Ga direct naar de content

Jrg. 26, editie 1317

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 16 1941

1

16 APRIL1941

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

conomischA-rStatistische

Berichten

ALG EMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

26E JAARGANG

WOENSDAG 16 APRIL 1941

No. 1317

COMMISSIE VAN REDACTIE:

J. G. Koopmans, P. Lief tinck, N. J. Polak, J. Tinbergen

en F. de Vries.

Secretaris aan de Redactie: M. P. J. Cool.

Redactie-adres: Pieter de Floochweg 122, Rotterdam-l’V.

Aangeteekende stukken: Bijkantoor Ruigeplaatweg.

Telefoon Nr. 35000. Postrekening 8408 (ten name aan

,,Economisch-Statistische Berichten”).

Abonnements prijs aoor liet weekblad, waarin tijdelijk
is op genomen het Economisch-Statistisch Maandbericht,
franco p. p. in Nederland f 21I.__. per jaar. Buitenland en

koloniën / 23.— per jaar. Abonnèmenten kunnen met elk

nummer ingaan en slechts wordsn beëindigd per ultimo aan

elk kalenderjaar. Losse nummers 50 cent. Donateurs en

leden aan het lVederlandsch Economisch Instituut ontoan gen

het weekblad gratis en genieten een reductie op de aerdere

publicaties. Adreswijzigingen op te geaen aan de Redactie.

Adaertenties aoorpagina f 0.50 per regel. Andere pagina’s

f 0.40 per regel. Plaatsing bij abonnement aolgens tarief.

Administratie aan adaertenties: Nijgh en aan Ditmar N. V.,

Uitgeaers, Rotterdam, Amsterdam. ‘s-Graaenhage. Post-

chèque- en girorekening Nt. 145192. Adres te Rotterdam:

Erasmushuis, Tel. Nr. 31696.

INHOUD:

BIz

Woningbouw en prijsstijging door
Dr. Ir. H. G. aan
Beusekorn

…………………………….254

De efficiency der Nederlandsche Spoorwegen door
Mr. W. J. de Graaff …………………….256

De Engelsche Prevention of Fraud (Investment)
Act
1939
door
Mr. F. E. Schmey …………..259

Overheids maatregelen

op

e c o ii o-
misch

gebied

……………………..
262

M a a n d cij £ e r
S.

Maandcijfers en weekcijfers betreffende den econo-
mischen toestand van Nederland …………
263

S t a t
i s
t i e k e n.

Bankdisconto’s – Geld- en Wisselkoersen – Bank-
staten …………………………..
263-264

GELD- EN KAPITAALMARKT.

De voornaamste posten op de weekstaten van De
Nederlandsche Bank hebben in de laatste weken eenige belangrijke wijzigingen ondergaan, die op de geidmarkt
hun stempel hebben gedrukt. Het is onder de huidige
omstandigheden vaak moeilijk, de oorzaken aan te geven,
die tot dergelijke verschuivingen leiden, zoodat wij moeten
volstaan met vermelding der voornaamste veranderingen en hun invloed op de geldmarkt.

In de eerste plaats wren de ,,saldi van anderen” vol-
gens den voorlaatsten weekstaat gestegen met 1
21
mii-
lioen, waarna echter de jongste balans een daling van
1
12
millioèn vertoonde. Deze toeneming met per saldo
f
9
millioen bOteekent een verkrapping van de geldmarkt.
Eenzelfde beteekenis heeft de vermindering van de be-

leeningen, welke post op den voorlaatsten weekstaat een daling van 1
12
millioen en op den laatsten een verdere
vermindering met f 1 millioen vertoonde.
Aan den anderen kant werd de markt verruimd door de verdere stijging van den post ,,diverse rekeningen”
in het debet van de balans. Op den voorlaatsten week-
staat bleek deze post gestegen te zijn met f
19
millioen,
op den laatsten met nog f 14 millioen. De onttrekking van f
25
millioen aan goud in de voor-
gaande week kan ten opzichte van de geldmarkt buiten
beschouwing blijven.

Het resultaat van de onderscheiden mutaties in de
positie der centrale bank was – mede gezien de ver-
meerdering van de biljettencirculatie in de afgeloopen
week met 1
8
millioen – een toeneming van den omvang
van het rechtstreeks bij de Bank ondergebrachte schat-
kistpapier in de voorgaande week met f 41 millioen en
een daling daarvan in de afgeloopen week met f 17 millioen.
De
obligatiemarkt
heeft in de verslagweek een rustig
verloop gehad. De omzetten waren betrekkelijk gering.
Aankoopen van Luitsche zijde, die reeds in de vorige
week aanmerkelijk geringer waren, bleven vrijwel geheel
achterwege. In de korte week voor Paschen kwam er
dan ook heel weinig verandering in de noteeringen. Ook
in het begin van de nieuwe veekvas geen wijziging in
de stemming te constateeren. De
3-3-
pCt. Nederland
staat thans ongeveer op een peil, dat ligt tusschen den
koers, die gold voordat de deviezengrens met Duitschland
werd opgeheven, en de hoogste sindsdien bereikte no-
teering. Het feit, dat reeds zoo spoedig. na
het begin
van de aankoopen van Duitsche zijde, die beweging
tot staan
is
gekomen, heeft natuurlijk een domper gezet
op hoog gestemde verwachtingen, waardoor onze obli-
gatiën waren gestegen tot een peil, dat een rendement van rond 4 pCt. afwierp. Maar toch is een deel van de
stijging behouden gebleven.

254

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 April 1941

WONINGBOUW EN PRIJSSTIJGING.

Het bouwen van woningen is een bedrijf, dat van sto-
ringen in het economisch leven in hooge mate de nadeelige
gevolgen ondervindt. Dit is in den vorigen grooten oorlog
gebleken; het blijkt ook nu weer, nu het vereldverkeer
opnieuw door den oorlog is gestremd.
Voor een deel zijn de bouwmaterialen, welke voor het
bouwen van woningen noodig zijn, van binnenlandschen oorsprong. Voor een belangrijk deel echter zijn voor den
bouw materialen uit het buitenland noodig, zoodat iedere stremming van het internationale verkeer aanstonds stag-
natie in den bouw veroorzaakt.

In de jaren na 1914 heeft de woningbouw in ons land in ruime mate deze stagnatie ondervonden. Onder meer
openbaarde deze zich in een ontstellende stijging van de
bouwkosten, die ten slotte vrijwel elken bouw, waarbij de
eisch van rentabiliteit wordt gesteld, onmogelijk maakte.
De bouwkosten van een woning stegen tijdens den wereld-
oorlog tot meer dan 300 pCt. van het oorspronkelijke peil.
In de tweede helft van 1920 trad echter een sterke daling
in, die aanhield tot midden 1923 en toen uitliep in een
periode met een tamelijk constant kostenpeil, welke tot
1931 duurde. De val van het Engelsche Pond en de daarop
in ons land gevolgde aanpassingsperiode deden het kosten-
peil opnieuw belangrijk dalen, zoo zelfs, dat in 1936 weer
het peil van 1914 werd bereikt. De devaluatie in September
1936 bracht een nieuwe stijging. Daarna volgde weer een

tamelijk constante periode op circa 120 pCt. van het peil
van 1914, en ten slotte bracht het uitbreken van den oorlog
in Augustus 1939 wederom een stijging teweeg. Op 10 Mei
1940 was het bouwkostenpeil veer ongeveer 150 pCt. van
dat van 1914.

De oorzaken van de prijsstijging.

Wanneer men zich een beeld wil vormen van de verder
te verwachten ontwikkeling, en met name wanneer men
een antwoord wenscht op de vraag, of opnieuw een stijging
als in de jaren 1915-1920 te verwachten is, moet men
nagaan, waardoor deze stijgingen zijn veroorzaakt, terwijl
vervolgens de vraag moet worden bezien, of deze oorzaken
thans wederom op dezelfde wijze werken.
De stijging van 1915-1920 werd in de eerste plaats ver-oorzaakt door de stijging van de prijzen der bouwmateria-
len. In de hierbij afgedrukte tabel 1 is aangegeven het ver-
loop van de kosten van de bouwmaterialen voor een ,,theo-
retische arbeiderswoning”
1),
alsmede het verloop van de
arbeidsloonen, beide uitgedrukt in guldens per m
3
woning-
inhoud. In 1914 was het loonbedrag ongeveer de helft
van de kosten der materialen. Tezamen met de bijkomende
kosten, welke aan de uitvoering van een bouwwerk ver-
bonden zijn en die niet afzonderlijk in de tabel zijn ver-
meld, geven deze cijfers het door de hoofdinspectie voor
de Volkshuisvesting meermalen in grafischen vorm gepu-bliceerde verloop der bouwkosten.

De cijfers betreffende de bouwmaterialen berusten sedert
September 1936 op maandelijks verzamelde gegevens.
Deze geven dus een betrouwbaar beeld. Voor het overige
hebben de gegevens slechts een globaal karakter. Zij be-
doelen niet meer dan een algemeen inzicht te geven in
het prijsverloop.

Hetzelfde is het geval met de cijfers omtrent de bonen.
Ook deze kunnen niet anders geven dan een zeer globaal
beeld. Hierbij spreekt in het bijzonder mee, dat, terwijl de
prijzen van de bouwmaterialen – althans in normale
tijden, wanneer zich geen transportmoeilijkheden voor-
doen – in de verschillende deelen van ons land en in
gemeenten van onderscheidene grootte vrijwel gelijk zijn,
de bonen in de verschillende gemeentenklassen aanzienlijke

1)
Hiermede wordt bedoeld een voor statistische doel-
einden ontworpen woning, waarin de materialen, die bij
den bouw van een arbeidersvoning plegen te worden ge-
bruikt, in de gemiddelde hoeveelheid voorkomen.

TABEL 1
Kosten van een theoretische arbeiders woning
kostenelementen uitgedrukt in guldens per m
3
woning-
inhoud.

Middelen
van het
Loon
Materialen
Totale
bouwkosten

1.91
2.40
4.80
8.-
1915
2.40 5.10
8.40
1916
2.55
6.80
10.40
1917
2.80 10.90
15.20
1918
3.75
15.35
21.20
1919
5.20
10.80
24.20
1920
7.20 15.80 25.60
1921
9.20
ii.-
22.40
1922
8.-
7.10 16.80
1928
6.-
6.75
13.80 1924 5.50
6.75
13.40
1925
5.-
6.75
13.-
1926
5.-
6.50
12.70
1927
5.–
6.25
12.50
1928
5.-
6.10
12.30
1929
5.-
6.-
12.15
1930
5.-
6.10 12.30
1931
5.-
5.65 11.85 1932
4.65
4.65 10.30
1933
4.05 4.85
9.90
1934
3.90
4.80
9.70
1935
3.55
4.35
8.80
1936
3.20
4.-
S.-
1937
3.15
5.75
9.90
1938
3.15
5.55
9.65
1939
3.30
5.75
9.90
Mei 1940
3.40 8.20
12.80

verschillen vertoonen. De cijfers geven dan ook slechts
een gemiddelde weer.
Wanneer men deze cijfers nader beziet, dan blijkt, dat
de prijzen dei’ bouwmaterialen van 1915 tot ongeveer het
oogenblik van den wapenstilstand een scherpe stijging
vertoonden. Ook toen was er, evenals thans, door de invoer-
belemmeringen, door het kolengebrek bij de baksteen-
fabricage en door verschillende andere omstandigheden
een nijpend tekort aan vele materialen. Dientengevolge
liepen de prijzen tot een enorme hoogte op, mede doordat niet voldoende werd gedaan om tot een afdoende prijsbe-
heersching te komen. Voor een gemachtigde voor de prijzen
met groote bevoegdheden was in de samenleving van dien
tijd nog geen plaats. Na den wapenstilstand kwam de snelle stijging tot stil-
stand. Enkele prijzen bleven nog oploopen tot aan het
einde van 1919, maar als geheel was de stijging niet noe-menswaard. In 1920 begonnen de prijzen te dalen en deze
daling zette zich tot 1923 voort.
lIet verloop van de bouwkosten hield intusschen met dat van de materiaalprijzen geen gelijken tred. Immers
eerst sedert 1916 begonnen ook de bonen te stijgen. Aan-
vankelijk bleef deze stijging achter bij die van de kosten
van levensonderhoud. Na 1918 ging zij daar echter boven-
uit, en zelfs toen de kosten van levensonderhoud begonnen
te dalen, ging de loonstijging in het bouwbedrijf nog onge-
hinderd door. Midden 1921 werd een loonpeil bereikt van
bijna 4 maal dat van 1914. Dit abnormaal hooge peil hield,
blijkens tabel II, geen enkel verband met het algemeene
levenspeil
2),
maar alleen met het feit, dat na den oorlog
een bouwproductie in gang werd gezet, waarvan de om-
vang niet in overeenstemming was met het aantal beSchik-
bare arbeidskrachten.
Van overheidswege werden geen maatregelen tegen het

2)
Behalve door de stijging van de kosten van levens-
onderhoud was een stijging van de uurloonen ook gewet-
tigd door de verkorting van den werktijd. De werkelijke
stijging ging hier echter aanmerkelijk boven uit.

Ti

7
T1

16 April 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

255

TAB:IL Ir
Indexeijfers ‘oor:

Midden
van het
jaar

bonen van
bouwvak-
arbeiders

kosten van
bouw-
materialen

kosten van
levens-
onderhoud

191.4
100
100
100
1915
100 107
107 1916
107
140 119 1917 117
220
140 1918
157
310 180
1919
217
330
194 1920 300 330
220
1921
383 235 202
1922
383 157
182 1923 267
130 175
924 257
125
175 1925 250
124
178
1926 250 120
169
1927
250 157
168
1928 250
113 170
1929 250 110
169
1930
250
113
162
1931
250 104 154
1932
237
83
141
1933
213
86
139
1934
207
84
140 1935
193
74
135
193e
180
66
132 1937 177
94
138 1938 177
91
139
1939
184
94
137
Mei 1940
190 134

opvoeren van prijzen en bonen genomen. 1-let niveau
werd geheel aan het spel van vraag en aanbod overgelaten.
Verzuimd werd echter, door doeltreffende maatregelen
te voorkomen, dat de omvang van den bouw uitging boven
de capaciteit van het bouwbedrijf. Na 1920 werden de
inateriaalprijzen door cle overbezette markt niet meer be-
invloed. liet aanbod was en bleef voldoende. De bonen
echter werden door cle groote vraag naar arbeidskrachten
in het geheele bouwbedrijf steeds hooer opgevoerd. In
het bijzonder kwam dit in den woningbouw tot uiting. Daar werd dan ook ten slotte een maatregel genomen,
die als een eerste poging is te beschouwen om aan de van-
verhouding van vraag en aanbod een einde te maken.

De circulaire oan 1 Juni
1921.

In een circulaire van 1 Juni 1921 werd door den Minister
van Aibeid bepaald, dat voorshands geen steun voor nieuwe
woningbouwplannen zou worden verleend, zulks ten einde
een regelmatigen atbouw der onderhanden zijnde complexen
te verzekeren.
Uit den aanhef van deze circulaire bleek, dat reeds een
productie van niet minder dan 90.000 woningen in gang
w’as of weldra mocht worden verwacht, een getal, dat aan-
merkelijk uitging boven de capaciteit van het aanwezige
productie-apparaat. Dit aantal was als volgt samengesteld:

woningen in uitvoering op 31 Januari 1921

27.704

woningen, waarvoor bouwvergunning was ver-
leend, doch nog niet in uitvoering…………6.470
woningen, waarvoor tusschen 1 Januari en 1 Mei
woningwetvoorschotten waren toegezegd ……18.497
w’oningeti, waarvoor de aanvragen nog in behande-
ling waren …………………………..1.000
woningen, waarvoor bijdragen waren toegezegd
ingevolge het Middenstandshesluit ……….1.200
particuliere bouw, waarvoor premie was toegezegd (zoowel arbeiderswoningen als – voor het groot-
ste deel – middenstandswoningen) ……….31.000
geschat aantal w’oningen te bouwen door beter-
gesitueerden

…………………………2.200

Totaal ………. 88.071

Met inbegrip van de circa 2000 woningen, waarvoor véÔr
1 Januari -1921 steun was toegezegd, doch die nog niet in uitvoering waren, kwam men tot een totaal van ten minste
90.000 woningen. Tegenover dit cijfer stond, – aldus de circulaire – dat er in Januari 1921 slechts 28.290 bouw-
vakarbeiders bij den woningbouw werkzaam waren, zoo-
dat een periode van vermoedelijk2jaarnoodig zou zijn om
deze woningen te produceeren., Ging de Regeering nu
nog door met voor nieuwe bouwplannen steun te ver-
leenen, dan zou er een overproductie van bouwplannen
ontstaan, die bij het bestaande tekort aan arbeidskrachten enkel vertragend en desorganiseerend
01)
de woningpro-
ductie zou werken.”

hierbij moet worden opgemerkt, dat van de in het bo-
vengenoemde totaalcijfer begrepen 27.704 woningen, die
op 1 Januari 1921 in uitvoering waren, zonder twijfel op
1 Juni 1921 – den datum van de bewuste circulaire –
reeds een aanmerkelijk deel was voltooid, terwijl een ander
deel van de 90.000 woningen reeds in een min of meer
gevorderd stadium van uitvoering verkeerde.
Dit alles doet echter niet af aan het feit, dat nog eenige
tienduizenden woningen te bouwen overbleven, zoodat
vaststond, dat de Regeering door het beschikbaar stellen
van gelden den bouw had mogelijk gemaakt van een zoo-
danig aantal woningen, dat de bouwnijverheid, op volle
kracht werkende, vermoedelijk een paar jaren noodig
zou hebben om dit bouwprogramma af te werken. 1-let
had dus geen enkelen redelijken zin om bijdragen of pre-
mies voor den bouw van nog meer woningen toe te staan,
omdat vaststond, dat toch niet vlugger kon worden ge-
bouwd.

Was men doorgegaan met subsidies voor een nog grooter
aantal woningen in uitzicht te stellen, dan zou de reeds
bestaande’ overproductie van bouwplannen slechts ver-
groot zijn en zob een chaos in het bouwbedrijf zijn ontstaan.
De gevolgen zouden geweest zijn voortgaande boonopdrij-
ving, verhooging van de bouwkosten en vertraging van den
bouw. Van een regelmatigen en vluggen afbouw en daar-
mede van een snelle opheffing van het woningtekort zou
dan geen sprake zijn geweest. De belangen van de volks-
huisvesting zouden hiermede niet zijn gediend.
Er was echter nog een andere factor. Zou men zijn voort-
gegaan met het verbeenen van voorschotten en subsidies
Op
uitgebreide schaal, dan had dit beteekend, dat gelden
waren toegestaan, gebaseerd op het hooge kostenpeil van
1921, voor woningen, die eerst in 1924 of later zouden
kunnen worden voltooid. Het, was duidelijk, dat geen enkele
reden voor prijsdaling aanwezig kon worden geacht, wan-
neer voor een tijdvak van drie jaren voorschotten en bij-
dragen zouden worden toegezegd, gebaseerd op de hooge
bouwprijzen van het oogenblik.

Achteraf

bezien kon de Regeering in Juni 1921 dan ook
niet anders doen, dan eenvoudig de verdere steunvenlee-
ning stopzetten en afwachten, totdat de plannen, waarvoor
reeds steun was toegezegd, zouden zijn afgebouwd.
Dit kwam kortweg hierop neer, dat door een drastischen
maatregel getracht werd, het aantal bouwplannen in uit-
voering zoodanig te beperken, dat evenwicht met de
productiecapaciteit van de bouwnijverheid werd bereikt.
De ervaring heeft getoond, dat deze maatregel zeker
niet zonder resultaat is gebleven. De stijging der bonen
in het bouwbedrijf werd omgezet in een daling, die zich
tot 1924 voortzette. En de daling der materiaalprijzen,
die reeds in 1920 was begonnen, zette zich, mede door den
invloed der circulaire, in versterkte mate’ door. Juist door-
dat de circulaire tijdens een periode van dalende prijzen
kwam, kon zij stimuleerend. werken, zoodat in korten tijd
een aanmerkelijke daling der bouwkosten tot stand kwam.
De felle critiek die op de circulaire van 1 Juni 1921 is
uitgeoefend, ten spijt, werd dus een doeltreffend resultaat
bereikt
9.
De daling der bouwkosten maakte den aanbouw
van woningen heel wat gemakkelijker en was van groote
heteekenis voor de volkshuisvesting.

256

ECONOMISCH-STATISTISCIE BERICHTEN

16 April 1941

De huidige toestand oergeleken bij dien pan
1921.

Sedert 1921 zijn de opvattingen belangrijk gewijzigd.
De wet, dat een verstoord evenwicht tusschen vraag en,
aanbod tot prijsverhooging leidt, geldt ook nu nog. Maar
in dezen tijd zal een doelbewust beleid er op gericht zijn, te
zorgen, dat een dergelijke verstoring niet plaats vindt.
In beginsel is dit hetzelfde als de maatregel van 1921.
Het verschit echter ligt hierin, dat men thans den omvang
van de productie in de hand houdt en deze op grond van
een vooraf opgezet plan in evenwicht houdt met de capa-
citeit van het productie-apparaat.
Hier ligt voor de komende jaren een gröote taak van
den Algemeen Gemachtigde voor de Bouwnijverheid. In
een publicatie in de dagbladen van 21 Maart 1941, waarin
niededeeling wordt gedaan van de instelling van een Ad-
vies-commissie, die den Algemeen Gemachtigde moe,t
adviseeren over de- maatregelen, welke tot uitvoering van
het Besluit Bouwnijverheid van 28 December 1940 noodig
zijn, wordt naast het wederopbouwwerk als doel aangege-
ven: ,,het voornemen om tot een betere regeling vap den omvang der bouwbedrijvigheid te komen.”
Dit zal niet geschieden door regeling van bovenaf, doch
in de eerste plaats door de zelfwerkzaamheid en verantwoor-
delijkheid van al degenen, die bij de bouwnijverheid be-
trokken zijn. ,,Het is slechts de bedoeling” – zegt de publi-
catie – ,,den gang van zaken zoodanig te beïnvloeden,
dat door een harmonische samenwerking van alle krachten,
die in de bouwnijverheid werkzaam zijn, een zoo groot
mogelijk voordeel ontstaat voor onze volksgemeenschap.”
1-Jet is nog nièt de tijd om mededeelingen te doen aan

gaande het werk van deze commissie. Slechts dit moge
worden opgemerkt
;
dat het belang van onze volkshuis-
houding vordert, dat in het bouwbedrijf in de komende
jaren de beschikbare productiecapaciteit volledig wordt
gebruikt,, terwijl er voor gewaakt moet wrden,dat niet
door stijging van de bouwkosten gewichtige belangen wor-
den geschaad.

Dit zal moeten geschieden door den omvang van den
bouw volledig in handen te houden en dezen te bepalen
in verband met de beschikbare materialen en arbeids-
krachten. Den eersten tijd zullen de materialen wel van
beslissende beteekenis blijven; immers de materialen-

voorziening is een punt, dat, zoolang de oorlog duurt,
groote zorg zal blijven eischen. 1-let is echter geenszins
uitgesloten, dat binnenkort ook rekening moet worden gehouden met het beschikbare aantal vakbekwame ar-
beiders.

Het resultaat van dezen arbeid zal moeten worden afge-
wacht. Wij hebben slechts de aandacht willen vestigen op
de wijze, waarop thans, in tegenstelling met 1921, de bouw-
markt wordt beïnvloed.

Hierbij mag de hoop worden uitgesproken, dat een toe-
stand van overbelasting van de bouwmarkt, die in 1921
was ontstaan en die een forschen maatregel noodzakelijk
maakte – welke zonder twijlel plaatselijk schade heeft
aangericht, doordat noodzakelijke bouwplannen in som-
mige gevallen niet konden doorgaan – thans niet meer
zal kunnen ontstaan, doordat de bouwmarkt het voorwerp
van een doelbewuste ordening is geworden.
– Ook,nu zal het noodig kunnen zijn den aanbouw van
woningen af en toe te beperken, wanneer de bouwmarkt
zulks eischt,. doch dit zal
doelbewust
moeten geschieden
aan de hand van een urgentieprogramma. Wij mogen er
dan ook op rekenen, dat de meest urgente werken zullen
voorgaan, en dat dus de beschikbare middelen daar zullen
worden aangewend, waar de nood het grootst is.

Dr. Ir. H. G. VAN BEUSEKOM.

3)
Schrijver dezes schreef hierover een artikel ,,De
quintessens van de Woningbouwcirculaire van 1 Juni
1921″ in E.-S.B. van 13 Juli 1921.

DE EFFICIENCY DER NEDERLANDSCHE

SPOORWEGEN.

De Nederlandsche Spoorwegen zijn nimmer een goud-
mijn geweest en waren de laatste jaren zelfs in ernstige
mate verlieslijdend.

1-Jet waterrijke deltagebied van ons land, en de dicht

opeenliggende groote steden, verbonden door vele uitste-
kende wegen, gaven aan de concurrentie – zoowel te
water als te land – groote kansen.

De aard van den Nederlander, die nu eenmaal niet graag
van een ander afhankelijk wil zijn en liefst zooveel mogelijk
alles zelf in eigen hand wil houden, deed, naast een inten-
sieve conçurrentie van ander beroepsvervoer, bovendien
nog een zeer omvangrijk zoogenaamd eigen vervoer ont-
staan, als hoedanig wordt’ aangemerkt vervoer door pro-
ducenten en handelaars met eigen transportmiddeleit en
-diensten. 1-let gevolg van dit alles was – en is – dat voor het railbedrijf in ons land slechts een fractie van het ge-
heele vervoer overbleef, en dan nog tegen zeer lage prijzen.
Dergelijke omstandigheden moeten uiteraard prikkelen
tot een zuinig beheer, een zoo intensief mogelijk gebruik
van het in het bedrijf gestoken kapitaal en een zoo nuttig mogelijk aanwenden van arbeidskracht.
Zijn de Nederlandsche Spoorwegen hierin te kort gescho-
ten of hebben zij deze taak zoo goed mogelijk vervuld?
Om deze vraag te beantwoorden, hebben wij een onder-
zoek ingalteld naar de volgende bedrijfsfactoren ‘van de
spoorwegen in de 17 voornaamste landen van Europa, ‘en
deze in een onderling verhoudingscijfer tot uitdrukking
gebracht:

1. arbeidsprestatie van het personeel;.

2; gebruiksintensiteit van het in het bedrijf vastgelegde
kapitaal; exploitatie-uitgaven per treinkilometer;
kwaliteit der geleverde prestatie.

Wij willen deze factoren eerst één voor één en vervol-gens in hun onderling verband beschouwen.

Arbeidsprestatie pan het personeel.

Dat in dit opzicht een zeer vèrgevorderde rationalisatie
werd bereikt, blijkt uit onderstaand overzicht, waarin in
tabel 1 van verschillende Europeesche spoorwegonderne-
mingen de verhoudingen tusschen de personeelsterkte en
de geleverde bedrijfsprestaties is opgenomen. Als eenheid
van de bedrijfsprestatie is hierbij de ,,treinkilometer” ge-
kozen, waarmede het aantal in één jaar door treinen af-
gelegde kilometers wordt aangegeven.

De cijfers zijn die van het jaar 1938 – het laatste jaar,
dat als normaal beschouwd kan worden – en zijn evenals
de anderS cijfers in dit artikel, ontleend aan de Statistique
internationale des Chemins de fer, uitgegeven door de
Union internationale des Chemins de fer.

TABEL I.

Benoodigcl per-
soneel per

Aantal trein-
r
‘1000 trein km.

km. pe man.

Zweden
0.47
2142
Nederland
0.48
2041
Zwitsérland
0.52
1923
(Ch. de ter fédéraux).
Denemarken
0.59
1694
Engeland
0.61
1639
0.69
1449
Italië

……………
Finland
0.72
1389
België

……………
0.76 1315
(Sociëté Nationale des
Ch. de ter Belges).
Duitsehland
0.76 1315
Roemenië
0.84
1190
Ii. Noorwegen
0.85 1176
Hongarije
1.02
980
Griekenland
1.06
937
Frankrijk
1.07
934
1.09 917
Joegoslavië
1.19
840
Spanje

……………

1.32
757
47.

Polen’

……………
18. Sowjet-Rusland
1.83
546

16 April 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

257

Wij zien hieruit, dat Nederland, na Zweden, per man
de hoogste arbeidsprestatie heeft (2041 treinkm), of, anders
uitgedrukt, per bedrijfsprestatie van 1000 treinkilometer
de geringste hoeveelheid arbeidskracht noodig heeft.
België en Duitschiand hebben voor dezelfde prestatie

50 pCt. méér arbeidskracht noodig, Frankrijk meer dan
heL dubbele, en Sowjet-Rusland, dat in dit opzicht ver
achteraan komt, zelfs bijna het viervoudige

De gebruiksintensiteit oan het kapitaal.
De intensiteit van gebruik van het in het bedrijf vastge-
legde kapitaal’ kan voor vergelijkingsdoeleinden worden
gemeten aan de verhouding tusschen het aantal afgelegde

treinkilometers en de lengte der baanvakken.

TABEL
II.

Lengte der
baanvakkefl
in expl.
T
t
tatiru

Aantal trein-
km per km.
baanvak

1

Engeland
30.643
664.459.249
21.684 4.839
85.759.776
17.723 (Soci

Nationale
ëté
des Chemins de ter
belges).

2.

België

………..
.

3.
Nederland

. . .
3.335
54.795.317
16.430
4.

Duitscillancl

. . .
60.027
955.415:625
15.916
5.
Zwitserland

. . .
2.982 46.687.726
15.657
(Chemins de fer
10-
d6raux).
6.
Denemarken

.
2.389
29.529.000
12.360
15.580
184.030.980
11.812
Frankrijk
42.612 442.866.000
10.393
Zweden
7.960
56.415.459
7.087
16.124
76.281.468
6.857

7.

Italië

………..

20.444
131.228.478
6.419
12.
Roemenië
11.310 72.592.866
6.418
13.

Joegoslavië
9.509
57.534.602
6.051

10.

Spanje

………..
II.

Polen

………..

14.
11ongarije
7.823
44.648.194
5.707
15.
Finland
5.679
31.962.164
5628
16.
Noorwegen
3.757
20.024.458
5.330
17.

Griekenland

. . .
1.264
5.002.333
3.958

Uit tabel II blijkt, dat Nederland in dit opzicht onder
de Europeesche landen op de derde plaats staat. Terwijl
Engeland en België Nederland hierin overtreffen, blijkt
het, dat ons land in vergelijking tot Zweden – dat ons,
wat de ‘prestatie per man betreft, juist met een fractie-
verschil bleek te slaan – een meer dan dubbel zoo inten-
sief gebruik weet te maken van het in spoorwegbanen

vastgelegde kapitaal.

Er plo
itatie- u itgaoen per treinkilo,neter.

In tabel III worden de exploitatie-uitgaven der verschil-
lende Europeesche spoorwegmaatschappijen per trein-
kilometer, in goudfrancs uitgedrukt, met elkaar verge-

leken.
Zooals uit deze tabel blijkt, komt Nederland, ondanks zijn hoogen levensstandaard, op de derde plaats, slechts

TABEL
M.

a

Exploitatie-uitgaven
per trein-kin

0
41

zo

Finland
Mark

28.50
0.0651 1.86
Griekenland
Drachme

91.56 0.0274
2.51
Nederland
Gulden

1.61
1.6892 2.72
Denemarken Kronen

4.10 0.6699 2.75
Zweden
Kronen

3.63
0.7733
2.81
Engeland
Pence

4 7. 16
0.0625
2.95
Joegoslavië
Dinar

42.59
0.0699
2.08
Italië
Lire

19.17
0.1615
3.10
België
Franc

31.66
0.1037
3.28
(Sociéié Nat.
des Chernins de
ter belges).
Zwitserland
Franc

4.98
0.7024
-3.50
(Chemins deler
fédéraux).
Frankrijk
Franc

40.06
0.0881
3.53
Noorwegen
Kronen

4.72 0.7537
3.56
Spanje
Peseta

8.76
0.4202
3.68
Roemenië
Lei

172.98 0.0226
3.91
Hongarije
PengÖ

6.39
0.9022
5.77
Duitschland
F.30.

4.96 1.2344
6.12
Polen
Zioty

6.76
1.85
12.51

avertroffen door Finland en Griekenland. Deze beide lan-
en komen, wat aantal treinkilometer per kilometer baan-
vak betreft, echter eerst op de 15e en 17e plaats (tegen Nederland op de 3e) en wat arbeidsprestatie betreft op

de 7e en 13e plaats (tegen Nederland op de 2e).
1.
Ksealileit der gele’erde prestatie.

Maar niet alleen, dat de prestatie per man bij de N.S.
buitengewoon hoog is, de kosten per geleverde bedrijfs

prestatie zeer laag zijn, en het gebruik van het in het bedrijf
vastgelegde kapitaal zeer intensief is, bovendien staat in
vergelijking tot heb buitenland ook de kwaliteit der ge-
leverde bedrijfsprestatie op een bijzonder hoog peil.

TABEL
IV.
Aantal treinbotsingen en ontsporingen per 1.000.000 treinhm.

0.
22

0.33
0.38
0.5
7

0.
72

0.75
0.75
0.
78

(Société Nat.

des Chemins de ter belges).
0.
78

1.

Finland

……………………………….

(Chemins de Ier fédéraux).

Nederland

……………………………
Italië

…………………………………

0.9
6

Engeland

……………………………..
Roemenië

……………………………..

1
.
31

Denemarken

………………………….
Joegoslavië

……………………………

1.4
9

België

…………………………………

1
.5
9

Zwitserland

……………………………

2
.0
2

10.

Zweden

……………………………….

11.

Duitschland

……………………………

3.1
0

12.

Frankrijk

……………………………..

16.
Spanje:

Hongarije

……………………………..
Polen

……………………………….
.

5.28

Nodrwegen

………………………….
.

6.35
Spoorw. van Centraal Aragon

………….
.
Andalusische

spoorwegen
………………..
.
Spoorw.
v.
Madrid naar Saragossa en Alicante
8,26
17.

Griekenland

………………………….
12
.
67

TABEL V.
Aantal gedoode en gewonde reizigers per 10.000.000 reizigershm.

gedoode

gewonde reizigers

I

reizigers

0.01
0.01
0.05
1.

Noohvegen

………………

0.02
0.0
Nederland

………………
Zwitserland

………………
(Chenlins de ter fédéraux).
0.02
0.21
Zweden

………………….
Duitschland

………………
0.02
0.23
0.02
1.45
0.03 0.19
été
(Soci

Nat, des Chemins de

Engeland

……………….
België

…………………..

Ier helges).
Hongarije

……………….
0.03 0.26
Denemarken

……………
0.04
0.06
0.04
0.21
60.

Italië

…………………..
11.

Frankrijk

……………….
0.05
0.17
0.06
0.12
0.06
0.15
12:

Finland

…………………

0.06
0.46
13.

Polen

…………………..

0.07
0.47
Spanje

…………………..
Joegoslavië

……………..
0.11
0.32
Griekenland

……………..
Roemenië

……………….
0.33 0.76

De veiligheid van het Nederlandsche spoorwegbedrijf

wordt bewezen door het gering aantal verongelukte reizi-
gers (Tabel V: tweede plaats in Europa). en door het
gering aantal ongevallen (botsingen en ontsporingen) in
verhouding tot het aantal afgelegde treinkilometers (tabel

IV: derde plaats in Europa). Wij wijzen hier op een land als Griekenland, dat wel
heel goedkoop (tabel III: tweede plaats) weet te werken,
maar ook slordig. Nederland daarentegen werkt 66k goed-

koop, maar zeer goed.

Ook wat rijsnelheden over lange baanvakken betreft

staat Nederland vei’ bovenaan ‘).
In 1938 bereed Nedei’land 65.5 pCt. van zijn geheele

spoorwegnet met snelheden bdven de 60 1cm per uur,
d.i. tweederden van het gansche net, een cijfer, dat in geen
ander land bereikt werd; in Frankrijk was dit percentage
slechts 51.2 pCt., in Zwitserland en Duitschland 46 pCt.,

en in België 42.4 pCt.

1) Vgl. Spoor- en Tramwegen, Nr. 24, dd. 22Nov. 1938,

bldz. 598.

9

?T


11

258

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 April 1941

48.9 pCt. van het net werd met snelheden boven de 70
1cm per uur bereden; Frankrijk volgde wederom als tweede
met 40.2 pCt.
31.6, pCt. van het net werd met snelheden boven de
80 km per uur bereden. Ook hier volgde Frankrijk als twee-
cle met 30.5 pCt.

17.5 pCt. van het net werd tenslotte in 1938 met een ge-
middelde snelheid van 90 1cm- per uur en meer bereden;
doch in dit opzicht werd Nederland door Frankrijk over-
troffen, waar dit percentage 20,9 pCt. bedroeg.

Gecombineerde efficiency-inde.v oan de spoorwegen in de ne,
,

schillende landen.

Wanneer wij uit de tahel]en 1 tot en met V nagaan
01) welke plaats
gemiddeld
ieder land komt te staan, ver-
krijgen wij een soort Iclassificatie, waarin de verschillende
hierboven behandelde factoren zijn verwerkt:

TABEL
VI.

Wat intensiteit van het spoorwegverkeer betreft, komt
Nederland immers op de derde plaats, slechts door Enge-land en België overtroffen.

Zoo looen bv. te Utrecht de treinen met gemiddeld
slechts zeer enkele minuten tusschenpoos binnen van en
naar alle mogelijke richtingen; van en naar Amsterdam,
Den Haag/Rotterdam, Arnhem, Eindhoven, Leiden,
Amersfoort, Baarn, 1-lilversum en Zeist. Daarenboven loopen er nog stoptreinen van en naar Amsterdam, van
en naar Arnhem (Maarn) en diverse D-treinen tusschendoor.
1

let zal een ieder duidelijk en ook uit ervaring bekend
zijn, dat de Nederlandsche Spoorwegen niet – gelijk men
wel in het buitenland aantreffen kan voor iedere richting
een speciaal aangewezen perron ter beschikking hebben.
liet is zelfs niet altijd mogelijk .eenzelfden trein dagelijks
op hetzelfde spoor binnen te laten komen of van dezelfde
plaats te doen vertrekken. Zoodra de treinenloop ook maar

Rangorde van

Landen
.Efficiency
index
Tabel
1
Tabel
II
1

Tabel
III
Tabel
IV
Tabel
V

ar ei


gebruiksin-

ep oae
ëotsingen
veron-
lotaal
kol.-totaal
restatic
tensiteit
g
en/of ont-
gelukte
ie
kapitaal
sporingen
reizigers
1.
Nederland
2
3
3
2
2
12
1
6
it
6
22
1.83
1
0
S
10
11
29
2.41
m
4.
Denearken
6 4
6
9
29
2.41
5.
Zwitserland
S
10
9
3
30
2.50
6.
België
2
9
8
7
34
2.83
7.
Italië
7
8
3
10 34
2.83
8.

Finland

……………..
7
15
1
1
12
36
3.-
9.
Duitschiand
16 11
5
45
3•75

Engeland

……………
5
Zweden

………………

10.
Noorwegen
L
16
12
15
1
55
4.58
14
8
11
12
11
56
6.67
12.
Joegoslavië
16
13
7
7
15 58
4.83
10
12 14
5
17
58
4.83

11.

Frankrijk

……………

-12
14 15
13
8
62
5.17
13.

Roemenië

……………

15.
Griekenland
13 17
2
17
16 65
5.41
14.

Hongarije

……………

15
10
13
16
14
68
5.67
Spanje

………………..
Polen

……………….
-17
ii
17
14
13 72
6.-

Deze klassificatie is in tabel VI tot uitdrukking gebracht;
de gemiddelde plaats, welke ieder land in dit opzicht in-
neemt, is herleid tot een zgn .,, efficienc -index”, waarin dus
alle bovengenoemde hedrijfsfactoren zijn verdisconteerd.
De uit deze factoren over het jaar 1938, het laatste
normale vredesjaar, afgeleide index brengt Nederland op
de eerste plaats met het index-cijfer 1; Engeland volgt
met index 1.83 als tweede, Zweden met 2.41 als derde
land in Europa.
Uit deze cij.fers blijkt duidelijk, dat de Nederlandsche
Spoorwegen in hun bedrijf in vergelijking tot anderen
den hoogsten graad van efficiency hebben hereilct.
iVat ligt ei achter deze cijfers?

Misschien vindt men het bovenstaande een droge con-
clusie, ontleend aan wellicht interessante, doch doode cij-
fers. Wij zullen daarom trachten deze doode cijfers wat
meer te-doen leven en spreken.
Wat toch wil het in de praktijk zeggen, dat een spoor-
wegbedrijf in vergelijking tot anderen den hoogsten graad
van efficiency en rationalisatie bereikt heeft? Dat het
met de geringste kosten topprestaties levert?

1-let is voldoende hiertoe een Nederiandsch en een buiten-
landech station met elkaar te vergelijken.

lIet intensieevr gebruik der JVederlandsche stations.

Steeds weer treft ons in het buitenland de omvang der
stationsgebouwen, cle wijdheid der emplacementen en het
groote aantal perrons. Dikwijls heeft iedere richting een eigen perron, en soms wil het een Nederlander wel eens
voorkomen, of voor iederen trein een af’conderlijk perron
werd aangelegd! Indien onze stations Utrecht, Arnhem
of Amersfoort buiten de Nederlandsche grenzen waren
gebouwd, zouden zij zonder eenigen twijfel twee of drie
lceer zoo groot zijn geweest.
In deze in vergelijking met het buitenland zoo kleine
stations perst zich een veel intensievere treinenloop samen.

even onregelmatig is, moeten allerlei afwijkende maat-
regelen getroffen worden. –
De organisatie en uitvoering van dit bedrijf vergt de
precisie van een ingewikkeld uurwerk en bergt vele pro-
blemen in zich, waarvan de buitenstaander veelal nauwe-
lijks eenig vermoeden heeft.
Want wat weet het groote publiek van de vele moeilijk-
heden, die zich bv. voordoen hij den opzet van een nieuwe
dienstregeling, hetzij deze reizigerstreinen of goederen-
treinen geldt?
Tijden van vertrek en aankomst worden niet alleen
bepaald door den rijtijd van den trein; neen, zeer zorgvuldig
moet ook rekening gehouden worden met aansluitingen op onderwegstations, met eventueel enkelsporige baanvakken
of bruggen, die nu eenmaal niet door twee treinen in tegen-
gestelde richting tegelijk bereden kunnen worden en w’aar
het op elkaar moeten wachten niet mag voorkomen. Indien
voorts twee spoorlijnen elkaar kruisen of op elkaar aan-
sluiten, beïnvloedt de treinenloop op het eene baanvak dien op het andere baanvak en moet deze zoodanig op
den ander zijn afgestemd, dat zij elkaar normaal niet kun-
nen hinderen.
Eischt dit werk reeds zeer veel overleg, niet minder is
zulks het geval met het opzetten van de samenstelling der
treinen en den omloop van het materieel, want iedere trein
behoort een juiste samenstelling te hebben, niet te groot
en niet te klein.
Ook moet aan het eind van den dag het materieel, be-
stemd voor den volgenden dag, tijdig de Stations weer
hinnenloopen. Bovenal moet dit materieel echter zee in-
tensief mogelijk worden gebruikt: d.w.z. zoo veel mogelijk
rijden en zoo weinig mogelijk stilstaan.
Voorts moet gezorgd worden, dat iedere trein een ge-
schikte machine krijgt aangewezen, dat ook deze machine
zoo intensief mogelijk wordt benut en toch
01)
tijd weer
zijn depôt bereikt.

De diensten van locomotief- en tS’einpersoneel moeten

16 April 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

259

uitgetrokken worden; ook zij moeten bijtijds weer thuis
kunnen komen en tevens een voldoende werktaak vol-
brengen.
Deze diensten van het rijdend personeel worden, evenals
de omioop van materieel en machines, grafisch in beeld
gebracht en nauwkeurig op eventueel onvoldoende be-
nutte uren gecontroleerd. Indien het materieel eenigen
tijd ergens moet overstaan, wordt deze tijd benut voor
schoonmaken en technisch nazien. Ook hiervoor moet
personeel klaarstaan en dus worden uitgetrokken.

liet practische werk op de stations.

Deze zeer omvangrijke en uiterst belangrijke organisato-
rische arbeid, zonder welke een doeltreffend en efficiënt
beheer niet mogelijk zou zijn, en dat statistisch tot uitdruk-king komt in de zeer lage exploitatiekosten, w’ordt vervol-
gens door den uitvoerenden dienst voltooid.
Om te kunnen beoordeelen, wat dit laatste zeggen wil, moet men in de praktijk hebben medegemaakt, 110e b.v.
een onderstationschef
01)
een groot station met behulp
van een schematischen plattegrond van zijn emplacement
en luciferhoutjes of blokjes, die de treinen moeten voor-
stellen, zit te passen en te meten om alle treinen, die zijn
station moet verwerken, op de beste wijze te doen binnen-
loopen, behandelen en weer vertrekken. Tallooze vragen
doen zich daarbij voor: is er op te rekenen, dat het spoor van binnenkomst tijdig door den voorgaanden trein ver-
laten zal zijn? Wordt door het binnennemen op dat spoor het vertrek of de binnenkomst van een anderen trein niet
belemmerd? Kunnen de reizigers wel zoo gunstig mogelijk
overstappen? Moet er een post- of bagagewagen worden
omgerangeerd en kan dat z66 goed geschieden? Is het opont-
houd lang genoeg voor de overlading, de locomotief-
wisseling of het waternemen?
liet behoeft geen betoog, dat dit werk voor stations,
waar heusch geen metertje rails meer ligt dan strikt nood-
zakelijk is, een zeer nauwkeurige en tijdroovende arbeid is, waar een vlotte treinenloop geheel van afhankelijk is:
een arbeid, die groote vakbekwaamheid vereischt. Het
geheel sluit op verschillende stations dikwijls z66 nauw-
keurig in elkaar, dat gedurende een groot gedeelte van den
dag sommige perronsporen geen vijf minuten onbenut
blijven.
1-her vangen wij reeds een glimp op van het evende
beeld van intensieve bedrijfsexploitatie, dat in de droge
cijfers der statistiek wordt uitgedrukt dooi 16.430 trein-
kilometer per km baanvak, na Engeland en België de meest
intensieve exploitatie van Europa. Tevens ligt hierin het
geheim der lage kostenrelening.
Ndg veel meer echter omvat de taak van de stations.
Ieder man van het dikwijls eenige honderden leden tellende
stationspersoneel moet zijn taak toegewezen krijgen: de
rangeerder moet precies weten, hoe laat en waar hij het
materieel voor een bepaalden trein moet ophalen en op welk
spoor hij dit klaar moet zetten. Voorts hoe laat en vanwaar
hij de machine, bestemd voor een bepaalden trein, moet
halen. Uitgemaakt moet worden, hoeveel arbeiders klaar
moeten staan om bij een bepaalden trein met de over-
lading te helpen, hoeveel loketten er op dat of dat uur voor
kaartjesafgifte geopend moeten zijn en wie daar dienst doet.
Op welk moment en door wie moeten de rijtuigen van een
bepaald treinstel worden weg- of gereedgezet, schoonge-
maakt of aangesloten op de voorverwarming? Wie moet
zorgen voor het bijv.ullen der rijtuigen met gas en water? Weet niet ieder van het spoorwegpersoneel precies zijn taak en voert hij dezë niet nauwkeurig en stipt op tijd uit,
dan is treinvertraging en ander ongerief voor het publiek
het onvermijdelijke gevolg.
Alle werkzaamheden grijpen precies in elkaar; ook de
diensten van dit personeel worden grafisch voorgesteld en geen uur blijft onbenut: er looprgeen mail te veel.
Zoo teekent zich in de praktijk het beeld van een be-
drijf, dat, in verhouding tot zijn geleverde prestaties, door

slechts Zweden met een fractie overtroffen, de hoogste
arbeidsprestatie
ter
man in geheel Europa heeft en boven-
dien, op Finland en Griekenland na, het goedkoopst weet
te werken!

Slot beschouwing.

Zoo staat achter het statistische cijfer tenslotte steeds
weer het werk van menschenhanden. FIet dorre cijfer geeft
droog, maar exact en ontwijfelbaar zeker het peil van vak-
bekwaamheid en toewijding van het geheele personeel-
corps weer. Wat baten technische vernuftigheden en ecu
grondig uitgedachte orga6isatie, wanneer de uitvoering niet
gedragen wordt door toewijding en kundigheid?
Klein zijn de stations en emplacementen, groot is het aan-
tal treinen, intensief het gebruik van materieel en locomo-tieven, gering de daarvan aanwezige reserve.
Iedere treinvertraging sleept, in een zoo nauwsluitellde regeling als bij de N.S. normaal is, een gansche reeks ge-volgen met zich mede: aansluitingen moeten wachten, de
sporen komen niet tijdig weer viij, zoodat volgende treinen
buiten het station moeten wachten, eveneens vertraging
krijgen en op een ander spoor dan normaal binnen moeten
komen. Opzichters, rangeerders, seinhuiswachters en ar-beiders moeten op datzelfde oogenblik afwijken van hun
zorgvuldig tevoren opgemaakte instructies, en op geheel
andere wijze naar eigen initiatief te werk gaan; dat alles
onder den druk van grooten haast.
Het materieel voor een trein is niet tijdig binnengQkomen:
er moet ander materieel, een andere locomotief worden ge-
zocht; het publiek moet worden gewaarschuwd. Dit alles
iS de taak voor sleçhts één man: den treindienstieider. Hij
moet steeds alles ten volle kunnen overzien en snel en juist
weten in te grijpen en te beslissen, staat in voortdurend
telefonisch contact met de naastliggende stations en posten,
berekent hoe lang het nog duren kan véér een bepaalde
trein zijn station bereiken zal, en of hij mogelijk nog eerst een
anderen trein kan binnen nemen, doen vertrekken of om-
rangeeren.
Door dell zeer intensieven treinenloop en de beperkte
stationsruimten zijn afwijkingen aan de orde van den dag;
veel is daarom afhankelijk van een juist inzicht van het
plaatselijk personeel. Dat dit alles verloopt met zoo weinig
ongevallen als onze statistiek aantoont, strekt het Neder-
landsche spoorwegpersoneel tot groo ten lof.

1-Eet leven van den zeeman moge romantischer zijn en
meer tot de verbeelding spreken, de arbeid van den Neder-
landschen spoorwegman doet als preltatie in niets voor de zijne onder. Waarom zdu.het ook?
Zijn zij niet gesneden uit hetzelfde hout, bezield door
hetzelfde plichtsbesef en dezelfde kalme besluitvaardigheid?

Mr. W. J. DE GRAAFF.

DE ENGELSCHE PREVENTION OF FRAUD

(INVESTMENTS)
ACT 1939.

In een vorig artikel
1)
werd een overzicht van de
Engelsche Prevention of Fraud (Investments) Act 1939
met betrekking tot het emissiewezen en den eftectenhandel
ter beurze
gegeven. Thans vragen nog twee andere groepen
van nieuwe voorschriften onze aandacht, t.w.: de regeling
van den
orijen,
d.w.z. niet in den vorm der e[ïectenbeurzen
georganiseerden, effectenhanclel, alsmede de veelomvat-
tende strafbepalingen.

De arij’e effectenhandel.

De reglementeering van den vrijen effectenhandel in
Engeland beoogt de misstanden te verhelpen, die sedert
tientallen van jaren in de praktijken der ,,outside-brokeis
and outside dealers” heerschten. Dit kwaad deed de open.

1)
Zie E.-S.B. van 26 Februari 1941.

260

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 April 1941

bare meening, met name sedert het uitbreken van de
crisis in 1929, hoe langer hoe luider om een ingrijpen van
den wetgever roepen. De materieele en psychologische
oorzaak van dit verschijnsel kan hierin gezocht worden,
dat Piet door de crisis verzwakte economische lichaam ge-
voeliger waS geworden voor noodelooze verliezen door
kapitaalverspilling op beleggingsgebied.
1-let mag nu typeerend heeten voor het verschil tusschen de feitelijke verhoudingen in Engeland en in de Vereenigde
Staten, dat in Engeland de olficieele effectenhandel vrijwel geen wettelijke regeling behoefde en de vennootschapswet
slechts op enkele punten aangevuld diende te worden, ten-
einde het emissiewezen tegen misbruiken te beschermen,
terwijl Roosevelt’s Securities and Exchange wetgeving zich in de eerste plaats met de regeling van het emissiewezen en
den effectenhandel ter beurze heeft bezig gehouden, ni.
door de Securities Act van 1933 en de Securities Exchange
Act van 1934. 1-hema kwamen eerst de public utilities
in 1935 aan de beurt, terwijl de vrije eflectenhandel in de

Vereenigde Staten pas door een van 1936 dateerende
wijziging van de Securities Exchange Act werd geregle-
menteerd.
Er bestond dan ook een aanzienlijk verschil in positie
tusschen de Engelsche en Arnerikaansche effectenbeurzen:
de Ajnerikaansche geidhandel, in de wandeling meestal
met den verzamelnaam ,,WalI Street” aangeduid, en
met hem de effectenbeurzen, hebben tijdens de crisisjaren
1929 t.e.m. 1933 een zeer groot verlies aan prestige geleden,
dat tot op heden niet ten volle kon worden ingehaald.
De Londensche Stock Exchange echter was in haar
geheel zofider veel k]eerscheuren uit de malaise te voôr-
schijn gekomen, zoodatde autonomie der Engelsche effec-
tenbeurzen in beginsel onaangetast kon blijven. De bepa-
ling voorkomende in art. 14 van de Prevention of Fraud
(Investments) Act 1939, dat zij door den Board of Trade
erkend (,,recognized”) moeten worden, beoogt in hoofd-
zaak, de vorming van nieuwe effectenbeurzen door den
tot nog toe
niet
georganiseerden eflectenhandel te voor-
komen. De erkenning der Londensche Stock Exchange en
de andere vanouds gevestigde Engelsche eflectenbeurzen
was echter niet meer dan een formaliteit.

De oergunnings plicht.

Met de afkoiidiging van de Prevenfion of Fraud (Invest-
ments) Act 1939 heeft de niet-georganiseerde effecten-
handel in Engeland opgehouden een ,,vrije” tak van han-
del te zijn en is hij geworden tot een beschermd beroep.
Bescherming tegen onhevoegdei gaat hier, zooals steeds,
gepaard met de instelling van het staatstoezicht op de
toegelaten beoefenaren van het beschermde beroep. Het
wachten is thans alleen nog op de afkondiging van de
,,appointed day”, zijnde de dag, waarop het geheele inge-
wikkelde systeem der bepalingen betreffende den vrijen
effectenhandel, met inbegrip van de uitvoeringsbepalingen van den Board of Trade, in werking zal treden. Deze fatale
datum was oorspronkelijk door de Licensing Regulations
van 26 Juli 1939 (Statutory Rules and Orders 1939 no.
794) bepaald op 15 September 1939. Na het uitbreken
van den oorlog werd het in werking treden der geci-
teerde bepalingen opgeschort, in de eerste plaats door
de Bekendmaking van 13 September 1939 (Statutory
Rules and Orders 1939 no. 1167) tot 15 Maart 1940, en ver-
volgens door de Bekendmaking van 29 Februari 1940 tot
16 September 1940. Aangenomen kan w’orden, dat de
,,appointed day” inmiddels nog verder is opgeschort en
dat deze tijdens den duur van den tegenwoordigen oorlog
niet meer afgekondigd zal worden.
Art. 1 van de Prevention of Fraud (Investments) Act
1939 stelt in beginsel het beoefenen van den éffectenhan-dcl afhankelijk van een vergunning
.
((icence), te verleenen

door den Board of Trade.
De Board of Trade ziet zich zoodoende een soortgelijke
functie toegewezen als waarmede in de Vereenigde Staten
de Securities and Exchange Commission is belast. Terwijl
echter de geheele organisatie der S.E.C. in een’ zeer kort
tijdsbestek uit den grond moest worden gestampt, beschikte
de Board of Trade van meet af aan over het noodige admi-
nistratieve apparaat en over ruime ervaringen op het
economische grensgebied, waar regelmatig conflicten tus-
schen de praktijken van vaak al te ondernemende finan-
ciers en het algemeen belang ontstaan. Onder den Board
of
rfrade
resSorteeren immers de Regitrars of Companies,
zijnde de beheerders der beide centrale Handelsregisters der
naamlooze vennootschappen voor Engeland en Schotland,
alsmede Official Receivers, zijnde de ambtelijke trustees
in faillissementen van natuurlijke personen en naamlooze
vennootschappen. die in bepaalde gevallen ook de functie
van curator vervullen. De op deze gebieden opgedane
ervaringen vergemakkelijken de nieuwe taak, waarmede
de Board of Trade thans is belast, t.w. onbetrouwbare
elementen uit dec vrijen effectenhandel te weren.
1-Eet -ergunningsstelsel is in sections 1 t.e.m. 9 van de
Prevention of Fraucl (Investments) Act 1939 nader uitge-
werkt. Van de zeer gedetailleerde regeling kunifen hier
slechts de hoofdlijnen worden aangestipt.
Na het in werking treden der betreffende bepalingen

mag de vri.je effectenhandel slechts uitgeoefend worden
op grond van een vergunning, die kan zijn ôi een ,,princi-
pal’s licence” (voor zelfstandige effectenhandelaren,
af

een ,,representative’s licence” (voor remisiers en bedienden
van toegelaten effectenhandelaren).
Zelfstandige effectenhandelaren moeten tegelijk met de
aanvrage der vergunning, ongeacht den rechtsvorm van
hun bedrijf, een waarborgsom van E. 500 storten, die
ingeval van hun faillissement in handen van den curator
wordt gesteld. De storting der waarborgsom kan vervan-
gen worden door een naar het oordeel van den Board of
Trade deugdelijken borgtocht of garantie. Effectenhande-
ldren, die vanaf 1 Januari 1939 onafgebroken een bona
tide bedrijf hebben uitgeoefend, kunnen van de verplich-
ting tot storting der waarborgsom geheel of gedeeltelijk
om redenen van billijkheid worden vrijgesteld, indien de
stortingsplicht hen naar het oordeel van den Board of Trade

noodeloos in moeilijkheden zou brengen (,,cause undue
hardship”). Vergunningen worden telkenmale slechts voor
een jaar verleend. Dit komt overeen met de bestaande
regeling voor den georganiseerden eftectenhandel; de toe-lating van beursleden heeft immers telkenmale ook slechts
voor een jaar plaats. De kosten der vergunningen zijn als volgt vastgesteld:

Principal’s licence voor naamlooze vennootschappen £. 25
Principal’s licence voor natuurlijke personen (ook
mede-firmanten), per persoon …………….£. 10
Representative’s licence, per persoon …………£. 2

Aangevraagdé vergunningen kunnen geweigerd en ver-
leende vergunningen kunnen herroepen worden om de
volgende redenen:
dat de vergunninghouder, resp. aspirant-vergunning-
houder aan den Board of Trade niet voldoende gegevens
omtrent zijn persoonlijke en zakelijle omstandigheden
heeft verschaft;
dat de vergunninghouder, resp. aspirant-vergunning-
houder, dan wel een zijner mede-firmanten of employés,
veroordeeld is wegens eenig misdrijf, dat een hedriegelijke
handeling behelst. 1-liermede staat op één lijn een veroor-
deeling overeenkomstig de strafbepalingen van de Pre-
vention of Fraud (Investments) Act 1939 en overtreding
van de hierbij behoorende uitvoeringsbepalingen van den
Board of Trade;
dat eenige andere omstandigheid aannemelijk maakt,
dat de vergunninghouder, mesp. aspirant-vergunning-
houder, dan wel een zijner mede-firmanten of bedienden,
ontoelaatbare handelingen zal begaan of dat zijn bedrijf
niet meer als een bona fide etfectenzaak aan te merken is;
dat de vemgunninghouder, resp. aspirant-vergunning-

16 April 1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

261

houder niet meer geacht kan worden voor de beoefening
van het effectenbedrijf geschikt te zijn;
dat de vergunninghouder, resp. aspirant-vergunning-
houder geen bona fide effectenzaak binnen het Vereenigde
Koninkrijk drijft.
Indien de Board of Trade van meening is, dat een
aangevraagde vergunning geweigerd, dan wel een reeds
verleende vergunning herroepen dient te worden, geeft
hij hiervan kennis aan den betrokken vergunninghouder,
resp. aspirant-vergunninghouder. Deze kan hierna e be-
slissing van een overeenkomstig section 6 van de Preven-
tion of Fraud (Investments) Act 1939 ingestelde ,,Tribunal
of Inquiry” inroepen. Deze Raad van Beroep bestaat uit
drie leden, waarvan twee juristen, te benoemen door den
Lord Chancellor; het derde lid, een deskundige op finan-
cieel en bedrijfshuishoudkundig gebied, geen ambtenaar
zijnde, wordt benoemd door de ,,Treasury”.
• Het Tribunal of Inquiry heeft de administratieve, met
name- ook disciplinaire rechtspraak over vergunninghou-
ders en aspirant-vergunniaghouders. 1-let kan partijen en
getuigen oproepen en onder eede hooren. 1-Jet niet-ver-schijnen voor het Tribunal en het niet-opvolgen van zijn
bevelen is strafbaar als ,,contempt of court”. Tegen de
beslissingen van het Tribunal of lnquiry iS geen hoogere
vooi-ziening toegelaten.

Blijkens het bovenstaande is ter zake van de admini-
stratieve rechtspraak liet Amerikaansche voorbeeld
niet
gevolgd: in de Vei-eeriigde Staten worden immers geschil-len betrefiende het weigeren of intrekken van vergunningen
voor den vrijen effectenhandel in eersten aanleg beslist
door de Securities and Exchange Commission zelve, als
zijnde het met het toezicht op den Amerikaanschen effec-
tenhandel belaste federale orgaan. Daarentegen bestaat
er tegen beslissingen der S.E.C. hooger beroep bij de fede-
rale gerechtshoven en vandaar bij het United States Su-
preme Court.

lIet toezicht oan den Board of Trade.

Het zwaartepunt van de werkzaamheden van den Board
of Trade onder de Prevention of Fraud (Investments) Act
1939 zal echter, nadat het wettelijke systeem volledig in
werking zal zijn getreden, niet zoozeer op het gebied van
de administratieve rechtspraak van het Tribunal of In-
quiry liggen, doch in de uitoefening van zijn zuiver admi-
nistratieve bevoegdheden van preventief en repressief
toezicht op dn Engelschen effectenhandel.
Deze laatste bevoegdheden zijn voornamelijk geregeld in
art. 7 dei- wet, waarin een zeer ruime bevoegdheid tot het
maken van uitvoeringsbepalingen aan den Boai-d of Trade
wordt gedelegeerd, o.m. ten aanzien van de volgende
onderwei-pen:
het bepalen van den personenkring waarmede, en de
wijze waarop een vergunniughouder effectenzaken mag
doen;
het vaststellen van standaardcontracten, waarvan het
gebruik voor vergunninghouders verplicht is;
de inrichting van de administratie van vergunning-
houders;
de contrôle van den Board of Trade op de administratie
van vergunninghouders, inzage van hun boeken en be-
scheiden, enz. Deze voorschriften bevatten op verschillende belangrijke
punten blanketbepalingen, die nader uitgewerkt zijn door
,,rules and regulations” van den Board of. Trade. Hiervan
zijnde belangrijkste de ,,Licensing Regulations” (Statutory
Rules and Orders 1939 no. 794) en de ,,Rules of Conduct”
(Statutory Rules and Orders 1939 no. 787). In de Licensing
Regulations zijn met name de verplichtingen van vergun-
ninghouders en aspirant-vergunninghouders tot het ver-
strekken van persoonlijke en zakelijke inlichtingen na-
der uitgewerkt. De Rules of Conduct stellen impera-
tief vast, wat in den vervolge als goed en oorbaar koop-
mansgebruik op het gebied van den vrijen effectenhan-

del in Engeland beschouwd zal worden; zulks omdat
de vrije effectenhandel in Engeland niet in staat is ge-
bleken, uit eigen kracht behoorlijke usances voort te
brengen. Dienovereenkomstig bevatten de Rules of Con-
duct beperkende bepalingen ten opzichte van: schriftelijke
en persoonlijke aanbiedingen van effecten; den minimum
inhoud van effectennota’s; het afsluiten van effectentrans-
acties op prolongatie en andere speculatieve effecten-
zaken; het verkoopen van effecten op afbetaling.
Bij het maken van nieuwe uitvoeringsbepalingen moet krachtens wettelijk voorschi-ift door den Board of Trade aanmerkelijk meer oepelheid worden betracht dan waar-
toe de Securities and Exchange Commission verplicht is;
met name moeten voorgestelde nieuwe rules and regulations
als ontwerp worden gepubliceerd en moeten door belang-
hebbenden te berde gebrachte lezwaren overwogen worden.
Vergunninghouders zijn verplicht, van alle belangrijke
wijzigingen in hun bedrijf of in hun zakelijke verhoudingen
onverwijid aangifte bij den Board of Ti-ade te doen. De Board of Trade publiceert van tijd tot tijd de namen

van alle zelfstandige effectenhandelaren-vergunninghou-
ders. Indien de vergunninghouder een natuurlijke persoon
is, wordt hierbij zijn nationaliteit vermeld; is het een rechts-
persoon, dan wordt aangegeven volgens welk nationaal
i-echt deze is opgei-icht. Deze laatste opgave wordt ten-
minste eenmaal ‘s jaars gepubliceerd.

Strafbepalingen.

De strafbepalingen van de Prevention of Fraud (Invest-
ments) Act 1939, voorkomende in sections 12 en 13 der
wet, zijn opzettelijk z66 ruim geformuleerd, dat hun toe-
passing geenszins beperkt is tot bedriegelijke handelingen
op het gebied van den effectenhandel. Zij zijn terecht ge-
rangschikt onder den gemeenschappelijken titel • ,, General
Provisions for the Prevention of Fraud”. Ook hiervoor is
een Amerikaansch voorbeeld aanwezig, nI. het oude fede-
rale ,,Mail Fraud Statute”, dat in verruimden en ver-
scherpten vorm werd opgenomen in de Securities Act
van 1933.
De strafbepalingen, voorkomende in art. 12 der wet,
zijn uitermate veelomvattend. Zij beoogen in het kort ge-zegd de zgn. ,,easy money”-proposities minder aanlokke-
lijk te maken; weliswaar niet voor de slachtoffers — ge-
gadigden voor speculatieve winsten, die maar al te vaak
achteraf fictief blijken te zijn, zijn immers door geen enkele
wettelijke bepaling af te schrikken! – doch wel voor hen, die van degoedgeloovigheid van anderen profijt trachten
te trekken, en voor de in hun opdracht handelende tusschen-
personen.

Te dien einde wordt met een maximum tuchthuisstraf (,,penal servitude”) van ten hoogste zeven jaar bedreigd
elke bedrieglijke handeling op beleggingsgebied, onver-
schillig of het misdrijf is voltooid dan wel in een voorberei-
dend stadium is gebleven, en eveneens of de dader alleen
dan wel in samenwerking (conspiracy) met anderen, ten
eigen bate dan wel ten voordeele van derden heeft ge-
handeld.

1-let beschermde zakelijke gebied omvat:
den effectenhandel in den ruimsten zin van het woord,
met inbegrip van het emissiewezen, alsmede van het ver-
koopen van opties, premies, ed., het verkoopen van rechten
op de opbrengst van effecten en het aangaan van over-
eenkomsten met het oogmerk, profijt te trekken uit de
koersschommelingen van effecten. Met effectentransacties
wordt op een lijn gesteld het deponeeren of uitzetten van
gelden bij ,,industrial and provident societies” en ,,huilding
societies”;

het verkoopen of te koop aanbieden van deelnemingen
of andere belangen in syndicaten, trusts en andere over-
eenkomsten op effectengebied;
het aangaan of entameeren van overeenkomsten, met
het oogmerk profijt te trekken van de schommelingen der
goederenprij zen.

262

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 April 1941

In subjectief opzicht worden strafbaar gesteld:.
het opzettelijk doen van onjuiste beweringen, beloften
en voorstellen met betrekking tot voorgestelde transacties,
vallende op het beschermde gebied;
het te kwadet’ trouw verborgen houden van hiervoor
belangrijke feiten;

het lukraak (,,reckless”), d.w. z. onder verwaarloozing der in het maatschappelijk verkeer betamelijke zorgvul-
digheid, doen van beweringen ten opzichte van beschermde transacties.

lIet laatstgemelde voorschrift is van groote boteekenis,
omdat het zeer veel gevallen van zgn. ,,inside information”
dekt, die achteraf onjuist blijkt te zijn, terwijl echter niet

bewezen kan worden, dat zij opzettelijk te kwader trouw
werd gegeven. In verreweg de meeste van deze gevallen is
echter wèl te bewijzen, dat de persoon, die de hoopvolle
inlichtingen over de voorgestelde transactie op beleggings-
gebied heeft verstrekt, het onjuiste er van had
moeten
weten, indien hij de behoorlijke zorgvuldigheid had in
acht genomen. Dit bewijs nu is voldoende voor een verooi-deeling op grond van section 12 van de Prevention of Fraud
(Investments) Act 1939.

In objectief opzicht is nog van groot belang, dat aan een
der grootstè misbruiken der hedendaagsche economische
samenleving, t.w. de goederenspeculatie dooi deels minder
draagkrachtige outsiders paal en perk wordt gesteld.
Aan de zoojuist geschetste fundamenteele strafbepa-
lingen, voorkomende in section 12 der wet, wordt nog
meer kracht bijgezet door section 13, die klaarblijkelijk
geïnspireerd is op het Amerikaansche voorbeeld. Door
laatstgemeld voorschrift wordt met straf bedreigd het in
bezit hebben, verspreiden en openbaar maken van circu-laires en andere stukken, betrekking hebbende op beleg-
gingen van eenigerlei soôrt, voorzoover niet door de Pre-
vention of Fraud (ïnvestments) Act 1939 ontheffing is
verleend of overeenkomstig een zijner bepalingen wordt
verleend.

De wet bevat algemeene ontheffingen ten behoeve van
hen, die bona fide zaken op beleggingsgebied doen, om.
voor:

prospectussen, beantwoordende aan de voorschriften
van de Companies Act 1929 en inschrijvitigsbiljetten, die
vergezeld gaan van dergelijke proSpectussen;
circulaires van leden eener erkende effectenbeurs en
van effectenhandelaren-vergunninghouders, geen beu rs-
leden zijnde, mits beantwoordende aan de rules and regu-lations van den Board of Trade;
mededeelingen van de directies van geautoiiseerde in-
vestments trusts met betrekking tot de uitgegeven trust-
certificaten, enz.;

kennisgevingen van ondernemingen, gericht aan hun eigen aandeelhouders en obligatiehouders, dan wel aan
deelgerechtigden in een dochtermaatschappij;
mededeelingen van industrial and provident societies
en building societies met betrekking tot de in hun bedrijf
bestaande deelnemingèn, alsmede deposito’s, spaargel-
den enz.;

mededeelingen, gericht tot handelaren in goederen, geen
effecten zijnde, met betrekking tot die goederen;
mededeelingen met betrekking tot de financiering van
openbare lichamen;
mededeelingen op beleggingsgebied, goedgekeurd door
den Board of Trade.

Indien niet door de wet in het algemeen dan wel door
den Board of Trade in bijzondere gevallen ontheffing van
het hij art. 13 der wet bepaalde verleend is, is het in bezit
hebben en het verspreiden van circulaires en andere aan-
kondigingen op beleggingsgebied, ook in gecamoufleerden
vorm, een strafbaar feit, bedreigd met gevangenisstraf (,,imprisonment”) van ten hoogste twee jaar en/of met
geldboete van ten hoogste £. 500. Nog zwaarder weegt
echter ce straf, die de Board of Ti
,
ade resp. het Tribunal
of Inquiry, langs administratieven weg kan opleggen aan

overtreders, t.w. de uitsluiting van het zaken doen op
beleggingsgebied.

lIet is geen onaardige gewaarwording, hoe langs dezen
weg de beginselen van het Amerikaansche Mail Fraud
Statute in principe overgenomen, doch in tal van bijzonder-
heden aan de Engelsche verhoudingen aangepast zijn: In
de Vereenigde Staten immers heeft men indertijd van den
nood een deugd gemaakt, door het gebruik maken van

de federale posterijen voor bedriegelijke handelingen, met
name op beleggingsgebied, tot een speciaal misdrijf te
bestempelen.

liet mag kenteekenend heeten, dat men in Engeland
ten slotte denzelfden weg heeft bewandeld: Ook section 13
van de Prevention of Fraud (Investments) Act 1939
tracht het euvel der bedriegelijke handelingen op beleg-
gingsgebied iii den kiem te smoren, door reeds de
oer-
spreiding
van misleidende aanbiedingen te onderdrukken.

Mr. F. E. SCHMEY.

OVERHEIDSMAATREGELEN OP
ECONOMISCH GEBIED.

L4NI)BOUV EN VOEDSELVOORZIENINU.

Consumptiernelk. De aflevering van consumptiemelk aan
consumenten door leveranciers wordt beperkt tot een hoe-

veelheid van 85 pCt. van den gemiddelden dagomzet in’den
zgn. basisperiode, dat is van 15 September 1940 tot en met
12 October 1940 of van 24 November 1940 tot en met

15 Maart 1941. (Zuivelhesluit 1941).
(E.T.
4/4/’41, pag.
490; Stct. No. 63).

Karwijzaad, granen • boekweit
en
pculvruclrten. Wij ziging
van de bepalingen betreffende het bewaarloon voor kar-
wijzaad, granen, boekweit en peulvruchten teneinde de
aanbieding aan de Provinciale lnkoopcentrales vooi’ Akker-
bouwproducteri. (P.I.C.A.’s) te bevordeien. (E.V. 4/4/’41,
pag. 489).
Organisatie voor de voedselvoorziening. Regeling betref-
fende den opbouw vai een organisatie voor de geheele
voesdelvoorziening. Hieronder vallen: 1. De voortl)renging van, de handel in, en de be- en verwerking van alle produc-
ten van de voedselvoorziening met inbegrip van genotmid-
delen; 2. de voortbrenging van, de handel in, en de be- en
verwerking van die producten van den Nederlandschen
landbouw, welke niet voor de voedselvoorziening zijn be-
stemd, dus bijv. vlas, griend en riet; 3. de handel in grond-
stoffen en hulpmiddelen voorzoover deze voor den land-
bouw en de visscheiij van beteekenis zijn. (E.V. 4/4/’41,
pag. 486/87/88; V.B. No. 14).

Paclitovereenkomsten. Regeling inzake het wijzigen van
de bestemming van gepachte gronden. (E.V. 4/4/41, pag.
489; Stct. No. 62).

Pluiinvcc. Nadere regeling inzake de verstrekking van
voedertoewij zingen aan plu iinveehoudeis, waarbij rekening
wordt gehouden met het aantal afgeleverde eieren. (BV.
4/4/41, pag. 490).

Tabak en hop.
Aanvulling van de Bodemroductiebe-
schikking 1939, waarbij de voortbrenging van tabak en
hop nader wordt geregeld. (BV. 4/4/’41, pag. 489; Stct.
No. 58).

Sreeyoeder. Gedurende de zomermaanden zal, behoudens
in zeer uitzonderlijke gevallen, geen krachtvoeder voor
rundvee worden toegewezen. (E.V. 4/4/’41, pag. 490).

Zilveruien. Beperkende bepalingen inzake het telen van
zilveruien. (EV.. 4/4/’41, pag. 491, Stct. No. 64).

RÂNTSOENEERINO EN DISTRIBUTIE.

Melk en cacao. Voorbereidende regeling van de rant-
soeneeririg van melk en cacao. (E.V. 4/4/’41, pag. 492).


1

16
April
1941

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

263

MAANDCIJFERS.

Maaiidcijfers en weekeijfers betreffende den economisclien toestand van Nederland.
(Centraal Bureau voor de Statistiek)

1940 1941
Omschrijving maandcijfers
Eenheid

Jan.

Febr. IMaartt April
Mei
.
Juni
juli
Aug.
Sept.
I

Oct.
Nov.
Dec.

Jan.
Febr.

Giroverkeer.
Nederlandsche Bank ……
61.000.000
1608
1415
1342
1498
983
948
1026
1282
1536
9804 1653
1549
1691
2672
Postchèque-

en

giroclienst
f1.000.000
9308
1131
1174
1275
895
1220 1325
1365
1247
1447 1517
1394
1380 1345
Renlestanden.
Wisseldisconto Nederi. Bank
%
3,00
3,00 3,00
3,00 3,00
3,00
3,00
3,00
3,00 3,00
3,00
3,00 3,00 3,00
Prolongatierento, A’dam
%
2,64
2,50
2,50
2,75
3,213)
*
2,92′)
3,00
2,82
2,75 2,75 2,75
2,75
2,75
Callgeldn,oteeringen,
%
1,03
0,76 0,79
0,50
0,92
115
125
125
125
1,25 1,25 1,25
1,25
1,64
Rendernefrt,oblig.
‘)
%
4,35
4,42
4,44 4,57
*
*
*
4,20
4,24
4,25
4,23
4,50
Hypotheekrente onroerende
%
4,40
4,35 4,38
4,40
4,33
4,43
4,51
4,46
4,48
4,43
4,33
4,26
4,23
§1i,29
Hypotheekrente schepen
. .
%
4,40
5,24
5,57
5,36 5,53
5,46
4,90
5,07
5,62
5,26 5,26 5,47 5,33 §5,44
Koersen
van Aandeelen.
1930=100
85,4
84,7 85,7
83,9
*
*
94,3
104,1
112,7
116,1
120,0
113,4
1930=100
85,7
86,0
88,3
87,0
* *
104,6
115,6 120,7
‘125,1
131,8
126,2
wo. prod.middelen industr.
1930

100
80,4
81,0 82,0 82,3

*
*
99,3
109,6
113,1
118,0
126,2
120,8

Algemeen indexcijfer ……..

cons. goederen industi’.
1930=100
92,7
92,6
90,7 94,5

*
111,6
123,6
130,6
134,5
139,2
133,4

Nijverheid

…………….

Spaarbanken.
]’tijkspostspaarbank, inlagen
6 1.000.000
16,11 18,24
15,79 13,46 0,02
5,07
9,06
10,26
8,96 10,02
9,68
7,52
8,04
8,64
}tijkspostspaarbank,

terug-

.

betalingen

…………
fl.000.000
14,75
12,90
17,03
19,19
26,95
32,01
36,78
30,43
19,51
27,59
34,08
27,13 20,80
18,75
Bijzondere spaarb., inlagen fl.000.000
15,72

‘14,94
12,84

‘1191
8,52
8,11
10,81 11,88
10,09 12,09
13,25
9,14
13,24
11,16
Bijzondere spaarbanken, te-

goederen

……………..

f1.000.000
18,10 12,83
17,42
18,34 18,29
20,00
21,99
18,07
‘15,22
18,57
20,96
18,36 18,62 20,35
FIjpotheken.(nwe
inschrijv.)’)
‘rotaal

………………
f1.000.000
25,44 17,16
17,49
25,37 25,89
15,81
29,25
22,72
25,13 34,86 34,67 38,26
22,29
§22,08
W.V.

op gebouwen

……..
f 1.000.000
20,66 13,00 13,45

‘17,61
17,59
11,21
18,65
17,96
20,54
28,81
27,95
31,59
18,53
§
‘18,90
op

landerijen

…….
61.000.000
4,13 3,87
2,70
4,46
8,10
3,19 3,55
3,54
4,18
5,43
6,41
5,96
3,49
§2,88
61.000.000

..

0,65 0,29
1,34
3,30
0,20
1,41
7,05
1,22
0,41
0,52
0,31 0,71
0,97
§0,24
Werkloosheid

rugbetalingen ………..

Werkloosheidsd.(excl. landb.)
%
30,4
30,5 21,5
16,9
24,3
25,0
20,0
16,8
15,3 14,6 14,9
17,3 23,6
Aantal werkl. einde maand in-

op

schepen

………

geschr. hij Arbeidsbeurzen’)
f

1.000 297,9
274,1
190,5
157,1
270,9
232,3 190,3
157,2
142,7
150,8 143,2
253,1
265,9
‘183,0
lVerkver-vimingen ‘.verkloozenz.
(85,4)
(92,1)
(17,2)
Aantal tewerkgestelden hij
werkverruimingen
.. ….
.t

1.000 58,8
57,6
574

.54,0 54,3
60,9
54,7 54,0
56,2
53,2
50.9
0,7 2,6
33,1

1940-1941

Omschrijvingweekcijfers.

ZZ
6$.

Percentage werkloosheids-
dagen (excl. landbouw) . .

%

§ 15,1 – § 19,3 – § 23,2 – § 24,1 – § 23,3 – § 19,7 – §16,4


Totaal aantal werkzoeken-
den’) (einde van cle week)

‘1.000

214 230 248

284

302 303

293 284

285 263

231 220 213

196 187
w.
o. geheel werkloos (ezel.
werkverruiming)
‘) …….
1.000

147

167

210

955

282 283

270 261

262 241

195 182 162

138 125
Aantal
.
personen geplaatst

(17)

(55)

(64) (66)

(57) (60)

(69) (59)

(22) (14)

(8)


hij werkverruiming
‘) …..
‘1.000

52

45

20

14

3

4

7

8

7

7

92

31

37

48

59
Aantal personen geplaatst
in Duitschland’) ………1.000

92

93

93

93

94

96

98

99

100

101

102 103

104

106 107

§ = voorloopig cijfer. * = onbekend.
‘)
‘Vol
g
ens opgave van De Ned. Bank. Berekend van 2 Staatsleeningen, 1 gemeenteleening,
1
provinciale leening, 2 Industrieele leeningen, 1 Iramwegobligalie, 1 pandbrief.
‘)
Hieronder niet begrepen enkele hypotheken,
waarvan de geldschieter niet bekend is. ‘)
1-9 Bel.
‘)
15-31 Juli.
‘)
Tusschen haakjes is vermeld het aantal vorstwerkloozen, begrepen
in het totaal.
‘)
Hieronder niet begrepen Scheepshypotlieken.
‘)
Volgens opgave van het Rijksarbeidsbureau.
‘) Volgens opgave van
het Bureau L0000nderzoek van het Departement van Sociale Zaken. ‘) Onder aftrek van de teruggekeerden, voor zoover bekend bij de
organen der arbeidsbern. Gegevens van het Rijksarbeidsbureau.

GELD-, CREDIET-EN BANKWEZEN EN BELASTINGEN.
Geblokkeerde 1%Iarkenbelastingbesluit.
Het Geblokkeerde
Markenbelastingbesluit
1940
en de krachtens dat besluit
uitgevaardigde uitvoeringsbesluiten en bekendmakingen,
zijn d.d.
1
April ingetrokken en vervangen dooi een nieuwe
regeling inzake deze materie (Geblokkeerde Markenbe-
lastingbesluit
1941)
echter met dien verstande, dat de
vroeger gegeven voorschriften nog van toepassing blijven
op
die gevallen, waarin de schuldeischer de tegenwaarde
vôôr genoemden datum heeft ontvangen.
(E.V. 4/4/’41,
pag.
493/94; V.B. No. 10).

Regeling van het devieznverkeer.
Op 1
April ji. is in
werking getreden een nieuwe regeling voor het deviezen-
verkeer. De Deviezenverordening
1940
alsmede de Wet
T
ntOÏ’nationaal Betalingsverkeer
1934
zijn daarbij inge-
trokken.
Tevens is bepaald, dat sedert
1 Api’iI 1941
de deviezen-
grens tusschen het bezette Nederlandsche gebied en Duilsch-
land heeft opgehouden te bestaan.
(E.V. 4/4/41,
pag.
492
en bijlage;
VB No. 13).

Zoutaecijns.
Verhooging van den zoulaccijns per
1
April
van f
3.-
tot
f9.–
per
100
kg.
(E.V. 4/4/’41,
pag.
495;
Stel. No. 60).

STATISTIEKEN.

BANKDISCONTO
‘S.

N d

Disc. Wiss. 3

28Aug. ’39
Lissabon

.
. . .
4

11

Aug. ’37
Bel.Bi.Etf. 34 28Aug. ’39

Vrsch.1nRC 3428 Aug. ’39
Londen ……..2

26 Oct.

’39
Madrid

29 Mrt. ‘392)
……4
Athene

……6

4 Jan. ’37
N.-York E.R.B.1

27
Aug.
’37
Batavia

……3

14 Jan. ’37
Oslo

………. 44 21Sept. ’39
Belgrado


……5

1

Febr. ’35
Parijs

……..11 17 Mrt.

’41
Berlijn

……..34

9 Apr. ’40
Praag……….3

1 Jan.

’36
Boekarest

– . . .
3 12 Sept.’40
Pretotia ……..

34 15Mei

’33
Brussel

……9′) 25 Jan. ’40
Rome ………. 44 18 Mei

’36
Boedapest

. . . .
3

22 Oct. ’40
Stockholm ……34 17Mei

’40
Calcutta

……3

28 Nov. ’35 Tokio

……..3,46 11 Mrt’38
Dantzig

……4

2 Jan. ’37
Warschau …….44 18 Dec. ’37
Helslngfors

. . . .
4

3 Dec. ’34
Zwits. Nat. Bk

14 25 Nov.’36
Kopenhagen

.. 4

15 Oct. ’40
‘)
3% voor

wissels.

promessen
en

leeningen met een looptijd
van meer dan 120 dagen.
‘)
Niet officieel bevestigd.

ZILVERPRIJS 0 OUDPEIJS
Londen’)
N.
York’)

A’dam’)
Londen’) 8 April 1941..

23
1
1,
34
1
/
8 April 1941..

2125
168/-
9

,,

1941..

23’/,
34’/,
9

1941..

2125
168/-
10

,,

1941..

23’/,
34’/
10

1941..

2125
1681-
11

,,

1941..

.-

11

,,

1941..



12

1941..

23’/,

12

1941..


168/-
14

,,

1941..

23’/,

14

,,

1941..



15 April 1940..

20
6
/

15 April 1940.
.

2090
168/-
23 Aug. 1939..

18
1
/
1
,
37
1
/
23 Aug. 1939..

2110 148f6
1
1,

‘)
In pence
p.
oz. stand.

‘)
Forelgn
silver in 8e. p. oz.’fine.
‘)
In guldens per kg 1000/1000.
‘)
In ah. p. oz. line.

264

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 April 1941

OFFICIEELE WISSELKOERSEN NEDERLANDSCHE BANK.
V:,liit.i’s (s,hrIftmiiilr on t t 1
IN-York
1
Berlijn
IBrussel
1
Zürich
lStockh.l
Helsinki
8 Apr. 1941
1.88
3
!
1

– –
30.14 43.67
44.851
3.81k
9

,,

1941
1.88
3
/,

30.14
43.67
44.851
3.81*
10

,,

1941
1.88’/,
.-.
30.14
43.67 44.851 3.814
11

,,

1941


– – –
12

,,

1941

– – – –
14

,,

1941


– –
– –
Laagste d.w.
1.88
1
/,,
30.11
43.63
44.81
3.81
Hoogste d.w. 1.88
1
!,,

30.17
43.71
44.90
3.82
Muntpariteit
1.469
59.263 24.906 48.003
66.671
6.266

KOERSEN TE NEW-YORK. (Cablo).
Data
Londen
Parijs
Berlijn

Amsterdam
(5 per £)
(5 per 100 fr.)
($ p. 100 Mk.) (5 p.
/
100)
8April1941
4.03′!
4

2.33
40.05


9

,,

1941
4.03’/,
2.33
40.05


10

,,

1941
4.03
2.33
40.05


11

,,

1941
– –


12

1941
4.03 2.33
60.05


14

1941
– –


15April1940
3.51
‘/
1.99 40.20

53.08′!,
Muntpariteit
4.86
3.90
5
/.
23.81
1
!,

40
1
/
14

KOERSEN
TE LONDEN.
Plaatsen en
Not.
7-12
April’41
112Apr.
31Mrtj5Apr.’41
5Apr.
landen
eenh.
Lerngste
I
Hoogstel
1941
Laagstej Hoogste
1941

Officieel:
New York
$
p.
£
4.024
4.034
4.03 4.024 4.034
4.03
Parijs
Fr.p.
£






Stockholm
Kr.p.2
16.85 16.95
16.90 16.85
16.95
16.90
Montreal
$
p.
£
4.43
4.47 4.45
4.43
4.47
4.45
Buenos Aires
Pes.pI
16.95
17.13
17,04$
1695$
17.13
1704$
Niet-Officieel:
Alexandriê
P. P.
£
97.50
97.50 97.50 97.50 97.50 97.50
Athene
Dr.p.I
525 525
525
515
525
525
Bangkok
Sh. p.ticai

– – – – –
Bombay
d. p. r.
17.96
18.-
17.96
18.- 18.-
18.-
Budapest
d. p.
£
Hongkong
P.p. $15.-
15.-
15.-
15.-
15.-
15.-
Istanbul
T6p.6
Kobe
d. p. yen
14.25
14.35
14.25
14.25
14.35 14.35
Lissabon
Escs.p.I
99.80
100.20
100.-
99.80
100.20
100.-
Madrid
Pt.p.I
40.50
40.50
40.50 40.50
40.50
40.50
Montevideo
d.p. P.

– –

– –
Rio de Janeiro
d. p.

mii.
– – – –

. –
Sjanghai
d. p.
$
3.25
3.32 3.25
3.25
3.32
3.25
Singapore
d. p.
$
28.16 28.16 28.16
28.16
28.16 28.16
STAND
VAN ‘s
RIJKS
KAS.

V
0
r d cr1 n g e n
1

31 Maart 1941
1

7 April 1941
Saldo van

‘s ltijks

Schatkist
bij de Nederlandsche Bank


Saldo b. d. Bank voor Ned.
t

339,1 39,64
t

155.029,70
Voorschotten op uit. Febr. ’41
aan

de

gemeenten verstr.
op aan haar uit te keeren

Gemeenten

……………

hoogsdom

der

pers.

bel.,
aand. in de hoofdsom der
grondbel. en der gem.fonds-
bel., alsmede opc. op die be-
lastingen en op de vermo-


Voorschotten aan Ned.-Indië’)
,,

135.973.284,41
,, 147.651.075,63
gensbelasting

…………………

Idem voor Suriname
‘)

….

10.221.101,69
,.

10.221.401,69
Idem

aan

Curaçao

‘)
1.
169.788,71
,,

209.788,71
Kasvord.

wegens credietver-
strekking a. h. buitenland
,,

73.300.526,74
,,

72.885.449,91
Daggeldleeningen tegen onder-
– –
Saldo der postrek. van Rijks-
,

69.069.993,06
,,

72.897.298,83

pand

…………………….

Vordering op het Alg. Burg.
comptabelen

……………

Pensioenfonds

‘)

759.44314
Vordering op andere Staats-
bedr.

en

instellingen

‘)

..,,
62.240.691,52
62.412.337,34
Verplichtingen

Voorschot door de Ned. Bank
ingevolge art. 16 van haar
Octrooi

verstrekt

……..

t

15.000.000,-
t

15.000.000,-
Voorschot door de Ned. Bank
in reken.-cour. verstrekt ..,,

143.598,31
2.227.543,83
Schuld

aan

de

Bank

voor
Ned. Gemeenten

– –
Schatkistbiljetten

in

omloop

,, 156.937.000,- ,, 148.746.000,-
Schatkistpromessen in omloop ,,1096.800.000,-‘)
,,1178.400.000,-‘)
Daggeldleeningen

– –
,,

62.472.1 06,-
Schuld

op ultimo Febr. ’41
aan de gem. weg. a. h. uit
te

keeren hoofds.

d. pers.

bel., aand.

I. d. hoofds. d.
grondb. e. d. gem. fondsb.
alsni. opc. op die bel, en op

Zilverbons in omloop

………..60.245.034,-

de

vermogensbelasting ….

1.491.309,70
,,

1.491.309,70
Schuld

aan het Alg.

Burg.
Pensioenfonds

‘)

……..

555.337,53

Id. aan het Staatsbedr. der P.

…..

T.

en T.

‘)

…………..

138.724.442,12
,, 14L219.690,40

……..

Id.

aan andere Staatsbedrij-

ven

‘)

…………………
24.303.314, 58
,,

24.279.990,16
Id. -aan div. instellingen
1)

..

221.445.241,66
,, 219.876.819,29
1)
In rekg. ert. met ‘s Rijks Schatkist

‘) Rechtstreeks
bIJ De
Nederlandsche Bank

1160.000.000,-

‘)
Idem
t 201.000.000,-.

DE NEDERLANDSOHE BANK.
Verkorte balans op 15 April 1941.
Activa.

Binnenl; Wissels,

(
Htdbank. t
190.500.000
Promessen, enz.

Bijbank.

,,
2.040.194
Agentsch.
145.517
t

192.685.711
Papier op het Buitenland
. .

t
22,907,385
Af: Verkocht maar voor
de
bank nog niet afgeloopen

22.907.385
Beleeningen ii.

(, I-Ifdbank.

t
148.019.437
1)
voorschotten in

Bijbank.,,
3.387.019
rekening-courant( Agentsch. ,,
46,280.091

op onderpand
t
197.686.547
Op Effecten
en7
.

……..

t
197.386.899
‘)
Op Goederen en Ceelen ……
299.648
197.686.547
‘)
Voorschotten

aan het

Rijk

………………
15.000.000
Munt en muntmateriaal:
Gouden munt en gouden
muntmateriaal
.- ………t
1.071.771.445
Zilveren munt, cnz.

……

..
17.536:550
1.089.307.995
Belegging van kapitaal, reserves en
pensioenfonds
,,

48.647.999
Gebouwen en meubelen der Bank
…………..
4.500.000
Diverse rekeningen

……………………….
244.677.176 1.815.412.813

Passiva.
Kapitaal

…………………………….t
20.000.000

Reservefonds

…………………………..
4,454.252
Bijzondere

reserves ……………………….
13,494.514
Pensioenfonds

…………………………..
10.901.997
Bankbiljetten

in

omloop

………………….
1.600.824.890
Bankassignatitn

in omloop

…………………

32.438
Rek.-Courant.S Van het Rijk

t


saldo’s

Van anderen

,,

153.503.093,-
11
153.503.093
Diverse

rekeningen

……………………..
1 2.201.629
f1.815.412.813
Beschikbaar

metaalsaldo
………….. ……

t
389.987.769
Minder bedrag aan bankbiljetten in omloop dan
waartoe de bank gerechtigd

is

…………..
974.969.420
Schatklstpapier, rechtstreeks hij de bank onder-
gebracht

……………………………

..
184,000.000
‘) Waarvan

aan Nederlandsch-Indi3
(Wet van 15 Maart 1933, Staatsblad No. 99)
t
57.977.150

Voornaannsto posten In duizenden guldens.

1
Gouden
Circu-
Andere
1
Beschikb.
1 Dek-
Data
1
munt
en’)
latie

1
opeischb.
1

Metaal-
1
kings-
Imuntmater.
-t
1
schulden

1

saldo
1
perc.
16 Apr. ‘411
1.071,771

1

1.600.825
1

153.536
1

389.988
1

62
7

,,

‘411
1.071.728
1

1.592.511
1

165.866
1

388.401
62
1

,,

‘411
L096.335
1

1.593.329
1

144.547
1

420.234
i

64
6
Mei

‘401
1.160.287
1

1.158.613

1

255.183
16o7.242
1

83
1
Totaal1
Schatkist-
Belee-
Papier
Div.
Data

1
bedrag

1
prom.
I
op het
I

reken,
I

1
disconto’s
1
rechtstr.
buitent.
(act.)
15

Apr. ‘411
192,686
1

184.000

1
197,687
t

22.907
7

,,

’41
1
209.685
1

201.000

1
198.835
1

22.907
230.403
1

,,

‘411
169.525
1

160000

1
211.249
1

22907

1244.677


6
Mei ‘401
9.853
1

-1
217.756
1

750
20.648
‘)
Per
1
April 1940 herwaardeering van den goudvoorraad
op
basis
van een depreciatie-percentage
van
18
pCI.

GEZAMENLIJKE STATEN
VAN Dit NATIONALE BANK VAN
BELGIË EN VAN
DE EMISSIEBANIC TE BRUSSEL.
(iq milI. francs)

ec
eoa.
0
c
0)
-‘5
.T’


08′

cb4
oa,a
,..,.
‘s
0
0

3 April’41
27.747
iT7′
38.213
27 Mrt. ’41
27.682
658
13.987
1.801
37.935
3.465
2.105
20

,,

’41
27.567
714
13.995
1.843 37.748 3.437
2.312
13

,,

’41
27.152
735
13.680
1.847 37.564
3.402
1.828
27.160
814
13.419 1.845 37.349
3.377.
1.896
8 Mei ’40
23.606
5.394
695
1.480
29.806

909

DTTITS’7Hit 1H.IÏCSIt Â
NIL
Goud
1

Renten-
1

Andere wissels
Belee-
Data
1.

en
1

bank-
1

chéques en
de-viezen

1

scheine

1
schatkistpapier
ningen

7 April 1941
1

77,5
286,1
15.105,5
22,0
30 Maart 1941
77,8
281,1
15.367,4
22,7
22

,,

1941
78,0
304,4
13.965,7
24,6
23 Aug.

1939
1

77,0 27,2
8.140,0
22,2

Data
£.f/ec-
t Dtv
rcu-
1

Rekg.-

t
Diverse
ten
1
Activa latie
Crt.

1
Passiva
7 April’41
t

27,9

t
1.194.2
14.025,4
t

1.988,5

t
376,2
30 Mrt. ’41
1

32,3

1
1.245,6
14.188,3
1

2.126,6

1
390,5
22

,,

’41
1

32,2

1
1.463,6
13.268,4
1

4.939,2

1
360,4
23 Aug. ’39
t

982,6

1
1.380,5 8.709,8
t

1.195,4

1
454,8

Auteur