r
1
1
tische
Dertcnien
Verenigingsleven in Nederland
*.
Drs. F. ‘Kupers
Economische spanningen
in Europa
*
A. J. Sissingh
De Nederlandse landbouw, cle EE.G.
en het vrijhandeisgebied
*
J. S. Beetsma
De benuttingsgraad der Nederlandse
‘koopvaardijvloot
*
Mr. Ph. C.
M.
‘van Campen
De öntwikkeling der
spaarinstellingen
‘
1
É
.1
i
• UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH.ECONOMISCH INSTITUUT
43e JAARGANG
No.2130
•
WOENSDAG 30 APRIL 1958
–
•
GROTE FINANCIËLE INSTELLING
TE AMSTERDAM
vraagt voor Iaar afdeling
B
eeqqtnqöttdezek
•
een jong economisch doctorandus
V e r e i.s t e n: Goed stylist, interesse voor bèleggings-
vraagstukken en bekendheid met het effectenvak.
Zij, die’reeds praktische ervaring hebben genieten
voorkeur.
Brieven met volle inlichtingen onder no. E.-S.B.
16-1, postbus 42, Schiedam.
34
–
Spuistraat
172A
Amsterdam
KAS-ASSOCIATIE N.V.
Verhuur van brandkasten
Rotterdam
–
Amsterdam
–
‘s-Gravenhage
Delft
–
Schiedam- Vlaardingen
Albiasserdam
Verzorging van
en adviezen inzake
levensverzekeringen
en pensioen contracten
‘
t
—
WE
I
NG
8
ANK
~~~
8W
TALE! BEWAREN BEHEREN
t’
t
‘
.
E C 0 N 0 MI S C H-
STATISTISCHE BERICHTEN
Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut
Adres voor
Nederland:
Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam
–
W.
Telefoon redactie: K 1800-52939. Administratie: K 1800-38040. Giro 8408.
Bankiers:
R. Mee: en Zoonen, Rotterdam. Banque de Corn-
merce, Koninklijk Plein 6, Brussel, postcheque-rekening
260.34.
Redactie-adres voor België:
Dr. J. Geluck. Zwjinaardse Steen. weg 357, Gent.
Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam-W.
Abonnementsprjs:
franco per post, voor Nederland en de
Overzeese Rjjksdelen (per zeepost)
f
29.—, overige landen
f.
31,— per jaar. (België en Luxemburg B.
fr. 400).
Abônnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts
worden beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.
Losse nummers 75 ct.
Aangetekende stukken
in Nederland
aan
het Bijkantoor
Westzeedjjk, Rotterdam- W.
Advertenties. Alle correspondentie
betreffende
advertenties
te richten aan de N. V.
Koninklijke
Nederl. Boekdrukkerj
H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon
69300, toestel 1 of 3).
Advertentie-tarief
f.
0.30 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. ‘Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
f.
0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.
COMMISSIE VAN REDACrIE: Cb.
Glaze; L. M. Koyck;
ILD
deWit
.
J.
Tinbergen;
I.
de
Vriea; 5.
R.
Zuidema.
Redacteur-Secretar
Adjunct Redacteur-Secretarie: 5. Ii.
Zoon.
COMMISSIE
VAN ADYJES VOOR BELGIË: F. Collin;
de
W
il
man; 5. van Tichelea; R. Vandwutte; A. Vl
_0
•
0
S
..
…..
•0
0•.
0•
.
.
.
1
.
,.’•
,
1
,,)
.
-.
/
.’
.,•
0’•
Verenigingsleven iii Nederlaifd
,•.•
•
.
–
‘
afzonderlijk’ hoofdstuk gewijd aan de sportbeoefening.
Zoals reeds gezegd, i§
50
pCt. der Nèderlanders van
•
12 jaar en ouder actief of werkend lid van één of meer’
verenigingen; 13 pCi. heeft zich bijtwee of meer soorten
verenigingen aangesloten. Het lidmaatschapspercentage
voor vrouwen ligt lager dan voor mannen – nl. 41 tegen
59
– en’dat voor degenen van 60 jaar en ouder lager
dan voor de jongeren. Deze laatste constatering zal
‘.
overigens voor degenen, di
inmiddels hebben bedacht
Lidmaatschap en bezoek aan verenigingen
dat een lidmaatschap van:. ‘
(mannen en vrouwen tezamen)
jeugd- of sportverenigingvoor’.
de ouderen, onzer veelal wei-
nig zinvol is, geen verrassing
inhouden. Wat de overige
-‘ t
verenigingen betreft, doen de -‘ —
ouderen echter weinig voort
de gemiddelde. Nederlander
onder; wèl is hun bezoekfre-
quentie aanmerkelijk geringer.
Met het groeien der jaren ‘
zien wij, in grove trekken ge-
schetst, de belangstelling per ,
verenigingssoort. verschuiven,
van de jeugd- en sportvereni-
gingen, via de culturele naat
de verenigingen met een so-
ciaal of pedagogisch doel en
‘
de politieke verenigingen,
waartoe ook de vakorganisa-
ties’worden gerekend. De b- .
langstelling voor laatstge-
noemde organisaties is het
grootst onder de 40-59 jarigen.
Uit nevenstaand staatje – een deel van één der, 27
tabellen die in het rapport zijn opgenomen’— kan de lézer
zich een indruk vormen van het verenigingsleven der diverse
sociale milieus. Hieruit blijkt dat de lidmaatschaps-,.
‘..
.’ -r
percentages der leidinggevenden voor de meeste verenigings-
soorten hoger zijn dan die der overige groepen onzer be
volking. Hun bezoekfrequentie verschilt echter niet zo ‘ee1’
van die van de gemiddelde Nedeilander. Het gemiddeld
bezoek der leidinggevenden aan culturelè verenigingen –
waarvan zij in sterker mate lid zijn dan de overige Neder-,
landers – is zelfs lager dan bij enige andere maatschappe-
lijke groep het geval is. Afgaande op déze cijfers is men ‘
geneigd de leidinggevenden en welgestelden meer als
cultuurfinanciers dan als -beoefenaren te beschouwen.
.tZ.
ui:ci.isji
.
0
Blz.
0
Blz.
Vernigingsleven in Nederland,
door Drs. J. H.
A a n te ke
n 1 n
.
Economische spanningen in Europa,
door Drs.
Zoon………………………………..
343
Boekbesj,reking:
•.’
-De betalingsbalans over 1957 ……………354 .’ ..
-Centraal Bureau voor de Statistiek: ,,Indicatoren
F. Kupers …………………………….
344
van de economische toestand”,.
besproken door
De Nederlandse landbouw, de E.E.G. en het vrij-
Drs. H. C.
Bos
……………………….356
0
handeisgebied,
door A. J. Sissingh ………..
347
Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs. J. C. Brezet …
357
De benuttingsgraad der Nederlandsé koopvaardij-
Notities:
vloot, door J. S. Bee/sma …………………
349
Goedkope vlaggen – niet zé goedkoop ……346
De ontwikkeling der spaarinstellingen,
door Mr.
Nationale schuld ……………………..348
Ph. C. M. van Campen …………………
352
Renteverwachtingen …………………..351
AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN
343
,
0
–
0I
-.
•-
S
–
0
,
‘
.
–
Indien wij, Nederlanders, binnen de grenzen die de wet
‘ons stelt, activiteiten wensen te ontplooien in verenigings-
verband, behoeft het ons doorgaans weinig moeite te
kosten een vereniging te vinden die aan onze verlangens
tegemoet komt. Ons land namelijk kent een rijk geschakeerd
verenigingsleven. Rijk geschakeerd in tweeërlei zin. Niet
alleen immers zijn op velerlei terreinen des levens – of
het nu gaat om het behartigen van een bepaald belang,
het nastreven ‘.’an een of an- –
der ideëel doel, het beoefenen
van cultuur of sport – vei-
enigingen werkzaam, maar
bovendien kunnen wij, gege-
ven de activiteit die wij zoe-
ken, desgewenst ook nog wel
een vereniging vinden, waar-
binnen deze activiteit wordt
beoefend op die,. grondslag,
die ois na aan het hart ligt.
Van de ruime mogelijkheden
die ons aldus worden gebo-
den, heeft
50
pCt. der Neder-
landers van twaalf jaar en
ouder gebruik gemaakt.
Dit kan men lezen in een
door het Centraal Bureau
yoor de Statistiek in het ka-
der der vrije-tijdsbestedings-
serie uitgebracht rapport
over, het verenigingsleven
1),
dat al even fraai en boeiend
is als de andere, waarvo6″r wij
eerder op deze plaats de aan-
1
waarvan
-09
1
cc
i
0
sociaal
i
Ont-
Iof
peda-j
politiek
cuitureeij span-
,
i
gogisch
doelj
doel
ning
Sport
1
doel
ver
en
1 1
Imaak
uacnt vroegen, in uit rapport
zijn enkele facetten van het verenigingsleven in ons land
benaderd .van de zijde der geënquêteerden. Men zal er
dus niet in vinden hoeveel verenigingen met hoeveel leden
er in ons land ‘zijn, maar wèl welk percentage onzer,’ naar
sociaal en woonmilieu, kerkelijke gezindte, leeftijd en
geslacht ingedeelde, landgenoten actief lid is van één of
meer naar doeleinden en levensbeschouwelijke – richting
onderscheiden erenigingen en hoe het, volgens de op-
gaven der ondervraagden,- is gesteld met de mate, waarin
zij aan het verenigingsleven deelnemen. Voorts is een
1)
,,Vrije-tijdsbesteding in Nederland; winter
1955/56″,
deel
5:
,,Verenigingsleven”. Zeist 1957, 32 blz., f. 2,90. Ver-
krijgbaar bij ‘Uitgeversmaatschappij W. de Haan NV., Zeist
en bij de boekhandel.
S
Twee aspecten van de economische toestand in
West-Europa worden behandeld t.w.: de grote on-
evenwichtigheid in het handels- en betalingsver-
keer van Frankrijk, Duitsland en Engeland en de
aarzeling in de Westeuropese conjunctuur. Schrij-
ver zet uiteen hoe de na oktober 1957 ingetreden
verbetering in de onevenwichtigheden binnen de
E.B.U.
bij
nader inzien niet als een fundamentele
verbetering kan worden beschouwd. T.a.v. de
kentering der conjunctuur meent schrijver dat de
vermindering van de effectieve vraag vooral blijkt uit een vermindering van de investeringen. Zou de
economische toestand in Europa verder achteruit-
gaan en zouden landen die over onvoldoende
deviezenreserves beschikken tot werkgelegen.
heidsprogramma’s moeten overgaan, dan zal
om internationaal schadelijke invoerbeperkingen
•
te
vermijden -.
het vinden van een doelmatige
internationale kredietverlening een
moeilijke taak
worden voor de O.E.E.S.
Het jaarlijks economisch onderzoek waaraan de Organi-
satie van Europese Economische Samenwerking (O.E.E.S.)
zijri leden heeft onderworpen, aangevuld met een aantal
daarna beschikbaar gekomen gegevens, levert ons een beeld
van de economische toestand van West-Europa in
1957
en
in de eerste maanden van dt jaar. Hiervan willen wij twee
hoofdaspecten nader in ogenschouw nemen. In de eerste
plaats noemen wijde grote onevenwichtigheid in het handels-
en betalingsverkeer van de grote drie van de Westeuropese
economie: Frankrijk, Duitsland en Engeland. Voorts is er
de aarzeling die zich ook in de Westeuropese conjunctuur
heeft aangediend.
Eëonomische
spanningen
in Europa
EBU-overschotten en tekorten
, (in mln, dollars)
–
1957
1958
1
Ii
III
Iv
1
Frankrijk
……………..
.-
252-290 —210 – 81 —109
Duitsland
………………
.+ 365
+
385
+
698
+ 48
– 10
Engeland
………………
+ 40
+
2
401
+
9
+ 170
a. In het geval van Frankrijk kwam deze op rekening van
het geheel opschorten varl de liberalisatie van de invoer
in juni 1957 en de feitelijke devaluatie met 20 pCt.,
énigé, naanden later.
S
De onevenwichtigheid binnen Europa.
– én blik op bijgaande grafiek, waarin voor Frankrijk,
‘Duitsland en Engeland is weergegeven hoe hun positie in
de Europese Betalings Unie (E.B.U.) zich heeft ontwikkeld,
is voldoende om te doen zien hoe weinig terecht is gekonièn
van één van de oorspronkelijke doelstellingen van de
E.B.U., ni. een hulpmiddel te zijn tot het overbruggen van
tijdelijke
onevenwichtigheden in het betalingsverkeer.
Sinds 1952 blijkt elk van deze drie landen zich.steeds aan
– eenzelfde kant van de nullijn te hebben bevonden; Duitsland
aan de pluskant, Frankrijk en Engeland aan de. minzijde.
Bovendien heeft elk land zich steeds verder van de nullijn
-. . verwijderd.
Deze zeer eenzijdige ontwikkeling, welke sinds
1956
steeds geprononceerder werd – en welke zich niet tot het
E.B.U.-gebied beperkte – gaf in de loop van 1957 aan-
leiding tot krachtige tegenmaatregelen. De ontwikkeling
in dit opzicht kan men het beste volgen aan de hand van de
• E.B.U.-posities, daar deze ons de meest recente cijfers
verschaffen. Uit deze gegevens
lijkt
de conclusie gerecht
–
vaardigd, dat de genomen tegenmaatregelen na oktober
sucçes begonnen af te werpen. In het derde kwartaal zette
een verbetering in, die ook in liet nieuwe jaar voort-‘
duurde. . . …
Een nadere beschouwing echter leert, dat helaas van een
fundamentele
verbetering niet ikan worden gesproken.
. De omslag naar een evenwichtiger betalingsverkeer is in-
hoofdzaak aan twee oorzaken toe te schrijven.
•. .
…
b. De Duitse en Engelse posities, die aanvankelijk zeer
sterk waren beïnvloed door de speculaties met betrek-
king tot pond en mark in augustus en september,
ondervonden daarna de terugsiag in tegenovérgestelde
richting toen men merkte dat de pariteiten werden
‘gehandhaafd.
De voortdurende verslechtering van de
Franse
betalings-
balans die zich ook in 1957 voortzette, was hoofdzakelijk
aan de. infiatoire staatshuishouding toe te schrijven. De
situatie werd nog verscherpt door het afnemen van de
overheidsontvangsten uit het buitenland en door speculatie-
ve kapitaalbewegingen in de verwachting van een devaluatie
– van de frank. De verbetering, die in de tweede helft van
• het jaar optrad, is vrijwel geheel toe te schrijven aan de
drastische beperking van de invoer door de totale deliberali-
satie en de ommekeer in de speculatie tegen de frank toen
deze inderdaad de facto devalueerde.
Inmiddels heeft Frankrijk een saneringsplan opgesteld.
Een essentieel onderdeel hiervan is dat de zogenaamde
impasse – wat wij maar zullen vertalen als het kastekort
van de Overheid – de 600 miljard frank (vorig jaar:
.1.000, miljard) niet zal mogen overschrijden. Verwacht
wordt dat het betalingsbalanstekort van $ 1.400 miljoen
dat de Franse frank-zone in 1957 had, zal kunnen worden
. .,teruggebracht tot $400 miljoen over 1958. In het begin
van dit jaar kreeg Frankrijk van de E.B.U., de Verenigde
Staten en het Internationale Monetaire Fonds kredieten
tot een totaal van $
655
miljoen; men mag hopen dat
het land deze adempauze goed zal gebruiken.
S
344
Het feit dat prijsstijgingen, opgetreden sinds de devaluatie
Netto cwnulatieve E.B. U.-positie van Duitsland, Frankrijk
van het vorig jaar, al veel van het effect ervan hebben weg-
en het Verenigd Koninkrijk
genomen doet evenwel nog niet veel goeds verwachten
–
–
‘
ln mijoenn dollars)
omtrent de mogelijkheid voor Frankrijk om door export
voldoende te verdienen om voor de invoer te betalen.
Zolang die invoer kunstmatig laag wordt gehouden door-
dat deze geheel gecontingenteerd
4
is en. ‘ôlang men op
+
voorraden kan.intren ‘vormt ditnogTgn probleem, maar
dit is uiteraard geen situatie, die eeuwig kan voortduren.
De cijfers voor 1958 die thans reeds beschikbaar zijn, wijzen
vooralsnog niet in een geruststeilenclejrichting. Een even-
+
wicht zonder veelkunstmatige restictis lijkt hier nog niet
in zicht.
Het
Duitse
overschot in het intra-Europese betalings-
verkeer bereikte zijn hgte’pijntin augustus en september
van het vorige jaar töen de normale surpluspositie nog werd
geaccentueerd door de toestroming van kapitaal in de
verwachting van een appreciatie van de mark. Duitsland
+
nam intussen verschillende maatregelen om zijn Midas-
probleem ‘op te lossen. Het disconto werd enige malen
verlaagd, tarieven erminderd en na de grote begrotings-
overschotten der afgelopen jaren zijn er nu, geringe, be-
grotingstekorten voorzien.
De veel evenwichiiger E.EU.-saldi sindsdien zijn echter
niet toe te schrijven aan een fundamentele verandering in
het handelsverkeer met het buitenland, doch komen
praktisch geheel
–
voor rekening van het kapitaalverkeer.
De sterk positieve saldi zijn verminderd door allerlei
kapitaalovermakingen van de Ovrheid en door een gedeel-
•teljk teiugdraaien van de speculatiev6 posities, die eerdér
waren opgebouwd in de hoop op een appreciatie van de
mark. Het moet worden afgewacht of debovengenoemde
binnenlandse maatregelen binnenkort alsnog resultaat
4000
1
•
-.
–
.
..
.
.,-
1′,.
•.
.
—
DUITSLAND
1,
2000.
t-
fl
VERENIGD’
KONINKRIJK
0
S
–
S
S
–
•0
1000
%
S
1
FRANKRIJK
2000
1950
5152’53’54’55’56
–
,7-,
+
0000
+3000
+2000
+1000
-1000
-2000
zullen afwerpen.
Het is voor Europa een onfortuinlijke situatie, dat twee
landen wier fundamentele economische fllosofieën zo ver-
schillend zijn als bij Frankrijk en Duitsland het geval is,
aan elkaar grenzen. Doordat zij immers dicht bij elkaar
liggen hebben ze een intensief economisch.verkeej met el-
kaar en zo vormt de nabijheid van het economische hoge
druk gebied Duitsland met het lage druk gebied Frankrijk
een voortdurende storm waar heel Europa van te lijden
heeft.
De
Engelse
positie heeft vooral moeilijkheden onder-
vonden van de speculaties tegen het pond in”de tweede
helft van het vorige jaar: In september
–
werden krachtige
maatregelen genomen door aanzienlijke ‘-verhoging – van
het disconto en de stabilisering van de ‘overheidsuitgaven,
maar ook hier is de evenwichtiger betalingspositie. veeleer
een gevolg van het terugdraaienl van speculatieve-posities
dan van werkelijk fundamentele verbeteringem Eveneens
–
9
is veel kapitaal naar Londen gestroomd door de.hoge rente-
stand aldaar en ook daardoor schijnt de positie gunstiger
dan zij is. De lage stand van de deviezenreserves geeft de
Engelse economie uiterst weinig armslag. Dit is een factor
die te meer telt nu de conjunctuur. vrijwel overal tekenen
van verzwakking vertoont.
-De aarzelende conjunctuur.
Het andere hoofdprobleem voor de Europese economie
is het tot staan komen van de expansie. Hiermede is –
althans voorlopig – een einde gekomen aan een periode
van voortdurende groei, die. bijna.vierjaar duurde.
Europa’s economischeôntwikkeling na de oorlog kan
• ‘men in een aantal duidelijk onderscheiden perioden indelen.
Yan het einde van de tweede wereldoorlog tot de inval in
Korea, medio 1950, viel het tijdvak van herstel van de
-oorlogsschade; de jaren -daaraanvolgend- stonden in het
sertentio)
–
–
Met ppier en -mét plastic geïsoleerde kabels voor hoogspanning,
laagsanning .&n tlecommunicatie Kabelgarnituren,
–
–
k’operdraad èn koprdraadkabel. Staaidraad en staalband.
NEDERLANDSCHE KABELFABRIEK oELr
345
–
‘o’•
tekn van de hernieuwde bewapeningsinspanning.Omstreeks
1953 kon men zeggen dat de economie zich ontwikkelde
onder minder buitengewone impulsen. De produktie
‘steeg toen telkens met 5 pCt. ten opzichte van het vooraf-
•
gaande jaar, de invesieringen vertoonden zelfs een jaar-
•
lijkse toeneming van 9 pCt. Bij deze expansie kon gebruik
worden gemaakt van werkloze arbeidskrachten en ver-
– , lenging van de arbeidstijd. In vier jaar
steeglde
aldus be-
schikbare arbeidskracht met 8,5 pCt. Geleidelijk echter
werd de capaciteitsgrens bereikt en als gevolg daarvan zag
men onstreeks 1956 de stijging van de produktiecurve
minder worden.
Dit bereiken van de capaciteitsgrens maakte het inflatie-
:. gevaar uiteraard weer acuut en vele landen, het ene vroeger,
het andere later, begonnen maatregelen te nemen tot be-
strijding van de excessieve vraag. Deze laatste periode kwam
èchter ongeveer een halfjaar geleden tot afsluiting doordat
• de effectieve ‘,’raag begon te verminderen. Wij zien dan ook,
.dat in vrijwel alle landen de groei van de produktie tot
staan is gekomen of zeffs dat de produktie is verminderd.
Ons land was een van de eerste waar de produktiedaling
begon. Frankrijk is hierbij de enige belangrijke uitzondering;
dâar is de produktie nog ononderbroken gestegen.
De vermindering in de effectieve vraag kwam vooral tot
uiting in een afneming van de investeringen. Dit hangt,
naar valt aan te nemen, voor een deel samen met de zeer
hoge investeringsactiviteit in Europa in de voorafgaande
jaren
(bijvoorbeeld
in de scheepsbouw en de auto-, radio-
en papierindustrie). Allerlei toen begonnen projecten zijn
nu voltooid en het ge
y
olg van deze ,,bunching” van in
vesteringen is thans een terugval. Dit valt samen met een
waarschijnlijke verandering in de aard van de investeringen.
Achter ons ligt een periode van snelle uitbreiding van het
arbeidsaanbod, zoals wij zojuist zagen. De private in-
vesteringen hebben veelal een hiermede overeenstemmerid,
complementair kar’akter gedragen. Met het bereiken van
Goedkope vlaggen
–
niet z6 goedkoop
In een onlangs aan ,,The Financial Times”
verleend interview, hetwelk is afgedrukt in het
nummer van 17 april jl., werd de Griekse re-
der Stavros Niarchos o.a. gevraagd of hij van
mening was, dat reders die onder zgn. goedkope
vlaggen varen beter in staat zullen zijn het
hoofd te bieden aan de rçcessie.dan diegenen
die onder’ andere vlaggen varen. Hierop ant-
woordde Niarchos dat de exploitatiekosten van
een’ Brits schip nu in vele gevallen lager zijn
dan die van een zgn. Panhonlib-schip d.w.z.
een schip dat onder één der goedkope vlaggen
vaart. Het grote verschil in belastingheffing
naar de winst – dat het zo aantrekkelijk maak-
te onder Panhonlib-vlaggen te varen – is nau-
welijks nieer actueel, daar het thans veeleer
– een kwestie is van geen verlies lijden dan van
winst maken. Overigens meende Niarchos dat
‘de -Panhonlib-rederswel meer winst in hun’ be-
drijf hadden kunnen houden, doch deze voor
vlootuitbreiding hadden gebruikt in plaats van
– haar als liquide reserve achter de hand te
houden.
t
–
deâiteitsgrensvan de areid moesten deze comple-
mentaire investeringen noodzakelijkerwijs afnemen en het
accent meer komen te liggen op arbeidsbesparende in-
vesteringen. Dergelijke vérschuivingen dragen uiteraard;
niet bij tot een stabiele ontwikkeling. Mocht de recessie
doorzetten dan zou daarvan een prikkel kunnen uitgaan
tot rationaliseringsinvesteringen. Een nieuwe verschuiving
derhalve.
In tegenstelling tot het tijdvak
1953
2
54,
toen de econo-.
mische teruggang in de Verenigde Staten zich niet sterk
verspreidde doordat er internationaal voldoende reserves
waren, is deze factor thans niet aanwezig. Zowel in de
grondstoffenproducerende landen als vrijwel overal in
West-Europa ligt de situatie met betrekking tot de rserves
ongunstig: Daarmee is een economische terugsiag, die er-
gens in het internationale economische systeem optreedt,
veel besmettelijker geworden en het gevaar van cumulatieve
processen vergroot.
De hierboven geschilderde onevenwichtigheid in het
intra-Eüropese economische verkeer heeft tot een zeer
eenzijdige concentratie van deviezenreserves bij Duitsland
geleid
1).
Frankrijk en Engeland daarentegen gaan deze
kritische tijd met minieme reserves in. Daarbij ,komt nog’
dat een betrekkelijk groot deel van hun export gericht is
op grondstoffenproducerende landen. Dit is een nadeel in
s
tijden van dalende grondstoffenprijzen, welke de koop-
kracht dezer landen aantasten. Verder zal in een periode
van -verscherpte internationale mededinging zich het feit
gaan wreken dat in Engeland de investeringsquote- steeds –
achter is gebleven bij die van een aantal van zijn belang-
rijkste Europese concurrenten.
In de huidige fase van de Europese conjunctuur die er
een is van aarzeling en die de elementen van een verder
afglijden in zich draagt vormt de grote deflatoire haard,
uitgaande van het Duitse betalingsbalansoverschot, een
punt van zorg. Het is daarom belangrijk dat de O.E.E.S.
voortdurend druk uitoefent, teneinde een evenwichtiger,
toestand te bereiken. In het O.E.E.S.-jaarrapport over
Duitsland bij voorbeeld wordt gesteld: ,,Germany’s.
trade surplus…. can only be ended by the adoption of
stronger measures.. .. it is unlikely that the overall im-
balance between Germany and other member countries
can adequately be brought under control without further
– action by Germany”.
Zou orverhoopt de economische toestand in Europa
inderdaad verder verslechteren dan zal een oplossing ge-
vonden moeten worden voor het probleem van die landen
wier betalingsbalans negatief zou worden door werkge-
legenheidsprogramma’s en die onvoldoende deviezen zou-
den
blijken
te hebben om een dergelijke drainage enige tijd
te kunnen volhouden. Het zal dan noodzakelijk zijn te
voorkomen dat landen hun toevlucht zouden moeten nemen
tot invoerbeperkingen: zodoende zouden de moeilijkheden
internationaal immers steeds verder worden vergroot.
Hiervoor een bruikbare oplossing te vinden in de vorm
van een doelmatige internationale kredietverlening zou
dan tot een van de moeilijkste opgaven van de O.E.E.S.
gaan behoren.
‘s-Gravenhage.
F. KUPERS.
1)
Hoe ongunstig de algemene situatie met ‘betrekking tot de reserves zich heeft ontwikkeld, blijkt uit het feit dat in
vergelijking met v66r de oorlog de wereldhandel zich ver-
viervoudigde, terwijl de reserves slechts een verdubbeling
te zien gaven; en wat hun -verdeling betreft: de helft van
de wereldreserve berust bij de Verenigde Staten en Duitsland.
346
•
–
–
,-•
t,
..
‘S…
.5
..
In dit artikel wordt aan de hand van de geo-
grafische spreiding van de Nederlandse uitvoer
van landbouwprodukten nagegaan in hoeverre de
Nederlandse landbouw belang heeft bij een af
–
zonderlijke regeling van de positie van de land-
bouw in de vrjhandelszone.
De conclusie luidt,
dat de E.E.G.-markt voor de Nederlandse land-
bouw (de tuinbouw uitgezonderd) van meer be-
tekenis is dan het vrijhandelsgebied (i.c. Engeland)
en dat het daarom voor de Nederlandse landbouw van het grootste belang is, ‘dat de nadelen van het
instellen van een vrijhandelsgebied door een af
–
zonderlijke regeling voor landbouwprodukten wor-
den ondervangen. Indien het niet mogelijk
zou
blijken om de positie van de landbouw in het
vrij-
handelsverkeer op çen voor alle partijen, bevre-
digende wijze te regelen, dan lijkt voor Nederland
een uitsluiting van de landbouw geen overwegend
bezwaar te vormen en’ volgens sèhrjver wellicht
zelfs de voorkeur te verdienen.
Bij de onderhandelingen over het voorstel van Engeland
aan de E.E.G.-landen om in samenwerking met de overige
O.E.E.S.-landen te komen tot een vrijhandelszone, lijkt
de regeling van de positie van de landbouw in deze vrij-
handelszone op moeilijkheden te stuiten.
In het onderstaande is, aan de hand van de geografische
spreiding van de Nederlandse uitvoer van landbouwpro-
dukten, nagegaan in hoeverre de Nederlandse landbouw
belang heeft’ bij een afzonderlijke regeling van de positie
van de landbouw in de vrijhandelszone.
De realisatie van het E.E.G.-verdrag zal voor Neder-
land o.a. tot gevolg hebben dat:
de concurrentiepositie binnen de E.E:G. t.o.v.
niet deelnemende landen waarschijnlijk ]) wordt versterkt
en
10
de stijging van de produktiekosten de concurrentie-
positie in de niet E.E.G.-landen nadelig beïnvloedt.
Het toetreden tot het vrijhandeisgebied (met inbegrip
van de landbouw) zou ertoe leiden dat:
het sub 1 vermelde voordeel van de E.E.G. teniet
wordt gedaan;
dit voordeel zelfs in een nadeel omsiaat, daar ten
gevolge van de hogere produktiekosten (invloed buiten-
tarief, sociale maatregelen) in de E.E.G., de concurrentie-
1)
Daar’de Nederlandse agrarische uitvoer voor een groot
deel bestaat uit veredelingsprodukten speelt hier de hoogte van
het gemeenschappelijk buitentarief ‘op grondstoffen en eind-
produkten een rol.
1
t
–
De
Nederlandse landbouw,
de E.E.G. en het,
‘
vrjhandeisgebied
..
positie binnen de E.E.G. tegenover deelnemers aan het ‘
vrijhandelsgebied (niet E.E.G.-leden) verzwakt wordt;
het sub 2 genoemde nadeel van de E.E.G. onver-
minderd van kracht blijft.
Als enig mogelijk’ voordeel blijft dan:
de verruiming van de uitvoermogelijkheid naar de
vrijhandeisgebied (niet E.E.G.) -landen, waarvan Engeland
het enige land is met een belangrijk agrarisch invoerover
–
schot.
De huidige opzet van de E.E.G. heeft dus voor de Ne-
derlandse landbouw het voordeel dat Denemarken als
*
concurrent buiten dit blok blijft. Uitbreiding van de
E.E.G. met het vrijhandelsgebied heeft daarentegen tot
gevolg dat de concurrentie van Denemarken in de
E.E.G. wordt versterkt. Hiertegenover zou voor de Ne-‘
derlandse landbouw een groter afzetgebied viii. in Enge-
land ontstaan. Aangenomen is dat de bepalingen van het
vrijhandelsgebied op zichzelf geen mogelijkheden inhou-.
den om de positie van de Nederlandse landbouw bij de in-
voer in Engeland t.o.v. de partners in dit vrjhandels- .
gebied te verbeteren.
Het hangt nu vooral van de omvang van de betrokken ,
marktei’i af in hoeverre het ene dan wel het andere alter
–
natief in het belang van de Nederlandse landbouw kan
worden geacht. Hiervoor moge worden verwezen naar
tabeli en2.
Denemarken heeft na Nederland het belangrijkste
agrarische uitvoeroverschot van de O.E.E.S.-landen.
Uitvoer van Nederland en Denemarken in 1956
.
(in mln. guldens)’
Levende
dieren
Vlees en
‘
Zuivel
vruchten
Grondst.
en plantaardige
v. dien.
Totaal
vleeaprodukten
en eieren
en groenten
oorsprong a)
i-
Ti5
i-
Dene-
Neder-
Dene-
1′
Fi
T5
Dene- land marken
i
land
marken
land marken
land
marken
land
marken
land
marken’
68,5 245,9
562,4
1.043,1
1.134,4
919,8
618,0
41,8
315,9
83,4
2.699,2
2.334,0
– –
222,2
724,0
63,4 383,0
172,2
4,4
54,9
12,8
462,7
1.124,2 60,9
236,1 183,7
149,2
630,4 311,6 325,9
12,4
129,7
34,7
1.330,6
744,0
6,1
–
24,6
0,4
,
116,3
5,8
72,6 0,4
19,3
2,1
238,9
8,7
2,5 9,0
5l,
22,1
73,7
28,8
32,7
0,6
26,7
7,9
,)86,9
68,4
41,4
3,1
8,1
82,0
48,3 27,7
8,8
1,0
9,9
3,7
116,5
‘
117,5
10,9
215,1
99,7
44,6
392,1
248,5′
211,8
,
10,3
73,8
17,2
788,3
535,7
TABEL 1.
Alle landen
Engeland
……………………….
EEG-landen b)
………………….
w.v. naar: Belgi8-Luxcmburg
……..
Frankrijk
…………….
Jtali
………………..
west-Duitsland
/.
t.
a) Voor Nederland vnl. bloembollen en tuinbouwzaden.
b) Inclusief de uitvoer van Denemarken naar Nederland.
Bron:
}{andelsstatistiek.
-347
,
Nationale schuld
–
Blijkens het ,,Algemeen verslag van de stand
dèr staatsschuld op31 december1957 zomedé van
de verschillende verrichtingen bij het Agentschap
van het’Ministerie van Financiën en de Groot-
boeken der Nationale Schuld gedurende het jaüt
1957″ -‘aldus luidt de titel van de betreffende
publikatie – is onze nationale schuld gedurende
195V
I
met f. 261 mln, gedaald tot een niveau var
f. 18.200 ‘mln. Vergeleken met het m dit opzicht
recordjaar 1947 is de schuld afgenomen met iets
meer’dan’f. 10 mrd., of gemiddeld f. 1 mrd. per –
jaar.
‘Nationale s’c/zuld 19’45—-1957
(in mlii. guldens)
Binnenlandse schuld
__________ c8
…
.9
Idem,
per
hoofd
derbe-
vlottend
totaal
volking
_.,
vetigd
•
–
guldens
1945
..
5.767
17.475
23.242
1.039
24.281
2.00′
1946
..
7.160
15.256
22.416
1.343
23.759.
‘2500
1947
..
7.099
19.197
26.296
2.005
28.301
2.900
1948
..
7.206
17.334
24.540
2.274
26.814
2.700
1949
..
7.732
16.191
23.923
3.373
27.296
2.700.
1950
.:
8.418 13.806 22:224
3.354
25.578
2.500
1951
..
8.763
12.654
21.417 3.229
24.646
2.400
1952
..
8.360
12.083
20.443 3.207
23.650 2.300
1953
..
8.785 11.372
20.157
2.793
22.950
2.200
1954
..
10.286
8.174
18.460
2.286
20.746
1.900
1955
..
10.987
6.584
17.571
2.013
19.584
1.800
1956
..
11.097
5.417
16.514
1.947
18.461
1.700
1957
..
10.826 ,, 5.290
16.116
2.084
18.200
1.600
In de laatste kolom van de tabel hebben wij de
nationale ‘schuld –afgerond tot’ op. honderdeni
guldens – per hoofd der bevolking weergegeven.
Zij blijkt thans rond f. 1.000 per hoofd lager te
zijn dan in 1945. Deze daling is de resultante van
de ‘daling van dé totale schuld met rond f 6 mrd:
enerzijds en een bevolkingsaanwas van 9,3, tot
lll mln.-anderzijjs.,
1
..
eventueel op de Engèlse markt vöor de landbouw meer’
te winnen dan (door de Deense concurrentie) op de E.E.G.-
markt t”èt1iezen (ziè tâbel 2).
-il
r’. ….- •’-“.
–
s-i –‘
‘_
•
t
TABEL.2, •
•:eç,-
;-,-s’
.’ ”-
:-..
.
,;-.
.,.
L,nvoer in ‘Engeland ,i .1956,,
•
&lle
.
la’nde
‘
,ders
,land
A1er
EEG.’
landen
1dernen,-]
1
.bestr
landen
Overige
an en
(irmln.
jld.)
Levende,dieren
i
s
353,7
0,7
353,0a)
Vlees en vlees-
.
.
..
‘
produkten
nl
‘5
.126,7′
239,5
‘744,3
32,7
1.139,1 ‘ .
971,1b)
Zuivel en eieren
1.803,1
, 65,6
-196,0′
10,9
1.189,3,,
141,3
Vruchten en
groenten’:”
2319,1c)
208,4
.
:i.
4,9
‘328,8
1.048,4
928,6d)
tofferi
dierlijke eis
,,’
•,;.
4
•
•”
4’i
plantaardiget
..’
.1
‘
..
.,
•
oorsprong
•,,,
376,0e) 67,6
10,9 26,5.
;l24,0
–
147,0
581,1.
1.156,1
.398,9 – 3.501,5
2.541,0
W.v. s.tit’Iér1and’.
f.’352,7 mIn:,’
W.v. uit Argentinië ,f.601,6 mln.
Ierland’
‘f.
7
121,3 mln.
•
4
”sPolën .
,”f. 140,0 mln,,.
-,
In 1955 bestond deze invoer voor ten minste ca. 60 pCt. uit zuidvruchten,
noten en andere niet in Neder(and groeiende produkten:
In 1955 uit andere O.E.E.S.-landen f. 123 mln., w.v. 95 pCt. zuidvruchten
en dergelijke.
In 1955 uit overige landen (exclusief Ierland) f. 677 mln., w.v. maximaal
17 pCt. door Nederland in de betreffende maanden van invoer leverbare
produkten.
W.v. exotische produkten ruim f. 200 mln.
Bron:
Handelsstatistiek.
i. •’i:.
.
,•.,
‘
.
…
.
‘
1
Ten aanzidfi hiervan diciet dan worden bedacht, dat:
1 hei’rote elanaii de Gemeiiebestlanden bij de
invoér jn Engéland “do’oii een’ voorkèursregeling behouden
zaublijveri; ‘ , ‘
i?
‘:’ ‘
2. Engeland ook met enkele andére, voor zijn land-
boiiwinvoer zeer belangrijke; landen bijzondere banden
hèeft,die’niet terwille van eèn vrijhandeisgebied verbroken
zullen worde&(Ièrland en Argëntinië bijv.);
‘
–
‘3. é’eh’ groot déel van de uit overige landen ingevoerde
produkten dodr Nederland toch niet gelëverd kunnen
worden (bijv3 ziidvrüchien);
4. Nederlaiid bij den-toeneming Van de gesubsidieerde
üitvoer naar -Enelând’ vai’i produkten als boteren bacon
wéinig öf geen belafig-heeft.
”
‘Al dèze overwegingen in’ ‘a’aflmerking nemende, blijven
dë mogelijkhedën van ‘voordeel op de Engelse markt dus
beperkt-tot die; welké tèn kdste van de’invoer uit ,,overige”
lasideni “ieikregen– kunéh wbrdën ‘Het
–
gaat ‘hierbij om
ten hoostè ‘ca’. ï. 500′ mln.’ aân “door Nederland leverbare
prbdiikt&n : ruim f. 200 mln. aan vlees ën vleesprodukten,
f. 140 mln, zuivelprodukten en eieren, f. 110 mln. tuin-
bduwprodükteh ‘en’ f. 30 “ihi!’ oerige ‘produkten. Dit
v66rdel is dtïs ieer”-warschijnlijk geringer en in ieder
géval niiidëi zekër ‘dan ‘dé nadelën vôor onze huidige
iit,oèr ‘,an- veehouderijprodukten naar de’ E.E.G.-landen
te’n’ bedrage’ van ca. f. 875 ‘mln. Beidé benaderingen leiden
dus tot dézeifde conlusie; zowel naar mogelijk voor-
als nadeel bezien, ‘is’ dé E.E.G.-markt voor de Neder-
1ai1de’ landbouw (de tuinbouw uitgezônderd) van meer
betekenis dan het vrijhandelsgebied (i.c. Engeland),
.’Het is dan ookvoor de Nëderlande landbouw van het
grdotst’belang dat de nadelen van het instellen van’ ëen
vrjliandelgebied door ‘eéri afzonderlijke regeling voor
landbo”pr’oduktërtT’ wordeh ‘ondervangen. Indien het
‘niet iilo’gelijk’ zou b1ijken’6n de positie’ van de landbouw
in het S’rijh’ande1veiieer op éen voor alle partijen bevre-
digende wijze te regelen, dan lijkt voor Nederland een
uitsluiting van de landbouw geen oyerwegend bezwaar
te vormen en wellicht zelfs de voorkeur te, verdienen.
‘s-Gravenhagc,
”
A. J. SISSINGH.
‘t
.
Tabel 1 geeft een overzicht van de uitvoer door beide
landen in 1956 van de voor de Nederlandse landbouw-
uitvoer belangrijkste groepen van produkten.
Uit deze tabel blijkt wel dat Denemarken als uitvoer-
land van tuinbouwprodukten tot dusverre weinig te be-
tekenen heeft. Zowel de uitvoer naar de E.E.G.-landen
als naar Engeland wordt dobr’ de Nederlandse uitvoer
vin tuinbouwprodukten vele malen in belangrijkheid
overtroffen. Hierdoor .wordt ook, verklaarbaar dat de
georganiseerde’ tuinbouw zich voorstader heeft getoond
van het vrijhandeisgebied.
De Nederlandse’uitvoer van veehouderijprodukten naar
Engeland ten bedrage van ‘ca. f. 290 mln. is belangrijk
kleiner dan de Deense uitvoer van deze produkten naar
de E.E.G.-landen, welkeca.’f.’ 700 mln. bedraagt;,M.a.w.
bij niet 6f (voor de landbouw) onvolledijtostanlkomen
vad’ een vrijhandelsgebied is er op de E.E.G.markt voor
de Nederlandse landbouw meer te winnen dan er op de
Engelse markt is te verliezen. Men dient evenwel het
probleem ook nog andersom te stellen en wel, valt er
bij volledig totstandkomen van een vrijhandelsgebied
348
In dit artikel berekent schrijver de vervoers-
capaciteit, de vervoersprestatie, de benuttingsgraad
en de verkeersprestatie van de Nederlandse koop-
vaardijvloot voor de jaren 1954 en 1956. Vergele-
ken met 1954 blijkt de vervoerscapaciteit van sche-
pen met droge lading en tankers in
1956
met 20
pCt. te zijn gestegen. De verkeersprestatie der sche-
pen vertoonde een nagenoeg gelijke stijging, ni.
21 pCt. Aangezien de benuttingsgraad der vloot
met 9 pCt. steeg, was het resultaat dat de ver:
voersprestatie van 1954 op 1956 met 30 pCt. is
toegenomen. Schrijver merkt op, dat de betekenis,
welke aan de absolute hoogte van de benuttings-graad van een vloot moet worden toegekend,,een
vrij theoretische is, aangezien de maximum ver-
voerscapaciteit in de praktijk nimmer bereikt kan
worden, maar dat kennis omtrent’ de relatieve
veranderingen, welke in de loop der jaren in deze
grootheid en haar samenstellende delen optreden,
waardevol is.
De
‘..benuttingsgraad
; der ‘Nederlandse
:koopvaardijvloot
Inleiding.
De plaats, welke een zéevarende nâtie op de internatio-
nale zeevrachtenmarkt inneemt, pleegt men veelal te
bepalen door vermelding van de totale tonnage der koop-
vaardijvloot van dit land, uitgedrukt hetzij in inhoudsmaat
(B.R.T.
1)),
hetzij in draagvermogen (D.W.T.
2))
der
schepen t.o.v. die der wereldvlöot.
Hoewel dit kwantitatief gegeven t.o.v. dat ‘der wereld-
vloot wel een indruk geeft omtrent de belangrijkheid der
bewuste vloot in het internationale zeeverkeer,, is. haar
positie daarmede niet geheel en al bepaald. Immers niet
slechts de kwantiteit maar ook de kwaliteit der schepen is
voor de waardebepaling der vloot een belangrijke factor.
Een naar verhouding kwantitatief belangrijke vloot kan
bijv. bestaan uit sterk verouderde schepen, waardoor deze
vloot feitelijk tot een veel geringere prestatie in staat zal
zijn dan men op grond van haar grootte zou. mogen ver
–
wachten. Vergeleken met een moderne vloot gaat ni. ouder-
dom der schepen veelal gepaard met een geringere vaar-
snelheid, hoge vaarkosten enz. Het gevolg zal dan ook zijn,
dat bij een minder gunstige situatie op de zeevrachtenmarkt
deze schepen het eerst worden opgelegd of wel in handen
van de sloper vallen. .
Een voorbeeld is de grote reservevloot van de Verenigde
Staten (zgn. mottenballenvloot). Deze, oefende in de jaren
onmiddellijk na de tweede wereldoorlog ongetwijfeld een
stabiliserende invloed uit op het niveau der vrachttarieven
op de zeevrachtenmarkt. Naarmate de jaren evenwel ver-
strijken, heeft deze vloot door veroudering der schepen
stellig aan waarde ingeboet. Momenteel is haar invloed
zeker nog aanwezig, maar op den duur zal haar betekenis
voor de zeevrachtenmarkt verdwijnen.
Zijn de bedoelde kwantitatieve gegevens voor de waar-
debepaling ener koopvaardijvloot derhalve alleen niet
voldoende, het is vooral van belang te weten, welke pres-
tatie deze vloot gedurende een bepaalde periode daad-
werkelijk in het zeetransport heeft verricht. Ongetwijfeld
zulen het initiatief der reders en het vakmanscha’p der
Brutoregisterton: 2,83 m
3
.
Deadweightton: 1.016kg (longton) aan lading, brandstof,
proviand en passagiers.
opvarenden een belangrijke bijdrage leveren tot het zo
efficiënt mogelijk benutten van de vlootcapaciteit.
Op grond van bovenstaande overwegingen is in dit on-
derzoek voor de Nederlandse
koopvaardijvloot
nagegaan
welke maximale vervoersprestatii in ton zeernijlen zij
gedurende een bepa’lde periode theoretisch in staat is te
verrichten en in welke mate deze vervoerscapaciteit in deze
periode is gerealiseerd, m.a.w. de vaststelling van
de
benuttingsgraad
der vloot (zgn. overall utiization)
3).
Ter dnderscheiding van
de ver voerspresta tie,
waarbij
uitsluitend het goederenvervoer over zee in aanmerking is
genomen, heeft men nog
de verkeersprestatie
der vloot,
waarbij voor een bepaalde periode de intensiteit van het
varen der schepen — al of niet beladen – wordt bezien.
Voor een nadere tomschrjving dezer begrippen zij
verwezen naar de publikatie van het Centraal Bureau voor
de Statistiek
):
,,De Statistiek van de zeevaart 1956″,
blz. 6, waarbij in de inleiding de verkeersprestatie der
Nederlandse koopvaardijvloot is behandeld.
De benuttingsgraad der vloot is samengesteld uit twee
factoren, t.w. het aantal zeedagen,
d.i. het aantal dagen,
dat de vloot als geheel genomen gemiddeld gedurende buy.
een jaar op zee heeft gevaren en
de beladingsgraad
dezer
schepen, welke de verhouding aangeeft tussen het gewicht
der vervoerde goederen en de maximum vervoerscapaciteit.
Deze laatste factor vereist enige toelichting. De omstan-
digheid, dat bij de beladingsgraad uitsluitend het gewicht
der vervoerde goederen in aanmerking is genomen, is niet
geheel juist. De belading der schepen betreft nI. niet alleen
gewichtsgoedc’ren
maar eveneens
volumegoederen
5).
Dit
laatste kan met zich brengen, dat een zeeschip, hoewel voor
100 pCt. met volumegoederen beladen, toch niet op zijn
,,merken”
6)
ligt.
Bij gebrek aan gegevens omtrent het vervoer van,volurne-
goederén, kon bij dit onderzoek slechts het gewicht der
Zie Monthly Bulletin of Statistics, United Nations,
september
1954
en maart
1956:
,,The utilization of the world-
fleet in moving cargo in external trade”.
Hieronder kortweg aangeduid door C.B.S.
De praktijk geeft de scheiding aan bij 40
cub. ft. per ton.
6)..
Maximum diepgang van het zeeschip, waarvoor een ken-teken op de schecpshuid is aangebracht.
349,
‘s’
”•
–
–
t
•
vervoerde goedèren in aanmerking worden genmn. Voorts
zijfi in het ondérzoek uitsluitend de schepen met droge
lading en tankers betrokken. De passagiersschepen zijn
buiten beschouwing gebleven, gezien het bijzondere karak-
ter van dit scheepstype, waarbij uiteraard het accent meer
ligt op het passagiers- dan op het goederenvervoer over zee.
* Het onderzoek heeft betrekking op de jaren 1954 en
1956. De grondgegevens zijn hiervoor ontleend aan de hier-
boven vermelde publikitie van het C.B.S. Eerstgenoemd
jaar is met opzet genomer, aangezien over dit jaar de
-. – resultaten bekend zijn van een onderzoek naar de, be-
nuttingsgraad van de wereldvloot, ingesteld door het
Statistisch Bureau van de United Nations
3).
De aandacht
zij er evenwel op gevestigd, dat als gevolg van een ver-
schibin methodiek en omvang van beide onderzoekingen,
de resultaten hiervan niet geheel vergelijkbaar zijn.
Wel bracht het dit voordeel mede, dat bij gemis aan
gegevens omtrent de Nederlandse koopvaardijvloot, deze
in een enkel geval konden worden ontleend aan die der
wereldvloot. Een te exacte interpretatie der uitkomsten
van dit onderzoek is derhalve niet gewenst. Het doel
hiervan is voornamelijk het inzicht in dit onderwerp te
verruimen, teneinde voor de toekomst de basis te leggen
voor èen meer gedetailleerd en op Vollediger grondgegevens
gebaseerd onderzoek.
Resultaten.
a. Maximum vervoerscapaciteit der vloot in 1954.
Bij .de vaststelling van de maximum vervoerscapaciteit
der vloot wordt van de theoretische veronderstelling uit-
gegaan, -dat deze volledig beladen het gehele jaar zonder
onderbreking vaart. Naast de totale D.W.T. der schepen
voor droge en natte lading, dint derhalve zowel de factor
tijd als de gemiddelde snelheid der schepen in de berekening
-te worden opgenomen.
•
– Uitgaande van de door het C.B.S. op 1 januari 1957
7)
voor de verschillende categorieën van zeeschepen der
Nederlandse koopvaardijvloot vastgestelde snelheden en
rekening houdende met de mutaties, welke er in de periode
– – na 1954 in de vloot hebben plaats gevonden, is voor dit jaar
– de gemiddelde snelheid der schepen voor droge lading en
tankers vastgesteld op 13,3, zeemijlen .per uur
8).
Met
• – ; behulp. van dit gegeven kon de maximum vervoerscapaci-
téit voor 1954 worden vastgesteld op 466 mrd. D.W.T.
zsemijlen ):
D
e
‘vervoersprestatie der vloot in 1954.
Blijkens de gegevens in de meergenoemde publikatie van
het C.B.S. bedroeg in 1954 de verkeersrestatie der Ne-
• – –
derlandse koopvaardijvloot 182 mrd. B.R.T. zeemijlen
•
(B.R.T. der schepen x afgelegde afstand in zeemijlen).
Aangezien in deze verkeersprestatie die der passagiers-
schepen is begrepen, moest hierop een correctie worden
toegepast en wel met behulp van de oyereenkomstige ge-
• ‘ gevens in
1956,
waar voor de verkeersprestatie wel een
= onderscheid is gemaakt naar type schip. Na toepassing van
deze correctie was in 1954 voor de schepen met droge lading
‘en tankers de verkeersprestatie 156 mrd. B.R.T. zeemijlen.
Zoals hierboven reeds is aangehaald betreft dit gegeven
uitsluitend het varen der schepen, ongeacht of ze al of niet
beladen zijn. Aangezien de benuttingsgraad der vloot be-
Zie ,,Statistiek van de samenstelling der Nederlandse
koopvaardijvloot op 1januari1957″, blz. 26.
1 zeemijl = 1;85 km.
Formule: D.W.T. x gem. snelheid in z.m. per uur x 24 x
365.
:350
S
S-
“trekklng heeft op het gderentransport, diént nu de vr-
voersprestatie te worden vastgesteld, uitgedrukt in ton
zeemijlen
10
). Hiertoe is gebruik gemaakt vn een tweetal
gegevens. In de eerste plaats is er voor de totale vloot een
nagenoeg constante verhouding tussen B.R.T. en D.W.T.
der schepen, nl. 1 .: 1,4. Met behulp van dit gegeven is het
totaal van
156
nrd. B.R.T. zeemijlen uitgedrukt in 219 mrd.
D.W.T. zeemijlen. –
Aangeziën dit totaalcijfer nog steeds ëen aanduiding is
voor de verkeersprestatie der vloot, is voor de herleiding
hiervan in ton zeemijlen gebruik gemaakt van de door het
Statistisch Bureau van de United Nations Voor de wereld-
vloot vastgestelde beladingsgraad, welke voor 1954 van
beladen en onbeladen schepen is vastgesteld op ca. 50 pCt.,
d.w.z. het gewicht der vervoerde goederen bedroeg 50 pCt.
van de totale D.W.T. der varende schepen. Aannemende-
dat dit percentage bij benadering ook gold voor de varende
koopvaardijvloot van Nederland, bedroeg in genoemd jaar
de totale vervoersprestatie dezer vloot 50 pCt. van 219 mrd.
D.W.T. zeemijlen = 109 mrd. ton zeemijlen.
De benuttingsgraad der vloot in 1954.,
Op grond van de uitkomsten onder a. en b. kan dé totale
benuttingsgraad der Nederlandse koopvaardijvloot in 1954
wordeh- vastgesteld x 100 = ca. 23 pCt.
11).
466
Zoals bekend is deze benuttingsgraad samengesteld uit
het produkt der factoren beladingsgraad en ,het aantal
zeedagen der schepen. De beladingsgraad is vastgesteld op
50 pCt. (zie onder b.). Thdns blijft nog de berekening van
het aantal zeedagen over. Blijkens de. gegevens onder
a. is bij een jaar varen de maximum vervoerscapaciteit
466 mrd. D.W.T. zeemijlen. Deze maximum vervoerscapa-
citeit is tevens een aanduiding voor de maximum verkeers-
prestatie uitgedrukt in D.W.T. zeemijlen. De gerealiseerde
verkeersprestatie beliep in 1954 219 mrd. D.W.T. zeemijlen.
Het aantal zeedagen voor de Nederlandse koopvaardijvloot
219
bedroeg derhalve in dit jaar
x
365
dagen = 170 dagen.
466
Maximum ver voerscapaciteit der vloot in 1956.
Onder verwijzing naar de hierboven vermelde uiteen-
zetting omtrent de wijze van samenstelling der maximum-
vervoerscapaciteit is deze voor 1956 vastgesteld op 559
mrd. D.W.T. zeemijlen. Aan dit
cijfer
lag o.a. een gemiddel-
de vaarsneiheid van 13,4 zeemijlen per uur voor de schepen
met droge lading en tankers ten grondslag. –
Vervoersprestatie der vloot in 1956.
Blijkens de gegevens vermeld in de Statistiek van de
Zeevaart 1956 bedroeg in dit jaar de verkeersprestatie
der schepen voor droge lading en tankers 188 mrd. B.RT.
zeemijlen of wel 264 mrd. D.W.T. zeemijlen (oinrekenings- –
getal 1,4).
Uit de statistische gegevens van het Statistisch Bureau
van de United Nations
12)
kan worden afgeleid, dat t.o.v.
1954 in
1956
het totale gewicht zowel van de geladen als van
de geloste goederen der zeeschepën met ca. 30 pCt. is
gestegen.
. S
• Gewicht der lading in loagtons x afgelegde afstand van
beladen en onbeladen schepen.
Formule:
velvoersprestatie in ton zeemijlen
. i
-.
=
vervoerscapaciteot n D.W.T. zeemijlen
benuttingsgraad der vloot.
Zie Monthly Bulletin
0f
Statistics, United Nations,
International Sea-borne Shipping, december 1957v
.
S
•,
,
,
..-
S
–
‘
‘
”
“•
‘
”
‘
.
.
–
”.”
:
.
,S’.
4,
“
t
..
‘s•
S,
S
•
‘
-.
.
‘
‘-.
1
.’
.
….
4′-
t
Indien men aanneemt, dat ‘het goederentrânsport der
Nederlandse koopvaardijvloot bij benadering eveneens een
Renteverwachtingen
Juist voor het ter perse gaan van dit nummer
ontvingen wij het jaarverslag over 1957 van
De. Nederlandsche Bank. Aan dit jaarverslag,
waarop’ in een volgend nummer zal worden
teruggekomen, ontlenen wij de volgende pas-
sages, waarin Dr. M. W. Holtrop ingaat op de
vraag, welke rente-ontwikkeling voor leen-
kapitaal op lange termijn in ons land is te ver-
wachten.
Renteverwachtingen ‘beïnvloeden zowel de
vragers als de aanbieders van leenkapitaal.
Verschillen in verwachting kunnen de voor een
evenwichtige economische ontwikkeling zo nood-
zakelijke regelmatige doorstroming van kapitaal
ernstig belemmeren. Bovendien is het toekomstige
rentepeil van het grootste belang voor het toe-
komstige niveau der huren en daardoor tevens
voor de rentabiliteitsverwachtingeb van de
particuliere woningbouw. Waar de rentestand
op lange termijn zijn evenwichtsniveau straks zal
hervinden, valt niet te voorspellen. Doch zeker
is, dat dit niveau lager zal kunnen zijn, naarmate
de overheid er beter in slaagt de waardevastheid
van het geld te handhaven en eveneens naarmate
zij haar eigen aanspraken op de kapitaalmarkt
weet te beperken.
Hoe noodzakelijk een beperking ten deze is,
wordt aangetoond in een elders in het verslag
opgenomen beschouwing over omvang en finan-
ciering van de investeringsuitgaven der lagere
overheid. De verwachting van een zich steeds
voortzettende prijsstijging, ook al bedraagt die
slechts luttele proenten per jaar, zal op den
duur het aanbod van leenkapitaal steeds verder
doen verminderen en daarentegen de vraag,
vooral van ondernemerszijde, steeds sterker
stimuleren. Een lage kapitaalrente is slechts
verwezenlijkbaar bij vertrouwen in het geld.
En slechts een overheid die de stabiliteit van de
munt als volstrekt6 beleidsnorm aanvaardt, heeft
het morele recht miljarden aan besparingen
tegen een zo laag mogelijke rente tot zich te
trekken.
Dat ook de aan de lagere overheid door het
rentegamma opgelegde rentevoorschriften geen
waarborg bieden vdor het voorkômen van een
rentestijgin, heeft het afgelopen jaar duidelijk
getoond. Deze voorschriften zinvol, indien
zij inderdaad bedoelen de kapitaalvraag van de
lagere overheid, maar dan dus ook haar inves-
teringen, tegen te houden zodra de particuliere
vraag naar kapitaal de rente boven een zeker
niveau doet stijgen. Zoals zij thans zijn gehanteerd
hebben die voorschriften, doordat de financiering
met kasgeld werd vrijgelaten, er slechts toege-
leid de lagere overheid aan te moedigen tot een
verderfelijke wijze van financieren, waarmee ten
slotte èn staatsfinanciën èn munt in gevaar zijn
gebracht. Aldus de President van De Nederland-
sche Bank.
/
t’2
4″
‘
‘5
1
f4
‘S ‘
•
t
.
,
. .
.
S
•, 4′
t
–
dergelijke stijging
verto,nde, dan houdt dit in, dat he ‘,bor, .
1954 vastgestelde totale aantal ton-zeemijlen voor ‘1956
niet 30 pCt. dient te worden verhoogd. Bijgevoig was ‘.
in 1956 de vervoersprestatie der koopvaardijvloot
130
FOO
x 109
142 mrd, ton-zeemijlen.
Hierbij behofde geen rekening te worden gehotden.mef
een verandering in de afgelegde afstand in zeemijlen
der schepen, aangezien deze op grond van de gegevens
in tabel 7 der mleiding van de meergenoemde publikatie’
van het
C.B.S.
van 1954 op
1956
vrijwel gelijk is gebleven: .
f.
De benuitingsgraad der vloot in 1956.
Uitgaande van de hierboven vermelde gegevens onder d.
en e. was de benuttingsgraad der Nederlandse koopvâardij-.
142
vloot voor 1956
x 100 = ca. 25 pCt.
‘
559
Door vergelijking van de vervoersprestatie mèt de
D.W,T. .verkeersprestatie blijkt de beladingsgraad der
142
varende schepen
= ca. 54 pCt. te bedragen.,
t.
264
.,
Indien men uitgaat van een be’adingsgraad der tanker’
van 50 pCt. (ca. de helft van de tijd wordt in ballast gevaren)
dan is deze voor schepen met droge lading 56 pCt. Hierbij is
rekening gehouden met de relatieve belangrijkheid van de,-,
verkeersprestatie van beide type schepen.
Resumerende kan nude volgende opstelling van cijfers’
worden gegeven:
‘
– Benuttingsgraad van de Nederlandse koop vaardijvloot
1954 en 1956
eenheid x 1
stijging 1956
mrd. Zee-
1954
1956
t.o.v. 1954 ,
mijlen
in procenten
.
A. vervoerscapaciteit
…….
D.W.T.466
559
20
‘
13.
vervoersprestatte
‘
Benuttingsgraad (B’
tona) ,
109
142
30
in pCt.
tAJ
– ,
23
25
9
w.v. aantal zeedagen
–
170
172
1
beladingsgraad
–
50
54
8 Verkeersprestatie
……..
D.W.T
219
264
21
a) Gewicht der vervoerde goederen in longtons (1.016 kg).
,
Uit het bovenstaande blijkt, dat, vergeleken met 1954″
de vervoerscapaciteit der Nederlandse koopvaardijvloot van
schepen niet droge lading en tankers in 1956 niet 20 pCt is .
gestegen. De verkeersprestatie der schepen vertoonde een
nagenoeg gelijke stijging, nl. 21 pCt.
Aangezien de benuttingsgraad der vloot met 9 pCt. stèeg,
nl. voor de belading der schepen met 8 pCt. en het aantal
zeedagen 1 pCt., was het resultaat dat de vervoersprestatie
der vloot van 1954 op
1956
niet 30 pCt. is toegenomen.
Ten slotte nog een enkele opmerking aangaande de be-
tekenis, welke aan de benuttingsgraad der vloot moet wor-
den toegekend. Ongetwijfeld is dit percentage op zichzelf
genomen een vrij theoretisch gegeven, aangezien de maxi—
mumvervoerscapaciteit nimmer bereikt kan worden. De
”
waarde hiervan is dtn ook niet zozeer gelegenin de absolute ,
hoogte van het cijfer als wel in de veranderingen welke
hierin van jaar tot jaar optreden. Deze veranderingen zijn
toch te herleiden tot die van de belading der schepen en het
-‘
aantal zeedagen. Kennis omtrent deze gegevens is wel
degelijk waardevol. Dit zal dan vermoedelijk ook wel de
reden geweest zijn, dat het Statistisch Bureaû der United
Nations niet de absolute hoogte van de benuttingsgraad
publiceerde, maar wel de relatieve veranderingen welke in
de loop der jaren’ in deze grootheid en haar samenstellende ‘
delen optraden.
. .
.
‘s-Gravenhage.
5. S. BEETSMA.
ei
351
t
–
–
•’.
‘•
5
..
.
‘
5
-,
Het totale spaarsaldo bij de vier spaarbankorgani-
saties is van 1956 op 1957 gedaald van f. 396 mln.
tot f. 89 mln. De gezamenlijke boerenleenbanken
vertonen een positief spaarsaldo van f. 152 mln., de
Rijkspstspaarbank en de Algemene Spaarbanken
daaintegen een negatief spaarsaldo van resp. f. 3 en
f. 60 mln. De verklaring voor de toename van de
inlagen bij de boerenlèenbanken in tegenstelling tot
de,daling van de inlagen bij de Rijkspostspaarbank en
de Algemene Spaarbanken zoekt schrijvei gedeeltelijk
in het verschil in rentevergoeding. Een tweede factor,
‘die mede een rol heeft gespeeld, is volgens schrijver de
krachtige propaganda geweest, die in het bijzonder
door de boerenleënbanken van de groep Eindhoven is
gevoerd. Als derde belangrijke factor, die vooral zal
hebben gewerkt ten gunste van laatst bedoelde boeren-
1eenb.nken, wijst schrijver op de opneming in het niet-
ag,arische’produktieproces van velen, die tot voor kort
van de landbouw afhankelijk waren en vooralsnog oude
consumptiegewoonten handhaven.
‘,
De ontwikkeling
der
spaarinstellingen
t
–
1
1
• Het jaar 1957 werd gekenmerkt door een sterke daling
van het totale spaarsaldo bij de vier spaarbankorganisaties,
t.w. de Rijkspostspaarbank, de Algemene Spaarbanken
nde boerenleenbanken aangesloten bij fesp. de Coöpera-
tieve Centrale Raiffeisen-Bank en de Coöperatieve Centrale
Boerenleenbank. Bedroeg dit, spaarsaldo, waaronder
wordt verstaan het verschil tussen stortingen en terug-
betalingen, in 1955 nog f. 563 mln., in 1956 daalde dit reeds
tot f. 396 mln. om
in 1957 het zeer lage niveau van f. 89
mln. te bereiken. Een vermindering in 1957 derhalve van
f. 307 mln. ten opzichte van het spaarsaldo van het jaar
156.
Bij de vier groepen spaarinstellingen afzonderlijk ver-
liep de spaarvorming als volgt:
TABEL 1.
Spaar vorming bji de vier groepen spaarinstellingen
in 1955, 1956 en 1957
(in miljoenen guldens, exclusief rente)
toeneming van het totale spaartegoed bij de vier spaar-
instellingen tezamen wederom sterk daalde, nl. van 6,8 pCt.
in 1956 tot 1,4 pCt. in 1957. De sterkste daling deed zich
voor bij de Rijkspostspaarbank, waar de relatieve toe-
neming, die in 1956 nog 10,2 pCt. bedroeg plaats maakte
voor een daling van het totale spaartegoed met 0,2 pCt.
Bij de Algemene Spaarbanken beliepen deze percentages
5,4pCt. in, 1956 tegenover -3,0 pCt. in 1957. Een tegen-
gestelde ontwikkeling viel waar te nemen bij de boeren-
leenbanken van de groep Eindhoven, waar de relatieve
toeneming steeg van 7,3 pCt. in 1956 tot 9,9 pCt. in 1957,
terwijl bij de boerenleenbanken van dç groep Utrecht de
relatieve toeneming nagenoeg gelijk was aan die in 1956,
nl. 4,2 pCt. (4,3 pCt.)..
TABEL 2.
Relatievé toe- of afneming van het spaartegoed
in procenten
(exclusief rente)
Spaarsaldi
Relatieve toe- of afncming
in
pc
–
t.
1955
1
1956
1
1957
1955
1
1956
1
1957
157
173
-r
–
3
10,4 10,2
-0,2
214
101
-60
1
1
13,4
5,4
-3,0
107
65 67
7,8
4,3 4,2
85 57 85
12,6
7,3 9,9
563
396
89
10,9
6
1,4
ijkapost-
spaarbank
mene
S
Alge
paar-
banken
Boeren-
leen-
banken
Utrecht
1
Eindhoveni
i
Totaal
spaarin-
stellingen
1950
..
–
7,2
–
1,2
–
0.6
–
0,4
–
11
–
3,1
1951
..
–
7,1
–
3.6
–
1,6
–
2,1
–
0,6
–
4,0
1952
..
0,9
5,7
5.4
5,8
4,7
4,0
1953
..
2,5
12,2
6,8
7,6
5,2,,
7,0
1954
..
.4,9
.
14,3
6,9 6,6
7,6
8,5
1955
..
10,4 13.4
9,4
7,8
12,6
10,9
1956
..
10,2
5,4 5,3
4,3
7,3
6,8
1957
..
–
0,2
–
3,0 6,3
4,2
9,9
1,4
Rijkspostspaarbank
Algemene Spaarban-
kn
………….
Boerenleenbanken
Utrecht
Boerenleenbanken
Eindhoven
Totaal
‘Opa11end is de mate, waarin de verschillende spaâr-
instellingen aan dé vorming van het spaarsaldo hebben
bijgedragen. De gezamenlijke boerenleenbanken vertonen
een positief spaarsaldo van f. 152 mln, de Rijkspost-
spaarbank en de Algemene Spaarbanken daarentegen een
negatief spaarsaldo van resp. f. 3 en f. 60 mln. Vergeleken
met
1956
is het spaarsaldo bij de Rijkspostspaarbank
gedaald met f. 176 mln. en bij de Algemene Spaarbanken
niet f. 161 mln., De boerenleenbanken van de groep Utrecht
zagel3 hun spaarsaldo in 1957 vergeleken met 1956 stijgen
met f. 2 jn1n,, terwijl bij de boerenleenbanken van de
groep Eindhoven het spaarsaldo met f. 28 mln, toenam.
tilt bovenstaande cijfers blijkt tevens, dat de relatieve
In dit verband
rijst
de vraag in hoeverre een afneming
van de. inlagen dan wel een toeneming van de terug-
betalingen tot de vermelde resultaten bij de verschillende
groepen van spaarinstellingen hebben geleid. In tabel 3
zijn. de inlagen en terugbetalingen bij dd verschillende
spaarinstellingen over de laatste drie jaren uitgedrukt. in
een percentage van het spaartegoed bij het begin van
elk jaar.
Opvallend is, dat bij alle spaarinstellingen een stijging
‘van de terugbetalingen is opgetreden. Deze stijging (uit
7
gedrukt in een percentage van het saldotegoed) is’ het
sterkst bij de Algemene Spaarbanken, nI. van 49 pCt. • in
1956 tot
55
pCt. in 1957 en het geringst bij cle Rijkspost-
352
1
1
J
S
TABEL 3.
inlagen en terugbetalingen bjj de verschillende
spaarinstellingen in procenten van het spaartegoed
R.P.S.
Alg
ban
.
Sken
paar-
Utrecht
in-
1
terug-
Eindhoven
in-
1
terug-
in-
1
teru
g
-1
in-.
1
terug- lagen
1
bét.
t
lagen
.
bet.ç
lagen
bet.
lagen
bet.
[955
…………
t
40
1
30
60
46
49
41
52
1
39
956
33 55
1
49 45
41
48
1
41 1957
………….
35
j
35
52
‘
55
48
44
56
1
46
spaarbank, ni. van 33 pCt. tot
35
pCt. De inlagen ver-
tonen een gevarieerd beeld. Bij de Rijkspostspaarbank
en de Algemene Spaarbanken trad een aanzienlijke daling
op. Bedroegen de inlagen bij de Rijkspostspaarbank in
1956 nog 43 pCt. van het saldotegoed, in 1957 was dit nog
slechts 35 pCt. Een daling dus van 8 pCt. Bij de Algemene
Spaarbanken daalden de inlagen van
55
pCt. tot 52 pCt.,
een daling derhalve van 3 pCt. De boerenleenbanken
daarentegen zagen ook hun inlagen uitgedrukt in procen-
ten van het spaartegoed toenemen. Bij de groep Utrecht
stegen de inlagen van 45 pCt. tot 48 pCt. en bij de groep
Eindhoven van 48 pCt. tot 56 pCt.
De verklâring van
–
de toéname van de inlagen bij de
boerenleenbanken in tegenstelling Lot de daling van de
inlagen bij de Rijkspostsparbank en de Algemene Spaar-
banken zal gedeeltelijk gezocht moeten worden in de
rentevergoeding. Gedurende het gehele verslagjaar bèdroeg
de voor dadelijk opvraagbare spâargelden vergoede rente
bij de boerenleenbanken van de groep Eindhovii 3 pCt.,
terwijl ook een groöt aantal boerenleenbariken van de
groep Utrecht dit – rentepercentage aanhielden of in de
loop van het jaar daartoe overingen. De Rijksjostspaar-
bank daarentegen handhaafde de spaarente tot loktober
op 2,40 pCt. om
daarna de sparrente te biengen ci
2,64 pCt. Het grootste deel .der Algemene Spaarbanken
vergoedde in 1957 een rente van 2,75 pCt.
Een tweede factor, die ongetwijfeld mede een rol heeft
gespeeld, is de krachtige propaganda geweest, die in het
bijzonder door de boerenleenbanken van de groep Eind-
hoven is gevoerd en die ertoe hèeft geleid, dat de boeren-
leenbank steeds meer beschouwd gaat worden als een
,,spaarbank voor iedereen”, waar dus ook niet-agrariërs
hun spaargeld kunnen brengen.
Op een andere belangrijke factor, die in het bijzonder
zal hebben gewerkt ten gunste van de boerenleenbanken
van de groep Eindhoven, dient in, dit verband nog te.
worden gewezen, t.w. de opneming in het niet-agrarische
produktieproces van velen, die tot voor kort van de land-
bouw afhankelijk waren. Bij vergelijking van de spaar-
resultaten van de verschillende groepen boerenleenbanken
dient voorts nog in aanmerking te worden gènomen, dat
de teleurstellende uitkomsten van de landboüw en vooral
van de- veeteelt zwaarder wegen in de landbouwkrediet-
Organisatie van Utrecht dan van Eindhoven, in welke
laatste organisatie de resultaten van de tuinbouw relatief
van grotere betekenis zijn. ‘ ‘ . –
De ontwikkeling van de- spaarvorming bij de boeren-
leenbanken heeft ertoe geleid, dat de geregelde daling,
die sinds 1953 is opgetreden in het procéntueel ‘aandeel
van het spaartegoed van de boerenleenbanken in het
totale , spaartegoed van alle spaarinstellingen, tot staan
is gekomen en dat genoemd aandeel weer is teruggebracht
op het peil van
1953:
TABEL 4.
Spaartegoed bjj de
–
Rjjkspostspaarbank; Algemene
Spaarbanken
e
S
tren
l
eei
b
an
k
en
(inclaief rente) –
–
1
………..
•
‘Inleg’erstegodd ‘(x ‘f. 1 mInI)
In procenten van
Jaar
–
,..
.
ultimo
.
Roeren-
–
.
– Boeren-
R.P.S.
s
gem.
leen-
Totaal R.P.S.
gern.
leen-
–
paar
banken
‘.”
paar . banken
19501.365
1.117
1.572 –
4.054.. – 33,7.
.27,5.,
38,8
1951
…
.’
J.298
1.104
1.581
3.983
32,6′
27,7
39,7
1952
1.338
1.188
1.715
4,241
–
31,6
28,0 .
40,4
1953
1.402
1.367.
1.874
4.643 – ,30,2
29,4 – 40,4
1954
1.503
1.603
2.046
5.152
29,2
31,1
39,7
1955
1.697
1.857
2.287
5.841 –
29,1
31,8.
39,1
1956
1.913
2.010
2.465
6.388,
30,0
31,4
38,6
1957
…..
, 1.957
2.002
2.689
6.648
29,4
30,1
405
In 1957 was het totali spaartegoed over de s,ir’ spaar
–
instellirtgen als volgt, verdeeld: Rijkspostspaarbank 29,4,
pCt. (30,0 pCt.), Algemene Spaarbanken 30,1 pCt. (31,4
pCt.), Boerenleenbanken 40,5. pCt. (38,6 pCt.). Het zou
niet juist zijn uit deze ontwikkeling te concluderen, dat de
uitkomsten van de agrarische bedrijven in het jaar 1957
gunstig zijn geweest. Eerder ligt het voor de hand te ver-
onderstellen, dat een aanzienlijk deel van de aan de boeren-
leenbanken toegevloeide spaargelden afkomstig is van
niet-agrariërs. De grote toeneming van het aantal spaar-
ders, nl. van 481.000 per ultimo 1956 tot 607.000
–
per –
ultimo 1957 bij de boerenleenbariken van de groep Eind- –
hoven wijst in deze richting. Ook de daling van het ge-
middeld tegoed per spaarbbekje bij deze boerenleenbanken,
nl. van f. 1.781 in 1956 tot f. 1.593 in 1957 spreekt voor
deze opvatting.
TABEL
5.
Spaarsaldi, inlagen en terugbetalingen van de
gezamenljjke spaarinstellingen
In miljoenen
In procenten van’ het saldo
guldens
per t januari
Spaarsaldo
Inlagen
Terugbetalingen
.1956
1
1957
1956
T
1957
1956
1
1957
januari
…………
..99,2
54,0
4,73
4,59
3,03
3,74
februari
………..
..87,3
41,0
3,98
3,95
2,48
3,30
maart
……………
28,9
-12,8
3,68
3,56 –
3,17
3,76
april
…………..
..2,3
-23,6
3,49
3,37
3,46
3,74
mei
……………
..65,7
33.4
4,79
4,38
3,66
3,86
juni
…………….
46,3
21,2
4,03
3,53
3,27
3,20
–
juli
……………..
46,5
39,9
4,09
4,29
3,30
3,67
augustus
………….
65,5
42,3
4,26
4,05
3,14
3,39
september
………..
9,4
. 4,8
3,52
3,43
3,36
3,35
oktober
………….
2,7 -25,4
3,71
3,57
3,67
3,96
november
……….
-3
..7,4 -60,4
3,45
3,73
4,08
4,70 –
december
………
..-20,0 -25,4
3,59
3,59
3,90
3.96
Totaal
…………. ..396,4
89,0
47,20
45,96
40,54 ‘ 44,61
Gemiddeld per maand
33,0
7,4
3,93
‘3,83
3,38
3,7•2
Uit deze cijfers blijkt, dat de inlagen, uitgedrukt als
percentage van het saldo per 1 januari, gedurende het
gehele eerste halfjaar 1957 lager waren dan in de overeen-
komstige periode in
1956.
Het tweede halfjaar vertoonde
enige verbetering, ‘daar de inlagen ‘in de maanden julien
november 1957 hoger en in december 1957 gelijk waren
aan de inlagen van de corresponderende maariden in
1956. Een zelfde beeld vertoonden de terugbetalingen.
Gedurende de eerste vijf maanden van 1957 waren ‘de
terugbetalingen hoger dan in het eerste halfjaar
1956.
Daarna trad enige verbetering op, daar in de maanden
juli en september’ 1957 de terugbetalingen procentueel
lager waren dan in dezelfde maanden van
1956.
Over het gehele jaar -genomen daalden de inlagen van
47,20 pCt. van het totale spaartegoed in 1956 tot
45,96
353
S
pct. in 1957. De terugl,etalingen stegen van 40,54 pCt.
•
traditionele levensgewoonten handhavn, d.w.z. de moderne
,-‘
van het totale spaartegoed in 1956 tot 44,61 jCt. m 1957.
consumptiegewoonten van de stedeling nog niet .over
–
De relatieve daling van de inlagen was in 1957 dus 1,24 pCt.
nemen, ligt hierin een aanzienlijke bron van nieuwe
‘.
(2,9 pCt.) en de relatieve stijging van de terugbetalingen
besparingen.
2
bedroeg in 1957 4,07 pCt. (1,3 pCt.). Hieruit
blijkt,
dat de
In deze ontwikkeling is voor een deel de verklaring
daling, van het spaarsaldo in 1957 in de eerste plaats ver-
gelegen van
de spaarvorming in de boerenleenbank-
–
oorzaakt werd door een relatieve stijging van de terug-
Organisatie van Eindhoven, die zo sterk de aandacht heeft
betalingen. Ongetwijfeld heeft hierbij de stijging van de
getrokken.
Daardoor wordt nog eens temeer onder-
rente
de kapitaalmarkt een rol gespeeld. De Nationale
streept het grote belang van een ruime spreiding van de
Woningbouwlening (6 pCt.) en de Rentespaarbrieven
verdere industrialisatie in ons land, alsmede om deze ont-
•
heb&n zeker vele miljoenen aan de spaarinsteffingen
wikkeling in de bested ingsbeperkin g niet alleen te ont
•
onttrokken.
i
zien, maar ook zoveel mogelijk met passende maatregelen
Willen de besparingen in voldoende mate
blijven
toe-
te begunstigen. Via de spaarvorming, die hieruit kan
vloeien om de noodzakelijke investeringen te financieren,
voortvloeien, ontstaat een kettingreactie, -die de welvaart ‘dan zal een politiek gericht op handhaving van de intrin-
in de desbetreffende gebieden zowel in de industriële als
sieke waarde van het ‘geld een eerste vereiste zijn. Dat in de agrarische sector bevordert, waarbij wat de land-
daârnaast extra stimulansen voor het sparen nodig zijn,
bouw betreft in het
bijzonder
kan worden gewezen op
teneinde daardoor zowel de overbesteding tegen te gaan
de grotere arbeidsproduktiviteit, die hiermede gepaard gaat.
”
als de voor een verdere industriële expansie noodzakelijke
Ook de maatschappelijke uitrusting ten plattelande, die
financieringsmiddelen te verkrijgen, is evident. Vrijstelling
mede op haar beurt de welvaartsontwikkeling stimuleert,
van inkomstenbelasting van rentebedragen op spaarboekjes
kan hierdoor worden bevorderd. Bij een blijvend gunstige
(bijv. tot f. 300 rente) alsmede premieëring van overheids-
ontwikkeling van de spaarvorming kan hierbij voor de
wege
van
bed rij fsspaarregelin gen
zouden
ongetwijfeld
boerenleenbanken een taak zijn gelegen, die in de aan-
werkame besparingsstimulansen opleveren..
vang van het lopende jaar bij de boerenleenbanken van
Ten slotte blijft het toestromen van nieuwe besparingen
de groep Eindhoven ertoe leidde, dat de mogelijkheden
echter afhankelijk van de spaarzin der bevolking. Zolang
voor krediet- en voorschotverlening der boerenleenbanken
deze behouden blijft, kan ook op verdere nieuwe spaar-
werden verruimd. Met name is van belang, dat de looptijd
v6rming gerekend worden. De betekenis daarvan blijkt
van de voorschotten werd verlengd van 20 tot 30 jaar,
uit de spaarresultaten van de boerenleenbanken van de
waarbij ook het beding werd aanvaard, dat gedurende de
groep Eindhoven. Zoals reeds hiervoor werd aangeduid,
eerste vijf jaar van de looptijd der lening deze niet van de
heeft de ontwikkeling ten plattelande en in de perïferie
zijde van de geldgeefster kan worden opgezegd. Hierdoor
van de provinciesteden, die gedeeltelijk tot het einde van
kunnen
de
boerenleenbankvoorschotten
ook
worden
1957 aanhield, meegebracht,
dat buiten de agrarische
ingeschakeld in de sector van de particuliere zgn. ge-
sector een passende en veelal ook aantrekkelijke werk-
premieerde
‘.voningbouw’ en
de
nieuwe
besparingen
gelegenheid kon worden geboden aan hen, wier mede-
worden ingezet op dit thans wel zeer bedreigde punt van
werking in land- en tuinbouw niet strikt nodig is. Zolang
de woningbouw in ons land.
deze
categorieën van
nieuwe niet
agrarische
werkers
Eindhoven.
Mr. Ph. C. M. VAN CAMPEN.
De betalingsbalâns over 1957
Op 17 april jl. heeft de Minister van Financiën aan
onrust in de maand augustus, een rol. Mede door de
de Voorzitter van de Tweede Kamer een nota aange-
reactie op deze gebeurtenissen trad in het laatste kwar-
boden, waarin een analyse wordt gegeven van de ont-
taal van 1957 een aanzienlijke verbetering in, die van
wikkeling van de betalingsbalans over
1957.
In het on-
zodanig aard was, dat de gehele tweede helft van 1957
S
derstaande willen wij de inhoud dezer nota, waarin ter
een overschot te zien gaf.
vêrgelijking ook de gegevens over 1955 en 1956 zijn
-opgenomen, samenvatten.
TABEL II.
,
De lopende rekening.
Ontwikkeling van de lopende rekening in 1956 en 1957
Zoals tabel 1 op blz. 356 en 357 doet zien vertoonde
(in mln, guldens)
de lopende rekening in 1957 op kasbasis
–
tenzij anders
1956
1957
vermeld zijn alle gegevens op kasbasis
–
een tekort
le h.j.
2e h.j.
le h.j.
2e h.j.
van f. 342 mln., hetgeen een verbetering inhoudt met
Invoeruitaven
………………..’
6.150 6.844
6.932 6.797
f.231 mln. ten opzichte van het jaar tevoren. Aanvan-
5.
0
58
5.469
5.452 5.908
–
–
.
kelijk liet de ontwikkeling in 1957 zich zeer ongunstig
Uitvoerontvangsten
………………
ao goederenverkeer…… ::::: T’
T
1
‘
T
T
889
•
aanzien.
Het tekort over het eerste halfjaar. was
nl.,
Saldo lopende rekening
…………..
150
“3
“i
+
105
naar tabel III doet zien, veel groter dan dat over de
eerste helft van 1956. Ook de resultaten over het derde
Uit de tabellen kan worden afgeleid, dat de verbete-
kwartaal 1957 waren zeer ‘ongunstig. Hierbij speelden
ring ten opzichte van 1956 moet worden toegeschreven
echter nadelige invloeden, samenhangend met de valuta-
aan een vermindering van het goedereninvoersaldo en
354
‘-
•,
r
‘
S.
-.
,-.
••
.,
-.
1955
1956
1957
+497 +109
+429
—239
+ 93
—159 —157 —145
—112
—168 —138
+
11
–
84
—168
+161
+ 35
+
Is
+
6
+135
–
85
+146
+ 19
1
—319
1
+482
– 66 – 80
—193 –
– ‘+100
– 66 – 72
—5 +
5
– 27 – 64
+
19 + 38
338 1 – 73
—110
+
461
–
-.
73
+
22
– 31
+
269
.
,
1.
an een toeneming van het positieve saldo van het ove-
rige.lopendeverkeer. De vooruitgang van het eerste op
het tweede halfjaar werd daarentegen geheel veroor-
zaakt door een vermindering van het invoersaldo: de
opbrengst van het overig lopend verkeer gaf ni. een
kleine achteruitgang te zien. De verbetering van het
invoersaldo van 1956 op 1957 vloeit voort uit het feit,
dat de uitvoerontvangsten iets sterker stegen dan de uit-
gaven uit hoofde van invoer; de verbetering van het
eerste op het tweede halfjaar vond plaats, doordat de
invoer daalde en de uitvoer steeg.
Beziet’ men de ontwikkeling van in- en uitvoer op wat
langere termijn, dan kan worden vastgesteld, dat door
de daling van de invoer in de tweede helft van 1957
aan een langdurige onderbroken stijging een einde kwam.
Deze voor een deel trendmatige stijging werd in 1956 en
begin 1957 nog versterkt door de excessieve binnen-
landse vraag. Ook’ de uitvoer vertoont op langere ter-
mijn een trendmatige stijging en de ontwikkeling in de
tweede helft van 1957 past geheel in dit patroon. Hoog-
uit kan men stellen, dat, de uitvoerstijging in 1956 en
het eerste semester van 1957 de remmende invloed on-
derging van de zuigkracht van de grote binnenlandse
vraag. Uit deze gezichtshoek bezien. moet men,
,
aldus
de nota, de invoerdaling als de belangrijkste oorzaak be-
schouwen vodr de vermindering van het invoersaldo.
Daarnaast hebben prijsverschuivingen het hunne tot de
verbetering van de betalingsbalans gedurende het tweede
halfjaar van 1957 bijgedragen. In deze periode daalde
het invoerprijspeil met ca. 2 pCt., terwijl het uitvoer-
prijspeil met ca. 1 pCt. steeg. Het effect van deze ver-
betering van de ruilvoet – van 1956 op 1957 trad een
achteruitgang van de ruilvoet op – op de mutatie in het
saldo van de betalingsbalans van het eerste op het tweede
halfjaar kan worden gesteld op ongeveer f. 200 mln.
De totale rekening.
Zoals bekend, omvat deotale rekeniig van de beta-
lingsbalans, naast het saldo van de lopende rekening,
het kapitaalverkeer en als resultante van deze beide de
mutaties in de deviezenvoorraad. Zoals uit tabel 1 kan
worden opgemaakt, vertoonde het kapitaalverkeer het
bijzonder grote overschot van f. 751 mln. Van dit be-
drag valt f. 482 mln, toe aan de particiliere sector en
f. 269 mln. aan de Overheid. Onderstaande tabel geeft
van deze bedragen een nadere specificatie.
TABEL II!.
Samenstelling van het kapitaalverkeer niet het buitenland
(in mln, guldens)
Particulier kapitaal:
Transacties in binnenlandse effecten a) Transacties in buitenlandse effecten a)
Directe investeringen
………………..
Kredieten op lange termijn
…………..
Kredieten op korte termijn
…………..
Eenzijdige kapitaaloverdrachten
……….
Overig particulier kapitaal
Totaal
Overheidskapitaal:
Normale schuldafiossing
Vervroegde schuldafiossing
Kortlopende kredieten van buitenlandse fin.
instellingen
Eenzijdige kapitaaloverdrachten
………
M.S.A.-hulp
Consolidatie van vorderingen Uit hoofde van
betalingsakkoorden Overig overheidskapitaal
Totaal
a) Inclusief lossingen.
Het reslutaai van het particuliere kapitaalverkeer blijk’t
ca. f. 800 mln. gunstiger te zijn dan in
1956.
Het totale
effectenverkeer heeft slechts in geringe mate tot deze,
ontwikkeling bijgedragen. Van meer betekenis in dezen
waren de kredieten op lange en korte termijn en de
mutatie in de post ,,overig particulier kapitaal”. Deze
gang van zaken houdt, voor een belangrijk deel verbahd
-met de relatieve ontwikkeling van de binnenlandse en
buitenlandse geld- en kapitaalmarkten, waarbij met name
de zich in Nederland bijzonder sterk .manifesterende
schaarste een belangrijke rol speelde. Het overschot in
de overheidssector werd geheel veroorzaakt door het
onderbrengen van schatkistpapier bij het 1. M. F: en de
,,Deutsche Bank” tot een bedrag van f. 461 mln.
Doordat het overschot op de kapitaalrekening’ het
tekort op de lopende rekening ruimschoots compenseer-
de, nam de totale goud- en deviezenvoorraad van De
Nederlandsche Bank en de deviezenbanken, die in
1956
•’
met f.
965
mln. ‘was gedaald, toe met f. 409 mln. Zon-
der de plaatsing van’ schatkistpapier in het buitenland
zou in 1957 een geringe daling der reserves zijn op-
getreden. De aanwas van de goud- en deviezenreserves
–
–
van De Nederlandsche Bank ad. f. 67 mln, kwam geheel
in het laatste kv.’artaal 1957 tot stand – tegenover een
daling van resp. ruim f. 170 en f.
435
mln, in het eerste
halfjaar en het derde kwartaal stond ni. een stijging van’
ruim f. 670 mln, in het vierde kwartaal -, die van de ‘
deviezenbanken ad f. 342 mln, geheel in het tweede –
halfjaar
1957.
Ondanks de grote stijging van de voor-
raad goud en deviezen heeft de voorraad goud en
con-
vertibele
deviezen over 1957 nog een daling ondergaan.
Kwalitatief zijn onze reserves derhalve achteruitgegaan
Deze achteruitgang manifesteert zich ook in de goud- en
deviezenvoorraad van De Nederlandsche Bank alleen
:
TABEL IV.
Samenstelling van de goud- en deviezenreserves
van De Nedelandsche Bank
4
(in mln, guldens)
.
31 dec, 30juni 31 dec,
1956
1957
1957
Totale goud- en deviezenreserves a)
3.874
3.715
3.950
waarvan: goud
…………………….
3.192
3.050
2.812
convertibele deviezen
………..
–
160
186
450
Goud- en convertibele deviezen in pCt. van de
t
totale goud- en deviezenvoorraad
………
86,5
87,1
82,6
a) Excl, geconsolideerde vorderingen.
Slotopmerkingen.
‘
In zijn slotbeschouwing wijst de Minister ‘erop, dat de
aanzienlijke tekorien, welke na 1955 op de lopende’
rekening moesten worden geregistreerd, een duidelijk’ ”
symtpoom vormden van het feit, dat de bestedingen de
produktie overtroffen. De omslag in de laatste maanden
van 1957 ziet hij als een weerspiegeling van het feit,
dat de verhouding tussen ,beide grootheden weer in gun-
tige zin is gewijzigd. Daar, absoluut gezien, de nationlile
produktie eerder is gedaald dan gestegen, zal de oor- –
zaak van de geconstateerde ontwikkeling in het bijzonder
in een teruglopen der bestedingen moeten” worden gè-
zocht. De Minister betoogt, dat het particuliere verbruik,
de overheidsbestedingen en investeringen in vaste activa
van het bedrijfsleven, tezamen genomen, een ombuiging- ‘
naar beneden te zien geven, maar dat deze ombuiging
echter slechts voor een deel tot de krachtige en snellé
betalingsbalansomsiag in de laatste maanden ‘van 1957
355.
TABEL 1.
BETALINGSBALA
Samenvatting van de d’oor De Nederlands
(inmi1jo
–
–
-.
Ontvangsten
–
Totaal
Goud er coivertibele
.__.
E.B.U.-valuta’s
Overige valuta’s
1955
1956
1957
1955
1956.
1957
1955
1956
1957
1955
1956
1
1957
Lopende rekening
Goederenuitvoer
……………………….
9.524
10.527
11.360 929 998 1.126
7.621
8.531
9.225
974
998
1.009
2.892
3.074
3.349
591
542
509
2.250 2.475
2.709
51
57
131
Coupons,
dividenden en andere kapitaalop-
733
.
701
847
158
170
176 368
407
531
207
124
140
Particulier dienstenverkeer
……………..
brengsten
……………………………
Niet gerubriceerde kleine betalingen
—
77
75
–
11
11
—
41
38
—
25,
26
13.149 14.379
15.631
1.678
1.721:
1.822
10.239
11.454
12.503
1.232
1.204
1.306
Totale rekening
–
Overschot of tekort (—) op lopende rekening
304
—
573
–
342
–
599
—
859
–
883
844
362 615
1
59
–
76
–
74
19
—319
482 522
90
553
—457
—312
–
32
—
46
—
97
–
39
Amerikaanse regeringsachenkingen
……….
5 5
— —
5 5
,
—
—
-_
–
–
— —
Particulier kapitaalverkeer
………………
Deviezenomzettingen
………………….
— —
–
378.
382e
111
—411
–‘ 622
—428
33
240
317
Krediet Int. Monetair Fonds
…………..
—
..
—
261
–
-.
261
–
—
– —
— —
–
318
..
—887
401
296
—382
42
.–
24
—572
155
46
1
67
204
1957 voorlopige cijfers.
De groep der convèrtibele valuta’s Omvat U.S.-dollars, Canadese dollars, Vrije Zwitserse franken en vrije guldens.
heeft bijgedragen.’De ,belangrijkste oorzaak is volgens
de Minister gelegen’ bij een achteruitgang van de voor-
raadaëcui’iulâtie. Ge’ziei ‘de relatief hoge invoeiquote
van de voorraadvorming kan van een zodanige terug-
gang een duidelijke verbetering van de lopende rekening
het gevolg zijn.
Voor zover van een abnormaal laag niveau van voor,
raadvorming sprake zou zijn geweest als reactie op een
bijzonder grote aanwas in het verleden kan de daarmede
samenhangende verbetering van de betalingsbalans maar
van kortstondige aard zijn. Voorts wijst de Minister op
het verband tussen voorraaçlmutaties en het beloop der
nationale produktie. In de mate, waarin het lage niveau
van voorraadvorming zou samenhangen met het verdwij-
nen van hét accres der nationale produktie, ligt ook hier-
in een element van tijdelijkheid. Een blijvende verbete-
ring is echter vereist, opdat op langere termijn gezien
het structureel noodzakelijke overschot op de lopende re-
kening van gemiddeld een half miljard gulden per jaar
‘kan worden verwezenlijkt.
De situâtie overziende meent de Minister ,,als zijn oor-
‘.deel” te kunnen uitspreken,.dat het jaar 1957, hoewel het
in zijn geheel gezien uit betalingsbalansoogpunt bepaald
als slecht moét worden gekwalificeerd, toch het gunstige
faceti van een begin
:van
herstel te zien heeft gegeven.
Aangenomen mag worden, dat dit herstel zich in de eer-
ste maanden van
1958
heeft voortgezet. Anderzijds is
op verschillende gronden een waarschuwing op haar
plaats, de werkelijke betekenis van de omslag niet te
overschatten. De externe positie blijft de aandacht vra-
gen. Dit brengt in de eerste plaats mede, dat ten aan-
zien van de verdere ontwikkeling van de binnenlandse
bestedingen voorzichtigheid geboden blijft. Duidelijk
treedt voorts tegen deze achtergrond de centrale plaats
van de exportontwikkeling naar voren. Iseen stijgende
export voor ons ‘land sructuree1 reeds een onmisbare
voorwaarde voor een verdere ontplooiing van onze eco-
nomie; onder de huidige omstandigheden is’ een tpene-
mende uitvoer ‘wel in het bijzonder noodzakelijk. De
daarmede gepaard ‘ gaande ‘betalingsbalansverbetering
schept de mogelijkheid, voor het, voeren van een meer
flexibel binnenlands beleid, mede strekkende tot hand-
having van
eçn
bevredigend niveau, van werkgelegen-
heid”. Aldusde Minister. .
ÉES
EM
!
G
Centraal Bureau voor de Statistiek: Indicatoren van de eco
nomische toestaed. Toelichting op een aantal statistische
reeksen.
Uitgeverij ‘W:de Haan N.V;, Zeist 1957,
36 blz:,’f. 3,20.
Er is reeds vele jaren een sterk stijgende t
m
rend in de pro-
duktie er de consuptie van statistieken betreffende de
economische ontwikkeling van Nederland. Wetenschap,
bedrijfsleven eji overheid bseren zich voor ‘economische
beschrijving en analyse,, en • voor de bepaling van econo-
inische politiek in toenemende mate op statistische ‘ge-‘
gevens. ‘Dit verschijnsel is ongetwijfeld verheugend; omdat
het beschouwd kan
1
worden als- een streven naar realis-
tisch, d.i. kwantitatief gefundeerd, denken en handelen.
De groei en verfijning van de statistische informatie
schept echter ook problemen. Het begrijpen en beoordelen
1
van statistische gegevens wordt voor de grote groep van
gebruikers die geen statistici zijn steeds moeilijker, en g&-
vaarlijker. ,Zonder een .nauwkeurige kennis van wat de
cijfers pretenderen uit te drukken en op welke wijze zij zijn
samengesteld is.het, immers niet rnogelijkhiervan een ver-
antwoord gebruik te maken. -.
De. naamgeving van statistische
,
reeksen is om verschil-
lende redenen meestal een. onvoldoende ,aanduiding van
de aard en ,,berekeningswijze der gemeten verschijnselen.
Sommige begrippen die in het spraakgebruik een ondubbel-
zinnige inhoud schijnen te hebben, blijken bij nadere be
;
schouwing allerminst eenvoudig te definiëren (vgl. het
begrip woning). Andere termen zijn ontleend aan de econo-
mische theori en’ hebben daar een specifieke betekenis
die aan velen niet bekend is. Verder hebben tal van ver-
356
.’•
,”” .
N.NEDERLAND.
nk geregistreerde bta1ingen a)
dens)
–
Totaal
•
Goudncnvertibele
vatias b)
E.B.U.-valuta’s
Overige valuta’s
Uitgaven
1955
1956
1
1956 1957
1955 1956
1957
11.298
12.994
13.729
2.027 2.287
2.320
8.302
9.645
10.358
969
1062′
1.051
Dienstenverkeer:
/
.,
/
‘
1.110
1.357 1.499
145 138 162
881
1.121
1.169
84
98
168
22
60 60
–
49
–
38
–
23
44
69
39
27
–
29
44
Coupons, dividenden en andere kapitaalop-
Goederenjnvoer
.
……………………….
415 455
605
154
187
238
168
192
265
93
76
102
particulier
………………………….
Overheid (netto)
……………………
Niet gerubriceerde kleine betalingen
–
86
80
–
6
8
–
65 57
–
15
15
304
—573
—342
—599 —859 —883
844
362 615
59
–
76
–
74
13.149
14.379
15.631
1.678
1.721
1.822
–
10.239
11.454
12.503
1.232
1.204
1.306
Saldo
(tekort—)
……………………….
Aflossing op ontvangen langlopende overheids-
kredieten
…………………………..
259
80
110
258
80
110
1
–
–
– –
–
brengsten
…………………………..
Overig overheidskapitaal en overheidsbijdragen
47
–
66
–
96
–
–
123
16
–
3
–
16
—206
50
73
94
Geconsolideerde vorderingen voortvloeiend uit
27
64
–
22
– –
-.
–
–
27
64
–
22
Vermeerdering of vermindering (—) van:
betalingsakkoorden
……………………
262
79
—379
262
–
79
—379
—
b.
deviezenvoorraad Nederlandsche Bank
255
708
.
446
—208 —408
.
295
—
54
—268
122
7
–
32
29
a.
goudvoorraad
……………………..
deviezersvoorraad deviezenbanken
–
22
178
f
342
–
16
148
–
32
—288
239
—38
–
38
103
318
887
401
296
—382
42
—
24
—572
155
46
67
1
204
–
schij-nselen een meerdimensionaal karakter: zij zijn uit
verschillende onafhankelijke componenten samengesteld.
Dit vereist het gebruik van statistische technieken, index-
cijfers, waarvan ,niet ‘iedere gebruiker de geheimen kent.
Ten slotte doet zich vaak de noodzaak voor om zich aan
te passen bij beschikbare statistische gegevens of aan te
sluiten bi,j internationale afspraken.
Teneinde de argeloze gebriiiker van statistieken, en wie
is dit niet, ënigszins behulpzaam te zijn bij het raadplegen
van statistische gegevens, heeft het
C.B.S.
een publikatie
samengesteld die beoogt een toelichting te geven op een
aantal belangrijke reeksen die door dit Bureau regelmatig
als indicatoren van het economisch leven worden gepubli-
ceerd. De publikatie geeft een omschrijving van een groot
aantal begrippen en vermeldt tevçns de wijze waarop de
cijfers werden samengesteld. Daarnaast zijn ook de cijfer-
reeksen zelf opgenomen.
De reeksen die worden besproken betreffen de belang-
rijkste economische totalen (het nationale inkomen ën zijn
componenten), de overheidsfinanciën,’ de betalihgsbalans,
produktie-indices, werkgelegenheid en lonen, prijzen, geld-
en kapitaalmarkt, bevolking en kapitaalgoederen; ‘De toè-
lichting is helder en zakelijk gesteld. Zij beperkt zich tot
de hoofdzaken; voor technische details wordt verwezen
naar andere C.B.S.-uitgaven.
Naar onze mening heeft het C.B.S. met deze uitgave zijn
grote consumentenkring, en daaimede Sp indirebte wijze
zichzelf en de statistiek in het algemeen, een goede. dienst
bewezen. Een uitbreiding van deze publikatie, in de’vorm
van een toelichting op de reëksen die in het ,,Maandschrift”
van het C.B.S. worden opgenomen, zou daarom alle aan-
beveling verdienen. Daarbij ware dan tevens een aanduiding
te geven van de onzekerheidsmarges van de belangrijkste
reeksen.
Schiedam
‘H.’ C. BOS.
Referer aan annonces in
De geidmarkt.
Op de geldmarkt heerste de afgelopen week een on-
bezorgde stemming. Verwonderlijk was dit niet; daar
voor, het eerst sinds verscheidene weken de meeste markt-
partijen vrij ruim in hun middelen zaten.
De banken hadden op 21 april een tegoed bij ‘de Centrale
Bank van ca. f. 400 mln. Daar laatstgenoemde instelling
voor de nieuwe periode 22 april t/m 21 mei-het minimum-
kasreservepercentage ongewijzigd op 6 pCt. vaststelde,
overeenkomende met een totale kasreserve van ca.
f.
‘300
mln, hadden zij derhalve circa f. 100 mln. vrij.beschikbaar.
Hierbij kwam op
25
april nog het gedeelte van de kwartaal-
betaling van het Rijk aan de gemeenten, dat voorlopig
bij ‘het bankwezen terechtkwam.
– Het Rijk zat er met een tegoed van f. 524 mln. bij De
Nederlandsche Bank uit liquiditeitsoogpunt evenmin
slecht voor. Van dit tegoed moest weliswaar de uitkering
aande gemeenten ad ca. f. 250 mln, nog af, en bovendien
nog enige zware betalingen op 1 mei wegens rente en
aflossingen, doch anderzijds leefde de Schatkist in hoop-
volle verwachting van grote öpbrengsten van de verkoop
van nieuw schatkistpapier. Met de verkoop van driemaands-
promessen over de toonbank door de Agent, die ook de
afgelopen week openstond, was het inmiddels maar
minnetjes gesteld; de aspirant kopers vonden kennelijk
noch de termijn, noch het disconto (3 pCt.) zeer aan-
lokkelijk. Alle hoop is echter gevestigd op de a.s. tender
op 6-, 9- en 12-maandspromessen die 28 april wordt
gehoudén; in marktkringen acht men het inderdaad niet
onwaarschijnlijk, dat deze enige honderden miljoenen
zal opbrengen. –
Een symptoom van de verruiming vormde de afgelopen
week de verlaging van de caligeidrente van 3 pCt. (waarop zij
3 april gebracht was) tot
2
pCt. Met deze verlaging werd
ongetwijfeld een hartewens vervuld van de makelaars, die
niet caligeld hun schatkistportefeuille moeten financieren.
357
/
,1
-l•,
–
Een symptoom van algemene monetaire ontspanning
– vormde de afschaffing door De Nederlandsche Bank van
haar in september 1957 getrffen maatregelen ter beperking
van de kredietverlening aan de particuliere sector. De
kredietbeperking voor de lagere overheid blijft echter ten
volle “gehandhaafd, hetgen in overeenstemming is met
het feit, dat in het jongste jaarverslag van de Centrale
Bank de gemeenten nog eens met alle nadruk worden
aangewezen als
de
boosdoeners, die voor de infiatoire
ontwikkeling in 1957 verantwoordelijk waren.
De kapitaalmarkt.
‘
In Wallstreet brak gedurende de verslagweek de lentezon
. • in volle kracht door. Hoewel verschillende grote onder-
,!; nemingen zeer scherpe winstdalingen en aanzienlijke
dividendverlagingen over het eerste kwartaal 1958 publi-
/ ceerden, stegen de koersen als ware President Eisenhower
er reeds in geslaagd, om de depressie uit de wereld te praten.
Dit optimisme strekte zich ook uit tot de op het Damrak
•
verhandelde internationals, in de eerste plaats dus aan-
delen Koninklijke. Aandelen Philips – welk fonds op
– weg is een belangrijk Europees aandeel te worden –
ondergingen daarnaast de invloed van Duitse aankopen,
verband houdend met de komende introductie van dit
– fonds op de Duitse beurzen. Aandelen Unilever $ielen in
•
dit opgewekte gezelschap enigszins uit de toon in verband
met de botermaatregelen van de Nederlandse Regering.
De enorme omvangvan de uitverkoop naar het buiten-
—
land van de grote (voorheen) Nederlandse internationale
aandelen wordt nog eens duidelijk geïllustreerd door de
jongste betalingsbalanscijfers. In de jaren 1954 t/m 1957
bedroeg de ,;verkoop van binnenlandse effecten aan niet
ingezetenen” achtereenvolgens 447, 497, 109 en 429 mln.
gulden. ‘De Nederlandsche Bank, die deze uitverkoop
vorige jaren met droge. ogen had ‘aangezien, vermeldt in
haar zojuist verschenen jaarverslag dat de omvang van
deze verkopen – waarniede in vijf jaar tijds reeds een
bedrag van
bijna
f. 1.600 mln, was gemoeid – ,,allengs
aanleiding geeft tot enige ongerustheid”.
Op de obligatiemarkt bleef het een va et vient van
emissies. De Overzeese Gas- en Electriclteit Maatschappij
emitteerde f. 6 mln. 15-jarige obligaties â 99 pCt. Voorts
kondigde de Export-Financiering-Maatschappij de uit-
gifte aan van f. 25 mln.
5
pCt. 15-jarige obligaties â 984
pCt. Het rendement hierop is ca.
1/5
pCt. lager dan dat
op een even grote emissie de vorige week van
54
pCt.
obligaties â 99 pCt. door deze maatschappij. Blijkbaar
huldigt deze de Oud-Hollandse stelregel: ,,Wie het kleine
niet eert, is het grote niet weerd”.
Aand.
indexciJfers
A.N.1′.-C.B.S
11 april
18 april 25 april
(1953
=
100)
1958
1958
1958
Algemeen
………………………………
183 185 189
Internat.
concerns
…………………
261
265 272
Industrie
………………………………
136 137 135
Scheepvaart
…………………………
122
122 124
Banken
…………………………………
113
112
115
•
Indon,
aand.
………………………….
69
71 72
.
rei
sbureau
voorrekenen
0
en
Is
goedkoper
/
ieg
“
M
u
denkt!
don
YMN
:1
358
L$w A
R
–
t
t
-‘
S
–
S
–
‘
S’•
.
.
1958
1958
1958
.-
11april 18 april 25 april
Aandelen
11 april 18 april 25 april
Diverse
obligaties
1958
1958
1958
Kon. Ptroleum
……………………
f 153,10 f.157,60 f.165,—
3% pCt. Gem. R’da.m 1937 VI
92
91½
91
Unilever
………………………………
329%
335
331%*
3% pCt. Bk.v.Ned.Gem.1954111111
84½
85
85
‘
Philips
265
265%* 275
3% pOt. Nederi. Spoorwegen
91
90½
90%
A.Ic.0. …………………………………
173
170
1
/4
174½
3% pOt. Philips 1948
………………
94%
93v/s
94,
Kon. N. Hoogovens
………………
275
276
290
3% pCt. Westi. Hyp. Bank
84%
851%.
85%
Van Gelder Zn . ………………………
178
173
1
/1
175%
6
pCt. Nat. Woningb.len. 1957
108%
108
108
H.A.L. ……………………… . ………..
132%
130
1
/2
135%
New York
t
Amsterd. Bank
……………………….
206
205%
208
Aandelenkoersgemiddelde
H.V.A.
…………………………………
92%
92
3
4
94
Dow Jones Indust,rials
…………
441
445
455
) exd.
J. C. BREZET’
Staatsfondsen
2% pCt. N.WS
……………………60%
59%
59
3
/4
–
3½ pCt. 1947
…………………………
91%
914ff
91%
Leeft met Uw tqd mee!
–
3% pCt. 1955 1
………………………87%
87%
88
–
3’pCt. Grootboek 1946
……………
87½
87%
87%
Leest de
.- .
.
3 pCt. Dollarlening
………………
91
93
93%
N.V. EXPORT-FINANCIERING-MAATSCHAPPIJ
gevestigd te ‘s-Gravenliage.
.
. ..
Uitgifte
van
t
flf1At’flA
1! 0! 1
•
LI•
•••
‘
nom.
.
.
uw.w
‘4
10
•
–
jaruge ou.igatien,
S
(5
1
1
4
0
/0
obligatielening 1958)
.
in stukken van nominaal f. 1.000.- aan toonder
tot cle koers van
98
1
12
pCt.
.
.
De lening is & pari aflosbaar in de jaren 1964 tot en met 1973, telkenjare op 15 Mei, en wel in 10 jaarlijkse
termijnen, elk groot f. 2.500.000.-.
Vervroegde algehele of gedeeltelijke aflossing is vôôr 15 Mei 1969 niet toegestaan; op of na die datum
-‘
gedurende de resterende looptijd der lening â 101%, met dien verstande, dat de vervroegde aflossing steeds..
zal plaatsvinden op een aflossingsverschijndag.
.
‘Ondergetekenden berichten, dat de inschrijving op bovengenoemde uitgifte is opengesteld op
S
Dinsdag, 6 Mei 1958,
. -.
van des voorm.iddags 9 tot des namiddags 4 uur,
bij hare kantoren te
Amsterdam, Rotterdam
en
‘s-Graven.hage,
voor zover aldaar gevestigd, op d
.
voorwaarden van het prospectus van uitgifte d.d. 25 April 1958.
‘, r
Exemplaren van het prospectus, inschrijvingsbiljetten en afdrukken der Trustacte, alsmede – tot ‘een
-:
beperkt aantal – exemplaren der statuten en van het laatste jaarverslag zijn bij bovengenoemde kantoren’,
1.
verkrijgbaar.
.
Amsterdam , 25 April 1958.
s.
Rotterdam
..
S
AMSTÈRDAMSCHE BANK N.V.
DE TWENTSCHE BANK N.V.
HOLLANOSCHE BANK-UNIE N.V.
,
INCASSO-BANK N.V.
R. MEES
&
ZOONEN
–
S
S’
“•
•
.
‘ NATIONALE HANDELSBAI!K N.V.
NEDERLANDSCHE HANDEL-MAATSCHAPPIJ, N.V.
S
ROTTERDAMSCHE BANK N.V.
–
.
5
.1..’
S
359,:
.-
S
–
,
‘S’
l•
–
/’
t-.’,
.5
•
(.
.5
,
S
–
..
–
–
De NHM
voor uw Euromarktzaken
Het Nederlandse
j
bedrijfsleven heeft behoefte
aan een goede voorlichting
.
over de Euromarkt en de
ti&
1I
Vrijhandelszone. De Nederlandsche Handel-
Maatschapij, die hiertoe een ,,Werkgroep
.
Economische Integratie” heeft gevormd, kan
daarin voorzien. Belanghebbende bedrijven kunnen
hun problemn aan deze werkgroep voorleggen.
Aan het begin van een tijdperk, waarin belangrijke economische
veranderingen zich zullen voltrekken, is het nuttig een bank te
hebben, die met haar tijd meegaat en het apparaat heeft om haar
dienten ook bij hun Euromarktzaken van dienst te zijn.
De NHM uw ban1 in een groeiend Europa
Nederlandsche HandeIMaatschappij, N.V.
Hoofdkantoor: Amsterdam, Vijzeistraat 32