Ga direct naar de content

Centrale bank of Internationale betalingseenheid?

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 27 1988

Centrale bank of
Internationale
betalingseenheid?
In ESBvan 25 novemberjl. schetste
Eizenga in heldere lijnen de geschiedenis van de Europese monetaire samenwerking en de voordelen van een Europese centrale bank. Pas als deze er is,
kan er volgens hem worden gesproken
van monetaire integrate. Maar helaas
is de hiervoor nodige wilsovereenstemming tussen de landen moeilijkte bereiken.
In de eerste plaats dienen we ons
echter te realiseren dat monetaire integratie behalve voordelen ook nadelen
heeft. Met vermindert de manoeuvreerruimte van overheden voor het voeren
van een eigen economische politiek
verder dan nu het geval is, en het is niet
onmogelijk dat vooral de kleine mogendheden zouden worden meegezogen in een door hen niet gewenste richting. Laten we dit demonstreren aan
een voorbeeld waarin monetaire desintegratie zelts voordelen zou kunnen
bieden. Als de twaalf provincies van Nederland elk hun eigen munt zouden
hebben in plaats van een eenheidsgulden, zou de Groningse gulden door de
problemen in vooral het oostelijk deel
van die provincie waarschijnlijk in koers
zijn gedaald ten opzichte van de andere provinciale guldens. Een betalingsbalanstekort van Groningen ten opzichte van de elf overige provincies zou depreciatie van de Groningse gulden hebben meegebracht in plaats van een deflatoire druk op de werkgelegenheid; dit
zou ook zo zijn als de oorsprong van de
problemen daar van structurele aard
zou zijn geweest.
Indien het provinciale bestuur zou
besluiten tot stimulerende maatregelen
die gepaard gaan met financieringstekorten, zou er des te meer reden zijn
voor depreciatie van zijn munt. Dit zou
een doeltreffend alternatief zijn voor
steunmaatregelen door de centrale
overheid. Dan zou gebeuren wat de
Amerikaanse econoom Eisner in augustus jl. op het congres van het International Institute of Public Finance in
Parijs bepleitte: laat door stimulerende
maatregelen in het binnenland de koers
van de dollar maar dalen, dan zal de
werkgelegenheid stijgen door betere
exportmogelijkheden. Eisner werd
vooral de laatste maanden op zijn wenken bediend, en onze exporteurs merken de gevolgen daarvan al. We zullen

90

nu niet alle pro’s en centra’s van deze
politiek opsommen, maar regeringen
zullen zich ook niet graag deze mogelijheid geheel laten ontnemen. Een
land, vooral een klein, kan zo snel het
Oost-Groningen van de EG worden en
of de solidariteit tussen de landen dan
altijd toereikend zal blijken voor doeltreffende hulp van een Europese centrale overheid, zo die al zou bestaan, is
nog maar de vraag.
Maar wellicht is er eerder politieke
steun te krijgen voor een tussenweg.
Het lijkt dan zaak zoveel mogelijk de nadelen voor de handel weg te nemen van
het bestaan van vele nationale valuta’s,
waarvan men, gedwongen door de economische realiteit, de koersen toch niet
altijd constant kan houden; daarbij moet
men dan tevens de voordelen van zwevende wisselkoersen voorconjunctuurpolitieke doeleinden trachten te behouden. Het aanvaarden van een international valuta als de ecu is op minder
politieke onwil gestuit dan het afschaffen van de eigen valuta’s van de landen.
Van deze springplank zou men gebruik kunnen maken. De ecu wordt al
steeds meer aanvaard door de particuliere sector. Emissies van leningen en
beleggingsrekeningen luidende in
ecu’s zijn inmiddels een bekend beeld
geworden. De ruimere aanvaarding van
de ecu wordt ook duidelijk als we zien
dat er al een ecu-clearing bestaat van
26 Europese handelsbanken.
De ABN trad recent als eerste Nederlandse bank toe tot deze ecu- clearing, waarbij de Bank voor Internationale Betalingen te Bazel optreedt als centrale clearingagent. Oort wees er bij
deze gelegenheid terecht op dat de ecu
een stabielere koers heeft dan de Amerikaanse dollar, wat als een voordeel
voor de handel mag worden gezien.
De cruciale stap zou nu zijn, als men
er op grote schaal toe zou overgaan de
handelstransacties in zo’n Internationale valuta af te rekenen. De overheden
kunnen dit stimuleren door de convertibiliteit van hun nationale valuta’s terug
te schroeven tot uitsluitend convertibiliteit in ecu. De nationale valuta’s
kunnen dan blijven bestaan voor binnenlands gebruik. Het Internationale
bedrijfsleven heeft dan nog slechts met
een valuta voor zijn buitenlandse handel te maken. De gehechtheid van het

publiek aan de eigen munt wordt niet
aangetast, evenmin als de irrationele,
maar toch niet onbelangrijke factor van
de nationale trots.
De overheden blijven dan de mogelijkheid houden om de koers van de eigen valuta te beTnvloeden en deze kan
ook vrij fluctuerend de gang van zaken
ten aanzien van de betalingsbalans
weerspiegelen. Per land heeft men dan
meer vrijheid om de koers al dan niette
stabiliseren tegenover het buitenland.
Het bedrijfsleven heeft van de fluctuaties van andere dan de eigen valuta
geen directe last meer. Bovendien sluit
een dergelijke ontwikkeling niet uit dat
de ecu steeds meer ook voor binnenlands gebruik in zwang zal komen, zodat een geleidelijke overgang kan
plaats vinden naar een centrale bank
voor Europa, zoals Eizenga voorstaat.
De weg der geleidelijkheid is vaak beter begaanbaar dan die van de grote
ommekeer. Wij kunnen ons trouwens
afvragen of een blijvende mogelijkheid
van schommeling en van bei’nvloeding
van de koers van de nationale valuta als
noodrem niet gewenst is.
Europa kan met zo’n pluriform monetair stelsel dat toch een eenheidsmunt gebruikt een voortrekkersrol vervullen, want een zelfde stelsel voor de
gehele wereld met de sdr in de rol die
hierboven werd toegedacht aan de ecu
lijkt nog verkieslijker. De dollar is een
probleem geworden. Deoplossing hiervan kan naderbij gebracht worden door
de deviezenreserves van de centrale
banken bij het IMF om te wisselen voor
sdr’s, gelijktijdig met het opheffen van
de convertibiliteit ten opzichte van andere nationale valuta’s. Natuurlijk zijn
dan meer maatregelen gewenst. Regels voor de algemene of handelsbanken moeten worden aangepast. Afspraken vooraf met de marktpartijen van
zeerbelangrijke internationale handelsstromen zoals de oliehandel om voortaan in sdr’s te contracteren in plaats
van in dollars, zouden een heel belangrijke stimulans zijn voor een snelle en
soepele aanvaarding van nieuwe internationale financiele gewoonten. Een
voorgeschreven dekki ngspercentage
van 100 voor schulden van de banken
in ecu, respectievelijk sdr, zou de creatie van deze geldeenheden in handen
van de internationale monetaire autoriteiten leggen. Voor het reizigers- en
grensverkeer zou al veel bereikt kunnen worden met euro- en travellercheques in ecu respectievelijk sdr.
Samenvattend kan worden gezegd
dat in het hiervoor gestelde systeem
wel een centrale bank meer voorkomt
dan er deelnemende landen zijn, maar
in feite is dat nu ook al het geval: IMF
respectievelijk de Bank voor Internationale Betalingen. Maar door de nationale autoriteiten meer ruimte voor zelfstandig handelen te laten dan het geval

zou zijn wanneer zij slechts leden-bankiers werden van een stelsel van centrale banken, zal een politieke overeenstemming wellicht eerder te bereiken
zijn. Moeizame Europese topconferenties laten zien, dat we ons niet te veel illusies moeten maken over de bereidheid met ruime hand eigen macht weg
te geven.
A.L. van Oijen
De auteur is universitair hoofddocent aan de
Universiteit voor Bedrijfskunde Nijenrode.

Naschrift

tair en budgettair beleid, kan — althans
naar mijn oordeel — immers niet worden volstaan met het maken van internationale afspraken, bij voorbeeld op
het niveau van regering en/of centrale
bank. In feite zou hiermee immers
slechts de status quo en met name de
huidige onbevredigende situatie van
grote onzekerheid omtrent de wisselkoersen worden gecontinueerd.
Wat ten slotte de positie van de Europese Centrale Bank betreft, heeft het
verschil in uitgangspunt tussen Van Oijen en mij eveneens belangrijke consequenties. Bij Van Oijen komt deze positie aan de orde naar aanleiding van zijn
visie op het gebruik van de ecu. Hij
voorziet namelijk een toenemend bin-

nenlands gebruik van deze geldeenheid, hetgeen volgens hem zal leiden
tot een geleidelijke overgang naar een
centrale bank voor Europa. Op de functie en plaats van deze bank gaat hij niet
verder in. Zijn geldtechnische aanpak
laat de vraag onbeantwoord of uit het
oogpunt van vergaande economische
en monetaire integratie de door mij bepleite zelfstandigheid van de Europese
Centrale Bank met overdracht van bevoegdheden, inderdaad niet als een
conditio sine qua non voor ‘echte’ Europese economische en monetaire integratie moet worden beschouwd.
W. Eizenga

Met grote belangstelling nam ik kennis van bovenstaande reactie. Bij enkele daarin voorkomende fundamentele
punten plaats ik de volgende kanttekeningen. Allereerstdientte worden opgemerkt dat Van Oijen uitgaat van een model met een aanzienlijk minder ambitieuze doelstelling dan de mijne. Terwijl
ik ‘echte’ integratie, in de zin van overdracht van bevoegdheden van nationaal naar communautair niveau bepleit,
met name inzake het monetaire en budgettaire beleid, kenmerkt de gedachtengang van Van Oijen zich in wezen
door het streven naar (slechts) convergentie van beleid via samenwerking.
Zeer zwaar weegt bij hem blijkbaar het
behoud van de nationale vrijheid, dus
zelfstandigheid, tot het voeren van het
wisselkoers- en budgettair beleid, een
en ander vooral op conjunctuurpolitieke
gronden. Bij deze prioriteitenstelling is
het begrijpelijk dat Van Oijen accentueert dat de voor overdracht van bevoegdheden noodzakelijke wilsovereenstemming tussen de lidstaten moeilijk te bereiken is. In mijn rede ging ik
echter van een andere prioriteitenstelling uit, namelijk ‘echte’ integratie.
Dit verschil in uitgangspunt heeft
vergaande consequenties voor de middelen die tot het beoogde doel kunnen
leiden. Zo stelt Van Oijen voor op grote
schaal internationale transacties af te
rekenen in ecu’s. Om dit te bereiken zou
zelfs de thans via de markt bestaande
onbeperkte onderlinge convertibiliteit
tussen de Europese valuta’s moeten
worden teruggeschroefd, zulks ten gunste van de convertibiliteit van de nationale valuta’s in ecu’s.
Terwijl in de visie van Van Oijen
vooruitgang geboekt zou kunnen worden met betrekking tot internationale
samenwerking met behulp van een
geldtechnisch middel, namelijk reglementering van de valuta waarin verrekend zou moeten worden, is er in mijn
gedachtengang een geheel ander en
ambitieuzer middel nodig ter bereiking
van het mij voor ogenstaande doel.
Voor dit laatste, centralisatie van mone-

ESB 20-1-1988

91

Auteur