Ga direct naar de content

Vrouwen in de economie: een levenslange ontmoediging

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: november 9 2018

Het man/vrouw-verschil is in de economische wetenschap groter dan in andere disciplines. Maar worden vrouwen op de middelbare school en tijdens hun loopbaan dan ook anders behandeld?

Women in economics

In het kort

– Omgevingsfactoren en vooroordelen beïnvloeden voorkeuren en gedrag.

– Mannen en vrouwen worden anders beoordeeld, zowel in onderwijs als onderzoek.

– De ogenschijnlijk onschuldige regels van NWO vergen beleid om discriminatie tegen te gaan.

In 1993 betoogde Hein Schreuder in ESB dat het man/vrouw-verschil in de economische wetenschap vanzelf zou verdwijnen door de toename van het aantal vrouwelijke studenten. Eline van der Heijden (1993) betwijfelde dat en noemde de structurele obstakels voor vrouwen om economie te kiezen en daarin een wetenschappelijke carrière te maken.

Tien jaar later concludeerde ook de toenmalige minister van SZW Aart Jan de Geus, dat door de instroom van vrouwelijke studenten het carrièreverschil tussen mannen en vrouwen vanzelf zou verdwijnen. Trouw schreef naar aanleiding daarvan dat de emancipatie was voltooid en er hierbij geen rol meer was voor de overheid (Prast, 2016).

Inmiddels weten we dat deze ‘pijplijnverwachting’ niet is uitgekomen: met tien procent vrouwelijke economie­hoogleraren in Nederland scoort de economische wetenschap slechter dan alle andere disciplines. Dat vraagt om een verklaring. Achtereenvolgens zal ik in dit artikel aandacht besteden aan de instroom in de economiestudie en aan de carrière van wetenschappers in de economie.

HH/Arie Kievit

Voorkeuren en gedrag

Economen veronderstellen doorgaans dat gedrag preferenties onthult, en nemen preferenties als gegeven. Hoewel begrijpelijk als starthypothese, doet dit geen recht aan onze kennis, over de invloed van omgevingsfactoren op voorkeuren en gedrag. Ook de economische wetenschap ziet het belang daarvan. Drie voorbeelden kunnen dat illustreren.

Huberman (2003), geïnspireerd door Merton (1987), verklaart de investor home bias met het psychologische begrip ‘familiarity’: mensen oordelen positiever over iets waarmee ze zich vertrouwd voelen en beleggen daarom teveel in aandelen van bedrijven die letterlijk of figuurlijk dicht bij huis zijn. Ook consumenten laten hun gedrag onbewust leiden door wat vertrouwd voelt. Dat Diet Coke geen succes was bij mannen is in deze optiek te verklaren uit het feit dat het woord Diet een wereld oproept waarmee ze zich niet kunnen of willen identificeren; vandaar dat Coke Zero wél bij hen aansloeg (Avery, 2012). Dat (zelf)stereotypering van invloed is op wat mensen denken te prefereren, en dus kiezen, blijkt uit onderzoek van Brighetti en Lucarelli (2015) naar financiële risicotolerantie. Terwijl de zelfverklaarde risicotolerantie van vrouwen gemiddeld veel lager is dan die van mannen, laat een meting van de huid­reactie tijdens het nemen financieel risico geen sekseverschil zien – en de huid liegt niet.

De vraag is of er aanwijzingen zijn dat dergelijke factoren zouden kunnen bijdragen aan de seksekloof in de economische wetenschap in Nederland. Om daar een beeld van te krijgen is het nuttig te kijken naar wat de seksen “tegenkomen” als het gaat om economie op school en aan de universiteit.

Economie in het voortgezet onderwijs

Met rond 35 procent ligt het percentage vrouwelijke economiestudenten flink onder het totale percentage vrouwelijke studenten, dat iets boven vijftig ligt. Aangezien vrijwel alle vwo’ers voldoen aan de toe­latingseisen voor een economiestudie, ligt het voor de hand om het sekseverschil in de economiestudiekeus toe te schrijven aan een aangeboren of biologisch sekseverschil qua preferenties. Een dergelijke verklaring veronderstelt dat de omgeving waarin keuzes worden gemaakt neutraal is. Is dat ook zo?

Kader 1a geeft weer hoe in de teksten van de vwo-eindexamens economie in 2016–2018 mannen en vrouwen een rol spelen. Er is gekeken naar personen van wie expliciet duidelijk is of ze man of vrouw zijn (hij/zij, zijn/haar). Als het geslacht niet overduidelijk is, wordt de persoon niet meegeteld. Dat leidt tot een onderschatting van het aantal mannen: directeur, econoom, onderzoeker worden als neutraal gerekend, tenzij ze voorkomen in combinatie met hij, hem of zijn.

Kader 1

Er komen 26 mannen en 6 vrouwen in de examenvragen voor. De vrouwen zijn een bijstandsgerechtigde, haar vriendin, een lerares economie, een journaliste, een woordvoerster van de Consumentenbond en een vrouw met een negatief netto-rendement op haar spaarrekening. Van de 26 mannen in de eindexamenteksten zijn er 11 econoom; de meeste overigen hebben goedbetaalde beroepen, zoals directeur, minister of president van de centrale bank.

Hoe zit dat met de consumptiegoederen en bedrijfs­takken in de eindexamenvragen? Deze roepen een mannenwereld op met auto’s, techniek en voetbal. Figuur 1 laat zien hoezeer mannen en vrouwen verschillen in hun consumptieve bestedingen.

Figuur 1

Kader 1b geeft een overzicht van de bedrijven en producten (exclusief financiële producten) die aan bod komen in de examenteksten. Daarin is veel plaats ingeruimd voor auto’s, techniek en voetbal. Voor­zover mobiele telefonie wordt gerekend tot ‘computers en accessoires’ komen favoriete mannenproducten vijf keer voor en favoriete vrouwenproducten helemaal niet. Verder wordt, wat betreft sport, voetbal vooral met mannen geassocieerd (SCP, 2009; CBS, 2008).

De examenteksten roepen, kortom, het beeld op van een stereotype wereld waarin mannen veel en vrouwen weinig bereiken, econoom zijn iets is voor mannen, en het uitgavenpatroon en de tijdsbesteding van mannen centraal staan. Dat zal, zacht gezegd, de houding van meisjes ten opzichte van economie niet positief beïnvloeden. Het activeren van een stereotype bevordert bovendien dat mensen zich volgens het stereotype gaan gedragen (Wheeler en Petty, 2001) en verkleint het zelfvertrouwen van mensen op terreinen die niet bij hun stereotype passen – in dit geval dus dat van meisjes op het gebied van economie. Stereotypering is daardoor van invloed op prestaties, studiekeus en loopbaan (Carlana, 2018; Lavy en Sand, 2015).

Hoe sterker het stereotiepe beeld dat een leerkracht heeft van leerlingen, des te sterker is zijn/haar confirmation bias, dat wil zeggen de mate waarin hij/zij de informatie over de leerling filtert en weegt zodat dit het stereotiepe oordeel bevestigt (Bordalo et al., 2016). Stereotypering is daardoor van invloed op prestaties, studiekeus en loopbaan (Carlana, 2018; Lavy en Sand, 2015).

Het lijkt erop dat de opstellers van de examenvragen – leraren economie – een stereotiep beeld van de seksen hebben. Dat de genderbias in Nederland groot is blijkt uit een vergelijking van 34 landen ( Nosek et al. (2009): de mate waarin mensen alfa meer met vrouw, en bèta meer met man associëren is het grootste in Nederland.

Hoe zit het met het economieprogramma op het VWO? Kader 2 geeft de samenstelling van de commissies die daarover hebben geadviseerd, en de deskundigen die zij hebben geraadpleegd (Teulings, 2002; Commissie-Teulings I, 2002; Commissie-Teulings II, 2005). Vrouwen zijn ver in de minderheid, geen van hen is gepromoveerd in de economie, en ze hebben allemaal de naam van hun man aangenomen.

Kader 2

De eerste commissie-Teulings bepleitte (terecht) een verbreding van het domein van de economie en gaf als voorbeeld de taakverdeling in het huishouden. De tweede concretiseerde dit door met de theorie van de comparatieve voordelen te verklaren waarom vrouwen meer huishoudelijke taken verrichten dan mannen, en gebruikte bovendien het voorbeeld van de man die met zijn huishoudster trouwt om te illustreren dat het bbp een imperfecte maatstaf is. In de evaluatie van het Examenprogramma Economie VWO (2011) is wél een hoofdstuk over het examen opgenomen, maar daarin wordt de verschillende verbeelding van de seksen niet genoemd. In Van Dalen en Koedijk (2012) geven veertien economen hun visie op het economieonderwijs. Dertien van hen zijn Nederlandse mannen, de veertiende is een niet-Nederlandse auteur die van man vrouw geworden is, en op de cover staat een overhemd met stropdas.

Studiekeuze

Lang niet alle vwo-leerlingen die economie kunnen gaan studeren, doen het vwo-examen economie. Daarom is het ook van belang om te kijken naar wat leerlingen onder ogen krijgen als ze zich oriënteren op de economiestudie. Een inventarisatie van de teksten waarmee de universiteiten en economiefaculteiten in ons land de economiestudie beschrijven en aanbevelen laat zien dat die generiek zijn, met termen als ‘breed’, ‘maatschappelijk’, ‘macro’, ‘meso’, ‘micro’, ‘actuele vraagstukken’, ‘vele invalshoeken’, of concreet met de nadruk op bedrijfsleven, groei, kostprijzen, beurs en marktwerking. Grondstoffenschaarste, arbeidsmarktparticipatie, klimaat, werkloosheid, sociale zekerheid, inkomensverdeling en pensioenen ontbreken bij deze beschrijvingen, hoewel het toch niet de minste uitdagingen zijn voor een discipline die gaat over de verdeling van schaarse bronnen. Volgens cultuurspecialist Hofstede (2001) zijn groei, welvaart en macht masculiene (dat wil zeggen stereotypisch mannelijke) waarden, terwijl zorgen, delen en welzijn feminien zijn. De economiefaculteiten benadrukken daarmee wel de masculiene, niet de feminiene aspecten van de economiestudie. Ook de loonkloof tussen de seksen ontbreekt, hoewel Nederland ergens onderaan bungelt in de glazenplafond-index van The Economist wat betreft de OESO-landen (The Economist, 2018), en je dus zou denken dat het bestuderen daarvan de moeite waard is voor economen.

Kortom, het vakgebied economie lijkt voor meisjes op de middelbare school niet bepaald aantrekkelijk te worden gemaakt. Hoe vergaat het vrouwen die desondanks voor economie kiezen vervolgens in de wetenschap?

De universiteit

Er is geen sekseverschil in de cijfers van eerstejaars economiestudenten (Arnold en Rowaan, 2011) en bovendien is veertig procent van de economiepromovenda vrouw (Teunissen en Hogendoorn, 2018). Kunnen omgevingsfactoren het lage percentage vrouwelijke hoogleraren economie helpen verklaren?

Wu (2017) analyseert welke woorden bezoekers van Economics Job Market Rumors – een online-forum waar PhD-studenten economie anoniem informatie over de arbeidsmarkt uitwisselen – gebruiken in combinatie met verwijzingen naar mannen respectievelijk vrouwen. Dit forum geeft het idee dat de bezoekers hun vakgebied als masculien beschouwen en daar trots op zijn, hoewel economie in essentie gaat over allocatie ofwel verdeling en over welvaart als maatstaf voor welzijn. Hiermee is overigens niet gezegd dat alle economen zo over vrouwen praten, en ook niet dat PhD-studenten economie meer neerkijken op vrouwen dan PhD-studenten in andere vakgebieden.

Ook vooraanstaande wetenschappers doen uitlatingen waaruit een bepaald oordeel over de kwaliteiten en voorkeuren van vrouwen blijkt. Larry Summers betwijfelt of vrouwen voldoende bèta-capaciteiten hebben en oppert dat ze in de wieg zijn gelegd om voor kinderen te zorgen (The Guardian, 2005), en moest om die reden aftreden als de rector magnificus van Harvard. In Nederland gaf voormalig KNAW-voorzitter Hans Clevers onlangs toe dat de genderbalans in de wetenschap een probleem is: “Maar het ligt aan de vrouwen. We hebben veel jonge vrouwen met potentie, maar als puntje bij paaltje komt, haken ze af. Daar kunnen wij [mannen] niets aan doen. Nederlandse vrouwen willen niet beulen.” (NOS, 2018)

Verschil in carrièreverloop

Er zijn verschillende wetenschappelijke onderzoeken gedaan die suggereren dat mannen en vrouwen in de economische wetenschap langs een verschillende meetlat worden gelegd. Dat geldt voor zowel onderwijs als onderzoek.

Onderwijs

Vrouwelijke docenten economie krijgen lagere evaluatiescores voor hun onderwijs dan mannen. Dat is omdat mannelijke studenten hen slechter beoordelen. Daar zijn geen objectieve redenen voor gevonden, want deze studenten beoordelen precies hetzelfde studiemateriaal als slechter als de werkgroepdocent een vrouw is en zijn ook minder tevreden over de snelheid van nakijken bij een vrouw, hoewel alle cijfers tegelijk bekendgemaakt worden (Menger et al., 2017). Ook is er geen verschil in kennis die studenten opdoen bij een mannelijke of vrouwelijke docent (Boring, 2017). Het verschil in de beoordeling van de docent is groter in de economievakken waarbij wiskunde een rol speelt. Macnell et al. (2015) vinden dat studenten de docent van een online-cursus beter evalueren als ze denken dat het een man is.

Een slechtere onderwijsevaluatie kan de wetenschappelijke carrière van vrouwen in de economie direct, maar ook indirect, nadelig beïnvloeden. Wie een slechtere score krijgt, zal meer tijd in onderwijsvoorbereiding willen of moeten steken, wat ten koste gaat van onderzoek. Vrouwelijke economische wetenschappers besteden inderdaad meer tijd aan onderwijs en minder aan onderzoek dan mannen (Link et al., 2008). Bovendien kunnen lage scores vrouwen onzeker maken en demotiveren, bevestigen ze het vooroordeel dat vrouwen en economie een minder goede combinatie vormen, en kan dit een argument zijn om vrouwen geen vaste aanstelling te geven.

Onderzoek

Vrouwen in de economische wetenschap lijken aan hogere standaarden te moeten voldoen dan mannen om hun artikel gepubliceerd te krijgen. Hengel (2017) vergelijkt de leesbaarheid van artikelen in The American Economic Review, Econometrica, The Journal of Political Economy en The Quarterly Journal of Economics en hun eerdere working paper-versies aan de hand van kwantitatieve standaarden (kader 3).

Kader 3

Zowel de artikelen als de workingpaper-versies van vrouwelijke auteurs zijn beter leesbaar dan die van mannen, en in de eindversie is het verschil het grootst. Vrouwen brengen dus meer verbeteringen aan dan mannen, hoewel ook hun eerste versie al leesbaarder was. Dat kost hun tijd, want de gemiddelde tijd die verstrijkt tussen een working paper en de eindversie is groter bij vrouwelijke auteurs. De extra tijd die vrouwen kwijt zijn aan herschrijven kunnen ze niet besteden aan nieuw onderzoek, met als gevolg dat ze minder onderzoeksoutput kunnen realiseren dan mannen.

Overige taken

Vrouwelijke wetenschappers besteden binnen hun aanstelling meer tijd aan activiteiten die belangrijk zijn voor de organisatie, maar niet voor de eigen wetenschappelijke carrière (Mitchell en Hesli, 2013; Porter, 2007). Komt dit door voorkeuren? Onderzoek van Babcock et al. (2017) naar het gedrag van mannelijke en vrouwelijke economiestudenten suggereert van niet. In een gemengde groep bieden vrouwen zich significant vaker aan als vrijwilliger dan mannen. Op zich zou dat kunnen wijzen op een (al dan niet sociaal bepaald) verschil tussen de geslachten in voorkeur, ware het niet dat vrouwen in een groep met alleen vrouwen zich net zo gedragen als mannen in een groep met alleen mannen. Voor zover van vrouwen vaker dan van mannen wordt verwacht dat ze zich als vrijwilliger aanbieden is dat in een gemengde groep een self-fulfilling prophecy. Babcock et al. (2017) vinden dan ook dat vrouwen vake dan mannen het verzoek krijgen taken te verrichten die niet bevorderlijk zijn voor een carrière in de wetenschap.

In dienst nemen en bevorderen

Bij het feit dat de eerder genoemde factoren ervoor kunnen zorgen dat vrouwen met dezelfde kwaliteiten in de economische wetenschap een minder goede cv kunnen opbouwen, komt ook nog het risico dat precies hetzelfde cv minder goed wordt beoordeeld als dit van een vrouw is. Dat is in vele eerdere onderzoeken aangetoond voor verschillende beroepsgroepen. Voor de exacte wetenschappen vinden Moss-Racusina et al. (2012) dat het oordeel van bètawetenschappers over het cv van een hypothetische kandidaat verschilt al naar gelang ze ervan uitgaan dat een man of een vrouw is: ‘mannen’ scoren hoger op competentie, hirability en het te verdienen salaris.

NWO: op de man/vrouw, niet op de bal

NWO-commissies beoordelen onderzoeksvoorstellen van vrouwen even positief als die van mannen (Ellemers en Van der Lee, 2015), maar honoreren hun aanvragen toch minder vaak (14,9 respectievelijk 17,7 procent), vooral in de Maatschappij- en Gedragswetenschappen (waar economie toe behoort), de Aard- en Levenswetenschappen, en de Medische wetenschap. Dat suggereert dat vrouwelijke aanvragers als minder goed worden ingeschat. Het is op zichzelf een onderzoek waard welke rol objectieve en subjectieve factoren hierbij spelen. De NWO-regels en -formulieren vergroten de kans voor vrouwen in elk geval niet.

De vooraanmeldingsformulieren voor Veni-, Vidi- en Vicibeurzen vereisen een aantal jaren na de promotie en worden verleend naar het type contract (tijdelijk of vast), maar niet naar de omvang van het dienstverband, en corrigeren de output evenmin voor omvang dienstverband en afwezigheid door zwangerschap en bevalling. Wel moet de aanvrager het aantal maanden care or sick leave of alleen leave, invullen, waarmee zwangerschap hetzelfde wordt behandeld als ziekte en dus een mankement is. Omdat beoordelaars in de voorronde het aantal publicaties zien, ongecorrigeerd voor dienstverband, zullen ze de relatieve productiviteit van vrouwen onderschatten en die van mannen overschatten.

Wat ook niet helpt zijn de eigenschappen waarmee aanvragers volgens de NWO-formulieren moeten worden beoordeeld. Gaucher et al. (2011) laten zien dat personeelsadvertenties in sectoren waar vooral mannen werken de gewenste eigenschappen van de kandidaat anders omschrijven dan in sectoren waarin vooral vrouwen werken. De termen waarmee beoordelaars de NWO-aanvragers moeten beoordelen, zijn vooral van het eerste type, en verwijzen naar het mannelijke stereotype: ‘uitdagend’, ‘excellent’, ‘buitengewoon’ en ‘avontuurlijk’, waardoor mannen meer aan de gestelde eisen lijken te voldoen. Bovendien gaat het taalgebruik ervan uit dat het een mannelijke kandidaat is: “behoort tot de top in zijn vakgebied” (Ellemers en Van der Lee, 2015).

Beleidsimplicaties

De meest gehoorde verklaringen voor de seksekloof in de economische wetenschap – namelijk dat vrouwen andere preferenties en andere capaciteiten hebben, respectievelijk dat er een pijplijnidee is – leiden tot de conclusie dat beleid hier niet nodig is. Wetenschappelijke onderbouwing hiervoor ontbreekt. Wat er wel aan wetenschappelijk onderzoek en anekdotisch bewijs is, wijst in de richting van een impliciete genderbias onder vooral mannelijke economen, met gevolgen voor studiekeus, beoordeling van vrouwen in de economische wetenschap, en de toedeling van taken. De door NWO gehanteerde, ogenschijnlijk onschuldige regels doen daar nog een schepje bovenop. Dat vereist juist wél beleid als we discriminatie en suboptimale benutting van het menselijk kapitaal willen tegengaan (kader 4).

Kader 4: Beleidsaanbevelingen

– Nader onderzoek naar de positionering van mannen en vrouwen in economieteksten (studiemateriaal en examens).
– Impliciete genderattitudes meewegen bij aanname- en bevorderingsbeleid en lidmaatschap beoordelingscommissies.
– Screening NWO-aanvraag- en beoordelingsformulieren op impliciete discriminatie (masculiene kwalificaties en correctie voor omvang aanstelling).
– Onderwijsevaluaties afschaffen of corrigeren voor genderbias voordat resultaten worden gedeeld.
– Samenstelling van adviescommissies en deskundigen in het economieonderwijs bewust zo kiezen dat die het stereotiepe beeld uitdagen in plaats van het te bevestigen: meer vrouwen dan mannen; vrouwelijke hoogleraren en gepromoveerden, vrouwelijke doctorandi.
– Genderbias en (zelf)stereotypering, en de economische gevolgen daarvan opnemen in het vwo-examenprogramma en de universitaire opleiding economie.
– Een genderquotum voor vrouwen in de economische wetenschap.

Literatuur

Arnold, I.J.M. en I. Rowaan (2014) First-year study success in economics and econometrics: the role of gender, motivation, and math skills. The Journal of Economic Education, 45(1), 25–35.

Avery, J. (2012) Defending the markers of masculinity: consumer resistance to brand gender-bending. International Journal of Research in Marketing, 29(4), 322–336.

Babcock, L., M.P. Recalde, L. Vesterlund en L. Weingart (2017) Gender differences in accepting and receiving requests for tasks with low promotability. American Economic Review, 107(3), 714–747.

Bordalo, P., K. Coffman, N. Gennaioli en A. Shleifer (2016) Beliefs about gender. NBER Working Paper, 22972.

Boring, A. (2017) Gender bias in student evaluations of teaching. Journal of Public Economics, 145, 27–41.

Brighetti, G. en C. Lucarelli (2015) Gender differences in attitudes towards risk and ambiguity: when psycho-physiological measurements contradict sex-based stereotypes. International Journal of Entrepreneurship & Small Business, 24(1), 62–82.

Carlana, M. (2018) Implicit stereotypes: evidence from teacher’s gender bias. IZA Discussion Paper, 11659.

CBS (2009) Klassiek rolpatroon in uitgaven alleenstaande mannen en vrouwen, 21 december. Publicatie te vinden op www.cbs.nl.

CBS (2010) Grote verschillen in sportbeoefening tussen mannen en vrouwen, 14 april. Publicatie te vinden op www.cbs.nl.

Commissie-Teulings I (2002) Economie moet je doen – eindrapport commissie Teulings I. Te vinden op vakdidactiek-ae.nl.

Commissie-Teulings II (2005) The wealth of education – advies van de commissie. Te vinden op www.experimentenvoorindeklas.nl.

Dalen, H. van, en K. Koedijk (red.) (2012) Nieuwe kijk op economie gevraagd: visies op het economieonderwijs. Artikel te vinden op www.mejudice.nl.

Gaucher, D., J. Friesen en A.C. Kay (2011) Evidence that gendered wording in job advertisements exists and sustains gender-inequality. Journal of Personality and Social Psychology, 101(1), 109–128.

Ginther, D.K. en S. Kahn (2004) Women in economics: moving up or falling off the academic career ladder? The Journal of Economic Perspectives, 18(3), 193–214.

Heijden, E. van der (1993) Vrouwen in de economische wetenschap. ESB, 78(3918).

Hengel, E. (2017) Publishing while female: are women held to higher standards? Evidence from peer review. University of Cambridge. Te vinden op www.repository.cam.ac.uk.

Hofstede, G.H. (2001) Culture’s consequences: comparing values, behaviors, institutions and organizations across nations. Thousand Oaks, CA: Sage Publishers.

Huberman, G. (2001) Familiarity breeds investment. The Review of Financial Studies, 14(3), 659–680.

Lavy, V. en E. Sand (2015) On the origins of gender human capital gaps: short and long term consequences of teachers’ stereotypical biases. NBER Working Paper, 20909.

Lee, R. van der, en N. Ellemers (2015) Gender contributes to personal research funding success in The Netherlands. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America, 112(40), 12349–12353.

Link, A.N., C.A. Swann en B. Bozeman (2008) A time allocation study of university faculty. Economics of Education Review, 27(4), 363–374.

MacNell, L., A. Driscoll en A.N. Hunt (2015) What’s in a name: exposing gender bias in student ratings of teaching. Innovative Higher Education, 40(4), 291–303.

McLaughlin Mitchell, S. en V.L. Hesli (2013) Women don’t ask? Women don’t say no? Bargaining and service in the political science profession. PS: Political Science & Politics, 46(2), 355–369.

Menger, F., J. Sauermann en U. Zölitz (2017) Gender bias in teaching evaluations. IZA Discussion Paper, 11000.

Merton, R.C. (2003) Thoughts on the future: theory and practice in investment management. Financial Analysts Journal, 59(1), 17–23.

Moss-Racusin, C.A., J.F. Dovidio, V.L. Brescoll et al. (2012) Science faculty’s subtle gender biases favor male students. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America, 109(41), 16474–16479.

NOS (2018) Bepaalt een kleine mannenkliek het kankeronderzoek in Nederland? 10 oktober. Artikel te vinden op nos.nl.

Nosek, B.A., F.L. Smyth, N. Sriram et al. (2009) National differences in gender–science stereotypes predict national sex differences in science and math achievement. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America, 106(26), 10593–10597.

Porter, S.R. (2007) A closer look at faculty service: what affects participation on committees? The Journal of Higher Education, 78(5), 523–541.

Prast, H. (2016) Nog niet volbracht: een sociaal-liberale emancipatie-agenda. In: T. de Graaff en A. Rinnooy Kan (red.), Redelijk radicaal. ­Amsterdam: Uitgeverij Balans.

Schreuder, H. (1993) Met man en macht. ESB, 78(3913).

SCP (2009) Factsheet rapportage sport 2008. Data te vinden op www.scp.nl.

Teulings, C.N. (2002) Economie moet je doen. ESB, 87(4377), 700–702.

Teunissen, S. en C. Hogendoorn (2018) Too few women in the economics debate. ESB, 103(4767S), 6–9.

The Economist (2018) The glass-ceiling index. The Economist, 15 februari.

The Guardian (2005) Why women are poor at science, by Harvard president. The Guardian, 18 januari.

Wheeler, S.C. en R.E. Petty (2001) The effects of stereotype activation on behavior: a review of possible mechanisms. Psychological Bulletin, 127(6), 797–826.

Wu, A.H. (2017) Gender stereotyping in academia: evidence from Economics Job Market Rumors Forum. Publicatie te vinden op www.aeaweb.org.

Auteur

Categorieën

2 reacties

  1. B. van Holst
    5 jaar geleden

    Vrouwen in de economie: Wat een geweldige progressie. Eerste jaarsstudent aan de VU, 1967, een volle college zaal met mannen en 3 (?) vrouwen . Later naar de NEH (Erasmus) voor doctoraal, ik kan me niet herinneren daar een vrouw in de collegebanken te hebben gezien. Op congressen idem. De dames hebben dus een geweldige inhaalslag gemaakt. Hulde!

    Bas van Holst, gepensioneerd econoom onderzoeker.

  2. A.R. van den Veer
    6 jaar geleden

    Mijn complimenten voor de auteur en de publicatie. Helder geschreven, onderbouwd en met duidelijke conclusies.

    Met vriendelijke groet,
    Alsu van der Veer