementation gaat het om projecten tussen annex I-landen (de OESO-landen, Oost-Europa en de landen van de voormalige
Sovjet-Unie) ter reductie van CO2-emissies en de opname van CO2 in ‘sinks’ (opname-putten van CO2, zoals bossen). De hieruit volgende
emissiereductie-eenheden tellen (deels) mee voor de Kyoto-doelstellingen van het investerende land. Het Clean Development
Mechanism is een variant op Joint Implementation en heeft betrekking op projecten in ontwikkelingslanden. annex I-landen
kunnen uit deze projecten voortvloeiende emissiekredieten meetellen voor de eigen doelstellingen. Bij International Emission Trading
wordt, in de meest basale vorm, een plafond voor bijvoorbeeld de totale co2-emissies (binnen een land) vastgesteld. Dit wordt daarop
verdeeld of verkocht aan de vervuilers, die de afzonderlijke emissierechten onderling kunnen verhandelen. Naast maatregelen binnen een
bedrijf, kunnen Joint Implementation en het Clean Development Mechanism via projecten in het buitenland emissierechten opleveren, die
vervolgens benut of verhandeld kunnen worden.
De wijze waarop landen de verplichting tot CO2-reductie doorvertalen naar bedrijven kan van land tot land verschillen. Zo heeft het VK
een vrijwillig systeem van binnenlandse emissiehandel opgericht. De Nederlandse overheid zet vooralsnog vooral in op Joint
Implementation en heeft voor 2000-2008 een bedrag van circa twee miljard gulden gereserveerd om dergelijke projecten te stimuleren en
de resulterende CO2-reducties van bedrijven aan te kopen.
De financiële sector
De gevolgen voor het bedrijfsleven van het Kyoto-Protocol uiten zich in een drietal invloeden op de cashflow van bedrijven:
» kostenkant: bedrijven krijgen vroeg of laat te maken met klimaatbeleid, hetgeen toenemende kosten met zich mee zal brengen; Deze last
zal verschillen per land, sector en bedrijf;
» opbrengstenkant: bedrijven kunnen extra opbrengsten genereren door (overtollige) emissierechten te verkopen. Dit is interessant
wanneer de marginale bestrijdingskosten lager liggen dan de (verwachte) marktprijs;
» klimaatrisico’s: een aparte categorie is de schade aan bedrijven van klimaatverandering zelf.
Voor banken is het van belang om te weten wat een en ander betekent voor de kasstromen, balans en resultaten van ondernemingen.
Onderstaand wordt een aantal financiële producten besproken 3.
Fondsvorming
Bedrijven kunnen nu al investeren in emissiereductieprojecten, bijvoorbeeld via Joint Implementation of het Clean Development
Mechanism. Deze investeringen gaan gepaard met uiteenlopende risico’s, zoals economische, technologische en politieke risico’s. Dit
geldt sterker dan bij meer reguliere investeringen. Diversificatie van deze risico’s door deze investeringen in te brengen in een fonds kan
hiervoor een uitweg bieden.
De beginselen van dergelijke fondsen zijn eenvoudig: het fonds investeert in Joint Implementation of Clean Development Mechanism
danwel in schone technologie projecten en keert een financieel dan wel een CO2-rendement uit aan de beleggers. De zo verkregen
emissiekredieten of reductie-eenheden kunnen te gelde worden gemaakt via bijvoorbeeld internationale emissiehandel of door industriële
investeerders gebruikt worden voor de eigen CO2-doelstellingen. Bedrijven kunnen aldus investeringsrisico’s afdekken. Voor beleggers
ontstaat een interessante groeimarkt: het rendement zal een stijgende lijn vertonen naarmate de emissierechten duurder worden. Dit
hangt mede af van hoe stringent het uiteindelijke ‘Kyoto’-systeem is.
Verschillende financiële partijen zijn reeds actief. De Wereldbank heeft bijvoorbeeld het zogenoemde Prototype Carbon Fund opgericht,
met participanten uit de publieke en private sector (waaronder Deutsche Bank en Rabobank). Banken kunnen ook zelf fondsen oprichten
en als beleggingsproduct aanbieden aan investeerders, industriële bedrijven en overheden. Recentelijk heeft de Union Bank of
Switzerland zo’n fonds gelanceerd. De omvang van dergelijke fondsen zal waarschijnlijk sterk groeien naarmate het moment dichterbij
komt, dat aan de Kyoto-verplichtingen dienen te worden voldaan.
Internationale emissiehandel
In een systeem van internationale emissiehandel zullen bedrijven bilateraal handelen of via een intermediair (voor eigen rekening ‘trading’ – of zuiver als tussenpersoon – ‘brokerage’). In de VS bestaan reeds enkele gespecialiseerde intermediairs, die zich hier op richten,
zoals Cantor Fitzgerald en EcoSecurities. ‘Traders’ zorgen voor liquiditeit in de markt, terwijl ‘brokers’ voornamelijk een informatieve
functie hebben. Banken kunnen hierin zelf een rol vervullen of als adviseur voor bedrijven optreden. Bedrijven zullen, vooral in het eerste
stadium van internationale emissiehandel, onzeker zijn over de toekomstige prijs van emissierechten; dit biedt mogelijkheden voor
termijnproducten. In de VS is (met betrekking tot so2) reeds ervaring opgedaan met diverse financiële innovaties. Zo zijn er forwards,
swaps, opties en meer hybride vormen van opties ontwikkeld 4. De Sydney Futures Exchange is de eerste beurs in de wereld, die zich op
CO2-emissies richt. Op deze beurs kan nu reeds in opties gehandeld worden, die het recht op koop of verkoop van emissiekredieten of
reductie-eenheden in de periode 2008-2012 geven.
Verzekeren

Voor verzekeraars brengt de klimaatproblematiek zowel kansen als bedreigingen mee. Alhoewel dit voor banken ook geldt, liggen de
bedreigingen bij verzekeraars meer voor de hand. Er bestaat immers een direct verband tussen de economische schade ten gevolge van
klimaatverandering en schade- en levensverzekeringproducten. Onderzoek van Munich Re wijst uit, dat in het afgelopen decennium de
economische schade van natuurrampen verachtvoudigd en de verzekerde verliezen zelfs vervijftienvoudigd zijn 5, naar vermoed
veroorzaakt door klimaatverandering. Ook een toename in sterf- en ziektegevallen (bijvoorbeeld door het verschuiven van
malariagebieden naar Europa) zal verzekeraars raken. Tijdig hierop inspelen is essentieel. Naast deze bedreigingen bestaan er ook
commerciële kansen voor verzekeraars. Uiteraard kunnen ook verzekeraars actief zijn op het terrein van fondsvorming. Daarnaast kunnen
zij specifieke op Kyoto-mechanismen toegesneden producten ontwikkelen. Een voorbeeld is een aansprakelijkheidsverzekering voor het
niet kunnen leveren van emissiekredieten door een verkopende partij aan een kopende partij. De laatste kan dan immers zijn
verplichtingen jegens de overheid niet nakomen, terwijl de verkoper in feite verantwoordelijk is.
Investeringen
Technische maatregelen om CO2 te reduceren vragen veelal om de inzet van additioneel financieel vermogen. Banken kunnen hierin
voorzien, maar dienen tevens de risico’s in te schatten in hoeverre hun klanten de benodigde investeringen kunnen dragen (vooral
energie-intensieve bedrijven zullen door klimaatbeleid getroffen worden). Daarbij zijn sommige bedrijven en sectoren zeer gevoelig voor
de gevolgen van klimaatverandering zelf. Een voorbeeld is de landbouwsector, die geconfronteerd kan worden met structureel
teruglopende oogsten ten gevolge van klimaatverandering. Kennis omtrent de Kyoto-regeling, de mogelijke aanscherping daarvan in de
toekomst en de bedrijfsrisico’s van klimaatverandering, is dan ook noodzakelijk.
Ook bij projectfinanciering en durfkapitaal spelen risico’s en kansen. Zowel bij nieuwe als bestaande projecten zou kunnen gelden dat
door een goed gebruik van de Kyoto-instrumenten de kosten van projecten kunnen dalen danwel de kasstromen stijgen. Zo kunnen
nieuwe projecten geïnitieerd worden of bestaande projecten kunnen worden opgewaardeerd, zodat extra emissiekredieten ontstaan, die
door verkoop de kasstromen van een project kunnen verhogen. Gezien de lange planningshorizon bij deze financiële instrumenten zal bij
elk nieuw project nu al rekening gehouden moeten worden met de nakoming van emissiereductie-doelstellingen, de kosten die daar aan
verbonden zijn en de mogelijkheden om extra kasstromen te genereren.
Tot slot
Op dit moment wordt er jaarlijks wereldwijd circa zes miljard ton CO2 uitgestoten. Het handelsvolume wordt voorzichtig geschat op circa
vijftien procent. Afhankelijk van de definitieve vormgeving en aantrekkelijkheid van de Kyoto-instrumenten en het (toekomstige)
klimaatbeleid in verschillende landen kan het handelsvolume snel toenemen. Dit zal gevolgen hebben voor de prijs per CO2-ton. Ook
technologische vooruitgang en vraag- en aanbodverhoudingen zullen de prijs sterk beïnvloeden. De prijzen per CO2-ton worden op dit
moment geschat op twintig gulden. De marge is echter breed: vijf tot tweehonderd gulden. De onzekerheid die dit meebrengt, schept een
markt voor financiële producten die door diversificatie onzekerheid en risico’s kunnen reduceren. Het inschatten van de prijsontwikkeling
zal een strategische competentie voor bedrijven en banken gaan worden. De totale markt wordt bij bovenstaande prijzen geraamd op Æ’ 5150 miljard per jaar 6. Het volume van de markt zal afhankelijk zijn van de liquiditeit van de markt. Termijnmarkten kunnen die liquiditeit
sterk verbeteren. Financiële partijen kunnen daarmee een belangrijke rol vervullen in het succes van het klimaatbeleid via de Kyotoinstrumenten.
De beslissingen, die in november in Den Haag genomen worden, zullen van groot belang zijn voor de participatie van bedrijven en
banken. In het Kyoto Protocol zijn reeds enkele formele aspecten ten aanzien van de drie Kyoto-mechanismen geregeld. De exacte
procedures en richtlijnen zullen nu in Den Haag dienen te worden vastgesteld. Het klimaatbeleid is gebaat bij een efficiënt werkend
systeem. Eenvoud en grote volumes zijn daarvoor essentieel. De naleving en sancties zullen bovendien strikt dienen te zijn, om ‘free
rider’-gedrag te voorkomen. Grote aantallen complexe regelingen moeten vermeden worden. De Kyoto-instrumenten zijn pas economisch
interessant indien de transactiekosten zo laag mogelijk worden gehouden. Ook zal de onzekerheid over de schaarste en prijs van
emissierechten die samenhangt met onduidelijkheid over het definitieve systeem, zo snel mogelijk moeten worden weggenomen. Deze
onduidelijkheid heeft tot een sterk afwachtende houding bij veel bedrijven geleid. Het feit dat bedrijven en ook financiële instellingen
kansen zien liggen is een teken dat nu eindelijk een milieu-instrument lijkt te worden ontworpen dat draagvlak en potentie heeft. De
politiek dient dit in de te maken keuzes nauwlettend te betrekken.

1 Zie Intergovernmental Panel on Climate Change, Second assessment report – the science of climate change, Cambridge University
Press, Cambridge, 1995.
2 Zie Tweede Kamer, Uitvoeringsnota Klimaatbeleid, Deel I en II, 1999-2000, Den Haag.
3 Voor een verdere verdieping en additionele potentiële nieuwe financiële producten, zie M.H.A. Jeucken, Sustainable banking and
finance, Earthscan, Londen (te verschijnen).
4 Zie Emissions Trading Education Initiative, Emissions trading handbook, Milwaukee, 1999.
5 Zie bijvoorbeeld I. Knoepfel, J.E. Salt, A. Bode en W. Jakobi, The Kyoto Protocol and beyond: potential implications for the
insurance industry, UNEP, Geneva, 1999.
6 Ministerie van Economische Zaken, Milieu in de markt – emissiehandel als beleidsinstrument, Den Haag, 1999.

Copyright © 2000 – 2003 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteur