Ga direct naar de content

Bestrijding van langdurige werkloosheid

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: maart 16 1988

Bestrijding van langdurige
werkloosheid
Nederland kent een omvangrijke groep langdurig werklozen, wier kansen op de
arbeidsmarkt steeds slechter worden. In dit artikel wordt het effect van langdurige
werkloosheid op de loonvorming onderzocht. Het blijkt dat langdurig werklozen door
gebrek aan opleiding en ervaring niet echt meetellen als aanbod op de arbeidsmarkt. Dit
is een van de redenen dat er ondanks het aanbodoverschot sprake is van krapte op de
arbeidsmarkt. Deze krapte drijft de lonen omhoog, wat schadelijk is voor de groeikansen
van de Nederlandse economie. De auteur concludeert dan ook dat een beleid om de
langdurige werklozen aan een baan te helpen of te scholen, gunstige macro-economische
gevolgen heeft.

DRS. R.F. VAN ESCH*
Langdurige werkloosheid wordt meer en meer gezien als
een van de grootste maatschappelijke problemen van deze
tijd. Met name wordt dat veroorzaakt door de negatieve sociale gevolgen die langdurige werkloosheid voor de betrokkenen met zich meebrengt. Alleen al deze gevolgen rechtvaardigen een intensieve bestrijding van de langdurige
werkloosheid. Vaak worden echter geluiden gehoord dat
programma’s voor langdurig werklozen weliswaar het aantal langdurig werklozen verkleinen, maar dat onder meer
door verdringing bij bij voorbeeld loonkostensubsidies de
kortdurende werkloosheid toeneemt. In dit artikel wordt
verdedigd dat, zelfs als volledige verdringing wordt verondersteld , bestrijding van langdurige werkloosheid gunstige macro-economische effecten heeft. Deze effecten treden op als door langdurig werklozen een geringere neerwaartse druk op de loonvorming wordt uitgeoefend dan
door kortdurend werklozen. Een vermindering van de langdurige werkloosheid kan daardoor ceteris paribus tot endogene loonmatiging leiden en daarmee tot vermindering van
de totale werkloosheid.
Deze hypothese zal in de tweede paragraaf worden getoetst. In de derde paragraaf wordt ingegaan op de beleidsimplicaties van het voorgaande. Eerst wordt aandacht besteed aan de consensus die internationaal lijkt te bestaan
over de bestrijding van de langdurige werkloosheid. Na een
overzicht van de Nederlandse situatie wordt met behulp
van een macro-economische modelsimulatie berekend
wat de gevolgen zijn van de overheidsuitgaven voor arbeidsmarktbeleid. Besloten wordt met de belangrijkste
conclusies.

Langdurige werkloosheid en loonvorming

rendeel van hen beschikt over een lage opleiding, terwijl
verworven vaardigheden verloren gaan of niet kunnen worden opgebouwd tijdens de periode van werkloosheid. Voeg
daarbij een zekere mate van terughoudendheid van werkgevers bij het in dienst nemen van langdurig werklozen2,
dan is het denkbaar dat het belanden in een situatie van
langdurige werkloosheid gepaard gaat met ontmoedigingsverschijnselen, hetgeen ook consequenties kan hebben
voor het zoekgedrag van betrokkenen op de arbeidsmarkt.
Langdurig werklozen worden daarmee steeds minder inzetbaar op de arbeidsmarkt naarmate de periode van werkloosheid langer is3. Het gedemotiveerd of gedekwalificeerd
raken van langdurig werklozen wordt gezien als een van
de belangrijkste oorzaken van het ontstaan van scholingsdiscrepanties op de arbeidsmarkt, hetgeen leidt tot een toename van de structurele werkloosheid4. De groep langdurig werklozen zal dan ook in steeds mindere mate als fei* De auteur is werkzaam bij de directie Algemeen Economisch en
Inkomensbeleid van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hij is veel dank verschuldigd aan A.C. Moons voor zijn
opmerkingen op eerdere versies van dit artikel en het gebruik van
de door hem ontwikkelde ISIS-programmatuur. Ook dankt hij diverse andere college’s en W. van Ginneken voor hun commentaar. De inhoud van dit artikel geeft de persoonlijke opvattingen
van de auteur weer.
1. De mate van verdringing is zeer moeilijk te meten omdat bij gebruikelijke onderzoeksmethoden geen rekening wordl gehouden
met de dynamische effecten die kunnen optreden bij een betere
allocatie op de arbeidsmarkt. Zie onder meer J. de Koning en C.
Zandvliet, De effectiviteit van loonkostensubsidies, ESS, 12 augustus 1987.
2. Uit een recente OSA-studie (Openstaande vacatures onder de
loep genomen, augustus 1987) bleek dat voor 30% van de vacatures langdurig werklozen niet in aanmerking zouden komen, ook
al zouden ze over de gewenste opleiding en werkervaring beschikken.

Langdurig werklozen (langer dan een jaar werkloos)
hebben een zwakke positie op de arbeidsmarkt. Het me254

3. Zie bij voorbeeld Rapportage Arbeidsmarkt 1987, biz. 50.
4. A. de Grip, Onderwijs en arbeidsmarkt: scholingsdiscrepanties,
Amsterdam, 1987, biz. 190.

; arbeidsaanbod kunnen worden beschouwd. Via het
Phillips-mechanisme kan dat gevolgen hebben voor de
loonvorming.
Een grote werkloosheid zal een negatieve invloed op de
loonvorming uitoefenen, waardoor van het Phillips-mechanisme zekere evenwichtsherstellende krachten uitgaan.
De vraag is nu, of langdurige werkloosheid een zelfde effect heeft op de loonvorming als kortdurende werkloosheid.
Als langdurig werklozen in mindere mate tot feitelijk arbeidsaanbod kunnen worden gerekend, mag worden verwacht dat deze groep geen of weinig invloed op de lonen
uitoefent. De OECD heeft deze hypothese recentelijk voor
zes landen getoetst met behulp van een loonvergelijking
waarin zowel de kortdurende als de langdurige werkloosheid als verklarende variabelen zijn opgenomen5. Uit die
exercitie kwam echter geen eenduidig beeld naar voren.
Daarom is ook getoetst of de totale werkloosheid van invloed is op de lonen. Dat was voor alle landen het geval,
behalve voor Nederland. Waarschijnlijk wordt dit, aldus de
OECD, veroorzaakt door het gehanteerde datamateriaal.
Toch wijst de OECD op de gunstige macro-economische
gevolgen die een vermindering van de langdurige werkloosheid zou hebben als de genoemde hypothese zou opgaan. In dat geval zou een vermindering van de langdurige werkloosheid met een geringere looninflatie gepaard
gaan. De OECD ziet hierin een rechtvaardiging op economische gronden, naast de vrijwel algemeen aanvaarde arbeidsmarkt- en sociale overwegingen, voor implementatie
van arbeidsmarktmaatregelen die speciaal zijn gericht op
langdurig werklozen. Ook de ILO stelt zich op het standpunt dat speciale maatregelen ten behoeve van langdurig
werklozen in de huidige situatie strikt noodzakelijk zijn .
Hierna wordt bovenstaande hypothese, op een iets andere manier dan de OECD heeft gedaan, voor Nederland getoetst.
De toetsing van de hypothese dat langdurig werklozen
geen reeel arbeidsaanbod vormen geschiedt door een confrontatie van twee loonvergelijkingen. Eerst zal echter aan
de hand van de loonvergelijking waarin de totale werkloosheid als verklarende variabele is opgenomen de vraagstelling nader worden verkend. De loonvergelijking die ter toetsing van de hypothese is gebruikt ziet er in algemene zin
als volgt uit:
W = a.Pc + b.H + c.S + d.U + C

(1)

waarbij:
W = loonsom per werknemer in bedrijven;
PC = prijs particuliere consumptie;
H = arbeidsproduktiviteit;
S = directe belastingen en sociale premies werknemers;
U = werkloosheid;
C = constante.
De werkloosheid is gedefinieerd in procenten van de beroepsbevolking, de overige variabelen luiden in jaarlijkse
procentuele mutaties. De coefficienten a, b en c zullen naar

Tabel 1. De loonvergelijking bij verschillende schattingsperioden
R2

U-1/2

DW

0,85

1,97

Pc-1/2

H-1/2

1,1
(11,0)

1,0
(6,1)

0,4
(1,6)

-0,7
(-3,4)

1,8
(1,7)

1951-1986 1,0
_______(9,1)

1,0
(5,8)

0,4
(1.7)

-0,3
(-4,2)

1,5
0,83 1,52
(1,4)_________

1951-1980

a. Onder de coefficienten staan tussen haken de t-waarden vermeld. Achterde variabelen isde (eventuele) vertraging opgenomen.

ESB 9-3-1988

verwachting een positief teken hebben, de coefficient d een
negatief.
Tot in het midden van de jaren zeventig was de omvang
van de langdurige werkloosheid gering. Daarna liep het
aandeel van de langdurige werkloosheid in de totale werkloosheid gestaag op: van ca. 10% in 1975 tot meer dan
50% in 1986. De grootste toename heeft met name in de
jaren tachtig plaatsgevonden. Het is interessant te bezien
hoe de waarde van d uit vergelijking 1 verandert, als eerst
als schattingsperiode 1951 -1980 wordt genomen en daarna de periode 1951-1986. Zoals uit tabel 1 blijkt, is de reactie van de lonen op de werkloosheid in het tweede geval
aanzienlijk kleiner: een daling van 0,7 naar 0,37.
De gegevens in tabel 1 vragen om een verklaring. Waarom is de invloed van de werkloosheid op de loonvorming
gedurende het afgelopen decennium verminderd? Een
mogelijke oorzaak is de veranderde samenstelling van de
werkloosheid, i.e. de verhouding van de kortdurende en
langdurige werkloosheid. Immers, sinds het begin van de
jaren tachtig kan de toename van de werkloosheid meer
dan volledig worden toegeschreven aan de toename van
de langdurige werkloosheid8. Daarom wordt er een loonvergelijking geschat waarin zowel het aantal langdurig
werklozen in procenten van de beroepsbevolking (Ui is
meegenomen als de totale werkloosheid. Die vergelijking
ziet er als volgt uit:
W=1,1 .Pc-1/2+1,0.H-i/2+0,4.S+1,3.Ui-i/2-1,0.11-1/2+2,6 (2)
(10,9)
(6,2)
(1,9) (3,2)
(4,5)
(2,6)

waarbij:
Ui= langdurige werkloosheid in procenten van de beroepsbevolking;
R2= 0,87 DW=2,01
In vergelijking 2 hebben de coefficienten voor de langdurige en de totale werkloosheid een waarde in dezelfde
orde van grootte, maar een tegengesteld teken. De reactie van de lonen op de totale werkloosheid is groter dan in
de vergelijkingen in de tabel, maar wordt afgezwakt door
de toename van de langdurige werkloosheid. Dit kan betekenen dat we in de loonvergelijking alleen maar rekening
hoeven te houden met de kortdurende werkloosheid. Dit
zelfde resultaat is door Layard en Nickell gevonden voor
Groot-Brittannie9. Recentelijk is ook door het CPB een dergelijk resultaat gevonden10.
In vergelijking 3 is in de loonvergelijking slechts rekening
gehouden met de kortdurende werkloosheid. Omdat hieraan de hypothese ten grondslag ligt dat langdurige werkloosheid geen reeel arbeidsaanbod vormt, wordt de beroepsbevolking daarmee verminderd11.

5. Employment Outlook, biz. 213 e.v., OECD, September 1987.

6. Zie bij voorbeeld: Employment, labour relations, productivity and
quality of working life: The challenge of the 1990s, ILO, Geneve,
September 1987.
7. In de vergelijkingen wordt een rechtlijnig verband tussen lonen
en werkloosheid gepostuleerd. Uit vergelijking van diverse specificaties bleek dat het rechtlijnige verband tot betere schattingsresultaten leidt.
8. In de periode 1981 -1986 is de totale werkloosheid met 230.000
personen toegenomen; de toename van de langdurige werkloosheid bedroeg ca. 280.000.
9. R. Layard and S. Nickell, Unemployment in Britain, Economica,

supplement 1986, biz. S154.
10. J.J. Graafland, Hysteresis in werkloosheid in Nederland, Onderzoeksmemorandum 38, Centraal Planbureau, Den Haag, december 1987.
11. Daarmee wordt UK als volgt gedefinieerd:
UK = 100(U – Ui) / (A – Ui), waarbij:
U = werkloosheid in personen;
Ui = aantal personen langer dan een jaar werkloos;
A = beroepsbevolking.

255

W=1,0.Pc-i/2+1,0.H-i/2+0,4.S – 0,7-Uk+2,3
(10,9)
(6,1)
(1,8) (-5,4) (2,3)

(3)

waarbij:
Uk= kortdurende werkloosheid in procenten van de beroepsbevolking minus de omvang van de langdurige
werkloosheid;
R2= 0,86

DW= 1,76

Bij beoordeling van de beide vergelijkingen blijkt uit de
relevante factoren dat vergelijking 3 krachtiger is dan de
tweede vergelijking in label 1. De t-waarden zijn groter, terwijl de fit met name in de jaren tachtig beter is; daarvoor
zijn de residuen vrijwel identiek. Zeer opvallend is de verandering van de reactiecoeff icient van de lonen op de werkloosheid. Als alleen rekening wordt gehouden met kortdurende werklozen is de reactie van de lonen op de werkloosheid in de periode 1951 -1986 exact gelijk aan die in de periode 1951-1980. De coefficienten van de eerste vergelijking in de tabel en vergelijking 3 zijn daardoor, op de constante na, identiek.
Tot slot van deze paragraaf wordt ingegaan op de implicaties van een verandering van de samenstelling van de
werkloosheid op de loonvorming indien vergelijking 3 actueel is. Daartoe wordt eerst de definitie van UK gememoreerd (zie ook voetnoot 11).
U k =100.(U-Ui)/(A-Ui)

(4)

Stel dat door arbeidsmarktbeleid een daling van de langdurige werkloosheid wordt bewerkstelligd. Het arbeidsmarktbeleid bestaat grosso modo uit twee pijlers: scholings- en werkgelegenheidsmaatregelen. Scholingsmaatregelen dragen ertoe bij dat de scholingskenmerken van
langdurig werklozen weer zoveel mogelijk in overeenstemming worden gebracht met de eisen die op de arbeidsmarkt
worden gesteld. Ook al zou dit niet direct tot gevolg hebben dat de betrokkenen (weer) werk vinden, dan mag toch
worden verondersteld dat ze als gevolg van het verhoogde scholingsniveau weer tot het feitelijke arbeidsaanbod
kunnen worden gerekend. De werkgelegenheidsmaatregelen vinden nun aangrijpingspunt in het aanbod van werkgelegenheid voor langdurig werklozen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met werkgevers die mensen aantrekken met gebruik van een subsidieregeling, maar dat
ook zouden hebben gedaan als die regeling niet had bestaan. Achtereenvolgens wordt op beide cases ingegaan:
– door scholing voldoen langdurig werklozen weer aan de
eisen die op de arbeidsmarkt worden gesteld, zodat
deze groep weer kan worden gerekend tot het feitelijke
arbeidsaanbod. In eerste instantie blijft de totale werkloosheid constant. Ui daalt, U is constant, dus UK stijgt,
waardoor er een neerwaartse druk op de loonvorming
uitgaat;
– stel dat de werkgelegenheidsmaatregelen een verdringing van 50% met zich meebrengen. Als Ui dan daalt
met 1, zal U met 0,5 dalen. Gevolg is dat UK toeneemt.
De macro-economische consequenties van het bovenstaande komen verderop nader aan de orde. Eerst wordt
nu ingegaan op het gevoerde beleid met betrekking tot
langdurige werkloosheid.

Gevolgen voor het te voeren beleid

In de eerste plaats wordt in veel landen de bemiddeling
van langdurig werklozen gemtensiveerd. Een optimaal resultaat van die inspanningen kan worden bereikt als deze
worden ondersteund door programma’s die erop gericht
zijn langdurig werklozen te (her)plaatsen in het arbeidsproces. Langdurig werklozen worden vaak gekenmerkt door
een inadequate opleiding of onvoldoende opleidingsniveau. Speciale aandacht wordt dan ook in veel landen geschonken aan scholing van langdurig werklozen. Ten derde worden in veel landen loonkostensubsidies verstrekt,
meestal in de vorm van verlaging van de werkgeverslasten
gedurende een bepaalde periode. In tegenstelling tot de
eerste twee soorten maatregelen is dit een erg directe manier om (her)plaatsing van langdurig werklozen in het arbeidsproces te bewerkstelligen. Daarbij is het gewenst dat
verdringing van ongesubsidieerde werknemers door gesubsidieerde zoveel mogelijk wordt vermeden. In Australie
en Denemarken wordt relatief veel gebruik gemaakt van
loonkostensubsidies. De OECD maakt melding van het feit
dat evaluaties hebben uitgewezen dat in beide landen de
positie van langdurig werklozen significant is verbeterd. In
Zweden bleken loonkostensubsidies ook effectief. Drie
maanden na afloop van de subsidie bleek 90% van de betrokkenen nog steeds te werken13. In de vierde plaats worden erwerkgelegenheidsprogramma’sopgezet, meestal in
de collectieve sector. Vaak vindt de creatie van werkgelegenheid plaats bij de lagere overheden en ook bij non-profit-organisaties. De kosten daarvan worden gedragen door
het rijk. Wederom wordt hier Denemarken door de OECD
als voorbeeld aangehaald, waar is gebleken dat een belangrijk gedeelte van degenen die in een aangeboden tijdelijke arbeidsplaats in de collectieve sector werkzaam waren, zich daarna een reguliere baan heeft verworven. Ook
in Zweden zijn met dit soort maatregelen goede ervaringen
opgedaan. Zo stroomt tweederde^van de deelnemende
jongeren door naar de marktsector 14

Arbeidsmarktbeleid in Nederland
Bestrijding van de werkloosheid is de hoofddoelstelling
van het huidige kabinet. Het algemeen-economische beleid staat daarbij centraal. Om de marktsector te versterken is loonmatiging cruciaal, terwijl er grote terughoudendheid moet worden betracht bij de overheidsfinancien. Op
andere beleidsterreinen staat ondersteuning van het algemeen-economische beleid centraal. Zo speelt in het inkomensbeleid een verbetering van de werking van de arbeidsmarkt een belangrijke rol: terughoudendheid bij de
ontwikkeling van het minimumloon om de positie van lager
betaalden op de arbeidsmarkt te verbeteren en verkleining
van de wig om meer ruimte te creeren voor een doorwerking van inkomensprikkels15. Ook het arbeidsmarktbeleid
kan in die zin worden beschouwd als aanvullend op het algemeen-economische beleid. Het Nederlandse beleid ter
bestrijding van de langdurige werkloosheid vertoont veel
overeenkomsten met het in andere landen gevoerde beleid, dat in de vorige subparagraaf is beschreven. Recentelijk is in een aantal Kamerstukken uitvoerig op het gevoerde beleid ingegaan16, zodat hier kan worden volstaan met
de hoofdlijnen.
Op korte termijn wordt een begin gemaakt met de zogenaamde herorienteringsgesprekken. Hiermee wordt de
aandacht van bemiddelende instanties voor langdurig
werklozen gemtensiveerd. In eerste instantie zal aandacht
worden besteed aan de zeer langdurig werklozen (zij die
12. Zie ook Employment Outlook 1987, biz. 181-183.

Het beleid in andere landen
Voordat we ingaan op het in Nederland gevoerde beleid,
zal kort worden ingegaan op de belangrijkste elementen
van de programma’s voor langdurig werklozen in verschillendeOECD-landen12.
256

13. P.A. Boot, Spiegelaan de wand, Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid, Den Haag, maart 1987, biz. 149.

14. Idem, biz. 148.

15. Notitie Inkomensbeleid 1988, hoofdstuk 4, Tweede Kamer,
vergaderjaar 1987-1988, 20 210, nrs. 1-2.

16. Zie bij voorbeeld Werk, werkervaring en scholing, Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 20 216, nrs. 1-2.

langerdandriejaarwerklooszijn). Verdervindtin 1988 een
intensivering van diverse scholingsprogramma’s plaats.
Werk en werkervaring spelen ook een belangrijke rol in
het Nederlandse beleid. Momenteel worden wettelijke
voorbereidingen getroffen om het jeugdwerkgaranlieplan
in te voeren. De bedoeling is dat na enige jaren aan alle
jongeren van 16 t/m 20 jaar, die langer dan een half jaar
werkloos zijn, een garantieplaats in de collectieve sector
wordt aangeboden. Ten slotte wordt ook in Nederland gebruik gemaakt van loonkostensubsidies. Daarbij gaat het
om maatregelen als JOB, de maatregel langdurig werklozen (de Wet Vermeend/Moor) en de MOA, de maatregel
ter ondersteuning van arbeidsinpassing voor langdurig
werklozen.
In deze paragraaf wordt door middel van een macro-economische modelsimulatie nagegaan wat de effecten zijn
als met behulp van het arbeidsmarktbeleid een verandering in de samenstelling van de werkloosheid kan worden
bewerkstelligd, i.e. een verschuiving van langdurige naar
kortdurende werkloosheid. Daartoe wordt allereerst ingegaan op het gehanteerde macro-economische model;
daarna wordt een modelvariant besproken.
Het gehanteerde macro-economische model is geent op
de jaargangentheorie, waardoor het met het FK-model van
het CPB vergelijkbare eigenschappen heeft. Het arbeidsmarktblok binnen het model is echter zodanig gewijzigd dat
recht kan worden gedaan aan loonvergelijking 3. In die vergelijking wordt slechts rekening gehouden met de kortdurende werkloosheid. Om de effecten van een verschuiving
tussen de werkloosheidscomponenten te kunnen bepalen
moet ook de ontwikkeling van de langdurige werkloosheid
expliciet worden gemodelleerd. In algemene vorm ziet de
daartoe benodigde vergelijking er als volgt uit:
Ui = a.Uk-1 + b.lHi + c

(5)

Aan vergelijking 5 ligt de veronderstelling ten grondslag
dat de omvang van de langdurige werkloosheid enerzijds
wordt bepaald door de omvang van de kortdurende werkTabel 2. Effecten arbeidsmarktbeleid, afwijkingen van de
basisprojectie3
jaar

3

5

Gecumuleerde procentuele mutaties
loonsom per werknemer
volume particuliere comsumptie

volume investeringen
– inoutillage
– in bedrijfsgebouwen
volume goederenuitvoer

-2,7
-1,0

-6,2
-2,0

0,6
0,0

1,9
1,0

produktievol. bedrijvenb
prijspeil part, consumptie
prijspeil goederenuitvoer

0,8

2,3

0,3
-1,2
-0,7

1,2
-2,9
-1,6

arbeidsproduktiviteit
loonkosten p.e.p.

0,1
-2,7

0,3
-6,4

10,0
-12,4
-92,0
-0,6
-0,0
-0,1

35,6
-44,1
-147,7
-1,5
-0,3
-0,2

0,4

0,2

Niveau-mutaties
werkgelegenheid (x 1.000 arbeidsjaren)
werkloosheid (x 1.000 personen)
langdurige werkloosheid
arbeidsinkomensquote
financieringstekort (% nni)
belastingdruk (% nni)
sociale premiedruk (% nni)

a. Overheidsuitgaven in jaar 1 t/m 5 voor bestrijding langdurige werkloosheid: / 0.5 mrd.; jaarlijkse vermindering van de langdurige werkloosheid met
50.000 personen bij een constante totale werkloosheid. Omdat wordt verondersteld dat de positie van de helft van de deelnemende langdurig werklozen structureel verbetert, is voor de jaren 1 t/m 5 de totale exogene verlaging van de langdurige werkloosheid 50.000,75.000,100.000,125.000 en
150.000.

b. Exclusief aardolie- en aardgaswinning.

ESB 9-3-1988

loosheid in een eerdere periode, en anderzijds door de situatie op de arbeidsmarkt. In de vergelijking is het kwadraat
van het werkloosheidspercentage opgenomen. Een hoog
werkloosheidspercentage heeft daardoor relatief meer invloed op de kans om langdurig werkloos te worden dan een
laag percentage. De schatting van vergelijking 5 met behulp van kleinste kwadraten levert het volgende resultaat:
Ui = 0,39Uk-i +0,0311-1-1,13
(4,6)
(15,5)
(-3,3)
R2 = 0,99

(6)

DW = 2,03

In een model waarin gebruik wordt gemaakt van een
loonvergelijking waarin de totale werkloosheid als verklarende variabele is opgenomen, heeft een verschuiving tussen de componenten van de werkloosheid uiteraard geen
effecten. Er wordt dan impliciet van uitgegaan dat het effect van langdurige werkloosheid op de loonvorming gelijk
is aan dat van kortdurende werkloosheid. Om de effecten
van een dergelijke verschuiving te kunnen bepalen, wordt
daarom gebruik gemaakt van een model met loonvergelijking 3 en vergelijking 6.
De impuls die wordt gegeven bestaat uit twee elementen: een verhoging van de Overheidsuitgaven en een vermindering van de langdurige werkloosheid.
Verondersteld wordt een uitgave van / 0,5 mrd. gedurende 5 jaar. Die uitgave kan betrekking hebben op scholingsmaatregelen, werkverruimende maatregelen, zoals bij
voorbeeld JOB en Vermeend/Moor, en komt globaal overeen met het huidige niveau van uitgaven voor dit beleid.
Uitgegaan wordt van een bedrag van / 10.000 per langdurige werkloze, zodat met die uitgave van jaarlijks / 0,5 mrd.
de langdurige werkloosheid exogeen met jaarlijks 50.000
personen wordt verminderd. Dergelijke getalsverhoudingen komen globaal overeen met de ervaringen die thans
met de diverse arbeidsmarktmaatregelen worden opgedaan. Van belang is verder nog de veronderstelling, die
eenvoudshalve is gemaakt, dat het puur een verschuiving
tussen de componenten van de werkloosheid betreft. Initieel gaat de vermindering van de langdurige werkloosheid
dus gepaard met een even grote toename van de kortdurende werkloosheid. Afgezien is ook van gunstige microeconomische effecten die als gevolg van een verbeterde
allocatie kunnen optreden. Ten slotte wordt verondersteld
dat het arbeidsmarktbeleid een structurele verbetering teweegbrengt van de arbeidsmarktpositie van de helft van de
werklozen die daaraan jaarlijks deelnemen. In label 2 worden de belangrijkste resultaten van de berekende variant
weergegeven.
De effecten van louter een verschuiving tussen de componenten van de werkloosheid zijn, zoals uit label 2 blijkt,
gunstig. Als gevolg van de vergroting van de kortdurende
werkloosheid treedt er een neerwaartse kracht op de lonen
in werking. Na 5 jaar is de loename van de nominale lonen
ruim 6% minder dan in de basisprojeclie. In reele lermen
blijven de lonen mel ca. 3% achler bij de basisprojectie. Als
gevolg van de daling van de lonen zal de concurrenlieposilie van de bedrijven verbeleren en kan hel exportvolume
loenemen. De invesleringen en uilvoercompenseren ruimschools de afname van de consumplie als gevolg van de
lagere lonen, zodat per saldo het produktievolume van bedrijven kan loenemen.
De loename van de produklie van bedrijven leidl onder
meer lot een toename van de werkgelegenheid. De lolale
werkloosheid daall daardoor na vijf jaar met bijna 45.000
personen. De verhoging van de kortdurende werkloosheid
die exogeen wordt ingebrachl, leidl weer lol een loename
van de langdurige werkloosheid in hel volgende jaar (zie
vergelijking 6). Anderzijds vermindertde kortdurende werkloosheid door de endogene daling van de werkloosheid,
zodal ook de langdurige werkloosheid afneeml. Per saldo
257

vallen deze effecten vrijwel tegen elkaar weg: na 5 jaar is
de langdurige werkloosheid 148.000 personen minder dan
in de basisprojectie, 2.000 minder dan de initie’le impuls.
Opmerkelijk is de ontwikkeling van het financieringstekort.
Daarop zijn drie krachten werkzaam. In de eerste plaats de
uitgaven voor het beleid. Daarnaast vindt er een overheveling plaats van langdurig naar kortdurend werklozen, hetgeen ook tot uitdrukking komt in de sociale zekerheid. Ten
slotte neemt de werkgelegenheid toe en daarmee de belastingontvangsten. Na vijf jaar is het financieringstekort
daardoor met 0,3% van het netto nationale inkomen verbeterd ten opzichte van de basisprojectie. De sociale-premiedruk is met 0,2% toegenomen door de verschuiving tussen
langdurig en kortdurend werklozen.

Conclusies____________________
De hypothese dat langdurige werkloosheid minder invloed op de loonvorming uitoefent dan kortdurende werkloosheid wordt ondersteund door empirische gegevens. De
reactie van de lonen op de totale werkloosheid is in het afgelopendecennium sterkafgenomen. Wordt de reactie van
de lonen op alleen de kortdurende werkloosheid bezien,
dan is de reactie van de lonen op de werkloosheid gelijk
gebleven.
In veel landen lijkt er wat betreft de bestrijding van lang-

258

durige werkloosheid betreft een zekere consensus te groeien. Aanbevolen wordt om speciale maatregelen te introduceren of te intensiveren die exclusief zijn gericht op de
groep langdurig werklozen. Onder meer speelt hierbij de
overweging een rol die in de eerste conclusie is genoemd,
zodat bestrijding van langdurige werkloosheid als zodanig
een neerwaartse druk op de lonen uitoefent. Het beleid dat
in Nederland wordt gevoerd komt, wat de keuze en mix van
instrumenten betreft, in grote lijnen overeen met het in veel
andere landen gevoerde beleid.
Onder de veronderstelling dat door de langdurige werkloosheid geen invloed wordt uitgeoefend op de loonvorming zijn met behulp van een macro-economische modelsimulatie de gevolgen berekend van het arbeidsmarktbeleid. Met dat arbeidsmarktbeleid kan worden bereikt dat
langdurig werklozen weer voldoen aan de eisen die op de
arbeidsmarkt worden gesteld. Louter een verschuiving van
langdurige naar kortdurende werkloosheid, bij een initieel
gelijk blijven van de totale werkloosheid, levert gunstige
macro-economische effecten op. Een uitgave van jaarlijks
/ 0,5 mrd. resulteert na 5 jaar, naast een substantiele omzetting van langdurige naar kortdurende werkloosheid, in
een netto daling van de totale werkloosheid met bijna
45.000 personen. De economische groei neemt toe, terwijl
ondanks de uitgavenverhoging van / 0,5 mrd., het financieringstekort met ruim /1 mrd. verbetert.

Rob van Esch

Auteurs