Ga direct naar de content

Voorwaarden voor duurzaam economisch herstel

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 26 1984

Voorwaarden voor
duurzaam economisch herstel
Op vrijdag 5 oktober vond in het Congresgebouw te Den
Haag naar aanleiding van het verschijnen van de Miljoenennota 1985 een door het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven georganiseerde discussiemiddag plaats met als
thema ..Voorwaarden voor duurzaam economisch herstel”.
Hieronder wordt verslag gedaan van de discussie die, onder
voorzitterschap van prof. dr. D. J. Wolfson, volgde na de inleidingen van prof. dr. L.J. Emmerij, dr. W. Drees en drs.
A.C. Helfrich. Deze inleidingen zijn elders in dit nummer
van ESB opgenomen.
Als eerste vragensteller begon Groenveld met in te stemmen met een tweetal elementen uit de inleiding van Drees: in
de eerste plaats de door laatstgenoemde bepleite loskoppeling van inkomenspolitieke overwegingen enerzijds en het allocatieve beleid ten aanzien van bepaalde afzonderlijke overheidsprogramma’s anderzijds, en in de tweede plaats zijn
pleidooi voor blijvende aandacht voor de sanering van de publieke financien. Tevens stelde Groenveld vast dat de aandacht voor de beheersing van de collectieve uitgaven dreigt te
verslappen doordat het conjuncturele herstel enkele kengetallen enigszins heeft opgefleurd. Van een echt ..keerpunt”
kan vooralsnog geen sprake zijn. Hij is het niet eens met de
gedachte het streven naar stemmenmaximalisatie als regulerende motivatie van politici uit de leerboeken van de openbare financien te schrappen. Zeker voor de verklaring van het
gedrag van politici in de plaatselijke afdelingen is deze hypothese vruchtbaar. Drees licht toe dat zijns inziens voor fractieleden in de Tweede Kamer die in de politick willen blijven
veeleer het verkrijgen van een verkiesbare plaats dan maximalisatie van de stemmen van de kiezers de drijfveer is.
In verband met Drees’ opmerking over de boeking van de
aardgasbaten (..aardgasbaten zijn geen onderdeel van de
nationale produktie”) stelt Groenveld dat aardgas nationaal
vermogen is en dat de aardgasbaten het rendement op dit vermogen vormen. Laat men het aardgas in de grond, dan is er
zijns inziens geen rendement op dit nationale vermogen.
Drees meent dat de beste belegging is het gas in de grond te laten. Helfrich pleit ervoor de opbrengsten van de gasverkoop
aan te wenden voor het verbeteren van de nationale economische structuur.
Emmerij merkt op dat iemand die thans nog het woord
..vraag” laat vallen al gauw als keynesiaan wordt bestempeld en vervolgens als ..gevaarlijk gek”. Groenveld had gezegd in de inleiding van Emmerij de geest van Keynes geproefd te hebben en had deze bekritiseerd, omdat Keynes
voor conjunctuurpolitiek staat en hij een structurele aanpak
wenselijk acht. Emmerij beschouwt zich als ,,half-keynesiaan”: wat betreft de door hem bepleite internationale aanpak en de binnenlandse koopkracht legt hij een accent op het
belang van de effectieve vraag, maar tevens pleit hij voor stimuleren via het vergroten van de dynamiek aan de aanbodzijde (Wagner). Met Tinbergen meent hij dat er in diagnose
van en therapie voor de economische malaise een evenwichtige aandacht moet zijn voor zowel vraag- als aanbodfactoren.
Marges haakt in bij Drees’ opmerking over het misverstand dat het stijgen van de overheidsuitgaven altijd zou
leiden tot een stijging van het voorzieningenniveau. Dat sommige overheidsuitgaven leiden tot niets (behalve werkgelegenheid) is volgens hem duidelijk zichtbaar in de kwartaire
sector. In de jaren zeventig groeide de omvang van de voorzieningen nauwelijks, maar de personeelsinzet per voorziening steeg aanzienlijk. Het gebruik in de statistiek om de omvang van de produktie in de kwartaire sector gelijk te stellen
aan de hoogte van de loonsom van het personeel is dan ook
misleidend. Drees merkt op dat het mogelijk moet zijn in bepaalde sectoren (b.v. gezinszorg) de produktie van de kwartaire sector te meten met output-indicatoren (prestatiegegevens). Hij verwijst in dit verband naar onderzoek van Van de
Kar en Ritzen.

960

Naar aanleiding van een tweede vraag van Marges gaat
Drees in op de verruiming van het beleggingsterrein van het
ABP. Omdat gepensioneerden ook in het buitenland wonen
(bij voorbeeld Spanje) en Nederland te klein is, wil hij dat het
ABP ook in het buitenland mag beleggen (maar liever niet in
peseta’s). Minister Ruding pleitte er onlangs voor dat de particuliere pensioenfondsen ter versterking van de economische structuur meer zouden beleggen in de risicodragende
sfeer. Waarom dan niet ook, zo vraagt Drees, het ABP?
De Kok vraagt de inleiders om beleidsrelevante suggesties
hoe de werkloosheid zou moeten worden bestreden. Ook
vraagt hij naar hun visie op praktische mogelijkheden voor
een produktievere aanwending van de uitkeringen aan werklozen. Emmerij pleit voor het creeren van de mogelijkheid
van betaald educatief verlof voor laaggeschoolden met een
beneden-modaal inkomen. Zeker met het oog op de internationale automatiseringsgolf is dat van groot belang om de
noodzaak van vervroegde afschrijving van het Nederlandse
,,human capital” te voorkomen. Emmerij wijst crop dat enkele honderdduizenden jaarlijks een hertrainingsprogramma zouden kunnen krijgen tegen geringe meerkosten (financiering met uitkeringsgelden). Dit zou een produktievere besteding zijn van de werkloosheidsuitkeringen.
Helfrich stelt dat Nederland een ,,zelfbedieningsland”
aan het worden is, aangezien de dienstverlening uit de markt
wordt geprijsd (bezinestations, hotels enz.). In dit land kan
men zich geen arbeidsintensieve industrie meer veroorloven.
In een kapitaalintensieve industrie ziet hij goede mogelijkheden voor export en werkgelegenheid. Naast een kapitaalintensieve industrie kan immers een service-industrie groeien.
Helfrich verwijst in dit verband naar Japan. Overigens pleit
hij voor verlaging van de arbeidskosten (hetgeen Sets anders
is dan verlaging van de lonen) en wil hij de koopkracht van de
laagstbetaalden in stand houden door belastingverlaging.
Ook zou hij wensen dat investeren de hoogste prioriteit
krijgt. Voor binnenlandse en buitenlandse investeerders
moet het investeringsklimaat aantrekkelijk worden gemaakt. Ook de overheid zou volgens hem meer moeten investeren.
Hoogland vindt, dat Drees een te somber beeld heeft geschetst van het ombuigingsbeleid. De stoere woorden over
bezuinigingen van het kabinet Van Agt-Wiegel worden door
het kabinet Lubbers-Van Aardenne wel degelijk in daden
omgezet. Onder andere wijst hij op de voorgenomen ombuigingen op het gebied van de sociale zekerheid. Ook Drees ziet
dat onder het huidige kabinet structurele ombuigingen tot
stand zijn gebracht. Hij noemt het vervangen van de
open-einde-regelingen door budgetteringsstelsels en de aandacht voor de garantieregelingen. Hij heeft er waardering
voor dat het huidige kabinet minder dan vorige kabinetten
gebruik maakt van optische trues om het beeld van de begroting te flatteren. Maar hij vindt de voorgestelde wijzigingen
in de sociale zekerheid voorbeelden van vluchtige, weinig
fundamenteel doordachte wetgeving. Vooral meent hij dat
het kabinet te vroeg juicht: een milde winter met weinig aardgasbaten of een inzinking van de internationale opleving met
afnemende Nederlandse export, en van een,,keerpunt” in de
ontwikkeling van de overheidsuitgaven is geen sprake meer.
C.P. Maan

* DC auteur is werkzaam bij het Instituut voor Onderzoek van

Overheidsuitgaven.