Ga direct naar de content

Welvaartsgroei blijft sinds 1950 achter bij de economische groei

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: april 6 2021

Economische groei werd lang gezien als de belangrijkste graadmeter van succes. Maar neemt dan met economische groei ook de welvaart toe? Met gebruikmaking van historische datasets reconstrueren we de welvaart in Nederland vanaf 1820.

In het kort

– Onze reconstructie van de welvaart in Nederland toont een ­stabiele toename tijdens de periode 1820–2020.
– Vooral tijdens ‘goude jaren’ van ongekende naoorlogse groei liep het bruto binnenlands product ver uit op de welvaart.
– Voorkomen moet worden dat de welvaartsgroei de komende jaren stagneert, zoals na de financiële crisis van 2008.

De beperkingen van het bruto binnenlands product (bbp) als maatstaf voor succes worden inmiddels vrij algemeen onderkend. Economische groei betekent namelijk niet per definitie dat ook de welvaart toeneemt.

Er is een zoektocht gaande naar betere, meer alomvattende manieren om welvaartsgroei te meten (Stiglitz et al., 2009). Daarmee krijgen we ook een beter zicht op het uiteenlopen en naar elkaar toegroeien van de indicatoren van brede welvaart en het bbp per hoofd. Van Zanden et al. (2014) hebben eerder dergelijke langetermijnpatronen van ‘divergentie’ en ‘convergentie’ in kaart gebracht voor de wereldeconomie (Van Zanden en Rijpma, 2019).

Deze bijdrage richt zich op een empirische reconstructie van brede welvaart voor Nederland in de afgelopen 200 jaar. We gebruiken hiervoor de ‘Brede Welvaartsindicator’ (BWI) als een maatstaf voor welvaartsontwikkeling. We analyseren het door deze BWI bepaalde ontwikkelingspatroon tegenover dat van het bbp per hoofd, en zoeken meer tentatief naar de verklaring voor het ontstaan van divergentie tussen bbp en BWI sinds 1950.

Reconstructie via de bredewelvaartsindicator

De benadering die gekozen is om de brede welvaart middels de BWI te meten, werd uiteengezet in eerder in ESB gepubliceerde artikelen (Van Bavel et al., 2019; Stegeman et al., 2017). Kort gesteld bestaat de BWI uit elf welvaartsdimensies, conform de lijst van het OECD Better Life Initiative (Boarini en D’Ercole, 2013) en zoals opgenomen in tabel 1. Vervolgens zijn deze gewogen tot een integrale maatstaf van brede welvaart.

Tabel 1. ESB

Bij contemporaine reconstructies van de BWI wordt voor elk van deze dimensies een beroep gedaan op een aantal representatieve variabelen. Dit ligt moeilijker bij een historische toepassing van de BWI, zoals ook besproken door Rijpma in Van Zanden et al. (2014). Enerzijds bestaat het gevaar dat er steeds andere variabelen worden gekozen, waardoor langetermijnevoluties gestuurd worden door het verschil in de gekozen variabelen zelf. Anderzijds bestaat het gevaar dat een gekozen variabele minder representatief wordt over de tijd heen. Terwijl in het begin van de negentiende eeuw geletterdheid bijvoorbeeld een goede indicator was voor de graad van onderwijs van een land, is deze indicator vandaag nauwelijks nog bruikbaar om de nationale verschillen in onderwijsgraden uit te drukken.

Om de eerste methodologische uitdaging te vermijden, hebben we gekozen voor een beperkt aantal variabelen per dimensie die representatief zijn voor de hele negentiende en twintigste eeuw. Hoewel Nederland vooroploopt in de statistiek en in het kwantitatief onderzoek naar de sociaal-economische geschiedenis, zijn we in onze zoektocht naar de meest representatieve indicatoren gebonden aan de beschikbaarheid van bronnen en aan eerder kwantitatief onderzoek. De keuze van gehanteerde indicatoren per dimensie, zoals in tabel 1 opgesomd, werd ingegeven door de representativiteit van de indicator en door de vraag in welke mate data voor de periode 1820–2020 beschikbaar zijn. Voor het jaar 2020 zijn nog niet alle gegevens beschikbaar, en voor een ander deel zijn we moeten uitgaan van voorlopig gepubliceerd datamateriaal, waardoor de effecten van de COVID-19-pandemie niet volledig in onze cijfers zijn meegenomen. In een online-appendix bij dit artikel zijn de uitgebreide bronnenbeschrijving en vijfjaarlijkse cijfers te vinden.

Voor de meeste van de gebruikte indicatoren is er jaarlijks cijfermateriaal; voor enkele dimensies (onderwijs, subjectief welzijn, milieu, sociale contacten, gezondheid en werk-privébalans) moeten we een beroep doen op vijfjaarlijkse/tienjaarlijkse gegevens die we interpoleren. Omdat we voornamelijk geïnteresseerd zijn in langetermijnevoluties, en de BWI als samengestelde index weinig volatiliteit vertoont, is dit geen groot bezwaar.

Om de BWI af te zetten tegen de economische groei over dezelfde periode, doen we een beroep op de historische reconstructie van het bbp per hoofd (Bolt et al., 2018).

De variabelen zijn genormaliseerd tegen de historische minima en maxima van observaties van andere landen in de negentiende en twintigste eeuw, waarvoor we grotendeels een beroep hebben gedaan op de CLIO-INFRA-database. De observaties voor Nederland in de periode 1820–2020 zijn dus afgezet tegen alle waarden voor alle landen in hun gekwantificeerde geschiedenis, om alle variabelen op een gelijkvormige manier uit te drukken. Deze methode wijkt dus af van de BWI-methode beschreven in Stegeman et al. (2017), waarin de minima en maxima vanuit de Noordwest-Europese landen en de recente periode komen.

De variabelen binnen iedere dimensie worden gelijk gewogen. Ten slotte worden alle dimensies gewogen volgens de standaarden van het OECD Better Life Initiative, waarbij elk van de elf dimensies nagenoeg gelijkelijk wordt meegenomen in de totale score van de BWI (voor de weging, zie Van Bavel et al., 2019). Het eindresultaat wordt uitgedrukt als een score tussen 0 en 1 van de BWI, voor elk jaar van 1820 tot 2020.

Gelijkopgaande groei in periode 1820–1940

Figuur 1 presenteert de twee reeksen die hier centraal staan: het bbp per hoofd (genormaliseerd; de feitelijk geschatte toename ervan is het vijftienvoud – van 3.000 naar 45.000 in internationale dollars van 2011) en de BWI (eveneens genormaliseerd, zoals hierboven beschreven) en vervolgens allebei geïndexeerd (1900 = 100).

Figuur 1, ESB

Uit figuur 1 kunnen we concluderen dat Nederland vanaf ongeveer 1820 op langere termijn een opmerkelijk stabiele toename van welvaart gekend heeft. Het stabiele groeipatroon van de BWI komt ten dele door het gebruik van stock variables, en door de aard van de data die soms voor steekjaren beschikbaar zijn, waardoor daartussen geïnterpoleerd moet worden. Stabiliteit is in statistische zin ook het gevolg van het feit dat een elftal reeksen, die verschillende dimensies van de sociaal-economische werkelijkheid representeren, tot één reeks gewogen worden, zodat uitschieters in de verschillende indicatoren elkaar kunnen compenseren – maar toch is dit stabiele groeipatroon opvallend.

Negentiende eeuw

De resultaten voor de negentiende eeuw zijn vooral interessant door het ontbreken van een divergentie tussen de ontwikkeling van het bbp per hoofd en de BWI in Nederland. Beide reeksen vertonen een vrijwel continue toename vanaf de jaren 1820. Voor het bbp per hoofd is dat het normale, Europese patroon, voor de welvaart is dat patroon uitzonderlijk. In veel Europese landen doet zich namelijk de early growth paradox voor (Komlos, 1998), waarbij het bbp per hoofd wel sterk toeneemt, maar zich niet, of in beperkte mate, vertaalt in toename van welvaart. De oorzaken daarvan worden gezocht in factoren als de exploitatie van vrouwen en kinderen in de opkomende fabrieken, de snelle groei van vervuilde steden en de achterblijvende investeringen in collectieve voorzieningen, zoals in gezondheidszorg, veiligheid en huisvesting (Hanlon, 2020; Szreter en Mooney, 1998). Daarbij kwamen nog de gevolgen van een scherpe liberalisering en de eerste golf van mondialisering.

Dat Nederland een dergelijke divergentie tussen economische groei en welvaartsontwikkeling niet kende, kan verband houden met de trage en late industrialisatie (Van ­Zanden en Van Riel, 2000). De economische ontwikkeling van Nederland vond in de negentiende eeuw veel meer gespreid plaats over de hele economie, inclusief de landbouw en internationale dienstverlening, waardoor het groeipatroon veel minder gepaard ging met de negatieve welvaartseffecten die zo typerend waren voor omringende landen.

Daarnaast lijkt de opvallend gelijkopgaande groei van bbp en welvaart ook een gevolg te zijn van het feit dat Nederland al relatief vroeg, vanaf de late middeleeuwen, een lange periode van economische groei had doorgemaakt, en daarbij al doende ook zeer ongelijk was geworden. Het gemiddelde niveau van de brede welvaart was daarom, vooral in het verstedelijkte westen, minder groot dan men op basis van het bbp zou kunnen verwachten (Van Bavel, 2016; Noordegraaf en Van Zanden, 1995), en dus was er ruimte voor welvaartsgroei.

Twintigste eeuw

De enige – slechts bescheiden – teruggang in groei die we waarnemen, dateert van de jaren vlak voor de Eerste Wereldoorlog, toen de indicatoren van milieuvervuiling, veiligheid en huisvesting voor een groeivertraging van de brede welvaart zorgden. Dit is een periode waarin de industrialisatie alsnog sterk doorzette.

Na de Eerste Wereldoorlog volgde er een inhaalslag van de BWI, en in de jaren twintig was de verhouding tussen BWI en bbp weer redelijk stabiel. De jaren dertig gaven een sterke daling van het bbp per hoofd te zien, maar een beperktere afname van de BWI. De BWI daalde toen vooral door de fors oplopende werkloosheid, terwijl de overige indicatoren – verrassenderwijs – niet of nauwelijks de gevolgen vertonen van de depressie. Door verbeteringen in andere dimensies van de BWI (figuur 3) wordt de balans tussen economische groei en de BWI tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw rechtgetrokken (figuur 2). Zo vonden verbeteringen plaats in de balans tussen werk en privé (arbeidsduurverkorting in het kader van het verbeteren van werkomstandigheden), maatschappelijke betrokkenheid (uitbreiding kiesrecht) en gezondheid (verbeteringen in leefomstandigheden en geneeskunde).

Figuur 2, ESB
Figuur 3, ESB

Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam het bbp per hoofd sterk af – met dramatische proporties in 1944/45 – en datzelfde gold in een iets bescheidener mate ook voor de BWI, waarbij – tussen 1940 en 1945 – vooral door het afschaffen van de parlementaire democratie de maatschappelijke betrokkenheid scherp daalde. Ook zorgden een gebrek aan sociale contacten (zoals via vakbonden en verenigingen) en de toename in zelfmoorden voor een ondermijning van het subjectieve welzijn. Zo ziet men ook de hongerwinter terug in de gegevens over de levensverwachting. Andere dimensies blijven stabieler, zeker wanneer het om stock variables gaat.

In de directe nasleep van de oorlog vinden we een sterke opleving van het bbp per hoofd, en herstelt ook de BWI zich binnen een jaar. Hoewel de economie groeit, vertaalt dat zich niet meteen in welvaartsgroei en geven de dimensies ‘woontevredenheid’ en ‘balans tussen werk en privé’ zelfs nog relatieve dalingen te zien.

Divergentie tussen BWI en bbp vanaf 1950

Voor de gehele periode na de Tweede Wereldoorlog vertoont onze reconstructie een divergentie tussen economische groei en welvaartsontwikkeling, zoals eerder ook vrij tentatief en op basis van een beperkt aantal datasets werd gesteld door Lintsen et al. (2018). Wat het meeste opvalt aan de ‘Gouden Jaren’ tussen 1950 en 1973 is dat het bbp snel groeide – sneller dan op grond van de langetermijntrend verwacht zou kunnen worden – maar ook dat de BWI het oude groeipad opzoekt.

Sterker nog, na het spectaculaire herstel in 1945/46, is met name in de jaren zestig de welvaartstoename zelfs beneden de langetermijntrend. Hiervoor waren vooral drie dimensies verantwoordelijk: de sociale contacten daalden, de milieuvervuiling bereikte recordhoogtes, en rond 1960 bevond ook de werkloosheid zich op een dieptepunt zodat er weinig verbetering mogelijk was (figuur 4).

Figuur 4, ESB

Het voorbeeld van de werkloosheid in de jaren zestig laat zien dat de BWI een andere indicator is dan het bbp dat steeds exponentieel kan blijven groeien, terwijl een deelindicator zoals de werkloosheid aan een maximum is gebonden. Als reeks is het BWI een ander type dan het bbp, en moet dit dus ook anders geïnterpreteerd worden.

Hoewel minder uitgesproken, zet het patroon van divergentie tussen bbp en BWI zich voort na de jaren zeventig. Ten dele komt dit doordat er geen rem staat op de economische groei, terwijl verschillende welvaartsdimensies naar een limiet toegroeien. De levensverwachting loopt bijvoorbeeld nog steeds op, maar het tempo ervan vertraagt doordat de ‘natuurlijke limiet’ nadert. Ook komen de grenzen in zicht aan de groei van het aantal jaren onderwijs dat er genoten kan worden.

Daarnaast is er op andere terreinen een opvallende stagnatie van de welvaartstoename. Na 2000 komt er bijvoorbeeld een einde aan de verbetering van de biodiversiteit, die vanaf de jaren zestig was opgetreden (Van Zanden et al., 2021). Verschillende indicatoren van welvaart kenden zelfs een absolute daling, zoals te zien is in figuur 4, met name wat betreft de dimensies ‘subjectief welzijn’ (stijging van de zelfmoordcijfers) en ‘sociale contacten’ (daling van het aantal inwoners aangesloten bij verenigingen of vakbonden, en ook van het kerkbezoek).

Een nog duidelijker patroon tekent zich af in het decennium na de financiële crisis van 2008. Terwijl namelijk de economische groei weer snel op gang komt, stagneert de groei van de BWI (voor de details omtrent het uiteenlopen van beide indicatoren na de crisis van 2008, zie Stegeman et al., 2017).

Te behalen winst

Een andere manier om tegen de recente periode aan te kijken, is door na te gaan op welke fronten er – vergeleken met omringende landen – nog winst te behalen is. Nederland scoort verreweg het slechtst op de indicator kwaliteit van leefmilieu, wat niet zal verbazen gezien de recente discussies over de stikstofproblematiek en de gevolgen daarvan voor de biodiversiteit. Nederland wordt gekenmerkt door de paradox dat er enerzijds veel steun is voor milieubeleid en natuurbescherming, maar dat anderzijds de feitelijke milieu­kwaliteit naar Europese maatstaven bedroevend slecht is (Van Zanden et al., 2021).

Andere indicatoren die naar internationale maatstaven slecht scoren, zijn subjectief welzijn – door ons gemeten via het aantal zelfmoorden – en de sociale contacten, vooral vanwege de daling over de tijd hiervan sinds 1960. Uitzonderlijk goed scoren we echter op de balans tussen werk en privé, vooral door het grote aantal parttimebanen. Op dit criterium valt er overigens wel iets af te dingen: niet iedereen zal parttime werken op dezelfde manier waarderen. Dit toont aan dat de BWI het mogelijk maakt om bepaalde patronen bloot te leggen, maar dat dit wel een meetinstrument in ontwikkeling is.

Wanneer straks de cijfers voor 2020 en 2021 volledig beschikbaar zullen zijn, zal ook het effect zichtbaar worden van de COVID-19-pandemie op zowel het bbp per hoofd als de welvaart. Nog interessanter worden de effecten op de middellange termijn. Het kan zijn dat, net als na de financiële crisis van 2008, het bbp per hoofd hevig zal worden geraakt maar zich na enkele jaren weer zal herstellen, terwijl de negatieve welvaartseffecten zich pas na enkele jaren doen gevoelen, bijvoorbeeld door de te verwachten toekomstige druk op de overheidsfinanciën.

Conclusie

Net als bij Lintsen et al. (2018) laat onze empirisch meer onderbouwde reconstructie van het bbp per hoofd en de BWI een divergentie zien tussen de economische groei en welvaartsgroei in de naoorlogse periode. Ten dele is dit omdat verschillende welvaartsdimensies hun maximum bereiken, maar wellicht spelen hier ook het beleid en de inrichting van de economie mee. Net als in andere landen was het economisch herstel na de Tweede Wereldoorlog sterk, en dit was ook een prioriteit van de overheid – eerst in de wederopbouw en vervolgens opnieuw vanaf de jaren zeventig, met name door een beleid van privatisering en deregulering, gericht op het aanjagen van de economische groei. Het valt niet uit te sluiten dat de waargenomen divergentie mede een gevolg is geweest van het varen op de groei van het bbp per hoofd, terwijl de mogelijkheden nog beperkt waren om welvaartsgroei integraal waar te nemen.

Om eenzelfde effect van divergentie als na de crisis van 2008 na de huidige coronapandemie te voorkomen, zouden we dus nog sterker moeten inzetten op welvaartsmonitoring, inclusief het verder ontwikkelen van instrumenten om de welvaartsontwikkeling meer integraal waar te kunnen nemen en zo de trade-offs tussen de dimensies scherper in beeld te krijgen.

Getty Images

Literatuur

Bavel, B. van (2016) The invisible hand? How market economies have emerged and declined since AD 500. Oxford: Oxford University Press.

Bavel, B. van, S. Hardeman en A. Rijpma (2019) Vervolgstappen voor integrale welvaartsmeting. ESB, 104(4772S), 22–25.

Boarini, R. en M.M. D’Ercole (2013) Going beyond GDP: an OECD perspective. Fiscal Studies, 34(3), 289–314.

Bolt, J., R. Inklaar, H. de Jong en J.L. van Zanden (2018) Rebasing ‘Maddison’: new income comparisons and the shape of long-run economic development. GGDC Research Memorandum, 174. Te vinden op www.rug.nl.

Hanlon, W.W. (2020) Coal smoke, city growth, and the costs of the Industrial Revolution. The Economic Journal, 130(626), 462–488.

Komlos, J. (1998) Shrinking in a growing economy? The mystery of physical stature during the Industrial Revolution. The Journal of Economic History, 58(3), 779–802.

Lintsen, H.W., F.C.A. Veraart, J.P.H. Smits en J. Grin (2018) De kwetsbare welvaart van Nederland, 1850–2050: naar een circulaire economie. Amsterdam: Prometheus.

Noordegraaf, L. en J.L. van Zanden (1995) Early modern economic growth and the standard of living. Did labor benefit from Holland’s Golden Age? In: C.A. Davids en J. Lucassen (red.), A miracle mirrored: the Dutch Republic in European perspective. Cambridge: Cambridge University Press, p. 410–437.

Stegeman, H., M. Badir, A. Rijpma en M. Moatsos (2017) Een indicator voor bredere welvaart voor Nederland. ESB, 102(4747), 132–135.

Stiglitz, J.E., A. Sen en J.-P. Fitoussi (2009) The measurement of economic performance and social progress revisited: reflections and overview. Report by the Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress.

Szreter, S. en G. Mooney (1998) Urbanization, mortality and the standard of living debate: new estimates of the expectation of life at birth of nineteenth-century British cities. Economic History Review, 51(1), 84–112.

Zanden, J.L. van, en A. van Riel (2000) The strictures of inheritance: the Dutch economy in the nineteenth century. Princeton: Princeton University Press.

Zanden, J.L. van, J. Baten, M.M. d’Ercole et al. (red.) (2014) How was life? Global well-being since 1820. Parijs: OECD Publishing. Tekst te vinden op dspace.library.uu.nl.

Zanden, J.L. van, en A. Rijpma (2019) Welbevinden blijft laatste decennia achter bij economische groei. ESB, 104(4772S), 57–61.

Zanden, J.L. van, T. van Goethem, R. Lenders en J. Schaminée (2021) De ontdekking van de natuur: de ontwikkeling van de biodiversiteit in Nederland van ijstijd tot 21ste eeuw. Amsterdam: Prometheus.

Auteurs

Categorieën