AU TEURSREHT VOORBEHOUDEN
Economisch,-rStatistische
Berichten
ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL: NIJVERHEID, FINANCIËN
EN VERKEER
UITGAVE VN HET NEDERLANDSH EONOMISCI-1 INSTITUUT
35E
JAARGANG
WOENSDAG 25 OCTOBER 1950
No, 1746
COMMiSSIE VAN REDACTIE:
Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen;
F. de Vries; C. van den Berg (secretaris).
– Redacteur-Secretaris: A. de Wit.
Assistent-Redacteur: J. H. Zoon.
COMMISSIE VAN ADVIES VOOR
BELGIË:
J. E. Mertens; R. Miry; J. van Tichelen; R. Vandeputte;
F. Versichelen.
Gegevens over adressen, abonnementen enz. op de laatste
bladzijde van dit nummer.
INHOUD:
Blz.
De
artikelen
van
deze week
………………..
851
ommaire, summarieS
…………………….
851
Premieregeling Wningbouw.1950
door W. de Ridder
852
Problemen der visvoorziening
door A. G. U. Hilde
brandt
.
……………………….
………..
855
15e weekstaten van De Nederlandsche Bank
door
C.
D.
Jongnzan
…… . ………… . ………..
859′
Internationale
notities:
Do
Amerikaan
en
zijn
auto
……………………
863
De nieuwe invoercontrôlemaatregelen in
Zuid-Afrika
863
Het
woreldautopark
…………………………..
864
Het bazonprobloern
……………………………
864
Geld-
en
kapitaalmarkt
……………………
865
Statistieken:
–
Bankstaten
………………………………..
866
Werkloosheid in
België
…………………………
866
Stand van
‘s Rijks Kas
…………………………
866
Enige Indoxcijters van do Industriële productie in België
866
Inleggingen en terugbetalingen op particuliere epaarboekjes
bij do Algemene Spaar- on Lijirontekas in België
867
In.
en uitvoer van België
……………………….
867
De
kolonpositio
van
België
……………………..
867
Tinprotluctio
…………………………………..
867
PriJsindexcijters van het gezinsverbruik in Nederland
…
867
Aan- en verkopen van tarwe ea tarwemeel door, im- en
exporterende
landen
……………………….
868
Schatting van do Europese tarwe-oogst
……………..
.
-868
DEZER DAGEN
herdenking van het vijfjarig bestaan van de organisatie
van de Verenigde Naties. Eén lustrum is een lange tijd
voor een lichaam, waar de hevigste koortsaanvallen op
onberekenbare tijdstippen maar telkenmale zijn weerge-
keerd. Juist is geprobeerd het weerstands’sermogen door
nieuwe organisatorische middelen op te voeren. Het blijft
triest, dat het paardenmiddel van het antwoord in Korea
tot nog toe het meest werkzame is gebleken.
Het algemene beven is iets afgenomen, doch de oorzaken
blijven. Zo ook de gevolgen. De Nederlandse begroting
vertoont een tekort van f 257 inillioen; de verhoging van
het tekort kan worden toegeschreven aan het aandeel in
de bij internationaal overleg aanvaarde defensieplichten.
‘Met zijn rug tegen deze muur verdedigt de Minister van Fi-
nanciën de door hem gedane belastingvoorstelieri, waarbij
de amendementen op hem afvliegen als sneeuwballen.
Projectielen die over het algenieen niet treffen.
In dezelfde houding heeft de economisch adviseur van
President Truman, Symiogtbn, de Amerikanen voorge-
houden, dat ondanks het beloop in Korea, consumptie-;èn
credietbeperking, ja zelfs langere werktijden nodig zullen
zijn. Het moeilijkste deel van elke wedijver is begonnen:
het scherp houden van het moreel van de ploeg, die meent
Ifi
‘t begin de winst binnen te hebben.
Hoeveel het vergt van degenen, die zichzelf bereid
houden om hierin verantwoordelijkheid te dragen, is ge-
bleken uit het door ziekte gedwongen aftreden van de
Britse Minister van Financiën en Economische Zaken, Sir
Stafford Cripps. De zoveelste man, die naar wil en werk
van staal leek, heeft zich in ‘s lands dienst gesloopt. Het
,,bene méritus de patria” wordt thans van alle zijden
vernomen; als men over de harde, patriarchale, oud-Ro-
meinse deugden beschikt, is dit wellicht de hoogste beloning.
Aan hun beloning zijn nog niet diegenen toe, die door-
werken aan de verwezenlijking van het Schilman-plan over
een supra-nationaal lichaam voor de Europese ijzer- en staal-
industrie. Volgens de ,,New York Herald Tribune” van 21
October j .1. ligt een struikelblokin de organisatievorm van de
Duitse industrie, die tegenover het nieuwe lichaam als een
eenheid wil’optredn. Tegelijk werd bekend, dat de Hoge
Commissarissen aan de Regering te Bonn hebben gevraagd
spoedig tot wetgeving ter ontbinding en bestrijding van kartels te komen. Zal dit kunnen? On revient toujours a
ses premières amours.
Zo is het ook met de pogingen om het de Grote Vijf
eerst met elkaar eens te laten worden. Weder heeft men besloten tot een gezamenlijk gesprek. Drie jaar geleden
ware dit wellicht de gebeurtenis van de week geweest.
Thans staat het er mee als met de opgravingen, die worden
verricht naar ontbrekende delen van het beroemde beeld
van de Overwinningsgodin van Samothrace: men heeft
tot nog toe één hand gevonden, en daar waren de vingers af.
Maar de Benelux is weer wat dichter bij zijn voetstuk
getakeld.
EERSTE NEDERLANDSCHE
Verzekering-Mij. op het Leven en tegen Invaliditeit N.V.
Aanpassing
van ondernemingspensioen- en
spaarfondsen aan de (komende)
nieuwe wettelijke
bepâlingen
•
Kantoor: Bellevuestraat 2, Dordrecht, Telefoon 01850 • 5346
R. MEESA ZOONEN
ANNO 1720
Bankiers & Âssurantie-Makelaars
•
‘
ROTTERDAM
‘
0
0
‘s-Gravenhage, Delft, Schiedam, Vlaardingen,
Amsterdam (alleen Assurantie)
Nationale Handelsbank, N.V.
Amsterdam
–
Rotterdam
–
‘s-Gravenhago
Alle Bank- en Effectenzaken
t-
I1lïilMfIl-
Landhuis te koop aangeb. op Te koop: 1947 Aero, loopt 1 op
eerste stand te ZEIST. Koop-
1
14, proefrit toegestaan, t.e.a.b.
som
f
20.500,—. Br. E.S.B. no.
1
Nieuwenhuis, Fluitstraat
20D,
1860, bur. v. cl
. bi. • Postbus 42,
1
Oud Mathenesse ROTTER-
Schiedam.
1
DAM.
Te koop: Ford 1949 in onbe-
Adverteer 1fl
1
rispelijke staat tegen taxatie-
t
prijs. Machinefabriek Reine-
deze rubriek.
1
veld, DELFT.
Tel.
2111.
1
.
t
def de
fl
bIoe
7
‘
ir
–
IN HET BELANG VAN HET BEDRIJFSLEVEN
is bet’werk van ,,Pro Juventute”: ontspoorde jeugd helpen
en opvoeden tot nuttige leden van de, maatschappij.
1N HET BELANG VAN ,,PRO JUVENTUTE”
is het, als U de ,,Prinsessenkalender 1951″ – waarvoor
H.M.de Koningin exclusjeve foto’s beschikbaar stelde –
voor rekening van uw bedrijf aan uw werknemers schenkt.
Bv. ter gelegenheid van Sinterklaas of Kerstmis.
Prijs t 2.50 per exemplaar – Kalenderactje ,,Pro Juventute”, Grote Markt 27, Haarlem
• .
Postgiro 51.74.00
DEZE WEEK:
Landbouw
–
Benelux
Bedreiging van de export naar Duitsland
Bedrijf sregelingen
–
Finland tussen twee werelden
Investeren in Israël
Nieuwe artikelen
Handelscontacten
–
KETTiNG
FORMULIEREN
Koninklijke
Nederlandsche
Boekd rukkerij
H. A. M. Roelonts
Schiedam
* Iedere week zeer veel nieuwe gevraagde offertes
en aanbiedingen van binnen- en buitenland. ”
Plaats voor export een aanbieding in de rubriek
TRADE OPENINQS.
Abonnementsprljs
f 15.— per jaar
KON. NED. BOEKDRUKKERIJ H.A.M. ROELANTS SCHIEDAM
LVIICO
E A BIR
1
E K E N
lN’ DIT BLAD
ADVERTEERT
U
MET SUCCES!!
Irr
–
v
.”
pr
‘3’
“_”
,*!•
r1″r’vç
–
‘r –
‘
25 October 1950
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
851
DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK.
W.
de Ridder,
Frenl ieregeling J’Vonngbouw 1950.
Bij de behandeling van de Premieregeling Woningbouw
1950 bespreekt schr. eerst de tekst van de regeling om
daarna na te gaan, hoe de werking van deze premieregeling
in de praktijk zal zijn. Schr. is van mening, dat de toeken-
ning van één bedrag voor een bepaalde woning en dan nog
wel voor het gehele land aanlïding tot .onhillijkheden
geeft. Aan de hand van een voorbeeld laat schr. het ver-
schil zien – wat het bedrag van de premie betreft – in
aanvulleide bijdrage bij herbouw, het bedrag, wacraver
rente wordt vergoed bij de Financieringsregeling Woning-
bouw 1948 en dé premie bij de Premieregeling Woningbouw
1950. Wat de exploitatie betreft maakt schr. een vergelij-
king tussen de F.W. 1948 en de Premieregeling. Het resul-
taat valt ten nadele van de Premieregeling uit. Ondanks
het belangrijke voordeel van de Premieregeling, dat ,men
‘cet waar men aan toe is”, mag het verlangen der institu-
tionele beleggers naar een premieregeling niet worden
overschat, liet gevaar is niet denkbeeldig, dat de grote
kopes van de woningmarkt verdwijnen, dan wel geen op-
dracht tot bouwen zullen geven. Fiet feit, dat de bouw-
kosten de laatste tijd niet onbelangrijk zijn gestegen, maakt
deze premieregeling nog minder gunstig, daar zij geen
risicoregeling kent zoals de F.W. 1948
A.
G.
U. Iliklebratidt,
Problemen der nisnoorziening.
De voorziening van de Nederlandse bevolkingmet dierlijk
eiwit is volgens bij uitstek deskundigen een zwak punt.
hierin kan de Nederlandse veehouderij in verband met de
hoge vleesprijzen stechts ten dele voorzien. Dat de zee-
visserij niet in voldoende mate in’ dit tekort voorziet moét
volgens schr. voornamelijk worden toegeschreven aar de
relatief hoge prijs van zeevis, waardoor dit product meer
het karakter heeft van een luxe gelegenlieidsvoedsel. Wil
mèn het ‘isverbruik opvoeren, ‘dan is heroriëntering van
de Nederlandse vishandel gewenst. Teneinde een zo laag,
mogelijke prijs voor de consument te verkrijgen om zo-
doende de lage inkomensklassen te bereiken, is liet niet
alleen noodzakelijk, dat de rederijen naar kostprijsverla-
gingstreven, doch het is tevens gewenst, dat de distibutie-
kosten zo laag mogelijk zijn. Schr. bepleit in dit verband
een op vrijwillighe’id en coöperatieve basis door de groot- en
klei nhandei georganiseerde visvoorziening, die is ingesteld
01) grote omzet tegen lage winstmarge, waarbinndn een
zo groot mogelijke gelegenheid zal bestaan voor initiatief,
pushin6 pover en ondernemingslust.
C. D. Jongnian, De weekstatén nan De Nederlandsche Jiank.
De taak van De Nederlandsche Bank is drieledig,
1. regeling van de waarde van de gulden; 2. de verzorging
naast andere instellingen van hel binnen- en buitenlandse
betalingsverkeer en 3. het uitoefenen van toezicht op.hct
credietwezen. In de cijfers van de veekstaten vinden de
verschillende taken, vooral de onder 2 genoemde, een af-
spiegeling. Na enkele opmerkingen te hebben gemaakt
over de betekenis der verschillende posten stelt schr de
vraag, of men door kernis vân de l3etekenis der posten nu
ook de vaardigheid verwcrf t om de weekstaten als een open
boek te lezen. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord;
de w’eekstaat is nI. een balans, en deze geeft wel de veran-
deringen, maar niet de oorzaken daarvan. Voorts is vaak
kennis van andere feiten, bijv. de omzet, van meer belaig
dan de stand der rekeningen, terwijl tenslotte, doordat de
weekstaat een verkorte balans is, de mutaties, die in één post
zijn samengevat, aan de waarneming wrden ontti-okken.
SOMMAIRE.
W. de Ridder,
Réglemenlation des pi’imes en faneur dc la
const,’uction d’habitations.
Le gouvernement néerlandais s’efforce d’un côté â
favoriser la construction d’habitations mais tâche d’un
autre côté de restreindre au stricte minimum les dépenses â effectuer pal’ le ti’ésor en faveur de la reconstruciion. A
cette fin une réglementation de primes a été instaui’ée k
partir du premier septembre 1950, suivant laquelle une
somme détei’miné et â fonds perdu, ést octroyée tandis
que l’arrangement finaricie’r conclu avec l’autorité avant
la date précitée est supprimé. L’auteur traite du texte de
la nouvelle réglementation et examine son application
dans la pratique. .
A.
G. U. flildebrandt,
Les problènies relalijs â l’appro9ision-
nement en poisson.
L’approvisionnement de la population néerlandise en
matière d’albumine constitne un poini faible. La pêche
maritime ne supplée pas suffisamment â cette pénurie.
Ce feit doit principalement être attribué aux prix cotés
pour les poissons et qui sont relativement élevés. Si l’on
désire ïuiensifîer la cosommation en poisson, on devrait
réorganiser le commerce néerlandais de poisson. L’auteur
plaide en faveur d’une organisation du commerce en gros
eI en détail pôur l’approvisionnement en poisson sur une
base libre et coopértive et préconisant mi chiffre d’affaïres
important avec des marges de bénéfice restreintes, tout en laissant, en outre, la plus grande liberté ii l’initiative
et aux possibilités de l’entreprise.
C.
D.
Jonginan, Les etats hebdomadaires de la Nederland-
sche Bank.
On formule dans cet article quelques remarques relatives
â divers articles de l’état hebdomadairé de la Nederland-
sche Bank. A la queslion de savoir si on acquiert la faculté
de lire les Rats en question comme un livre ouvert quand
on a pris connaissance de la signification des articles,
l’auteur répond négativement. L’tat hebdomadaire est
notamment un bilan abrégé qui mentionne bien les change
rnents intervenus mais qui est muet cr1 ce qui concerne les causes, tandis que les mutations’incorporées dans un
article se soustraient ii un examen.
SUMMARIES.
W. (le Ridder,
Preiniurn-system 1950 joi house-building.
The Netherlands Government endeavours to promote house-building but at the same time efforts are made to
restrict the necessary financial facilities for the rp
reasury
to the utmost minimum. For this purpose a premiu-
system came into effect on September ist 1950, vhereby
an amqunt k fonds perdu is supplied and the ties with the
authorities, which existed with the previous financing
arrangements, are broken.
rghe
writer discusses the text
of this new regulation and its probable practical effects.
A. G. U. llildebraiidt,
Fish
suppl’
probleins.
It is difficuit to supply the Netherlands population with
sufficient animal albumen. The fact that this shortage is
not met by the sea-fishing industry is due mainly to the
relatively high prices of sea-fish. Reorientation of the
Netherlands fish-tradé is necessary for an increased con-
sumption of fish. In this connection the writer advocates
völuntary and co-operative organizations of wholesalers
and retailers, aiming at large turnovers at low profits,
within the scope of which ii will he possible to develop
mi
tiative, pushing power and enterprise.
C.
II.
Jongrnan,
The Netherlands Bank’s weekly state,nents.
Some remarks about the meaning of the various items
on the Netherlands Bank’s weekly statements. The writer
is of the opinion that knowledge of the.meaning of these
items does not enable the reader to get a dear picture.
The statements are a brief balance-sheet showing the
changes but not their causes, while it is not possible to perceive any mutations contained in the items.
852
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
25 October 1950
PREMIEREGELING WONINGBOUW 1950.
Het is voor de Overheid nog steeds zoeken naar de juiste
oplossing om enerzijds de woningbouw te bevorderen,
doch anderzijds om de financiële faciliteitén, die onder de
huidige omstandigheden nu eenmaal nodig zijn, daar
zonder deze steun böuwen economisch niet mogelijk zou
zijn, voor ‘s-Rijks Schatkist tot het hoogst noodzakelijke
minimum te beperken. De Overheid is begonnen deze
financiële steun te baseren
01)
de richtlijnen, vastgelegd
in de Financieringsregeling Woningbouw 1947, doch
déarop is zoveel critiek uitgeoefend, dat reeds op 1 Juli
1948 de Financieringsregeling Woningbouw 1948 in de
Staatscourant verscheen. Aan veel bezwaren werd daarin
tegemoetgekomen en hoewel ook deze regeling niet bepaald
ideaal kon worden genoemd, konden wij er toch wel
vrede mede hebben. Onder vigueur van deze regeling
kwam immers de houwactiviteit op dreef, hetgeen voor-
namelijk te danken was aan het feit, dat de grote beleggers
en de hypotheekbanken bereid w’aren op basis van deze
regeling onroerend goed te kopen dan wel daarop hypothe-
caire geldleningen te sluiten.
Ondanks deze gunstige wending bleef in de bduwwereld
de wens bestaan om ter overbrugging van de hoge bouw
–
kosten eenzelfde systeem te volgen als na de eerste wereld-
oorlog werd toegepast nI. de invoering van een premie-
regeling, waarbij een bedrag fonds perdu wordt verstrekt
en tevens de band met de Overheid wordt doorgesneden.
Aan deze wens heeft de Minister Van Wederopbouw en
Volkshuisvesting gevolg gegeven, mede onder invloed van
de drang om zo spoedig mogelijk te komen tot een behoor-
lijke verlaging van de bouwkosten, welke resulteert in
een verlaging van de financiële steun, die de Overheid aan
de woningbouw moet yerlenen. Met ingang van 1 Septem-
ber 1950 behoort de Financieringsregeling Woningbouw
1948 tot het verleden en treedt de Premieregeling Woning
–
bouw 1950 in werking.
Bij.,de behandeling hiervan zullen wij ons eerst bepalen
tot de tekst
1
van de regeling om daarna na te gaan tot
welke resultaten wij komen bij de toepassing in de praktijk.
De tekst van de piemieregeling.
– De Minister is er in geslaagd een regeling te ontwerpen,
die uitmunt in kortheid en eenvoud. De Premieregeling
Woningbouw 1950 bestaat slechts uit een achttal artikelen
en twee bijlagen, zodat het voor een belanghebbende niet
vel moeite zal kosten zelf te berekenen op welke premie
hij voor het door hem ontworpen plan aanspraak kan
maken.
Volgen wij deze regeling op de voet, dan zien wij, dat
de premie wordt verstrekt voor woningeii met een inhoud
van ten hoogste 375 m
3
voor zoveel betreft eengezins-
huizen en van ten hoogste 325 m
3
voor zoveel betreft
andere woningen, étages dus. Deze inhouden moeten zijn
met inbegrip van in- of aangehouwde en vrijstaande bij-
ruimten, voor zover een en ander naar zijn aard niet is
bestemd voorhet uitoefenen van een bedrijf. De I:1inister
is gezwicht vôor de op hem uitgeoefende drang om ook
de grote gdzinnen behoorlijk te kunnen huisvesten, omdat
dit in vele gevallen in woningen met 375 resp. 325 m
3
niet wel mogelijk is. Dit blijkt dan ook uit de bepaling,
dat de inhoud van eengezinshuizen tot 450
rrj3
mag worden
uitgebreid, wanneer de aanvrager meer dan zes inwonende
kinderen heeft en het hhis zelf gaat bewonen.
De Minister heeft de reeds hij de F.W. 1948 vatgestelde
inhouden van 375 resp. 325 m
3
niet losgelaten en deze
voor de Premieregeling aangehouden. Deze bewindsman
doet zulks bewust, hetgeen wel blijkt uit de ,,Nota naar aanleiding van het verslag”. Hij acht uitbreiding van de
gestelde grenzen in de gegeven omstandigheden niet ver-
antwoord en houdt vast aal) zijn oorspronkelijk ingenomen
standpunt, ,,dat van de beperkte beschikbare middelen
een zo zuinig mogelijk gebruik dient te worden gemaakt.
In verband hiermede moet een zekere drang w’orden uit-
geoefend, opdat beknopt worde gebou’d,’teneinde
bp
die wijze het grootst mogelijke nut te verkrijgen. Dit
betekent, dat de financiële regelingen de bouw van kleine
woningen dienen te stimuleren en slechts bij uitzondering
de bouw tot een grote inhoud mogen toelaten”. Deze
motivering laat dan ook geen ruimte voor een opvatting,
om hij een grotere inhoud slechts tot de aangegeven
maxima deze regeling van toepassing te verklaren en voor
het meerdere de bouw ;,self-supporting” te laten zijn.
Bedrijfsruimten komen niet voor geldelijke steun in
aanmerking. Dit betekent echter niet, dat een woonhuis
met bedrijfsruimte niet gebouwd mag worden. Zf er zeker
– mag dat, maar wanneer de Minister een dergelijk plan
ontvangt, dan zal hi
.
j zich alleen tot de woonruimte bepalen.
Bedraagt het woongedeelte in zo’n geval ten hoogste
375 resp. 450 m
3
, en de aanvrager verbindt zich de woning
door zijn gezin te doen bewonen, dan vindt deze premie-
regeling op normale wijze toepassing.Een vooruitgang
t.o.v. de F.W. 1948, die de bouw van voningen met be-
drijfsruimte, na de verlaging van de . kubieke inhoud,
uitsloot.
1-let overzicht, dat de premiebedragen aangeeft, zullen
wij niet overnemen; het wordt voldoende bekend ge-
acht. In hoofdzaak komt het neer op een premie,
die varieert naar het aantal personen, van twee tot en
mët dertien of meer, voor wier huisvesting de desbetref-
fende woning geschikt is. Betreft het eengezinshuizen of
woningen in meergezinshuizen met twee woonlagen, dan
beweegt de premie zich tussen 13.000 en f 5.000. Bij
woningen in meergezinshuizen met drie woonlagen tussen
f3.100 en f 5.200, terwijl voor woningen in meergezins-
huizen met vier of meer Woonlagen, de premie minimaal
f 3.200 en maximaal f 5.600 bedraagt. Voor fundering
en grondkosten worden verder nog toeslagen gegeven.
Het valt niet te loochenen, dat de toekenning van één
bedrag voor een bepaalde woning èn dan nog wel voor
het gehele larid,tot onbillijkheden aanleiding geeft. De
Minister zal dit nadeel zeker inzien, doch in de reeds eerder
genoemde Nota wijst hij dit bezwaar af met als motief,
dat de eenvoud dezer regeling niet mag worden aangetast.
De envoud, aldus deze bewiidsman, is ook van invloed
op de administratie, opdat zij met een gering aantal
krachten een groot aantal aanvragen kan verwerken.
Wij zouden ons geheel met dit betoog kunnen verenigen,
ware het niet, zoals het verslag van de Tweede I(mer
opmerkt, dat blijkens het.door het Bureau Documentatie
Bôuwwezen op 11 Januari 1949 uitgébrachte rappoi’t
betreffende de hogere bouwkosten voor alleenstaande
woningen ten opzichte van rijenhuizen, de alleenstaande
woning f 4,17 per m
3
duurder uitkomt dan de rijenwoning
van gelijke woonruimte en inrichting. Deze berekning
is gemaakt vooreen rij van 10 huizen. Dit betekent een
nadeel voor de woningbouw ten plattelande, waar de
bouw van woningen in rijen geen hoofdzaak is.
Men zou hiertegen kunnen aanvoeren:
le. dat dit. bezwaar wordt opgeheven dooi’ de mindere
funderings- en grondkosten, benodigd voor de bouw ten
plattelande. In veel gevallen
zal
dit ook wel zo zijn, maar
men mag dat niet als een vaststaand gegeven aannemen.
De plaatselijke toestanden van de grond bepalen immers
de diepte en de constructie van de fundering en daarmede
wordt rekening gehouden bij de bepaling van de bouw-
kosten. Hierbij komt nog, dat deze toeslag eerst wordt
gegeven, wanneer, bijv. bij fundering op staal, deze een
grotere diepte heeft dan 1,50 m. Ligt de aanlegdiepte
vooi’ de stad hoger dan ten plattelande, dan kan van een
voordeel worden gesproken;
2e. kan men in deze eigenlijk wel spreken van een nadeel voor de woningbouw ten plattelande t.o.v. de
stedelijke bebouwing? De stedelijke bebouwing is immers
in veel sterkere mate afhankelijk van de verkoopmogelijk-
25 October 1950
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
853
held aan institutionele beleggers dan cle landelijke be-
bouwing. De bouw tén plattelande geschiedt vooral voor
eigen bewoning en speelt dan een paar ‘gulden per m
3
een ‘overwegende rol? Bij een subjectieve ,beoordeling,
dus door hem, die dringend behoefte heeft aan woonruimte,
is deze stelling ten volle te verdedigen, maar men mag
mi. dit probleem niet op deze wijze stelien. \.fgezien van
het feit, dat ook buiten de grote plaatsen gebouwd on-
roerend goed als belegging wordt gekocht en men dus in
dezelfde sfeer blijft, is het onhillijk en niet vol.te houden,
dat iemand, die voor eigen bewoning een huis laat bouwen
in verhouding meer per m
3
aan bouwkosten moet betalen
dan een institutionele belegger in de stad.
In beginsel houdt deze regeling als uitgangspunt aan het
aantal en de gezamenlijke op5ervlakten der slaapkamers,
waarvan de minimum oppervlakten zijn aangegeven.
Verder moeten de woningen nog voldoen aan het gestelde
in de punten 1, 3 en 4 van de ,,Vooriopige
wenken
voor
het ontwerpen van eengezinshuizen” en de overeen
komstige uitgave betreffende meergezinshuizen, beide
uitgegeven door de Centrale Directie van de Wederopbouw
en de Volkshuisvesting.
Voor de aanvraag om een pemie verstrekt het gemeente-
bestuur, het benodigde ‘formulier, dat met cle tekeningen
en omschrijvingen, voorgeschreven in de plaatselijke bouwverordening voor het’ verkrijgen van een bcuw-
vergunning, via de gemeente en de Directie van de Weder-
opbouw en Volkshuisvesting in de Provincie aan de Ministei’
wordt gezonden. Mocht op het tijdstip vafl haar indiening
reeds een begin met de uitvoering van het boi.fwplan
zijn gemaakt, dan wordt de aanvraag afgewezen.
De Minister kent de premie bij beshikking toe. 1-landelt de aanvrager in strijd met de bepalingen van deze premie-
regeling, dan wel, indien vof’dt of is gebouwd’in afwijking
van de aanvraag en de daarbij behorende stukken, tenzij
de Minister toestemming tot de afwijking heeft verleend,
dan wordt de premie, eveneens .bij’beschikking, ingetrok-
ken. Binnen vier maanden na de toekenning van de premie
moet de bouw tot de bovenkant van debegan.e grondvloer
zijn gevorderd. is dit niet het geval of is de bouw niet
binnen een jaar na de toekenning van de premie voor
bewoning gereed, ook dan vervalt de premie, tenzij de
Minister deze termijnen heeft verlengd, hetgeen, wel tot
de uitzonderingen zal behoren.
Zodra de woningen voor bewoning gereed zijn, wordt
de premie uitbetaald en wel aan degene, aan w’ie zij is
toegekend.
De Premieregeling Woningbouw 1950 wordt niet met
terugwerkende kracht toegepast en zal dan ook niet van
invloed zijn op de gevallen, waarvoor reeds volgens de
Financieringsregelingen 1947 en 1948 bijdragen zijn ver-
leend.
Ten aanzien van nog lopende bouwplannen, ingediend
v66r 1 September 1949 en met de uitvoering waarvan nog
geen aanvang kon worden gemaakt wegens gebrek aan
bouwvolume, is bepaald, dat de termijn, waarin met de
bouw moet worden begonnen, is verlengd tot 1 April
1951, met dien verstande echter, dat de bepalingen dezer
premieregeling daarop van toepassing zullen worden verklaard.’ Zoals bekend, zijn dt de gevallen’, die nog
mogen worden gebouwd naar de oude inhoudsregelin,
t.w. maximaal 500 m
3
. Ten aanzien van de plannen,
ingediend véör 1 Juli 1950 hij deDirectie van de Weder-
opbouw’ en Volkshuisvesting in de Provincie (dat zijn de
plannen opgenomen in het houwcontingent), zal de
F.W. 1948 nog gelden, doch de v66r deze datum reeds
bij de gemeente ingediende plannen, waarvoor momenteel
geen bouwvolume beschikbaar is, zullen bij uitvoering
onder deze premieregeling vallen.
Volgens artikel 6 zal de premie worden uitbetaald. Dit
betekent in contanten. De Memorie van Toelichting merkt
hieromtrent echter op, dat, wanneer na verloop van tijd
tot handhaving van de premieregeling woi’dt besloten,
,,zal daa;bij tevens nader onder ogn moeten worden ge-
zien, of kan worden voortgegaan met cle uitbetaling van
de premies in contante bijdragen â fonds perdu dan wel
in bijdragen in de vorm van obligaties”. Een duister.p’unt
en niet zonder risico zowel voor de bouwers als voor de
belanghebbenden, omdat de kans .op koersverlies . bij
verkoop dezer obligaties niet denkbeeldig is.
De werking Qan de premieregeling in de praktijk.
Na deze uiteenzetting’stappen wij over naar het onder-
zoek, hoe de werking van deze premieregeling in de
praktijk zal zijn. Dit kan het best tot uitdrukking komen;
wannéer wij daartoe een vergelijking trekken met een
herbouwgeval uit de praktijk, dat volgens.de Wet op de
Materiële Oorlogsschaden in aanmerking is gekomen voor
een premie (aanvullende bijdrage volgens deze wet) van
90 pCt. De regeling voor de ooriogsschade moet nog in
de voi’m van een ministeriële beschikking
01)
basis van deze
wet worden gepuhliceei’d. De hieronder te vermelden
cijfers zijn echter reeds gebaseerd op de voorlopige, ook
wel genoemd, overgangsregeling, doch wij zijn er van uit-
gegaan, dat hij de ministeriële beschikking deze voorlopige
regeling-definitief wordt.
Nu kan men ons direct aanvallen met de opmerking,
dat hier geen sprake is van twee vergelijkbare ohjeQten. Op
het eei’ste gezicht lijkt dit ook zo, maar zij zijn vergelijkbaar
te maken door slechts van de bouwkosten de herbouw-
toeslag af te trekken. De bouwkosten liggen dan voor
beide objecten op gelijk niveau. Een blok van 6 woningen,
bestaande uit’ 3 w’oonlagen, geeft als bouwkosten enz.
(herbouw) ongeveer f 66.500. Voor dit geval w-ordt als
huur aangehouden f 2.400 per jaar en geeft als premie
f40.000 (90 pCt van de onrendabele waarde). Zou ditzelfde
blok gebracht worden onder de Premieregeling Woning-
bouw 1950, dan zou bijt bouwkosten van f 63.000 de
huur worden gesteld op bijna f 2.850 en de premie op
f 21.900. Wilt u hiernaast ook nog de cijfers, zoals de
F.W. 1948 deze zou bieden, wanneer onder deze regeling
zou zijn gebouwd, dan hebt’ u het beeld compleet. Als
huurwaarde zou dan gelden
f
2.400, terwijl over f 40.780
een rentevergoeding \’an 4 pCt zou worden gegeven,
uitgaande van f 63.000 aan houwkostén.
Wij krijgen dus het volgende te zien:
herbouw:
F.W. 1948:
Premieregeling:
Bouwkosten
……..
t 66.500 t 63.000
f63.000 Huur
…………….
2.400
2.400 2.850
Premie
…………….
40.000
21.900
Rentevergoeding over.
,
40.780
Met opzet hebben wij hij de Premieregeling de bouw
–
kosten vermeld. Hoewel ten volle hewust, dat bij de premie
de oppervlakten doorslaggevend zijn en de bouwkosten
hier geheel buiten staan, hebben wij deze tot verduide-
lijking van ons voorbeeld aangegeven. Dit konden wij doen,
omdat de bouwkosten momenteel voor ivoningen, gefinan-
cierd volgens de F.W. 1948, zeker gelijk zullen zijn als,
wanneer op deze woningen de Premiei’egeling Woning-
bouw 1950 zou zijn toegepast. De bouwkosten worden of
zijn door de veranderde financieringsregeling immers niet
gewijzigd. .
Bij de Premieregeling Woningbouw 1950 moet dus door
de belanghebbende een bedrag worden geïnvesteerd,
waarvoor hij geen enkele vergoedingontvangt. In ieder
geval niet zolang het huurniveau niet met 30 pCt is ge-
stegen. Dit is ‘van grote invloed op de exploitatie, want
het rendement wordt daardoor meer gedi’ukt dan zulks
oppervlakkig doet vermoeden. Om dit te bewijzen laten
wij op blz. 854 de exploitatie volgen Van het in boven-
staand voorbeeld bedoelde blok van 6 woningen.
Hebben wij in hoventaand overzicht, dat het bedrag
van de premie betreft, laten zien het verschil in aan-
vullende bijdrage bij herbouw, het bedrag, waarover
rente wordt vergoed bij ‘de F.W. 1948 en de premie bij de
Premieregeling, bij de vei’gelijking w’at de exploitatie
854
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
25 October 1950
betreft, zullen wij ons slechts’bepalen tot de Financierings-
regeling Woningbouw 1948 en de Premieregeling Woning-
bouw 1950, omdat deze laatste regeling in de plaats van de
F.W. 1948 is gekomen. Het heeft ook geen zin de herbouw-
financiering hierbij te betrekken, ômdat men hij deze
financieringsregeling niet verplicht is de premie (aan-
vullende bijdrage) te nemen. Gaat men daartoe niet over
en bepaalt men zich tot credieten of. rentevergoeding,
dan bestaat er tussen de herbouwfinancieringsregeling
en de F.W. 1948 weinig verschil. Bij de nieuwbouw is
de premie in de plaats van de renteveigoeding getreden.
Financieringsrcgeling
Woningbouw
)
–
94
9 Bouwkosten
t’
63.000
Grond
……………
11.145
Kapitaal
……….
t’
74165 Basishuur
t’
1.920
Huurwaarde
t’
2.400
Belastingen j
0/,,
t’
334,34
.Assurantie
…………………
31,50
Onderhoud:
Basishuur
……
t’
1.920
4+ pCt rente grond
,,
501,52
22 pCt van
……
t’
1.618,48
.
312,07
Beheer
enz.
S pCI
………….
96,—
Rente grond
4+
pOt
.
………..501,52
,,
1.275,43
Exploitatiesaldo
……………………
t’
1.124.57
Rendabel
……….
f
22.220
Onrendabel
……..
40.780
63.000
Exploitatie:
Huurophrengst
……………………
t’
2.400,-
4 pCI bijdrage onrendabele waarde
……
..
1.631,20
4.031,20
Belastingen
………………
f
334,34
Assurantie
+
0
/
00
……………. ……………
31,50
Onderhoud 15 pCt
360,.-
Beheer
3
PCI
…………….
..
72,-
Afsclirijving
10
PCI
……….
..,
240,—
,,
1.037,84
t’
2.993,36
Netto 4,04 pCt
Premieregeling
Woningbouw 1950.
Bouwkosten
……
t’
63.000
Grond
…………..
11.145
74.145
Premie
…………..
21.900
(
3 x
t’
3.400
3 x
,,
3.700
( fund
600
Kapitaal
……….
t’
52.245
Exploitatie:
Huurwaarde
……………………….
t’
2.850,-
Lasten als boven
…………………. ..
1.037,84
f1.812,16
Netto 3,47 pCI
Over de wijze van exploitatie-opzet kan men een andere
mening huldigen, doch door het aanhouden van dezelfde
normen wordt het verschil tussen deze twee regelingen
niet aangetast.
Duidelijker kan het immers niet en het resultaat valt
ten nadele van de Premieregeling uit, hoewel als belang-
rijk voordeel hiertegenover staat, dat na uitbetaling van
de premie er geen enkele verhouding in deze tot de Staat
meer bestaat. Aangenbmen wordt, dat ‘huurverhogingen
de 30 pCt te boven gaande, ten gunste van de eigenaar
komen en deze meerdere huur niet, op welke wijze dan ook,
wordt wegbelast. Wij mogen echter niet vergeten, dat de
huur bij de Premieregeling zich bevindt op een niveau van
80 pCt boven het peil van 1940. De huren worden prac-
tisch door de gemeente vastgesteld aan de hand van ver-
gelijkingspercelen met een verhoging van 30 pCt, zodat
een huurpeil wordt bereikt, dat aanmerkelijk hoger uit-
komt dan de thans berékende huurwaarde volgens de
F.W. 1948. Veelal neemt men aan, dat deze berekende
huurwaarde uitkomt 25 pCt boven het peil van Mei 1940
voor de bevolkingscentra en 30 pCt voor het rèsterende
gedeelte (vooral het platteland) van ons land, doch
bij een nauwkeurige contrôle zal blijken, dat dit niet
doch bij een nauwkeurige conti’ôle zal blijken, dat dit niet
altijd het geval is. Voor de plattelandsgemeenten daaren-
Legen zal gemeld percentage van 30 veelal eerddr aan de
lage kant liggen. Dit is alleszins verklaarbaar, omdat liet
niet mogelijk is de volgens een bepaalde formule te be-
rekenen huurwaarde te doen aanpassen aan de verschil-
lende omstandigheden, die mede bepalend waren voor het
huurpeil van Mei 1940. –
Flet risico van dit h9ge huurpeil mag niet worden onder-
schat. Uiteraard bepalen wij ons weer tot ons voorbeeld,
en zien dan, dat de 11uur volgens de F.W. 1948 f 2.400
bedraagt en hij de Premieregeling ‘Woningbouw 1950
f 2.850. De huur per 9 Mei 1940 beloopt echter f 2.200,
zodat in werkelijkheid de vastgestelde huur volgens de
F.W. 1948 slechts 9 pCt boven dit peil uitkomt en de
huur van de Premieregeling 30 pCt. Dit is van belang
voor de toekomstige huurverhogingen. De I-Iuurw’et laat
de woningen, gebouwd na, 27 December1940 buiten de eerstkomende huuryerhoging van 15 pCt. ‘Wanneer wij
aannemen, dat hij een daarop volgende huurstijging van
15 pCt de huren van de
F.W. 1948 slechts met 5 pCt
zillen worden verhoogd, dan wordt deze huur f 2.400 +
96 (5 pCt van f1.920) = t 2.496. Zou daarna blijken,
dat de huurstijging nog niet voldoende is, dan worden
beide huren niet hetzelfde percentage verhoogd, echter niet dit verschil, dat bij de
F.W.
1948 de stijging wordt berekend pver t 1.920 en bij de Premieregeling Woning-
bouw 1950 over t 2.200. Het gevaar voor de toekomst is
dan ook, dat de huren hij de Premieregeling op een veel
hoger niveau komen te liggen dan bij de F.W. 1948,
zodat na de verzadiging van de woningmarkt bij een
dalend huurpeil de huren van de
F.W.
1948 zich lange tijd
zu.11en kunnen handhaven, alvorens het réndenient van
de met deze regelinj gefinan,cierde pandeR wordt aan-
getast. De huren der Premieregeling zullen echter on-
middellijk omlaag moeten.
Deze cijfers hebben, zoals wij reeds aangaven, betrekking
op ons voorbeeld. Flieruit is uiteraard niet een algemene
conclusie te trekken. Wij hebben hiermede slechts willen
aangeven, welke de gevolgen zijn, w’anneer de berekende
huur volgens de F.W. 1948 in w’erkelijkheid lager ligt dan
het niveau van 25 resp. 30 pCt boven het peil van Mei 1940.
Wij ontveinzen niet, dat bij huurstijging boven een
bepaald percentage de Premieregeling Woningbouw 1950 t.o.v. de Fin ancieringsregel ing ‘Woningbouw 1948 voor-
deel biedt. Bepalen wij ons weer tot het hierboven ge-
geven voorbeeld, dan zien w’ij, dat ondanks de hogere
huur het slechts mogelijk is een rendement van 3,47 pCt
netto te maken. Dit betelent, dat eerst na een stijging
van meer dan 40 pCt van het huidige huurniveau op de
hierboven aangehouden (en zuinige) exploitatienormen
een netto-rendement van ruim 4 PCt wordt bereikt.
Eenzelfde rendement als ook de F.W. 1948 biedt.
Doch hiermede zijn wij er nog niet. De bedragen, die
als premie worden verstrekt, houden verband met bepaalde
minimum oppervlakten van de verschillende vertrekkén
in de woningen en het geschikt zijn voor huisvesting van
een nader aangeduid aantal personen. Door de vaststelling
van minimum oppervlakten onder aftrek van kasten,
schoorstenen en kanalen bestaat de mogelijkheid, dat
er naar gestrdefd zal worden de aangégeven minima
zoveel mogelijk te benaderen. 1-Jet aanbrengen vn kasten
hoven het voorgeschreven aantal e.d. moet gaan ten
koste van de benuthare vloeroppervlakte,, zodat het
resultaat zal zijn, dat kasten en andere ruimten zoveel
mogelijk zullen worden weggelaten, hetgeen de geriefelijk-
heid en het gemak niet ten goede komen. Men zal meer dan
tot nu toe het geval was, zich aan de voorschriften van
sobere bouw gaan houden. Als gevolg daarvan zal de post
extra-voorzieningen zo hoog mogelij le worden opgevoerd.
Zoals bekend vallen de extra-voorzieningen buiten elke
financiering, dus ook buiten de premie, zodat de daarmede
verband houd ende kosten in de vorm van huurverhoging
over de huurders kunnen worden omgeslagen. Dat betekent
een nog hogere huur.
1
25 October 1950
ECONOMISCH-STATISTISCHE ‘BERICHTEN
855
In de Memorie van Toelichting zegt de Minister van
Wederopbouw en ,Volkshuisvesting: ,,Aangezien thans
nog niet met zekèrheid kan w’orden vastgesteld, of de
onderhavige premieregeling iii do practijk inderdaad
aan de verwachtingen zal beantwoorden, moet zij worden
beschouwd als een proef”.. Inderdaad, deze indruk wordt
gevestigd. Een proefballon om de reactie af te wachten.
Het mag dan zijn, (lat dooi’ de premie ,,men weet waar
men aan toe is”, het verlangen der institutionele belegges
naar een premieregeling mag niet worden overschat.
Ei’ zijn zelfs grote beleggers, die geen prijs stellen op de
90 pCt aanvullende bijdrage ingeval van herbouw. Zij
nemen het standpunt in, dat zij thans een vordering op
de Overheid hebben, die 4 pCt rente oplevert, terwijl hij
afkooçi niet alleen een verlies moet worden geïncasseerd,
doch tevens de ontvangen gelden niet meer tegen 4 pCt
kunnen worden uit(tezet.
liet gevaar is niet denkbeeldig, dat cle grote kopers,
i.c. de institutionele beleggers, van de w’oningmarkt
verdwijnen dan wel geen opdracht tot bouwen zullen
geven. Is dat zo, dan zal de bouw van gemeentewege in
omvang toenemen. Een wending tera goede kan komen,
wanneer de bouwkosten in de naaste toekomst een be-
hoorlijke verlaging ondergaan, waarbij het verlaten van het loonplafond in deze richting stimulerend zal kunnen
werken. De laatste maanden hebben wij echter het tegen-
deel gezien. De bouwkosten zijn niet onbelangrijk gestegen.
Dit maakt deze premieregeling nog minder gunstig,
want zij kent immers geen risicoregeling, zoals de F.W.
1948.
Wij hebben ons in het bovenstaande slechts bepaald
tot de belegging. :Bij de bouw van een huis voor eigen
bewoning betreden wij een geheel andei’ terrein. Mocht
inderdaad de grote belegger van de woningmarkt ver-
dwijnen, dan zou, wanneer het wetsontwerp horizontale
eigendom binnen niet te lange tijd tot wet wôrdt vei’hcven
en de dooi’ de gemeente gestelde huisvestingsbepalingen
een weinig minder stringent worden toegepast, deze
premieregeling hierbij haar weg kunnen vinden.
Enige tijd geleden heeft de Minister verldaard, dat,
wanneer genoegen werd genomen met, een geringere
bijdrage dan de normaal geldende, men sneller tot bouw
kon komen. hij doelde hierbij op de bouw van woningen gebouwd naar de ideeën van cle zgn. Bouma-w’oningen.
Dooi’ de , Verminderde Premieregeling Woni rgbouw
1950″ wordt deze bijdrage omgezet in een premie, die
overeenkomt met 60 pCt van de normale premie. Als
stimulans geldt hierbij, hoewel niet in deze premieregeling
opgenomen, dat gemeenten, die bereid zijn een deel van
het haar toegewezen bouwvolume aan te wenden voor
woningen te bouwen met deze verminderde premie, dit
gedeelte met 50 pCt mogen verhogen.
‘s-Crravenhage.
W.
DE. RTI)DER.
PROBLEMEN DER VISVOORZIENING.
Inleiding.
In de Nederlandse visserij doen zich reeds enige tijd
de eerste symptomen voor van de te verwachten na-
oorlogse depressie. In het bijzonder de trawlrederijen te
IJmuiden ondervinden •thans de bezwaren daarvan.
Met de meeste overige takkn van visserij is dat nog niet
in die mate het geval als met de trawWisserij van IJmuiden,
doch ook daar doen zich de eerste verschijnselen reeds
gevoelen.
In het buitenland, België, Frankrijk en Engeland, lcan men overeenkomtige symptomen waarnemen. In België
hëeft de aanpassing zich zelfs ten dele reeds voltrokken.
Ook hier te lande zal de visserij zich aan de veranderde
omstandigheden moeten aanpassen, hoe onaangenaam
zulks ook moge zijn. Naast dd conjuncturele moeilijkheden
doen zich echter structurele bezwaren gelden, waarop
wij reeds eerder de aandacht vestigden
1).
De daar bepleite
exploitatie der ver afgelegen visgronden in het gebied
van de Noordelijke IJszee en elders brengt echter het
probleem van de visvoorziening met zich, waarvoor thans
aandacht zal worden gevraagd.
De betekenis ean çn;s als voedingsrniddel.
– Zeevis heeft voornamelijk als bron van een licht ver-
teerbaar eiwit betekenis. Bovendien is van belang het
aanmerkelijk grotere jodiumgehalte van vis ten opzichte
van andere voedingsmiddelen, hetgeen ter voorkoming
van struma niet onderschat mag worden.
Als eiwitvoedsel concurreert vis met vlees. Men moet
echter duidelijk ondei’scheid maken tussen hai’ing en
verse zeevis. haring is een vette vissoort, welke in grote
hoeveelheden op de Noordzee wordt gevangen. I-It is
een goedkope volksvis in tegenstelling tot verse zeevis,
welke tot de magere vissoorten behoort, doch op de
Noordzee slechts in geringe hoeveelheden wordt gevangen.
Alleen op ver afgelegen visgronden komt verse zeevis in
grote hoeveelheden voor. Verse Noordzeevis wordt ge-
kenmerkt door goee kwaliteit en zeer vèrschillende sor-
tering der vissoorten. Mede ten gevolge van de geringe
vangsten kan men verse Noordzeevis (tong, schol, schelvis,
enz.) tot de luxe vissoorten rekenen. De ver afgelegen
visgronden hebben een eenzijdiger visstand van voorname-
lijk kabeljauw, welke daar overvloedig kan worden ge-
vangen en dientengevolge goedkoper kan worden verkocht dan Noordzeevis.
Onderstaande tabel geeft een beknopt overzicht van de
voornaamste voedingsstoffen van vlees en vis. Met be-
trekking tot de mineralen bevat vis wat meei’ kalk dan
vlees, ongeveer evenveel phosphor en iets minder ijzer.
lIet bevat voorts wat meer vitamine A en iets minder
vitamine B. Flet licht verteerbare eiwit en het jodiurn-
gehalte zijn echter het be]angrijkst met betrekking tot vis
als voedingsmiddel.
TABEL 1.
Summiere vergelijking Qan niees en vis als voedingsmiddelen.
per 100 gram
1
eiwit
vet
calorie6n
20
13,
203
17
30′
349
Rundvlees,
gein
…………
Magere vis (verse zeevis)
17
0,5
74
V
in
arkensvlees,
ge……….
Vette vis
(haring)
……..,
16
.
16
214
Bron:
Nederlandse voedingsm iddelentabel,
/
November 4949.
haring wordt in verschillende vormen, voornamelijk
als broodbelegging, gebruikt. Aangezien het een goedkoop,
vet eiwitvoedsel is, biedt de afzet er van minder moei-
lijkheden. Anders is het gesteld met verse zeevis, welke
in hoofdzaak bij warme maaltijden wordt geconsumeei’d.
Ten gevolge van de lichte verteerbaarheid van het eiwit
en het geringe vetgehalte verkeert het in een nadelige
positie ten opzichte van vlees. Het gevolg daarvan is, dat
ten opzichte van ylees pas dan eenzelfde verzadigings-graad wordt bereikt, indien een hoeveelheid wordt ‘ge-
consumeerd, welke ten minste tweemaal zo groot is.
Dit geldt in het bijzonder voor gekookte vis. Gebakken
verse zeevis, waaraan dus vet is toegevoegd, geeft iets
eerder en langer een verzadigingsgevoel. Ten opzichte van
vlees verkeert vis dus in de nadelige positie, dat steeds
een naar verhouding ongeveer dubbele hoeveelheid moet
worden geconsumeerd om een ongeveer gelijke draad van
verzadiging te bereiken.
Verbruik van voldoende hoeveelheden dierlijk eiwit is een vereiste voor een godde volksgezondheid. In de
daaruit voortvloeiende eiwitbehoefte kan door middel
Zie:
De vissershaven Ijmuiden” in ,,E.-S.B.” van 5 Juli 1950
r
856
‘
ECONOMÎSCH-STATISTISCHE BERICHTEN
”
. 25 October.1950
van vlees en vis worden voorzien. Iii welke mate zulks
geschiedt in Nederland en andere landen blijkt uit onder-
staande tabel..
TABEL
2.’
Vlees- en visverbruik in kg per hoofd der bevolking in
enkele landen.
‘\T1ees
,
e1
.
bnhik
Visverbrujk
1934-’38 .
1948
1934-’38
1
1948
Nederland
41
22
7,6
10,4 42
35
‘
9,0
10,2
Engeland
64
41
2 0, 1
25,1
Belgie………..
Duitsland
48
14
12,0
7,1
Denemarken
63
53
15,0
17,9
Ver. Staten
61
72
5,0 5,0
Bron: F.A.O.:
Fisheries Bulletin en commodity series
Bij v’erge.lijkïng van het vieesverbruik per hoofd der
bevolking met de omringende landen moet in aanmerking
worden genomen, dat Nederland en Denemarken landen
zijn met een zeet’ belangrijke veestapel. Engeland daaren-
tegen is voo’ de vleesvoorziening âangewezen op invoer van
buitenlands vlees. Opvallend is, dat in Nederland en België
vergeleken niet Engeland, Denemarken ert Duitsland
aanzienlijk minder vlees w’orclt geconsumeerd. Voorts
dient in het odg te worden gehouden, dat Engeland een
eilandbevolking heeft en Nderland en Denemarken dicht’
hij de visrijke Noordzee gelegn zijn. Duitsland daaren-
tegen strekt zih tot diep.in
Midden-Europa ver van de
kust uit. Dat Engeland een groot vleesverbruik heeft is
opvallend; dat het een groot visverbruik heeft spreekt
in verband met de ligging min of meer vanzelf. Denemarken
blijkt eveneens zowel een hoog vlees- als een hoog vis-
verbruik te hebben.
Opmerkelijk is,’ dat Nederland en
België niet alleen een laag vleesverbruik hebben, .doch even-eens een laag visverbruik.
Vooral voor een ondiep land als
Nederland met een lange grens langs de zee is het geringe
visverbruik in het oog vallend, temeer omdat het per
hoofd der bevolking vOOr 1940 zelfs lager was dan van een
ontinentaal land als Duitsland!
Oorzaken van het lage visve’rbruik in Nederland.
T-let visverbruik in Nederland bestond vOOr 1940 voor
ongeveer de helft uit haring en de andere helft uit verse
zeevis. Na 1945 steeg het visverbruik; in 1947 was het
ten gevolge vah de voedselschaarste 100 pCt hoger dan in
de periode 1936-’38. In 1948 zette een daling in, zodat
thans weer ongeveer het vooroorlogse peil wordt bereikt.
De toeneming van het visverbruik na de bevrijding betrof
voornamelijk het verbruik van haring. 1-let verbruik van
verse zeevis bleef ongeveer op hetzelfde lage peil. Onder-
staande tabel geeft een overzicht van liet verbruik van
zeevis. –
TABEL
3.
Verbruik van zeevis per hoofd der Nederlandse bevolking.
h’iring
1
verse
1
totaal
–
zeevis
(in
kg)
1912-1914
…………..
4,1 3,1
7,2
3,2
3,8
7,0
1936-1938
:
3,0
…
3,8
6,8
………….
…
1928-1930
……………..
.
9,3
3,8
13,1
1947
…………………
1948
………………….
7,6
4,3
11,9 1949
…………………
4,0
3,7
7,7
Bron:
Lanclbouw-Econornisch Instituut.
De aanvankelijk opvallende toeneming van het liaring
verbruik is te verklaren uit de voedselschaarste en de
relatief lage prijs van dit volksvoedsel. Geheel anders is
het gesteld met het verbruik van verse zeevis, waarvan
in liet bijzonder de economische tOestand der trawl-
rederijen van IJmuiden afhankelijk is.
Reeds in 1948 lieten de bedrijfsresultaten van de trawl-
rederijen te wensen bver. In 1949 moest de aanvoer zelfs
drastisch beperkt worden door een deel van de vloot uit
bedrijf te nemen. –
De voornaamste oorzaak van het eringe opnemings-
vermogen van de markt voor verse zeevis menen wij te
moeten zoeken in de relatief hoge pI’ijs er van, waardoor
verse zeevis’meer liet karakter heeft van een luxe gelegen-
heidsvoedsel.
In dit verband moge gewezen worden op enkele bereke-
ningen in het ,,Rapport van het College voor Voedings-
aangelegenheden van de door de Stichting voor de Land-
bouw ‘ingestelde Melkbestemmingscommissie”. Dit college
– heeft de kosten voor de consument van een liter volle
melk vergeleken met de kosten van enkele andere voedings-
middelen, töt een hoéveelheid overeenkomende met de
calorische waarde van een liter volle melk. Zij komt dan
tot liet volgende resultaat, geldend voor de jaren 1948 en
1949 (zonder regeringssubsidies):
volle melk
.: . .. .
t
0,26
rundvlees ……..
t 0,86
kaas
………… ..
0,52
schelvis ………. ..
1,32
varkens’lees
. :.:
063
eieren
………. ..
1,33
Ofschoon in deze tijd van hormonen én vitaminen een
vergelijking op basis van de calorische waarde ietwat
ouderwets aandoet en economisch ,minder gefundeerd is,
kan men liet desgewenst al een mogelijke vergelijking
hanteren. 1-lad het College ok haring
in
de vergelijking
opgenomen, dan zou gebleken zijn, dat in verband met
de hoge calorische w’aarde van haring: deze vissoort niet
duurder is dan melk. Het College nam echter schelvis
als representatief voor verse zeevis, hetgeen
,
aanvaard-
baar is, doch koos daarmede de groep der magere vis-
soorten, welke een lage calorische waarde hebben, met het gevolg, dat verse zeevis even duur als eieren .blijkt te zijn!
Een economisch beter gefundeerd oordeel over het luxe
karakter van verse zeevis is te verkrijgen uit de budgét-
statistiek van het C.B.S. Tabel 4 (zie blz. 857) geeft een
beknopt .overzicht van de uitgaven voor de voornaamste
eiwithoudende voedingsmiddelen voor en na’ de oorlog,
van een aantal gezinnen met, een inkomen van f 40 tot
f 50 per week.
Uit het budgetonderzoek blijkt, dat de uitgaven voor
vis der lagere inkomensgroepen voor de oorlog minder dan
een half percent der totale uitgaven bedroegep, tegen ruim
zes percent voor vlees en vleeswaren. Direct na de be-
vrijding waren de uitgaven voor vis aanvankelijk relatief
hoger en voor vlees, mede ten gevolge van de rantsoenerings-
maatregelen, relatief lager. Naarriate de voedselschaarste
minder werd, daalden de uitgaven voor yïs. In 1949
blijken de uitgaven voor vlees te zijn toegenomen; voor vis
waren de uitgaven echter aanzienlijk gedaald’ en is het
lage percentage ‘an vOOr de oorlog weer bijna bereikt!
Vergelijkt men het deel van de totale uitgaven voor vis,
dat bestemd was voor verse zeevis, dan blijkt dit slechts
een derde van het totaal te bedragen. De rest ,bestond
hoofdzakelijk ‘iit uitgaven voor haring. Het verbruik
van verse zeevis bedroeg in 1949 per verbruikseenheid
(dit is ongeveer hetzelfde als per volwassen gezinslid)
3 kg, waaruit men kan concluderen, dat er in 1949 in ge-‘
zinnen met een dei’gelijk inkomen slechts 10 vismaaltijden
werden gebruikt. In de jaren voor 1949 werd er, zoals wij
reeds opmerkten, ten gevolge van de vleesschaarste iets
meer verse zeevis geconsumerd.
De mate, waarin verse zeevis wordt gekocht, hangt
voor een groot deel f van de prijs van de vis. Teneinde
hierin enig inzicht te verkrijgen is jn tabel 4 eveneens de
prijs per leg. van de gekochte zeevis ‘ïermeld, alsmede de
‘prijs van-rund- en varkensvlees. Vergelijking van deze
prijzen is echter niet zonder meer mogelijk. Immers, ten
aanzien van de prijs van de vis moet er rekening mede’
worden gehouden, dat ten minste 40 pCt van het gewicht
afval is, zodat slechts 60 pCt visvlees overblijft, dat met
25 October 1950
, ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
857
TABEL
4.
Overzicht van de jaarlijkse uitgaven voor en na de oorlog voor enkele eiwithoudende artikelen dooi’ een aantal gezinnen
met inkomens van / 40 tot f 50 per week na de oorlog; prijzen dezer artikelen en het visverbruik per verbruikseenheid.
1935-36
1
1946
1
1947
1948
1
–
bedrag
pCt
bedrag
pCt
bedrag
pCi
bedrag
pCt bedrag
pCI
A.
1,0
17,73
0,7
33,02
1,2
30,58
1,1
35,08
1,1
6,24
0,5
28,52
1, 0
29,82
1,1
32,87
1,2
40,73
1,3
58,03
4,8
124,22
4,6 145,81
5;3
152,49
5,6
175,08
5,4
Eieren
…………………….11,79
Kaas
……………………..
Melk
…………………….
Vlees
en
vleeswaren
………..
76,22
5,31
6,3
0,4
110,72
35,36
4,1
1,9
131,52
25,79
4,8 0,9
‘113,56
23,41
4,2
0,9
129,02
17,05
4,2
0,6
Vis
……………………….
Waarvan verse zeevis
………..
–
12,56
0,5
8,67
0,3
9,91
0,4,
6,54
0,2
B.
.1.
}tunclvlecs
per
kg
……………………..
2,2.7
2,31
2,36
2,41
2,50 2,50
.
2,70
2,98
Varkensvlees
………………………….
4
.,,
,,
,,
2
kg
visvlees
…………….
..
0,82
2,73
0,84
2,80
0,72
2,40
Verse
zeevis
..
…………………………1,07
,,
bij
gelijk
aantal
calorietn
als
in
3
.
,56
rundvlees
…………………….
4,89
3,75
3,85
3,30
,,
hij
gelijk
aantal
calorie6n
als in
varkensvlees
………………..
…
8,41
6,45 6,60
.5,65
Verbruik per jaar van verse zeevis per verbruikseenheici
4,9
kg
3,8
kg
4,6
kg.
–
3,0
kg
Bron:
1-luishoudrekeningen C.B.S.
,
vlees vergeleken kan w’orden. D lichte verteerbaarheid
van viseiwit en het geringe vetgehalte zijn voorts oorzaak,
dat de consument normaliter een hoeveelheid van twee-
maal zoveel visviees als gewoon vlees moet eten om
eenzelfde verzadigingsgevoel te bereiken. In verband hier-
mede is de pris per kg van verse zeevis omgerekend en
in tabel 4 onder B 4 vermeld. Zou men de prijs per kg
van de verse zeevis omrekenen op basis van de verhouding
van het aantal calorieën vaii eenzelfde hoeveelheid verse zeevis, i’und- en varkensvlees; dan verkrijgt mdn prijzen
als vermeld in tabel 4 onder B 5 en 1) 6. Uit deze herleide
prijzen van verse zeevis blijkt wel zeer duidelijk, dat
vis eten kostbaar is, temeer als menhedenkt, dat vis niet,
zoals met vlees het geval is, teveng jus verschaft. Reeds
voor deze lagere inkomensgroepen, die dc goedkoopste vissoorten kopn, kan verse zeevis. niet concurreren met
vlees. Voor de hogere inkornensklassen, die de duurdere
vissoorten kopen, is dit nog minder het geval. in i’estau-
i’ants is een vismaaltijd dan ook steeds duurder clan een
vleesmaaltijd l.
Wij menen met het vooi’afgande, zij, het summier,
voldoende te hebben aangetoond, dat de vis duur betaald
wordt en dat in het bijzonder verse zeevis als een luxe
gelegenheidsvoedsel moet worden beschouwd, hetgen
wij overigens reeds eerder in dit weekblad op andei’e w’ijze
aantoonden
2
).
Verhoging cnn het visverbrui/t gewenst..
Reeds voor de ooi’log was het visverbruik hier te lande
opvallend laag. Men meende dit, oppervlakkig beschouwd,
te moeten toeschrijven aan het feit, dat Nederland een
belangrijk veeteeltland is en daardoor w’el een hoog vlees-
verbruik zou hebben. Uit tabel 2 blijkt echter duidelijk,
dat niet alleen het visverbruik hier te lande laag is, doch
vergeleken met andere landen ook het vleesverbruik. In dit verband trekt in het eerder genoemde ,,Rapport
van het College voor Voedingsaangelegenheden van de
door de Stichting voor de Landbouw ingestelde Melk-
bestemmingscommissie” de volgende passage de aandacht
,,Irr de voeding dci’ Nederlande bevolking zijrt de voor-
ziening met diei’lijk eiwit en met kalk zwakke punten”. Wij kunnen er dus van uit gaan,
dat het Nederlandse volk
te weinig dierlijke eiwitten verbruikt
3).
Verbetering van de voorziening met clierlijk eiwit is
voornamelijk mogelijk door verhoging van het verbruik
van veehoudei’ij- en visserijproducten, mits de prijs van
9 Analyse van hei visverbruik” in
,,E.-S..B.”
van
8
tanuari
1941.
9 De
NRC.,
(id.
6
October
‘1950 (hlz. 2
zevende kolom) acht dit, 0.1.
terecht, een der oorzaken van de nog te lage arbeidspro(luc-
tiviteit hier te. lande.
deze eiwithouencle vodingsmiddelen zo laag wordt,
dat ‘zij binnen het bereik der consumenten komen en er
voldoende reclame voor wordt gemaakt. Hierbij zij er op
gewezen,’ dat melk, kaas, eieren en vis tot de ,,highly
‘protecti’e foods” worden gerekend; vlees en aardappelen
tot de ,,less protective foods”
4).
In het bijzonder voor de grote trawlvisserij van IJmui-
den doen zich nieuwe mogelijkheden voor. Immers, reeds
eerder
5)
hebben wij er op gewezen,’ dat door een her-
oi’iëntering van de rederijen te Ijmuiden, met name door
een overgang van de Noordzeevisserij
01)
de exploitatie
van ver afgelegen visgronden, de mogelijkheid aanwezig is
goedkope veihe zeevis aan te voeren, welke als volksvis
in de handel kan worden gebracht; Een dergelijke her-oriëntering van de rederijen te Ijmuiden zal echtet’ een
investering van miilioenen met zich brengen. Men zal dan
,
ook niet kunnen volstaan met een kostbare omschakeling
uitsluitend van de redei’ijen. Er zal tevens een zo groot mogelijke zekei’heid moeten worden gëschapen, dat er
niet alleen goedkope, goede vis w’ordt aangevoerd, doch dat
deze ook goedkoop en.op de gewenste wijze de consument
bereikt. Dit maakt het naar wij menen noodzakelijk,
dat obk de Nederlandse vishandel zich heroriënteert,
opdat deze geen belemmering zal kunnen zijn voor een
toeneming van het visverbruik.
De huidige positie van de Nederlandse vishandel.
De organisatie van de Nederlandse handel in verse zeevis, zoals deze thans is, kan gezien worden als de
i’esultant.e van een géleidelijke histoi’ische ontwikkeling.
Na de opkomst van de stoointrawlvisserij heeft zich te
IJmuiden een belangrijke groothandel in verse zeevis
onts’ikkeld. Deze groothandel was voor 1930, zoals wij
reeds eerder schi’even, voor ruim 40 pCt van de aanvoer
op export naar de omliggende landen georiënteerd. De
levering in het binnenland vindt plaats aan kleinhande-
laren. Doorlevering aan binnenlandse groothandelaren
vindt vrijwel niet plaats.
De crisis van 1930 bracht voor, de handel in verse zee-
vis grote moeilijkheden, dooi’dat de export niet langer
mogelijk was in de omvang als voor 1930.Ook de afzet
iii- het binnenland’ ondervond moeilijkheden, in hoofdzaak
ten gevolge van de daling van de koopkracht. Toen de
exporteurs van verse zeevis door het wegvallen van de
exportmogelijkheden in ernstige moeilijkheden kwamen,
schakeiden zij o’vei- op de binnenlandse afzet. Daarmede
) Zie ,,Xutritioii”, eindrapport
,
van de Gemengde Commissie
van de Volkenbond over het verband tussen voeding en volksge-
zondlheid; landbouw en economische politiek (Genève
1137).
9 De vissershaven Ijmuiden” in
,,E.-S.T.”
van
5 Juli -1950.
858
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
’25 October 1950
werden de moeilijkheden van de groothanaelaren op het
binnenland uit de aard der zaak vergroot. Er ontstond
in de vishandel in de periode vcor 1940 een chaotische
toestand. Een teruglopende binnenlanase omzet moest
door een groter aantal groothandelaren worden omgezet.
De onderlinge concurrentie leidde er toe, dat de groot-
handelaren van IJmuidn in toenemende mate, met uit-
schakeling van de kleinhandel in vis, rechtstreeks aan
hotels, restaurants, personeelsverenigingen enz. gingen,
leveren. De daardoor in nog ernstiger perikelen gerakende
kleinhandelaren gingen toen pogingen aanwenden zelf
op de Rijksvisafslag van Ijmuiden in te kopen met uit-
schakeling van d groothandel. Het gevolg van deze
ontwikkeling was een verdeie desorgariisatie.
Bovendien was de’ vishandel traditioneel ingesteld.
Enkele pogingen van de rederijen om ook hier te lande vis
van ver afgelegen visgronden aan te voeren mislukten,
omdat deze vis op de traditionele wijze in het binnenland
niet was te verkopen. Navolging ‘an het buitenland door
met de traditie te breken en deze vis in de aanvoerhaven
massaal te fileren en als verse of gebakken filets in de
handel te brengen, vond niet plaats. Het gevolg van een
en ander was, dat zowel het rederijbedrïjf als de vishandel
voor 1940 een kwijnend bstaan leidden.
Na de bevrijding is men de traditionele weg blijven
bewandelen, zij het, dat men een open oog heeft getoond
voor de opvoering van de vakhekwaamheid van de vis-
handelaren. Breken met de traditie vindt echter in
onvoldoende mate plaats. Gevolg: de rederijen en de handel
in verse zeevis komen langzamerhand weer in dezelfde
ongunstige situatie te verkeren als voor 1940.
Ileroriëntering van de Nederlandse vishandel gewenst.
Het zou tot kapitaalverlies moeten leiden, indien in
IJmuiden aanzienlijke bedragen zouden worden geïnves-.
teerd ten einde de ver afgelegen visgronden te gaan exploi-
teren, doch de aangevoerde volksvis ten gevolge van het
ontbreken van het daarvoor.geschikte distributie-apparaat
de consbment niet zou’bereik’èn. Dit maakt het gewenst,
dat. niet alleen de rederij, doch ook de vishandel zich
– heroriënteert.
De trawirederijen kunnen, indien zij over daarvoor
geschikte trawlers beschikken, goedkope vis aanvoeren
van ver afgelegen visgronden, waar belangrijk grotere
vangsten zijn te maken dan op de Noordzee. De dan aan
te voeren vis is echter eenzijdig van sanienstelling: voor-
namelijk kabeljauw en roodbaar. Bovendien lijdt het
uiterlijk van deze vis tengevolge van de langere terugreis,
zodat op de traditionele wijze deze vi moeilijk is te ver-
kopen. In Engeland en in navolging daarvan in Duitsland
is men er echter reeds lang toe overgegaan deze vis tQ
fileren en als gebakken filets (fried fish) in de handel te
brengen. Dit fileren geschiedt massaal in de aanvoer-
haven, zoveel mogelijk gemechaniseerd. FIet wil ons voor-
komen, dat het Engelse voorbeeld hier te lande navolging
verdient, enerzijds omdat deze vis bezwaarlijk op een
andere wijze is te verkopen, anderzijds omdat ook de moderne huishouding zulks gewenst maakt. De huis-
vrouw raakt steeds meer ingesteld op het kopen van het
gerede product. Zij zal slechts vis kopen, indien dit evenals
vlees panklaar of voor het verbruik gereed is. Bovendien
is de kleine behuizing of samenwoning een ernstig be-
zwaar tegen liet volledig moeten bereiden van vis. Om al
deze redenen verdient het ook hier te lande de voorkeur over te gaan tot het in de aanvoerplaats fileren en op zo groot mogelijke schaal “erkopen van gebakken vi. Deze
goedkope volksvis is speciaal bestemd voor de lagere
inkomensgroepen. Deze groepen van consumenten vragen
in de eerste plaats een flinke kwantiteit gebakken vis
van behoorlijke kwaliteit, terwijl de consumenten met
hogere inkomens de Nodrdzeevis zullen blijven prefereren.
Uiteraard zal men het Engelse voorbeeld niet zonder meer
moeten navolgen, aangezien het Engelse diëet te’eel
verschilt van het Nederlandse. Aanpassing aan de Neder-
landse gewoonten is gewenst en mogelijk.
Teneinde een zo laag mogelijke prijs voor de consument
te verkrijgen om zodoende de lagere inkomensgroepen te
bereiken is het niet alleen noodzakelijk, dat de rederijen
naar kostprijsveriaing streven, doch is het evenzeer
gewenst, dat de distributiekosten zo laag mogelijk zullen
zijn. Bekend is, dat de prijs, welke de reder of visser op de
afslag ontvangt, zeer aanzienlijk lager is dan de prijs,
welke de consument voor de vis betaalt. Over de oorzaken
van deze hoge marges van de groot- en kleinhandel in
vis zijn geen gegevens beschikbaar, liet zou ongetwijfeld
van belang zijn, indien de vishandel aan de werkzaam-
heden van het ,,Economisch Instituut voor de Midden-stand” medewerking ging verlenen, opdat een beter in-
zicht zou worden verkregen. Ook zonder nauwkeurige
gegevens mag men echter wel aannemen, dat het blijven
bewandelen van de traditionele weg een der oorzaken van
de relatief hoge distributiekosten in de vishandel is.
Zonder een verbetering van liet visafzetapparaat moet het
dan ook niet mogelijk worden geacht, dat het doel zal
kunnen worden bereikt.
Georganiseerde visvoorziening.
Aan de verbetering van de visvoorziening zal alleen
kunnen worden voldaan, indien de grootst mogelijke
efficiency wordt betracht, zowel wat de productie als
wat de afzet betreft..
Er dient, naar wij menen, te w
–
orden overgegaan tot een
op vrijwilligheid en coöperatieve basis door de groot- en
kleinhandel georganiseerde visvoorziening. De voor de
vishandel de meest geschikte vorm achten wij het vrij-
\villige filiaalsysteem, georganiseerd per vold oend groot
eco’nomisch-geografisch gebied. Elk gebied zal zijn cen-
trum moeten’ hebben met koelhuis, enz. om
buffervooi’-
raden te kunnen aanhouden. Via dit centrum zullen de
kleinhandelaren hun vis betrekken en zullen grootver-
bruikers, als legeronderdelen enz., kunnen worden voorzien
tegen de laagst mogelijke prijs en gegarandeerde kwaliteit.
De centra kunnen hun overkoepelend orgaan vinden in
een centraal bureau voor de visafzet te Ijmuiden. De taak
van dit bureau dient te zijn de efficiency van de visafzet
zoveel mogelijk te bevorderen. hit dien hoofde moet tot
die taak eveneens worden gerekend de coöperatieve aan-
koop van materialen, welke ten behoeve van de visver-
koop nodig zijn. Dit gehele apparaat dient dus ingesteld
te zijn op grote omzet tegen lage winstmarge, hetgeen
men bezwaarlijk ten aanzien van de huidige vishandel
zou kunnen beweren.
Wij kunnen thans aansluiten hij onze beschouwingen
inzake de situatie van de vissershaven Ijmuiden, waarbij
werd bepleit, dat de exploitatie van de visafsiagen door
de vissers en rede’rs in eigen beheer dient te worden ge-
nomen. In plaats vdn het ambtelijke beheer van thans
zal het dan mogelijk worden tot een commercieel beheei’
te komen. In het bijzonder voor de uitoefening van de
visserij op ver afgelegen visgronden moet dit van grote
betekenis worden geacht. Ongeveer twee derde deel van de dan aan te voeren vis bestaat uit afval. De verwerking
zal liet meest economisch door de visafslag kunnen ge-
beuren, welk’e tevens het afval zelf zal kunnen verwerken.
De afslag wordt dan een commercieel complex, in beheer bij
de reders, dan wel in beheer bij de reders tezamen met de
afzetcoöpei’atie. Door heffingen zal het mogelijk zijn een
interne financiering toe te passen en ook de landelijke
propaganda in coca-cola-stijl te voeren.
De tegenstellingen, welke thans tussen rederij’ en groot-
handel wel eens tot uiting komen en uit de aard der zaak
weinig bevorderlijk zijn voor een goede gang .van zaken,
zullen hij de door ons bepleitte organisatie van de afzet
plaats maken voor een geest van teamwork tussen rederij
en afzetcoöpei’atie Binnen een dergelijke coöperatieve
samenwerking, welke. liet meest is aangepast aan de
25 October 1950
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
859
branche, is er een zo groot mogelijke gelegenheid voor
initiatief, push ing power en ondernemingslust.
Zou het door een efficiënter opgezet distributie-apparaat
mogelijk worden ongeveer de helft van de bevolking en
wel speciaal de lagere inkomensgroepen, eenmaal per week
1
een vismaaltijd te doen gebruiken, dan zod daarvoor
alleen reeds éen addilionele aanvoer van 80 â 90 rnïllioen
kg vis van de verre visgronden nodig zijn, hetgeen door een.
vloot van ongeveer 40 trawlers yan 700 BRT verzorgd
zou kunnen worden. Ook in het afzetapparaat zal een
betere outillering van bestaande winkels en vestiging van
nieuwe en van rijdende winkels ten behoeve van kleinere
plaatsen aanzienlijke kapitalen ,vereisen, waariti men zelf niet zou kunnen voorzien, zodat hiervoor een âf-
zondeiijke financieringsregeling gewenst zou zijn.
Slot bescho ucving
De voorziening van de Nederlandse bevolking met
dierlijk eiwit is volgens bij uitstek deskundigen een zwak
puiit. Hierin kan de Nederlandse veehouderij slechts ten dele voôrzien in verband met de hoge vieesprijzen. In de
aanvulling vin het tekort aan dierlijk eiwit kan echter in
belangrijke mate worden voorzien door de zeevisserij,
welke een product aanvoert, dat tot de ,,highly protective
foods” wordt gerekend, mits zowel de productie als de
afzet
01)
de meest efficiënte wijze worden georganiseerd.
Noch liet huidige productie-, noch het huidige distributie-
apparaat voldoet echter aan deze voorwaarde. indutria-
lisatie van visserij en visafzet is daarvoor gewenst. Dit
vereist een volledige o mschakeli ng. Flet achtèrwege blijven
m
van een dergelijke oschakeling zou verdere uitscha-keling van de Nederlandse visserij in Westeuropees
yerhand tengevolge hebben. hal ve maatregelen zullen
tot hetzelfde negatieve resultaat leiden, zij
•
•liet met
gro ter kapi laalverlies gepaard gaande.
De door ons naar voren gebrachte sugestie is slechts
liet resultaat van een observatie van wat zich elders
reeds voltrekt. Wij menen met betrekking tot de visserij
hierop de aandacht te moeten vestigen.
Scheveningen.
A. G. U.
1-E1LUEBRANDI’.
DE WEEKSTATEN VAN DE
NEDERLANDSCHE BANK.
])e \veekstaat van De Nederiandsche Bank vormt voor
hen, die de ontwikkeling van liet economisch leven van
ons land volgen, een geregeld spuitende bron van infor-
matie. Kennis van de samenstelling van de weekstaat is
hierbij, zoals vanzelf spreekt, onontbeerlijk. In liet onder-
staande zullen wij enkele opmerkingen maken over de
ietekenis van de verschillende posten.
Taak aan .D J’\Tede,.lafld/sche Bank.
]Ioofdstuk II van de :Bankwet 1945
1),
getiteld ,,Werk-zaaniheclen der Bank”, begint met een omschrijving van
de taak van onze circulatiebank. Deze taak is dpieledig, ni.:
1. regulering van de waarde van cle gulden;
2. le verzorging naast andere instellingen van liet bin-
nen- en buitenlandse betalingsverkeer, hetgeen uiteen-
valt in:
de zorg voor de omloop van bankbiljetten in Neder-
land;
liet veigemakkelijken van het giiale geldverkeer in
ons land;
het bevorderen van het betalingsverkeer met liet
buitenland;
3. liet uitoefenen van toezicht op het credietwezen.
– 9 Wet van
28 A
pril
10
1
8,
lioudcnde nieuwe bepalingen nopens
het Statuut van I)e Nedcrlanclsche Bank
N.V. De
voileclige tekst
vindt uien o.a. in het jaarverslag van cle bank over
1948.
De
1
werkzaamheden ad. 2 vormden ook vroeger reeds
een taak voor de bank, al is de formulering hiervan in de
nieuwe bankwet anders dan vroeger. Men kan de taak
van de bank ook op een andere manier omschrijven. Men
kan stellen, dat de cffntrale bank een intern-monetaire en
een extern-monetaire functie heeft
2).
‘In de cijfers van de
w’eekstaten der bank vinden deze taken, in het bijzonder
de onder 2 genoemde, een afspiegeling.
lJan.k en binnenlands bedriJtsleaen.
liet binnenlands bedrijfsleven dekt zijn behoefte aan
kort crediet op de geldmarkt, dit laatste begrip in ruime
betekenis genomen. In de behoefte aan geld, zonder
dat een voorkeur blijkt voor een bepaalde vorm wordt
voornamelijk door de banken voorzien. Flet kan echter
zijn, dat de behoefte niet bestaat aan geld zonder meer,
maar dat men geld in de vorm van bankbiljetten wenst
op te nemen. Een grotere behoefte aan bankbiljetten doet
zich periodiek voor tegen het eind van vrijwel èïke maanti,
wanneer vele bedrijven in verband met uitbetaling van
salarissen over contante gelden moeten beschikken. Ook
de betaling van de pachten in het nakaar geschiedt veelal
nog met bankpapier, hetgeen in die tijd de behoefte aan
hanlchiljetteiï doet toenemen. Dit doet zich voorts voor
in de vacantiemaand, in de Sint-Nicolaas- en Kersttijd.
Aan het beroep op de algemene banken door hen, die
geld nodig hebben, kan worden tegemoet gekomen dooi’
liet creëren van giraal geld. Wenst men echter bankbil-
jetten, dan kan de bank hierin veelal slechts voorzien nadat
zij zich deze biljetten zelf heeft verschaft. In de kassen
der banken immers bevindt zich meestal slechts een beperkt
bedrag aan contante middelen. De banken moeten clan zoge-
naamd ,,kas maken”. Dit kan geschieden door liet opvragen
van dooi de banken eventueel uitgezette callgelden. Voorts
door hct niet vernieuwen van aflopend schatkistpapier
waardoor de Staat gedwongen is dit papier af te lossen,
hetgeen kan geschieden door overhoeking van de rekening
van het Rijk hij l)e Nederlandschie Bank naar de rekenin-
gen van de banken bij de centrale bank. De banken kunnen
over hun saldi hij de centrald bank beschikken en bank-
biljetten opnemen. De posten op deweekstaat ,,Saldo’s
van l)anken in Nederland” en Rekening courant saldo
van ‘s Rijks Schatkist” verdienen in dit erband onze aan-
dacht.
Daarnaast kan De Nederlandsche Bank op andere wijze
worden ingeschakeld, nI. door uitbreiding van
haar
binnen-
landse credielverlening. De vorm, waarin dit plaatsheeft,
is verschillend. In principe staan volgens art. 15 van de
]3ankwet 1948. drie methoden ter beschikking nI. discon-
lering (van schatkistpapier, promessen wissels en binnen
6 maanden afloshare obligaties), voorschotten in rekening
courant (op onderpand van effecten, goederen, celen,
munt en muntmatei’iaal en de hierbovei genoemde waar-
çi en) en tenslotte helening van de genoemde schuldtitels.
Zoals men weet mag De Nederlandsche Bank ingevolge
art. 16 \an de Bankwet niemand enig crediet in blanco
verlenen. Belening wordt voor de tijd van 1 maand aan-
gegaan. Bij tussentijdse aflossing wordt geen rente kwijt
gescholden. .De voorschotten in rekening courant kunnen ‘orden beschouwd als beleningen van dag tot dag. Op de
verkorte balans van cle circulatiebank treft men twee
posten aan, waaruit deze credietyerlening blijkt, nl. de
post ,,Wissels, promessen en schuldbrieven in disconto”
en de post ,,\Toorschotten in rekening courant op onder-
pand (mcl. beleningen)”.
De vraag rijsl;, van welk credietmiddel liet hieest gebruik w’ordt gemaakt. Een overzicht van de binnenlandse crediet-
verleningdoor De Nederladsche Bank geeft op deze vraag
antwoord. –
) Zie ,,Ecoiiomische \Toorlichtiflg’,
16 Junj
1944.
860
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
. 25 October 1950
TABETfI
Binnenlandse crediewerlening van De Nederlandsche
Bank.
(jaargernidclelden
in
duizenden
guldens)
\Toorschotten
in
rek, courant
Beleningen
Rentegevend
_______
_______ _______
_______ ________
050
Renteloze
________
0
u
,
,
voor-
schotten
Totaal
ee
0e
0
.
O•’
a.h.Rijk
0
Totaal
Pq
CIO
0e
ce
0″
0
1946
419
1
112.509
870
369
–
113.748
44.847
2
44.849
159.016
38.322
1
1.326
1947
41
1
112.343
‘1.626
1
460
–
114.428
1
41.904
–
41.904
156.373
1
39.002
1.024
‘1948
2.016
1
110.611
2.765
1
739
–
114.114
1
39.033
4
1
39.037
‘155.167
38688′
1
789
1949
–
1.318
1
‘110.003
3.356
1
775
–
1
114.134
1
36.321
1
36.322
151.775
1
38.708
1
713
Bron:
Jaarverslagen
van De
Nederlsndsche Bank.
Men ziet, dat de voorschotten in rekening courant op
de eerste plaats komen. Hierop volgen de beleningen en
tenslotte de disconteringen. Ten aanzien van de beleningen
moet echter een opmerking worden gemaakt. Het grootste
deel hiervan komt nI. voor rekening van een sinds 1932
credietverhouding met Nederlands-Indië, resp.
Indonesië en heeft dus een speciaal karakter. Trekt men
de hiermede gemoeid zijndè bedragen van het totaalcijfer
af, dan vindt men de cijfers, zoals vermeld in de laatste
kolom van de staat.
Ook onder de voorschotten in rekening courant komen
bijzondere posten voor. In een door De ,Nederlandsche
Bank gegeven toelichting bij de weekstaat van 17 Juli
1950 is medegedeeld, dat de uit deze staat blijkende daling
van de voorschotten moet worden toegeschreven aan een
vermindering van het aan het Egalisatiefonds verstrekt crediet, FIet totale bedrag van deze credietverlening is
ons niet bekend. Een correctie, hoewel geen volledige, kun-
nen wij echter aanbrengen door het bedrag van de ver-
mindering, blijkende uit de daling van het cijfer van de
hoofdbank, van het totaal af te trekken. Dit bedrag is
f 75,4 mln. Het beeld wijzigt zich hierdoor,in de laatste
jaren enigszins. Disconteringen blijken een plaats op te
schuiven.
De verhouding heeft zich in de loop der jaren ge-
wijzigd.’ Een inzicht in de ontwikkeling verkrijgt men,
wanneer men de cijfers uit tabel 2 beziet. Geheel zuiver is
de vergelijking niet, omdat een deel van de bedragen,
welkë aan de percentages ten grondslag liggen, de hier-boven genoemde bij zond ere credietverlening bevat en
daarnaast sinds 1937 de op de open markt gekochte schuld-
• titels – hetgeen overigens slechtsheperkte bedragen betrof
– onder de disconteringen zijn opgenomen. Deze on-
zuiverheden doen echter w’einig afbreuk aan de algemene
lijn, welke uit de cijfers naar voren komt.
TABEL
2.
–
Gemiddelde stand binnenlands’e wissels, beloningen en 000r-
schotten in rekening courant.
(in procenten)
Binnenlandse
1
Beleningen
1
Rekening
wissels
t
1
Courant
1925/1926 38,93
44,32
16,75
1930/1 931
35,19
40,87
23,94
1935/1936
19,87
‘9,21
30,92
1938/1939
3,31
23,98
72,71 1946
‘
0,29
27,98
71,73
1947
0,03
26,79 73,18
1948
1,29
25,13 73,58
Bron:
Jaarverslagen van Dc Nederlandsche
Bank.
Zowel de disconteringen als de b’eleningen blijken in
steeds mindere mate als middel tot credietverlening te
worden gebruikt. liet percentage van de voorschotten in
rekening courant daarentegen stijgt vrij geregeld.
Deze verschuiving is enerzijds een uitvloeisel van de
wijzigingen, welke zich op de geldmarkt hebben voorge-
daan, anderzijds een gevolg van een sinds 1930 door De
Nederlandsche Bank bewust gevolgde rentepolitiek. De
ruime liquiditeit, w’aarin de banken zich geruime tijd
verheugen, speelt hier ook een rol. Wat het eerste betreft
het volgende. De wissel wordt in steeds mindere mate
gebruikt als betaling- en financieringsmiddel. De omvang
van de wisselportefeuille van de banken en de wisselmake-
laars is dan ook sterk gedaald. Wel heeft schatkistpapier
de plaats van de wissel ingenomen, doch de handel in schat-
kistpapier heeft een ander karakter dan die in handels-
wissels. Deze structuurwijziging vindt zijn weerslag in de
binnenlandse credietverlening van de centrale bank. Wat
de rentepolitiek van De Nederlandsche Bank betreft kan
worden opgemerkt, dat voor 16 Januari 1930 de rente op
de voorschotten in rekening courant steeds hoger was dan
de beleningsrente en liet ‘discontotarief. Per deze datum
werd de eerstgenoemde rente gelijk gemaakt aan de’Ï’eote,
welke voor belening in rekening wordt gebracht. ,,Met dezen
maatregel wordt beoogd de beleeningen op den duur te
doen plaats maken voor den soepelen en zich meer aan de
behoeften van het verkeer aanpassenden vorm van voor-
schotten in rekening couTant”, wordt in het jaarverslag
1929/1930 opgemerkt. Het opnenen van gelden in rekening
courant had vroeger het nadeel van het duurdere tarief,
hetgeen het voordeel van de aanpassing van de termijn
der credietverlening aan de credietbehoef te menigmaal
teniet deed.
Deze renteverandering heft ook een wijziging gebracht
in de verhouding van de voorschotten in rekening courant tot de discoritei’ingen.. lIet tarief van de disconteringen is
steeds lager dan de rente’ voor beleningen’ en voorschot-
ten in rekening courant. Door de genoemde verandering
in de rentepolitiek verminderde het’ verschil. Hoewel
het tarief voor discontering lager is dan van de andere vor-
men heeft de discontering echter enkele bijzonderheden,
welke het gebruik belemmeren. In de eerste plaats brengt
De Nederlandsche Bank steeds tenminste 10 dagen dis-
conto in rekening en voorts wordt het in disconto gegeven
papier door de bank behouden. Voor hen, die voor korte
tijd geld nodig hebben i het voorschot in rekening courant
hierdoor vaak een geschikter vorm dan de discontering.Ver-
wacht men, dat de verkrâpping van de geldmarkt enige tijd zal aanhouden, dan kan het voordeliger zijn van de
discontomogelijkheid gebruik te maken. Men verdiscon-teert dan veelal papier, dat binnen korte tijd afloopt. Een
zodanige periode van geldmarktverkrapping doet zich de
laatste jaren vooral omstreeks eind Juli en Augustus ge-
voelen, hetgeen verband houdt met het feit, dat in dit
tijdperk weinig schatkistpapier vervalt. Men zag dan ook
de discontoportefeuille van De Nederlandsche Bank in
1948 en 1949 en ook dit jaar eind Juli stijgen om eind Au-
gustus weer tot vrijwel nihil te dalen. Enkele details betreffende de verschillende vormen van
credietverlening zijn het vermelden waard. Hierboven
hebben wij reeds opgemerkt, welke waarden voor discon-
tering in aanmerking komen. Het is van belang te weten,
waaruit het gedisconteerde papier bestaat. De hierover
verstrekte cijfers laten zien, dat dit de laatste jaren voor-
137.100
136.000
205.600 199.000 20.550 10.000
58.100 6.000 8.970
–
6.600
–
15.500
‘
11.500 81.390
52.000
20.050
–
1
295.700
1
254.000
De Nedcrlandche ]3ank.’
25 October 1950
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
861
namelijk schatkistpapier was. In 1948 was het totaal bedrag
der disconteringen f 52.321.800, waarvan f 52.300.000 be-
stond uit schatkistpromessen. In 1949 treffen wij een soort-
gelijke verhouding aan. Het totaal aan gedisconteerd pa-
pier bedroeg f 19.107.400, waaronder f19.100.000 schat–
kistpromessen.
Flierbij dient te worden opgemerkt, dat in de genoemde
jaren de Slaat geen schatkistpapier rechtstreeks bij de
bank onderbracht. De gedisconteerde schuldtitels zijn dus
van derden ontvangen. In de jaren vôÔr de laatste oorlog
lagen de verhoudingen anders. In onderstaande tabel zijn
de totale disconteringen, de disonteri ngen van schatkist-
papier en het schatkistpapier, hetwelk rechtstreeks door
het Rijk l)ij de l)ank was ondergebracht, vermeld:
TABEL 3,
Totale
Hierorcler
Rechtstreeks
discontering door het Rijk
discon-
schatkist-
teri
papier
geplaatst
ngen
(in d u i zen dcii guld eis)
1928/1929
594.589
1929/1930
506.817
1930/1_931
175.830
1931/1932
322.513
1932/1933
130.930 1933/1934 100.457
1934/1935 76.605
1935/1
‘
208.512 1936/1937
82.475
1937/1938
37.359
1938/1939
24.975
193911940
329.873
Bron:
Jaarverslagen
van
Uit deze cijfers kan worden geconcludeerd, dat’ hel ge:
disconteerde s’bhatkistpapier eèn klein deel vormde van de totale disconteringen en dat eerstgenoemde disconte-
ringen
–
‘oornamelijk rechtstreeks door de Staat bij de
bank waren ondergebracht. Derden hebben betrekkelijk
weinig schatkistpapier in disconto gegeven, zodat deze
groep vooral handelswissels zal hebben aangeboden.
Wat de voorschottei betreft, bestond, zoals in tabel 1
naar voren komt, het onderpand vooral uit effecten en
schatkistpapier. Eenzelfde opmerking kan worden gemaakt
ten aanzien van de beleningen. Afzonderlijke cijfers betref-
fende het aandeel van schatkistpapier in het totaal van de
onderpandeii der rekening courantvoorschotten en be-
leningen worden niet gegeven, doch men mag aannemen,
dat ook hier een deel uit schatkistpapier bestaat. Een en
ander illustreert het verdwijnen van de handeiswissel uit
liet betalingsverkeer, waarvoor schatkistpapier in de plaats
is getreden.’
Resumerende zijn de conclusies, welke uit het boven-
staande kunnen worden getrokken: –
de handelswissel heeft zijn betekenis in het belalings-
en credietverkeer en daardoor als middel van crediet-verlening door De Nederlandsche Bank voor een be-
langrijk deel verloren;
het voorschot in rekening courant is de belangrijkste
methode van crodietverlening voor De Nederlandsche
Bank geworden;
de betekenis van schatkistpapier is bij de disconteringen
en ook als onderpand bij beleningen en voorschotten in
reken ing cou ran t sterk toegenom en.
Bank en open markt.
Sedert de Bankwet 1937 bezit De Nederlandsche Bank
de bevoegdheid op de open markt bepaalde schuld titels
te verwerven of te verkopen. In de Bankwet 1948 is uit-
breiding gegeven aan de waarden, waarin de bank mag
handelen. V66I 1 Januari 1949 werd het op de open markt
gekochte papier verantwoord onder de ‘disconteringen.
Sinds de genoemde datum is hiervoor een apart hoofd op de
balans geschapen, nI. ,,Wissels, schatkistpapier en schuld-
brieven, door de Bank gekocht”.
De aerhoudng Bank-Staat.
Niet alleen voor het binnenlandse bedrijfsleven, doch
ook voor de Staat bestaan mogelijkheden om in geval van
behoefte aan geld gebruik te maken van de credietmogelijk-
heden van de centrale bank. Deze kan schat.kistpapier
rechtstreeks van liet Rijk in disconto nemen, in welk geval
het desbetreffende bedrag wordt opgenomen onder de post
,,Wissels, promessen en schuldhrieven in disconto”. In een
noot wordt op de weekstaat het bedrag van deze bijzondere
credietverlening verineld. Na de oorlog werd nog geen
sclitkistpapier rechtstreeks bij de centrale bank onderge-
bracht. Een tweede middel is de verstrekking door De
Nederlandsché Bank van voorschottèn op onderpand van
schatkistbiljetten, welke voorschotten tot een maximum
van f15 mln renteloos moeten worden gegeven. Onder
een ‘apart hoofd worden deze vermeld.
Zeer grote bedragen komen voorts aan de ‘debetzijde van
de verkorte balans voor onder de hoofden ,,Schatkistpapier,
door de Bank overgenomen van de Staat der Nederlanclen
ingevolge overeenkomst van 26 Februari 1947″ en ,,Boek-
vordering op de Staat der Nederlanden ingevolge overeen-
komst van 26 Februari 1947″. Zoals men weet is met
deze overeenkomst een regeling getroffen betreffende het
overnemen van het vooral tijdens de oorlog strk toege-
nomen bezit aan marken door de Staat. Wij gaan hier fiiet
verder op in, doch vermelden slechts, dat op eerstgenoemde
post zo nu en dan een aflossing plaatsvindt. Oorspronkelijk
was het bedrag f 2.100 mln, thans f 1.500 mln.
De Nederlandsche Bank is de kassier van de Staat. De’
Staat houdt bij de bank een saldo’ aan. 1-let ligt voor
de hand te veronderstellen, dat de mutaties van
de post ,,Rekening 8ourant saldo ‘s Rijks Schatkist”
direct verband houden met de stand van ‘s Rijks Kas,
d.w.z. met het• beloop van de dagelijkse inkomsten en
uitgaven van de Staat, doch de werkelijkheid is gecompli-
ceerdei’. De Staat voorziet zich nl. voor een belangrijk deel
van zijn geldbehoefte bij de algemene banken, waartoe de
Agent van het Ministerie van Financiën schatkistpapier
afgeeft. 1-let is, dus zeei’ wel mogelijk, dat de positie van de
Schatkist grote veranderingen ondergaat zonder dat het
saldo van de Staat bij De Nederlandsche Bank zich wijzigt.
In dit geval weerspiegelen de hankbalansen de positie van
‘s Rijks Kas.
1
De mutaties voltrekken zich dan in de
girale sfeer. Slechts w’anneer de Staat voor zijn betalingen
bankbiljetten nodig heeft uit zich dit in de weekstaten van
De Nederlandsche Bank.
Een factor, welke in dit verband van betekenis is, betreft
de mutaties in de deviezenvoori’aad. Wanneer de banken
van hun cliënten deviezen verkrijgen zullen deze aan De
Nederlandsche Bank worden afgedragen. Als gevolg hier-
van stijgt het tegoed van de banken hij de circulatiebank,
dat echter weer daalt in geval de banken schatkistpapier
kopen. FIet saldo van-het Rijk vértoont dan een’ stijging.
De toeneming sinds geruime tijd van liet deviezenbezit,
blijkend uit de debetzijde van de weekstaat, resulteer.t dus
in een stijging van de rekening van het Rijk. Dit is mogelijk
gemaakt dooi’ de geldpolitiek van de Overheid. Immers,
deAgen’t is steeds bereid schatkistpapier af te geven.
Behalve de liiei’ bedoelde post ,,Rekening courant saldo.
‘s Rijks Schatkist” vindt men op de creditzijde het hoofd
,,Rekening courant saldo ‘s Rijks ‘Schatkist, bijzordere
rekening”. Deze ‘rekening, ook dit is algemeen bekend,
houdt verband met de Marshall-hulp.- Aangezien deze hulp
aan de Staat wordt verleend is een behandeling hier op
zijn plaats.
Om de boekingen uit hoofde van de Marshall-hulp te
begrijpen moet men allereerst de procedure van de uitvoe-
ring van de Marshall-hulp kennen. In grote lijnen is de
meest voorkomende procedure als volgt. Nadat de Ameri
kaanse volksvertegenwoordiging het totale bedrag der hulp
heeft vastgesteld en dit bedrag door de O.E.E.C. over de
deelnemers is verdeeld, welke verdeling door de E.C.A.
862
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
25 October 1950
moet zijn goedgekeurd, wordt hepaild, welke goederen
zullen worden verscheept. De importeurs van deze goederen
betalen door bemiddeling van hun bank de ontvangen
go’ederen. De banken ontvangen de hiervoor benodigde
dollars van De Nederlandsche Bank. De op de transacties
betrekking hebbende documenten worden verzameld en
ter contrôle naar de E.C.A. gezonden. Hierop volgt mees-tentijds een voorlopige en later een definitieve afrekening
in dollars. In de ‘weekstaten komt dit alles als volgt tot
uiting. Verkoop van dollars aan de banken doet één vn
de deviezenposten – op deze poten komen wij straks terug
– aan de debetzijde van de weekstaat dalen, evenals het
rekeningcourantsaldo der banken aan de creditzijde (wij
zien thans af van een mogelijke credietveriening van De
Nederlandsche Bank). Bij de voorlopige afrekening door
de E.C.A. stijgt de deviezenpost weer en vindt aan
de creditzijde onder de ,,Vrije Saldo’s”, op do zgn.
tussenrekening, een bijboeking plaats. Bij de definitieve
afrekening hangt het af van de vorm; waarin de Marshall-hulp is gegoten, welke boekingen vorden verricht. Betreft
de verrekening een schenrdng dan wordt de bijzondere
rekening van ‘s Rijks Schatkist gecroditeerd. Betreft de
afrekening een lening dan wordt het bedrag
01)
de gewone
rekening van ‘s Rijks Schatki’st bijgehoekt. In bëide ge-
vallen daalt het saldo op de tussenrekening. Over de op de
bijzondere rekening gestorte gelden kan de Staat niet vrij
beschikken.
liet bovenstaande betreft de in de vorm van leningen
en schenkingen verkregen directe hulp. Daarnaast wordt
van dq E.C.A. nog de voorwaardelijke hulp ontvangen,
waartegenover ons land een schenking in guldens aan enkele
Marshall-landen verschaft. Omgekeerd ontvangt Nederland
van een aantal landen, waaronder België, schenkingen in
de valuta van de schenker. Zoals men weet, duidt men deze
schenkingen aan met de naam trekkingsrechten. Op cle
bijzondre rekening van ‘s Rijks Schatkist, ook wel ,,local
currency account” genoemd, worden de ontvangen trek-
kingsrechten hijgeboekt en de verschafte trekkingsrechten
afgehoekt. Een vermindering van het saldo vindt plaats
door de bedragen, welke aan de Verenigde Staten tèr be-
schikking moeten worden gesteld,. de afboeking van de
kosten van het binnenlandse vervoer v6n de Amerikaanse
geschenkzcndingen en van de bedragen, welke ingevolge
met dc Verenigde Staten gesloten overeenkomsten aan
de Nederlandse Regering ter besteding zijn vrij gegeven. liet op de weekstaat voorkomend bedrag is dus het saldo
van een’ ‘reeks boekingen. Geregeld echter wordt gepubli-
ceerd hoe dit saldo is -ontstaan.
J)ç
cerhouding Bwik—biritenland.
De Nederlanclsche Bank heeft als uitvoerder van de
door de Regering getroffen cleviezenbepalingen een uitge-
breide taak ten aanzien van het buitenlands betalingsver-
keer. Ook dit uit zich in de weekstaat. De mutaties in de
volgende posten zijn hier van belang: ,,Munt en muntma-
teriaa 1″, ,,Papier op het buitendand”, Tegoed hij corres-
ponden ten in het buitenland”, ,,Buitenlandse betaaliniclde-len”, , Vorderingen inguldens. op vreemde circulatiebanken
en sôortgelijke instellingen” aan de debetzijde en
Vrije
saldo’s van vreemde circulatiebanken en soortgelijke in-stellingen” en Crediteuren in vreemde geidsoort” aan de
creditzijde. In deze ‘rekeningen weerspiegelt zich de ver-
houding van de bank tot het buïtenland:Dc netto-deviezen-
positie van de centrale bank ]eest men af uit de posten
,,Papier op het buitenland”, ,,Tegoed hij coriespondentei
in het buitenland”, en , Buitenlandse betaalmiddelen”,
welke met de post ,,Crediteureh in vreemde geldsoort”
moet worden verminderd. Geheel zuiver geeft dit bedrag
de positie niet aan, omdat het kan gebeuren, dat onder de
post Crediteuren in vreemde geldsoort” bedragen zijn
geboekt, welke aan Nederlandse ingezetenen zijn ver-
schuldigd.
liet buiten lands betalingsverkeer van Nederland vol-
trekt zich voor een belangrijk deel binnen het raam van
bilaterale hetalingsaccoorden. Ook na het in werking treden
van de Europese Betalings Unie zal ten aanzien van enkele
landen het bilaterale hetalingssysteem blijven bestaan. In
ons land kent men twee soorten bilaterale accoorden, nl.
de twee-rekeningenaccoorden en de één -rekeningaccoorden.
Bij de eerste vorm staan de centrale banken elkaar een ere-
diet toe, waaruit een tekort in het betalingsverkeer tussen
beide landen wordt gedekt. Nu eens zal het voorkomen,
dat ons land een beroep op het crediet, ons door het buiten-
land verstrekt, doet dan weer zal het partnerland over het
door ons land ter beschikking gestelde crediet geheel of
gedeeltelijk beschikken. In het eerste geval hebben wij een
schuld op het buitenland, in het laatste een vordering.
De schulden uit dezen hoofde Vindt men in de weekstaat
terug onder de post ,jVrije saldo’s’van vreemde circulatie-
banken en soortgelijke instellingen”, een vordering komt
aan de debetzijde tot uiting, bijv. onder het hoofd ,,Tegoed
hij correspondenten in het buitenland”.
Bij de één-rekeningaccoorden loopt het betalingsverkeer vrijwel steeds over een guldensrekening hij De Nederland-
sche Bank. De vorderingen,welke in hetverkeer met de één-
rekeningaccoordlanclen ontstaan, ,worden aan de debet-
zijde onder het hoofd ,,Vorderingen in guldens op vreemde
circulatiebanken en soortgelijke instellingen” geboekt, de
schulden onder ,,Vrije saldo’s van vreemde circulatie-
banken en soortgelijke instellingen” aan de creditzijde van
de weekstaat.
Onder de ,,Vrije saldo’s van vreemde circulatiebanken
en soortgelijke instellingen” worden ook andere bedragen
dan ‘voortvloeierde uit het bilaterale betalingsverkeer ge-
administreerd, j:I
e
t Internationale Monetaire Fonds houdt hij de desbetreffende circulatiehanken als tegoed in reke-
ning courant een bedrag in de valuta der aangesloten landen
aan ter grootte van 1 pCt van het quotum van het lid.
Het Nederlandse quotum bedraagt
S
275 mln, zodat dus
het I.M.F. ca f.10,5 min uit dozen hoofde als saldo hij De Nederlandsche Bank aanhoudt.
Dit laatste bemoeilijkt de beoordeling van het beloop
vad de posten
Oj)
dc weekstaten slechts weinig, want
indien in het door het I.M.F. aangehouden bedrag wijziging
komt, wordt hieryan tot nu toe in een toelichting l)ij de
weekstaat mededeling gedaan.
Een grotere moeilijkheid is echter, dat de buitenlandse
circulatiebanken, welke bij De Nederindsche Bank een
saldo hebben, dit kunnen gebruiken voor belegging op korte
termijn, bijv. in schatkistpapier. ‘Wordt hiertoe overgegaan
dan vermindert dit de vrije saldo’s zonder dat er in wezen
een verandering in de positie van De Nederlandsche Bnk
tot het buitenland heeft plaats gehad. Zou aan de andere
kant De Nederlandsche Bank tot belegging van buiten-landse betaalmiddelen overgaan dan leidt dit slechts tot
een verschuiving binnen de balans, bijv. van ,,Tegoed hij
correspondenten in het buitenland” naar ,,Papier op liet
buitenland”.
Slot
beschourving.
Verwerft men door kennis van de betekenis der ver-
schillende posten van de weekstaat nu ook de vaardigheid
de halansen van De Nederlandsche Bank
–
als een open boek
te lezen? Dit is niet liet geval. Men moet vaak over een
ontw’ikkeid combinatie- en ded uctieveimogen beschikken
om enig inzicht te verkrijgen. Soms.is het bezit hiervan
zelfs niet altijd ‘voldoende. Menig expert op het financiële
ter’ein moet nogal eens raden naar hetgeen zich heeft
afgespeeld. Dit vloeit ten dele yoort uit de omstandigheid,
dat de weekstaat een
balans
is. Deze geeft wel aan, dat ei
iets is veranderd, doch vermeldt niet de 6orzaak. Voorts
geeft een balans naar haar aard niet meer dan een moment-
opname. Uit dc vergelijking van de balansen
01)
verschil-
lende tijdstippen komt niet altijd naar voren wa in de
tussentijd is gebeurd. Dit bezwaar is evenwel in het onder-
25 October 1950
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
863
havige geval minder ernstig, omdat de intervallen tussen
twee balansdata klein zijn.
Er bestaat voorts geen synchroon verloop tussen het
rhythme van de publicaties en de gebeurtenissen in de
financiële *ereld, welke zich niet geheel regelmatig mani-
festeren. Een oplossing hiervoor lijkt moeilijk, zo niet
onmogelijk.
Een balans geeft de stand der rekeningen. In bepaalde
gevallen is kennis van andere feiten van meer belang, bijv.
de omzet, welke men nu eenmaal alet aan een balans kan
ontlenen. Wel komt het jaarverslag wat dit betreft hier
en daar aan’onze behoefte aan materiaal tegemoet, doch
dit helpt ons slechts hij studie van vraagstukken.op lange
termijn.
De weekstaat is een
çvrkorte
balans en hieruit vloeien
de meeste hezaren voort, welke men hoort noemen. Een
gevolg hiervan is, dat mutaties in rekeningen, welke in
één post zijn samengevat,’ zich an onze waarneming ont-
trekken. In dit verband moet wordeit gewezen op de moei-
lijkheid, welke ontstaat, wanneer zich bepaalde gebeurte-
iiissen voordoen, bijv. een aîlosing, zoals kortgeleden
•plaatsvond, van een groot crediet, destijds opgenomen door
het Egalisatiéfonds. Slechts wanneer de bankdirectie bij
de wijziging een toelichting geeft wordt ons onthuld, welke
de oorzaak van de wijziging is geweest. Van dit middel
echter maakt de bank slechis een spaarzaam gebruik.
In de posten, welke inzicht geven in de verhouding van
de bank tot het buitenland, worden alle valuta over één
kamgeschoren. Hierdoor’verkrijgt men van deze verhou-
ding nooit een goed beeld, althans niet onder de huidige omstandigheden. Meer details zijn nodig.
1-Jet bovenstaande is geen volledige opsomming 4an wen-
sen. Wij willen besluiten met een korte corklusie. Deze
luidt, dat aan bepaalde bezwaren niet ontkomen kan wor-
den, omdat een balans nu eenmaal niet meer. kan geven
dan zij bevat. Echter meer details ei meer toelichtingen
zouden toch, zowel door-bedrijfsleven als door theoretici,
met dankbaarheid worden begroet.
1-Iilversum.
C. 1). J’ONG\TAN, cc. drs.
INTERNATIONALE NOTITIES.
DE AMERIKAAN EN ZI.TN
AUTO
0.
Voor vele niet-Amerikanen zal het een verrassing zijn
te vertiemen, dat 25 pCt van het aantal auto’s in Amerika
behoort aan personen, die een leidende of zelfstandige
functie uitoefenen, terwijl niet minder dan 42 pCt in
eigendom is van geschoolde; haifgeschoolde of ongeschoolde
arbeiders. De landbouwende gemeenschap en de ,,white
collar”-employé’s maken ieder aanspraak op 12 pCt, terwijl
de rest – 9 pt – voor rekening komt van studerenden,
huisvrouwen, gepensionneetden enz. Het aantal auto-
bezitters, dat meer dan één auto heeft, neemt de laatste
tijd snel toe, nI. van 4,8 pot van alle autobezitters in
1948 tot 6,2 pCt in 1949.Van hen, die in 1949 twee of
meer auto’s bezaten, bestond 25 pCt uit geschoolde, half-
geschoolde cii ongeschoolde arbeiders.
Degenen, clie niet o”er voldoende geld beschikken,
kunnen door middel van afbetalingscrediet op gemakkelijke
wijze een auto verkrijgen. Nadat deze vorm vah crediet
gedurende de oorlog aan beperkingen was onderworpen,
is hij nadien weer sterk in omvang toegenoiben. Minstens
48 PCt van alle oude en nieuwe auto’s, die in 1949 in de Verenigde Staten werden gekocht, werd met behulp van
afbetali ngscrediet pf door enige and ere credietfacilitei t verkregen, tegen resp. 39, 35 en 21 pCt in 1948, 1947 en
1946. In totaal werden voor, dit doel in liet afgelopen jaar
credieten veriëend tot een bedrag van $ 6.029 mln
Naar schklting had 52 pCt van liet aantal autoritten
in de Verenigde Staten een zakelijk
–
doel; 32 pCt komt
Bron: Petroleum Press Service” van October 1 950.
voor rekening van het doemt van boodschappen in winkels
en slechts 16 pCt valt onder liet hoofd ,,plezierritjes”.
Niet minder dait 84 pCt van allle vacantiegangers trok er
in 1949 per auto op uit, tegen 76 pCt véér de oorlog.
1-let gemiddelde jaarlijkse henzineverbruik per motor-
rijtuig bedraagt sedert 1946 iets meer dan 700 U.S. gallons,
maar het vertoort ieder jaar een geringe daling. Het ge-
midcleld aantal afgelegde inijlen per auto hedoeg in’1949
9.410, terwijl aan henzirmebelasting door de federale en
staatsschatkïsten een totaal bedrag werd ontvangen van
$ 1.944 mln in 1949’en $ 1.782 mln in 1948. Een ongeveer
even groot bedrag werd ontvangen aan andere belastingen
op motorrijtuigen, zoals registralierechten e.d., zodat de
totale belastingen in 1949 $ 3.845 ml?) bedroegen.
De keerzijde van deze medaille is het aantal, als gevolg
van verkeersongevallen, te hatreuren mensenlevens, dat
in 1949 31.500 bedroeg. liet is een ontstellende gedachte,
dat dit aantal groter is dan liet totaal aantal slachtoffers
onder de burgerbevolking gedurende de ,,Battle of Britain”
in 1940. Nietemin zijn er met, de veiligheid
0
1
)
de weg grote
vorderingen gemaakt. In 19’41, beliep het aantal te be-
treuren mensenlevens als gevolg van verlceersongeval en
bijna 40.000 en in 1933 bedroeg dit aantal – hoewel de
bevolking kleiner was en het wegverkeer miimder intensief –
ongeveer evenveel als in 1949. Gedurende de periode van
1933 tot 1949 is liet aantal verkeersslachtoffers per jaar
gedaald van 25,0 tot 212 per 100.000 inwoners en van
13,2 tot 7,1 per 10.000 ,motorrijtuigen. Nochtans is er,
zolang de wegen een van de meest gevaarlijke plaatsen blijven, waar de mens zich kan wagen, weinig reden tot
zelfvoldaanheid.
DE NIEUWE hNVOERCØNTRØj,EMAATIiF()ELEN IN
–
ZUID -AFRIKA.
–
Een recente verklaring van Pretoria heef t, aldus ,The
Economist” van 14 dezer, een klein tipje van de sluier, waarmede de nieuwe, hinnenkbrt in te voeren, invoer-‘
contrôle in Zuid-Afrika was omgeven, opgelicht.
Tot nu toe werden Zuid-Afrika’s deviezeninkomsten
verdeeld ojer twee potjes.
Het eerste w’erd gevoed door Zuid-Afrika’s inkomsten
uit hoofde van goudproductie, uitvoer naa en kapitaal-
invoer uit ,,hard currency”-landen. De inkomsten van dit
potje, waaruit de essentiële invoer w’erd betaald, heliepen
vermoedelijk £ 150 k 180 mln ,per jaar. In zoverie deze essentiële invoer uit landen afkomstig was, die betaling
in sterling accepteren, gingen de betrokken bedragen in goud of harde valuta naar Londen, teneinde de centrale
reserves van liet sterlinggehied aan te vullen.
1-let tw’eede potje bestond uit ,,soft currency”-inkomsten
en de kapitaalstroom uit landen met zachte valuta. Alle
niet-essentiële invoer werd daaruit betaald, hetgeen wil
zeggen, dat Amerika en de andere landen. met harde
valuta niet con curreerden om Zuid-Afrika niet -essentiële
goederen te levereti.
Het schijnt nu, dat deze discriminatiomaatregelen tegen
exporteurs uit ,,hard currency”-landen zullen worden op-
geheven. Volgens het nieuwe systeem zullen alle deviezen-
inkomsten van Zuid-Afrika – zowel de harde als de
zachte – in één potje worden vergaard. ‘\Tolgens een ruwe
schatting zal aldus per jaar ongeveer £ 250 â 300 mln,
waarvan ca £ 120 min aan sterling, hinnenvlocien. Hieruit
zal de overgrote meerderheid van Zuid-Afrilca’s inver
wqrden betaald. De enige invoer uit landen met een zachte
valuta, die, op andere wijze, zal worden behandeld, zal
vermoedelijk op een kleine lijst van niet-essentiële goederen
voorlcomen, die zal worden hepaaldclooi de kapitaalstroôm
van zachte valuta naar de Zuid
,
-Afrikaanse Unie.
Wanneer deze nieuwe regeling in werking treedt zullen
de producenten in.landen met harde valuta in staat zijn
te streven naar lévering van een grotere goedeenvariëteit
864
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
25 October 1950
dan voorheen. Dit zal vermoedelijk een zware last beteke-
nen voor de goud- en harde valutareserves van de algemene
doviezenpot. Het gedeelte van de goudreserves, dat, als
gevolg van de aankopen van ,,soft currency”-goederen
door houders van een algemene invoervergunning, naar
Engeland zal vloeien, zal evenwel niet lager mogen zijn
dan £ 50 mln per jaar. Indien de Amerikaanse exporteurs
zoveel harde valuta uit de.algemerie pot verdienen, dat
4
niet genoeg overblijft om deze £50 mln te dekken, dan
zal de lijst van essentiële goederen weer worden bekort.
Het lijkt echter niet waarschijnlijk, aldus genoemd blad,
dat de Amerikaanse concurientie z6 scherp zal zijn.
Volgens de oude regeling ontving Engeland naar schat-
ting in de eerste drie kwartalen tezamen ongeveer £ 49 mln.
Wanneer Engeland er niet in slaagt zich een groter bedrag
dan het minimum van £ 50 mln te verzekeren, dan zal
het sterlinggebied in de komende maanden op geringere
goudontvngsten ,uit zuid-Afrika moeten rekenen.
lIET WgREn)AUTOrARK.
Volgens de meest recente gegevens van de ,,U.S. Auto-
mobile Manufacturers’ Association” is het aantal ge-
registreerde auto’s over de gehele wereld in 1949 toege-
nomen tot 63,6 mln. De toeneming van het totaal aantal
auto’s van 1948 op 1949 bedroeg ca 10 pCt; die van per-
sonenauto’s 11,4 pCt. 1-loewel de toeneming van het aantal
vrachtauto’s ed. slechts 6,5 pCt bedroeg, werd eind 1949
een niveau bereikt, dat 81 pCt hoger was dan dat van
10 jaren geleden. –
Meer dan de helft van het aantal vrachtauto’s en bussen
en meer dan J
,
van het totaal aantal personenautc’s
bevindt zich in de Verenigde Staten, waar op iedere 33
inwoners 10 auto’s, of per 14 gezinnen 10 personenauto’s
voorkomen. In andere landen is deze ,,auto-dichtheid”
veel geringer; in Canada, Australië en Nieuw-Zeeland is
er 1 auto op de 6 â 7 inwoners, in Europa 1 op 49, in
Azië minder dan 1 op 1.000 en in China’ ongeveer 1 op
9.000. Tengevolge van de oorlog en de in vele landen ge-
voerde ,,usterity”-‘politiek is het totaal aantal auto’s
buiten de Verenigde Staten sedert 1939 met slechts 8 pCt
toegenomen, hoewel de stijging van het aantal vrachtauto’s
en bussen gedurende dezelfde periôde niet minder dan
92 pCt bedroeg.
TABEL T.
Aantal geregisti’eerde auto’s.
(in duizenden aaii het einde van het jaar) –
1948 .
1949
Procen-
tuele
________
toene-
an en
W.O.
per
wo. per-
ining
Totaal
sonen
Totaal
sonen
van 1948
auto’S
auto’s
01)
1949
Ver. Staten
. .
41.151
33.398
44.671
.36.434
8,5
Groot-Brittannië
‘2.714
1.996
3.051
2.232
11,2
Rusland
.
3.000
720
Frankrijk
1.715
985
2.295 1.520
33,9
1949
1.474 2.195
1.651
13,0
Australië
1.060
669
1.150
730 8,6
West-Duitsland
.
505
‘)
200
‘)
693
355
37,3
Zuid-Afrika
. . .
467 365
519
406
11,2
428 215 470
260
10,0
Canada
……….
318
163
368
989 12,5
Argentinië
364
224
361
220
–
0,8
België
280
161
359
215
28,4
Italië
………….
Nieuw-Zeeland
.
293
224
307 230
4,9
Brazilië
……….
249
.
.
142
296 173
19,0
Mexico
…………
Nederland
165
88
200 120
21,2
Wereld totaal
.
.
57.881
42.843
63.584
47.582
10,0
1)
mcl.
Oost-Duitsland.
Bovenstaande tabel, welke is ontleend aan ,,Petroleum
Press Service” van dez’e maand, geeft een overzicht van
het aantal auto’s in verschillende landen in 1948 en 1949,
alsmede van de procentuele toeneming van dit aantal
ge
durende 1949. Zoals men uit deze tabel kan zien was
de uitbreiding procentueel het grootst in Frankrijk, West-
Duitsland en de Beneluxlanden. Argentinië was het enige
belangrijke land, waar tengevolge van importrestricties
het aantal geregistreerde auto’s in 1949 is gedaald.
Gedurende 1949 werden.over de gehele wereld – exclu:
sief Rusland – 7,8 mln auto’s gebouwd. Aangezien de
toeneming van het aantal geregistreerde auto’s blijkens
tabel 1 5,7 mln bedroeg, was er bovendien gelegenheid
om een groot aantal oude auto’s te vervangen. Dat dit
laatste
–
wel nodig was,’ moge blijken uit het feit, dat,
tengevolge van het inkrimpen der productie voor civiel
gebruik gedurende de oorlog, 42 pCt van alle auto’s in
de Verenigde Staten ouder was dan 10 jaar, een percentage,
dat in 1941 slechts ongeveer 18 was. In de andere landen
is dit percentage, aldus ,,Petroleum Press Service”,
vermoedelijk nog veel hoger, zodat in de komende jaren
mag worden gerekend op een ongewoon-hoog percentage
afgedankte wagens. Hier staat echter tegenover, dat,
zoals onderstaande tabel doet zien, de productie in vrijwel
alle belangi’ijk producerende landen
is
gestegen. Bijna
overal oversclireed cle productie in 1949 het vooroorlogs’
niveau.
TABEL II.
A utoproductie
(in duizenden)
9948
1949
,
Jan-Juni
’50
‘;
w.o.per-
w
Totaal
sonen
Totaal
n
Totaal
sonen
auto’s
auto’s
auto’s
\Ter. S’taien
.
5.285
3.909
6.253
5.119
3.750
3.094
Ver. Koninkr.
512
335
630
412
397
262
canada
264
167
293
194
192
139
Frankrijk
198
1100
285
188
169
.
123
\V.-Duitsland
59
30
164
104
128
–
92
Italië
……..
60
44
86
79
60
46
Overigelanden’)
58
21
6.436
4.606
..
84
40
50
25
\Vei’eld totaal
.
7.795
6.136 4.746
3.781
‘)Gecleeltelij k geraamd.
‘) Exel. Rusland.
Gedurende 1949 werden in totaal 810.000 auto’s inter-
nationaal verhandeld. 1-Jet Verenigd Koninkrijk wâs met
351.000 auto’s de belangrijkste exporteur; daarna volgden
Canada en Frankrijk met een uitvoer van resp. 274.000
en 98.000 auto’s. De grootste importeurs waren België
en Australië; deze landen importeerclen resp. 72.000 en
136.000 auto’s.
HET BAZENPROBLEEM.
Enige weken geleden werd in dit blad
1)
verwezen naar
eèn artikel in ,,The Economist”, waarin o.a. de aandacht
werd gevestigd op liet feit, dat de bazep in het Engelse bedrijf steeds meer ‘op de achtergrond geraken. Ook in
ons land is dit verschijnsel waar te nemen. In een voor-
dracht, gehouden voor de algemene vergadering van leden
der Algemeene Werkgevers-Vereenigiog, heeft Ir J. M.
Matthijsen o.a. dit ‘vraagstuk ter sprake gebracht.
Na te hebben geschetst hoe als gevolg van de functionele
taakverdeling de baas de oorspronkelijk onverdeelde
hdzentaak met allerlei instanties – o.a. de personeel.s-
afdeling, de rationalisatie-afdeling, het zgn. planbureau
en de veiligheidsdienst – tezamen moet uitvoeren, zegt
Ir Matthijsen: ,,I-Iet zal u duidelijk zijn, dat, wanneer een
dergelijke functionele taakverdeling volstrekt doorgevoerd
wordt, de mogelijkheid bestaat, dat onze bazen in zekere
zin onvolwaardig worden. Zij denatureren, worden bloede-
loos, zou men kunnen zeggen, terwijl er juist meer dan
ooit behoefte aan bazen is, die in menselijk opzicht all-
round zijn en die met beidè benen op de grond staan.
‘)
Zie: Democratie iii het bedrijf” in ,,E.-S.B.” van 6 September
1950.
25 October 195Q
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
865
Want hoe gemakkelijk is hét niet, dat de bazei aan zelf-
standigheid inboeten, aarzelend worden, zich dekken achter
instanties, verantwoordelijkheid afschuivend, daar, waar
zij voor de resultaten van hun afdeling volledig aanspra-
kelijk zijn”.
Voorts wijst Ir Matthijsen op het ook door ,,The Econo-
mist” geconstateerde contact tussen leiding en personeel
buiten de baas om, waardoor diens positie in het bedrijf
verzwakt. Niettemin is de functionele taakverdeling een
onvermijdelijk gegeven. Er zullen evenwel wegen moeten
worden gevonden om de baas toch tot de volwaardige en
,,warmbloedige” mens van weleer te maken. In dit ver-
band verdient vooral de opleiding – en niet alleen de
technische – en de vorming de aandacht. Kort véér de
oorlog verscheen een studie daaromtrent van de Maat-
schappij voor Nijverheid en 1-landel, waarin werd gecon-
cludeerd, dat men deze opleiding in handen moest leggen
van een instantie buiten het bedrijf. Ir Matthijsen is d.e.t.
van mening, dat de vorming van bazen een aangelegenheid
is van de bedrijfsleiding. ,,Men kan tenslotte de bazen
niet verder brengen dan de bedrijfsleiders gevorderd zijn
op de weg naar een verantwoord sociaal-psychologisch
bedrijfsbeleid”. De door de Amerikanen toegepaste con-
ferentiemethode hij het overbrengen van bepaalde doel-
voorstellingen op de bazen kan daarbij, aldus de heer
Matthijsen, van zeer groot nut zijn, terwijl bovendien de
hulp van derden, om bij de bedrijfsstaf de juiste mentaliteit
te ontwikkelen, toch nog kan worden ingeschakeld.
Er moet voor worden gewaakt, dat de leiding van een
eventuele conjunotuuromsiag geen misbruik maakt mde zin van ‘vestiging van het beleid op zuiver economische
gronden. 1-let personeel zou dan nl. het vertrouwen in de leiding wel eens kunnen verliezen en kuflnen vluchten in
een gelijke materialistische instelling. Men moet bedenken,
zegt Ir Matthijsen, dat een groot deel van het maatschap-
pelijk leven zich in het bedrijf afspeelt, en dat het culturele
leven eveneens vooi’ een belangrijk deel in de bedrijven
ontstaat.
1-Jet is daarom van enorm belang voor bedrijf en simen-
le’ing, dat er bazen werkzaam zijn, als laatste uitlopers
van het hiërarchisch gezag, die in sociaal-psychologisch
opzicht berekend zijn voor hun taak. Naast hun technische
en economische functie is hun sociaal-psychologische functie
van belang. Daarom is, aldus Ir Matthijsen, de vorming
en training van de bazen als essentieel element in de ver-
hoging van de productiviteit ten zeerste aan te bevelen.
GELD- EN KAPITAALMARKT.
De geidmarkt.
Van de werking van inflatoire krachten, waarover ook
in ons land in verband met de herbewapening zoveel wordt
gesproken, is momenteel nog niets te bespeuren. 1-Jet geld-
afromend effect van de hoge belastingen en het invoer-
overschot is nog steeds voldoende om de geldvermeerde-
rende factoren te compenseren.. De geldsomloop vertoont
daardoor vooralsnog een zwak dalende trend. Hierbinnen
vindt een periodieke wisseling plats tussen chartaal en
giraal geld, die goeddeels verantwoordelijk is voor de
stemming 6p de geldmarkt.
Gedurende de verslagweek vertoonde de bankbiljetten-
circulatie een nieuw laagterecord voor de laatste drie jaar.
Dat ook ditmaal van een verschuiving naar giraalgeld ten
koste van het chartale geld sprake vas – de weekstaat
van De Nederlandsche Bank vicl met de maandmedio
samen -, bleek wel uit de stijging van het tegoed van de
banken bij de cfrculatiebank, dat met f 24 mln tot f 81 mln
toenam. Deze versterking van de liquide middelen houdt
verband met de beoordeling door de banken van hun toe-komstige geldbehoeften. 1-let feit, dat de periode, waarin
regelmatig veel schatkistpapier vervalt, thans ten einde
loopt, is aanleiding om de toevloeiende middelen niet ge-heel in schatkistpapier te herbeleggen.
liet kopen van kortlopend papier op de géldmarkt, dat uit
een oogpuntvan rentabiliteit uiteraard veel voordeliger is dan
liet aanhouden van renteloze saldi bij De Nederlandsche
Bank is, gezien de beperkte capaciteit van de geld markt,
niet op grote schaal mogelijk. Dat de neiging hiertoe echter
wel bestaat, blijkt uit de lagere disconto’s, speciaal voor
kortlopend papier, die thans heersen.. De afgelopen week
noteerde Novemberpapier 1
1
/
pCt, December-
i’/16/8
pCt
en Januaripapier
1’/-/,
pCi. De callgeldnotering was de
gehele week j pCt, het minimumpercentage. De omvang,
waarin men geld op deze wijze kan uitzetten, is echter
eveneens aan nauwe grenzen gebonden, om de eenvoudige
reden, dat de discontohandelaars daarvan niet meer dan
een bepaald bedrag opnemen.
De kapitaalmarkt.
1-let aantal weken, dat liet koersniveau op de aandelen-
markt practisch onveranderd bleef, werd door de verslag-
week wederom met één vermeerderd.
Een vorig maal w’ezen wij op het ontbreken van op de
korte termijn werkzame factoren, die een stimulans zouden
kunnen vormen voor koersveranderingen naar de ene of
de andere zijde.
De ,,long run”-factoren, die aan de grote lijn van de
koersbeweging ter beurze ten grondslag liggen, zijn thans
gedeeltelijk positief en gedeeltelijk negatief.
rç
w
,
ee
voorname
factoren worden aangeduid door de beide kernvraag-‘
stukken,ie behandeld zijn, resp. zuilen worden op de
vorige en de eerstkomende vergadering van de Ver-
eniging voor de Staathuishoudkunde. In September be-
handelde deze het onderwerp ,,lnflatie en full employ-
ment”. In November zal worden besproken.,, 1-let vraag-
stuk der kapitaalschaarste in Nederland, meer in het bij-
zonder de schaarste aan risicodragend kapilaal”. Ziëhier in
een,,nutshell” het dilemma. Zal het koersstijgend effect der inflatoire ontwikkeling groter of kleiner zijn dan het koers-
drukkenicl effect van de kapitaalschaarste?
Met de thans beschikbare gegevens is deze vraag nog
niet oplosbaar, niet in het minst dôor de onzekerheid om-
trent de maatregelen, die de Overheid op heide punten zal
nemen. 1-let is dan ook geen wonder, dat er op het moment
aarzeling bestaat, ook hij degenen, die bij hun beleggings-
politiek zo veel mogelijk met overwegingen
0
1
)
de lange
termijn rekening plegen te houden.
13 Oct.
20 Oct.
Aand. indexcijfers
1950
1950
Algemeen
……………..
155,7
,
155,1
Industrie
……………….
221,0
220,3
Scheepvaait
….. . …………
163,8
163,9
Banken
………………….
125,9
126,3
Indon.
aandelen
…………..
56,1
55,6
Aandelen
A.K.U.
–
………………..
172e
175
Philips
………………….
231k
231
Unilever
………………..
224
223
II.
A.
L…………………
172
175
Amsterdam Rubber
……….
133
128
H.V.A.
………………….
122k
118k
Kon.
Petroleum
…………
293k 292k
Staatsobligaties
2
pCt
N.W.S.
….. . ………
“Iio
79j-
3-3k pCt
1947
…………..
97
5
/
97
3 pCt
Invest.
certif.
……….
.97/
973/16
3 pCt
Dollarlening
……….
J.C.B.
‘.
5
‘
866
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
25 October 1950
•
STATISTI’EKEN.
DE NEDERLANDSCHE BANK.
Verkorte balans op 23 October 1950.
Activa.
Wissels, pro- ( Hoofdbank f
messen en
J
Bijbank
schuldbrieven Agentsch.
,,
1.000.-
in disconto
î 1.000.-‘)
Wissels, schatkistpapier en schuldbrieven,
door de Bank gekocht (art. 15, onder 4,
van de Bankwet 1948)
Schatkistpapier, door de Bank overgenomen
van de Staat der Nederlanden ingevolge
overeenkomst van 26 Februari 1947 .,…,, 1.350.000.000,-
Voorschotten ( Hoofdhank .
1
43.372.342,90 ‘)
in rek. cr1
1
op onderpand
Bijbank
,,
. 526490,85
(mci. belenin-
1
gen)
l, Agentsch.
,, 15.292.052,24
59.190.885,99
Op effecten
007
.
……… ….
57.553.275,30 )
Op goederen en celen
….,,
1.637.610,69 59.190.885,99
1
)
Voorschotten aan het Rijk (art. 20 van de
Bankwet 1948)
……………………
..-
Boekvordering op de Staat der Nederlanden
ingevolge overeenkomst van 26 Februari
1947
………………. …………… 1.500.000.000,-
Munt en muntmateriaal:
.
Gouden munt en gouden
muritmateriaal ……….873.101.768,83
Zilveren munt enz.- ……..17.684.123,02
890.785.891,85
Papier op het buitenland . .
383.629.680,13
Tegoed bij correspondenten
in ‘het-buitenland …………917.880.853,56
Buitenlandse betaalmiddelen
1.419.803,56
1.302.930.337,52
Vorderingen in guldens op vreemde circulatie-
banken en soortgelijke instellingen
……..378.719.959,50
Belegging van kapitaal, reserves, pensioen-
fonds en voorzieningsfonds …………….134.208 240,23
Gebouwen en inventaris ………………….1.500.0
00
,
–
Diverse rekeningen …………………….387.86
7
.
976
,
82
t 6.005.204:291,64
Passha.
Kapitaal
…………………………..t
20.000.000,-
Reservefonds
……………………..
….18.418.854,74
Bijzondere reserves
………………..
….69.951.000,39
Pensioenfonds …………………………
24
.36
8
.
078
,
29
oorzieningsfonds personeel in tijdelijke dienst ,, 1.502.725,68
Bankbiljetten in omloop (oude uitgiften) ……58.489.655,-
Bankbiljetten in omloop (nieuwe, uitgifte)..,, 2.733.209.660,-
Bankassignaties in omloop ………………. 111.050,57
Rekening courant saldo’s: ‘5 Rijks Schatkist
……f 294.153.769,41
‘s Rijks Schatkist, bijzonde-
re rekening
………. 1.387.87′ .033,77
Gebiokkeerde saldo’s
503.692,82
Saldo’s van banken in Ne-
derland
…………..
..51.014.708,75
Vrije saldo’s van vreemde circulatiebanken en soort-
gelijke instellingen
……390.’iO3.883,40 Andere Vrije saldo’s ……..395.864.086,57
.525.814.174,72
Crediteuren in vreemde geldsoort
……….82,231.496,58
Diverse rekeningen
….
……..
…………471.107.595,67
6.005.204.291,64
Waarvan schatkistpapier, rechtstreeks door
de Bank in disconto genomen
……..f
-.
.Waarvan aan Indonesië (Wet van 15 Maart
1933, Staatsblad no. 99) ………………..
.,31.623.000,-
Circulatie der door de Bank namens de Staat’
in het verkeer gebrachte muntbiljetten
..,,
132.395.054,-
WERKLOOSIIE[D’IN BELGIË
‘).
Maand,
‘
Geh cl
werklos
Gedeeltelijk
ento’aihg
erkloos
158.873
56.443
Juli
158.954
61.515
154.011
60.672′
‘164.032 64.361
196.463
54.614
210.403
48.984
Augustus
……………….
September
……………….
October
‘
………………..
December
…………….
202.116
62.959
Juni
1949
………………..
November•
………………..
216.096
92.872. 209.156
55.105
Maart
190.845
‘
…
45.994
Januari
1950
……………….
April
177.987 41.968
Februari
…………………
Mei
165.467
45.522
t
–
157.480
50.843
‘)
Bron
:
,,Statistisch
Bulletin”
van
liet
Nationaal
Instituut
voor de Statistiek.
STANÏI VAN ‘s RIJKS’ KAS.
Vorderingen
14
Oct.1950
7Oct.
1950
Saldo van ‘s Rijks Schatkist bij
.De Nederl.
Bank
……..
f. 183.421058,66
t
‘129.920.334,29
Saldo van’s Rijks Schatkist bij
de Bank voor Nederland-
sche Gemeenten
……..
”28.162.053,-
,,
26.656.797,15
Kasvorderingen
wegens
ere-
dietverstrekking
aan
het
–
,
–
Daggeldleningtegenonderparid
–
– –
Saldo der postrekeningen van
Rijkscomptabelefl
……..
..
345.801.934,24
Voorschotten op ult.Sept.,rosp.
Aug. ’50 aan de gemeenten
…..
buitenland
……………………
wegens aan haar uit te keren
belastingen
– –
Vordering in rek. courant op:
…
398.590.485,78
,,
53.455.002,15
,,
53.455.002,15
11.534.211,89
,,
‘1i.’i17.353,05
Ned. Antillen
– –
Het Algemeen Burgerlijk Pen-
V.S.
Indonesië
…………
Suriname
…………
…….
sioenfonds
……………
–
–
0
Het
staatsbedrijf
der
P.,
T.
enT
–
Andere staatsbedrijven en in-
stellingen
……………
496.156.850,76
.,
490.370.336,09
Verplichtingen
Voorschot door De Nederland-
sche Bank verstrekt
Voorschot, door De Nederland-
scbe Bank in rekening cou-
–
Schuld aan de Bank voor Nc-
derlandsche Gemeenten
rant
verstrekt
…… …………..
Schatkistbiljetten in omloop
[”1942.680.900,-
f1940586800,-
Schatkistpromessen bij De Ne-
derl. Bank ingevolge over-
eenkomst van 26 Febr. 1947
,,1350.000.000,- ,,1350.000.000,-
Schatkistpromessen in omloop
(rechtstreeks bij De Nederl.
Bank
is
geplaatst
nihil)
15.102,2 mln wo. grantie
Bretton Woods f1.245 mln
2
;3857.200.000,- ,,3828.500.000,-
Daggelclleningen
.-
–
Muntbiljetten in omloop ….
‘132.777.573,-
133.402.205,-
Schuld op uIt. Sept., rcsp. Aug.
’50 aandegemeentenwegens
aan haar uit te keren belastin-
…..
175.008.067,86
168.538.086,14
Schuld in rek. courant aan:
V.S. Indonesië
– –
–
gen
……………………
Ned.
Antillen
……….
2.986.932,81
2.743.111,14
Het Algemeen Burgerlijk Pen-
Suriname
……………..
351,84.
5.551.321,43
Het
staatbedrijf
der
P.,
T.
……..
379.176.63147
,,
341.586.353,57
sioenfonds
……………………..
Andere staatsbedrijven
. . .
–
-1-
en
T……………………
Schuld aan diverse instellingen
in
rekening
met
‘s Rijks
Schatkist
……………..
1149.153.3
,
95,22
,,l’lS’l .153.395,22
ENIGE INDEXCIJFERS VAN DE INDUSTRIËLE PRODUCTIE
IN BELGIË
‘).
‘
-‘
1938
–
100
Decl
_
Jan.
1950
Febr.
_1950
,
Mrt Apr.
,
1950
Mei 1950
Juii
_1950
Juli
1950
Algemen
index
Y.
d.
114
112
106
121
rit
110
101
ind.prcid.’)’…….
Steenkool
………
104,4
100,7
92,7
102,6
95,3 89,9 94,3
65,8
95,1
87,5
91,9
85,7
86,8 80,2
70,6
Cokes
………….93,7
Cement
………..94
.
79,6
. . .
Ruw
ijzer
……..
‘142,4
149,7
134,2 153,5 141,0
144,4 145,8 108,6
162,3
168,6
‘145,9
161,4
152,5
157,8
1610
115,1
Afgewerkt staal
. . . .
160,2
155,2
143,0
160,1
155,4
152,2
‘161,9
105,5
Afgewerkt ijzer
70,1
62,7
77,8 86,8
58,5
32,3 63,0
38,9
Vlas (spinnerij)
. . .
109,7
122,1
113,0
128,5
119,5
94,2
38,8
Vlas
(weverij)
. . .
75,8
81,1
80,3
102,1
77,3
79,8 20,5
Katoen (spinnerij)
125,1
123,2
123,0 152,9
125,9
‘127,6
51,4
Katoen (weverij)
. –
134,3 138,3
141,0
160,8
142,8
140,9
45,8
Wol (kamwol, spin-
Ruw staal
………
nerij)
……….
178,3
.
153,1
159,7
‘177,4
172,9
‘130,1
132,3
Wol
(weverij)
. . .
159,0 154,7
156,5 176,5 164,2 182,6 107,5
79,1
78,1
68,2 72,2 73,2
69,4
67,0
Flolglas
……….
66,4
65,7
67,4
80,3
90,5
95,2
98,8
l55,6
..
150,6
‘143,1
170,0
152,6
‘156,7
168,8
Vlakglas
…………
106,8
..
. . . . .
Papier
…………..
Geraffineerde suiker
102,6
81,0 72,0
86,9
73,9
71,0
67,5
77,0
Margarmne
………
Sigaren
………..58,5
46,7
29,9 31,0
34,31
38,01
39,4
36,7
Sigaretten
……..
.110,11111,3
116,7
113,7 117,7 142,6 144,4 131,8
‘)
Bron: ,,Statistisch Bulletin” van het Nationaal Instituut voor de Stâtistiek; . betekent: gegevens ontbreken; gecorrigeercle. ge-
gevens zijn cursief gedrukt. ‘
‘) Indexcijfer Ministerie van Economische Zaken: 1938 = 100
1
25 October 1950
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
867
ENLEGGINGEN EN TERTJOBETA.LINGEN OP PARTICULIERE
SPAARBOEIJES BIJ DE ALGEMENE SPAAR- EN
LIJF1tENTEKAS IN BELGIË
1),
(in duizenden francs)
Tegoed der,
T
–
Terug-
–
inleggers aan
Tijdvak
le
betalin-
e
Saldo
het einde
gen
van het
•
tijdvak’)
1939
.
3.331.391 3.696.925
-165.534
12.670.559
1946
5.213.362
3.828.538
L384.826
19.823.453
3
)
1947
8.698.209′)
4.964.339
,
3.733.870′) 24.185.471′)
1968
8.546.890
5.946.442 2.600.448
27.524.459
1949
8.764.909
6.573.863 2.191.046 30.509.505
1949
Augustus
720.338
492.529
227.809
29.105.735
Seplember
705.671
534.951
170.720
29.276.455
• October
697.651
568.722
128.929
29.405.384
November
653.347
447.411
205.936
29.611.320
December
871.446
680.092
191.354
30.626.051
4
)
Totaal 1949
8.850.232 6.572.017
2.278.215
–
1950
Januari
1.070.439
504.020
566.419 31.192.470
Februari
1
)
795.317
496.313
299.004 31.491.474
Maart’)
961.506
645.680
315.826 31.807.300
April
6)
699.401
706.515 – 7.114 31.800.186
Mei
1
)
662.109
638.958 .
23.151
31.823.337
Jüni’)
687.577
682.159
5.418 31.828.755
Juli
5
)
626.586
703.389 – 76.803 31.751.952
Augustus
5)
577.356
584.131 – 6.775 31.745.177
‘) Bron: ,,Studl8n van de Algemene Spaar- en Lljfrentekas”.
‘)
Op het einde van het jaar Inclusief gekapitaliseerde Interest.
‘) Na het omzetten van de geblokkeerde gedeelten in obligati9n
van de Muntsaneringslening en het aftrekken .van de belasting
op het kapitaal.
t
) Van Januari 1947 af inclusief Inkoop van obligatlên van de
Muntsaneringslening ad frs 823.035:000. ‘) Voorlopige cijfers. ‘)
Inclusief rente over A949.
IN- EN UITVOER
VAN BELGIË’).
Invoer
1
Uitvoer
1
Saldo
Maand
zenden
tonnen
Indui-
lioenen
zenden
trancs
tonnen
inmil-
lioenen
frans
imII-
lioenen
franc
Maandgem.’36/’38
2.868
2.019
1.912
1.859
–
160
Maandgem.’47
. .
2.322
7.130
1.070 5.138
-1.992
Maandgem.’48
.
2.432
7.293
1.258
6.177
+1.116
Maandgem.’49
. .
2.296
6.810 1.210
6.649
–
161
Oct.
1949
. .
2.256
6.595
1.203
5.836
–
759
Nov.
1949
. .
2.297
7.031
1.205 5.643
-1.388
Dec.
1949
. . 2.331
7.941
1.338
6.331
-1.610
Jan
1950
. .
2.124
6.959
1.496
6.661
–
298
Febr.
1950
. .
1.817
6.541 1.059
5.938
–
603
Maart
1950
..
2.552
8.148
1.536
7:480
–
668
April
1950
. .
2.285
6.907 1.364 6.404
–
503
Mei
1950
. . 2.458
7.495
1.181
5.706
-1,789
Juni
1950
. .
2.442
7.884
1.421
6.743
-1,141
Juli
1950
. .
1.395
6.265
)
Bron:
,,Statistisch Bulletin”
van het
Nationaal
Instituut
voor de Statistiek.
‘)
Gecorrigeerde gegevens.
•
DE KOLENPOSITIE VAN BELGIË
‘).
(Al
duizenden tonnen)
Voorraad aan
Maand
Productie
Afzet
het einde van
de maand
Gem.
1938..
2.465
2.336
Gem.
1946..
1.898
1.897
Gem.
1947..
2.033
2.021
Gem.
1948..
2.223
2.192 Gem.
1949..
2.321
2.239
Augustus
1949..
2.005
‘
1.914
.
2983..
September
1949..
.
2.082
–
2.386
,
2.680
October
1949.
2.361
2.667
2.374
November
1949..
2.394
2.717
2.051
December
1949..
2.574
2.812
1.813
Januari
1950..
2.483
2.620
1.668
Februari
1950..
2.274
2.264
1.679
Maart
1950..
2.529
2.431
1.77.7
April
1950..
2.350
2.054
2.073
Mei
.
1950.
:
2.217
1.960
2.330
Juni
.
1950..
2.326
1.973
2.682
Juli
1950..
1.621
1.694
2.610
5)
Bron: ,;Statlstich Bulletin” vals het Nationaal Instituut voor
de Statistiek.
.
TINPRODUCTIE
‘)’).
•.
Tin in tinerts
‘
.
Zuivere tin ‘)
—
– – –
–
In
—
–
‘
—
Bo-
In-
do-
Ma-
.
d
Ma-
Ne-
tons
Ii
lak-
To-
Velak-
der-
Gr.
via’)
ka
taal
Stka’)
land
Br.’)
1938
25,5 29,7
43,4
165,0
–
63,7
25,3
321
.,
1.62,1
1939
27,5 26,8
47,4
167,5
–
80,5
14,4
37,3
.173,8
1940 37,9
41,3
83
235,0
1,4
126,9
1,2
46,7
225,9
1941 42,1
‘53,4
79,4 246,0
‘1,8
125
–
41,3
216,0
1942
38,3
9,9
15,7
121,0
16,2
10
–
37,3
105,6
1943
40,3
19,1
26,0
138,5
21,5
X5
31,6
110,5
1944
38,7
7,0
9,3
99,5 30,9
5
–
28,6
93,77)
1945
1946
42,5
1,1
3,2
87,5
40,5
2,5
–
0,9
27,5
29,1
84)
‘99,3″
1947 37,6 33,3
6,4
15,9
8,4
27,0 89,0 112,0 43,5 33,3
11,5
29,3
9,0
28,1
124,6
1948
37,3
30,6
44,8
151,5
36,7
49,7
16,4
31,0
.
157,4
1
)
1949 34,1
29,0 54,9
162,3
7
)
36,1
62,7
19,2
28,4
168,7)
Aug.
2.7
2,3
4,8
13,9
3,0
5,3
2,2
15
Sept.
2,7
2,2
4,7
13,2
2,9
5,2
2,2
2,2
‘x.’
Oct.
2,2
2.4
4,9
13,3
3,0 5,8
1,3
2,0
14,2
Nov.
3,6
2,4
4,8
14,5
3,0
6,4
1,1
2,7
14,6
Dec.
4,2 2,3
4,7
14,6
2,8
5,5 1,0 2,9
13,9
1950
.
Jan.
0,9
2,4
5,2
12,1′)
2,6
5,5
1,2
2,5
Febr.
1,7
1
2,5
4,4
12,6
2,4
4,5
4,4
x,8
“12,0”
Mrt
4,2
2,6
4,7
z,6
2,7
,
6,9
1,4
15,1
April
3,0 2,8 4,8
‘3,7’)
2,5
5,4
2,1
2,2
r4,x’)
Mei
2,4
2,8
5,2
14,1
e
)
3,0
5,4
3,0
2,6
16,0
1
)
Juni
3,3 2,6 4,7
13,3
2,3
6,1
2,6
2.2
15,1
Juli
2,8
5,1
2,3 5,2
1,8
2,5
13,5
Aug.
2,8 4,8
‘)
Bron: ,,Statistical
Bulletin” van de ,,Internatlonal Tin
1
Study Group”. Cursief gedrukte cijfers zijn
schattingen.
‘) Exclusief de U.S.S.R.
3)
Productie
der
smelterijen, exclusief uit tinhoudend afval.
‘)
Exportcijfers,
daar productiecijfers niet
beschikbaar .zijn.
‘)
Maandcijfers
hebben betrekking
op
vier- of vijfwekelijkse
perioden.
‘)
Na de oorlog inclusief productie uit geimporteerd
afval.
7)
Gecorrigeerde
cijfers.
–
PRIJSINDEXCIJFERS VAN lIET GEZINSVERBRUIK IN NEDERLÂ1D.
(1938/’39 = 100)
1)
i. volgens’ huishoudrekeningen April 1948-Maart 1949;
II. Volgens huishoudrekeningen 19351’36;
gezinnen met inkomens van 640 -< 150 per week.
gezinnen.met inkomens in 1935
1
’36 beneden f1.800perjaar.
1
1949
1
•
1950
11
1945.1
1948 1
1949
1
1950
Groep
1515
15
15
15
15′)
15
15
15
15
15
15′
15
15
2
)
Sept.
Dec..
Mrt
Juni
Aug.
Sept. Sept.
Sept. Sept.
Dec.
Mrt
Juni Aug.. . Sept.
197.
205
214
217
215
218
173
206 216 226
237
241
239
243.
Voedingsmiddelen
.
. .
235 246
259
269
258
258
166
229
244 257 274
284
275
276 309 326 338
342
348 360 325 310
312
330
342 347
354
367
356 364
378
377
378
405 296
335
364 374 $84
383
383
407
Totaal
……………..
Kleding
……………
325
325
•
328
325
325
329
234
.
321
380
380
387
382 382
385
Schoeisel
………….
Reiniging
………….
Woningior. en huisraali
302
308
315 317
322
336 323
309
306
314
322
323
328
343
Overige groepen incl. huur
151
(56
162
162
164 167 144
154
159
164
171
170
173
177
Huur
……………..
100
00 100
100 100 100
100 100
100
100 100
100
100
100
‘)
Bron: ,,Statlstisch bulletin van het C.B.S.”.
Voor de berekening Is het prijsverloop gevolgd in de gemeenten Groningen, Enschede, Eindhoven, Tilburg, Dongen en Heerlen.
5)
Voorlopige cijfers.
NATIONALE BANK VAN ZWITSERLAND.
(Voornaamste posten in millioenen rrancs).
•
‘$2
00
n
s)
‘
2
Data
‘
–
4
4).
.c.
C.)
.
‘
0
2.)
31 Dec.
1946
4.949,9
158,0
238,7
52,7
1
4.090,7 1.163,7
30 Sept. 1950
6.110,1
1
358,6 138,6
41,3
4.350,6
2.430,4
7 Oct.
1950
6.100,7
1
367,0
136,1
41,3
J
4.276,3 2.195,6
14 Oct.
1950
6.099,6
367,1
135,3
41,3
4.230,3 2.246,5
VERKOPEN
VAN
TARWE EN TARWEMEEL DOOR
EXPORTERENDE LANDEN GEDURENDE DE PERIODE
VAN 1 AUGUSTUS 1949 TOT 11 AUGUSTUS
1950
1).
(in metrieke tonnen)
Exporterei’de
Gegarandeerde
Totaal der
landen
hoeveelheden
verkopen
Australiê
2.199.000
2.192.081
Canada
5.582.000
.
5.007.893
Frankrijk
91.000 90.000
Verenigde
Staten
6.419.000
4.438.942
Totaal
14.291.000
11.728.916
AANKOPEN VAN TARWE EN TARWEMEEL DOOR
IMPORTERENDE
LANDEN GEDURENDE
‘DE
PERIODE
VAN
AUGUSTUS 1949
TOT 11 AUGUSTUS 1950
‘),
–
(in duizenden metrieke tonnen)
Geëxporteerd door:
–
1
i
.
n.
Iniporterende
2.)
‘
,’5
1
1
‘0
:
1
.
‘
1
cd
–
landen
I
J
1
‘5
,
.
II0
25
2.’
1
1
022
–
284
–
256
541
360,0
–
10
–
33
43
‘Ceylon
2)
120,0
..
120
–
–
120
202,0
–
120
–
.
44
164
Duitsland
……..
1.800,0
–
. –
–
865
865
Cuba
……………
187 28
–
–
215
Egypte
………..240,0
Griekenland’)
. .
.
428,0
.
..
–
–
–
431
431
275,0
–
13,0
–
90
219
België………..550,0
Ierland’
………….
India
2)
1.042,0
1.042
–
–
–
1.042
Brazilië
………….
160,0 ..
9
80
–
60
149
Italië
……….
1.100,0
–
-‘
354 354
Mexico
t)
250,0
–
10
–
241
250
Nederland
.. ……
750,0
75 14
40
619 748
Israël
………….
.
Nieuw-Zeeland
. .
.
125,0
76
–
–
–
76
Noorwegen
‘)
210,0
.
14
31
–
165 210
Oostenrijk
2)
300,0
.
-•
–
–
301
301
Peru
…………
150,0
9
6
–
129
144
Pbilippijnen
196,0
2 56
–
66 123
140,0
..
1
7
–
‘
131
140
Unie
v.
Z.-Afrika
.
300,0
56
159
–
–
215
Ver. Koninkrijk
.
.
4.189,0
572 3.670
50
485
4.777
Portugal
‘)
………….
Venezuela
2)
130,0
–
105
–
21
125
Zwitserland
‘)
. . .
175,0
–
175
–
–
175
”otaal
………..
1
4.291,0 2.192
5.008
90
4.439
11.729
Bron:
,,Wheat Council”.
‘)
Deze
landen
zijn
aangesloten
bij
de Internationale
Tarwe
Overeenkomst.
‘)
Gegarandeerde hoeveelheid volledig
opgenomen.
.
‘)
Medegedeeld,
dat de gegarardeerde
hoeveelheid volledig
op-
genomen
is
maar
nog geen bevestiging
van het betreffende
land
ontvangen.
–
SChATTING VAN DE EUROPESE TAIIWE.000ST.
(in 1.000 qrs. van 480 lb.)
Land
949
Uitei
1ndelijke
schatting
950
c
attifl
22
België
2.470
2.600
Denemarken
1.375
1.350
Finland
1.140
1.100
Frankrijk
36.800
32.600
Griekenland
3.310 3.650
Ierland
1.685 1.500
Italië
32.200 33.500
Nederland
1.955
1.800
Noorwegen
280
300
Oostenrijk
1.590 4.500
Portugal
1.495
2.250
Spanje
11.670
13.800
cren.
Koninkrijk
10.285 12.000
West-Duitsland
11.360 12.000
Zweden
2.980
3.100
Zwitserland
870
900
Totaal
16
landen ….
121.735
123.950
Bron:
,,Corn Trade News”
HET BESTUUR VAN HET BEDRIJFSPENSIOEN-
FONDS VOOR DE LANDBOUW
deelt mede, dat het voornemens is binnenko’rt de be-
noeming te bevorderen van een
–
adjunct-directeur
van het Fonds, bestemd om de Directeur bij diens af
–
treden (1 November 1952) op te volgen.
Zij, die voor deze functie interesse hebben, leiding
kunnen geven aan een uitgebreid administratief appa-raat, en zich overigens uit hoofde van kennis en erva-ring voor het vervullen daarvan geschikt achten, kun-
nen zich schriftelijk in verbinding stellen met genoemd
bestuur (Raamweg 25-27, Den Haag).
Abonneert U op
DE ECONOMIST
Maandblad onder redactie van Prof. P. Hen-
nipman, Prof. P. B. Kreukniet, Prof. H. W.
Lambers, Th. Ligthart, Prof. J. Tinbergen,
Prof. G. M. Verrijn Stuart, Prof. F. de Vries,
Prof.
J.
Zijlstra.
Abonnementsprijs / 22.50; fr. p. post 123.60;
voor studenten / 19.-; franco per post / 20.10
Abonnementen worden aangenomen door de
boekhandel en door de uitgevers –
DE ERVEN F.BÖHN TE HAARLEM
Economisch – Statistische
Berichten
/
Adres voor Nederland: Pieter de Hoochstraat 5, Rotterdam (W).
Telefoon Reciactie en Administratie 38040. Giro 8408.
Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam.
Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Eko-
nomie, 14, Universiteitotraat, Gent. Abonnementen: Pieter, de Hoochsiraat s, Rotterdam (W.).
Bankiers: Banque de Commerce, Brussel.
Abonnements prijs, franco, per post, voor Nederland f 26,- per jaar,
voor België/Luxemburg
/
28,- per jaar, te voldoen door korting van de
tegenwaarde in Belgische francs bij de Banque de Commerce te Brussel of op haar Belgische postgirorekening fl0
260.34.
Unie gebieden en Overzeese Rijksdelen (per zeepost)
/
26,-
,
overige
landen
/
28,- per jaar.
Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts worden
beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.
Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor Westzee-
dijk, Rotterdam (W.).
ADVERTENTIES.
Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de
Firma H. A. M. Roelants, Lange Haven
x4r,
Schiedam (Telefoon
69300, toestel 6). Advertentie-tarief
/
0
,4
0
per mm. Contract-tarieven
op aanvraag. Rubrieken
,,
Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
/
o,6o per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt zich het recht
voor om advertenties zonder opgaaf van redenen te weigeren.
Losse nummers
75
cents, resp. 10 B. francs