Ga direct naar de content

Van spitsuur naar sandwich

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 26 2004

Van spitsuur naar sandwich
Aute ur(s ):
Nimw egen, N. van (auteur)
De auteur is adjunct-directeur van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut. Nimwegen@nidi.nl
Ve rs che ne n in:
ESB, 89e jaargang, nr. 4427, pagina D19, 26 februari 2004 (datum)
Rubrie k :
Dossier: Gezinsfase
Tre fw oord(e n):

Vrouwen blijven steeds langer werken en mannen stoppen steeds eerder met werken. Naast de zorg voor kinderen is er de zorg voor
de ouders. Gezinnen raken in de knel.
In de afgelopen decennia, zeker vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw, is de arbeidsparticipatie van vrouwen flink toegenomen. In de
jaren negentig steeg deze ruim twee keer zo snel als die van mannen, waarbij de toename vooral voor rekening kwam van vrouwen met
een gezin en deze trend zet door. Voor mannen is er juist sprake van een afnemende arbeidsparticipatie, zeker op hogere leeftijden. Het
gevolg van beide trends is dat het werken zich steeds meer concentreert in de gezinsfase van de levensloop. Het ooit dominante
kostwinnersmodel veranderde in het combinatiemodel, waarmee de arbeid het gezinsdomein betrad, het grote schipperen tussen werk en
gezin begon en de dubbele belasting van de vrouw werd opgevoerd. Het spitsuurgezin deed zijn intrede en is inmiddels een sterk
opkomend fenomeen.
Het spitsuurgezin
De grote spitsdrukte komt natuurlijk vooral voor in gezinnen met jonge kinderen waar beide ouders een baan hebben. Inmiddels behoort
twee derde van de gezinnen met kinderen tot twaalf jaar tot de groep ‘anderhalfverdieners’. Het gros is ‘grote’ anderhalfverdiener (vader
dertig uur of meer en moeder tussen de twaalf en dertig uur).Worden ook de andere varianten meegenomen, dan is voor drie van de vier
ouderparen (de eenoudergezinnen incluis) sprake van een spitsuursituatie waarbij werk en gezin worden gecombineerd.
Evenals bij het spitsuur in het verkeer, lijkt de gezinsspits eerder langer dan korter te worden. Dat komt niet alleen omdat er meer gewerkt
gaat worden (vooral door vrouwen), maar ook omdat naast de zorg voor de kinderen, ook opa en oma een beroep op het spitsuurgezin
doen. Ik richt me vooral op de opwaartse druk in de gezinsspits door de demografische ontwikkeling. Naast de
huishoudensontwikkeling, met een sterk groeiend aandeel alleenstaanden, gaat het daarbij met name om het uitstellen van ouderschap
en de verlenging van de levensduur.
Nederlandse vrouwen krijgen laat kinderen. De gemiddelde leeftijd waarop een Nederlandse vrouw haar eerste kind krijgt ligt thans op
29,1 jaar: vier jaar hoger dan een kwart eeuw geleden. figuur 1 laat zien dat het grote uitstellen van ouderschap in de jaren zeventig van
de vorige eeuw is begonnen; meer recent vlakt de stijgende trend af. Nederland behoort hiermee tot de absolute koplopers in de wereld.
Het gevolg van dit uitstellen is dat het aantal ‘oudere ouders’ toeneemt. Juist deze categorie loopt het risico van een dubbele
verzorgingstaak: die voor de eigen kinderen én die voor hun (groot-) ouders, want ook die worden ouder, zoals uit figuur 2 blijkt. De
gemiddelde levensduur is thans tachtig jaar voor vrouwen en 76 jaar voor mannen, waarbij opvalt dat het verschil in levensduur tussen
de geslachten geleidelijk kleiner wordt, met name door het afvlakken van de stijging van de levensduur van vrouwen. Een voortgaande
stijging van de levensverwachting wordt voorzien.

Figuur 1. Gemiddelde leeftijd van de moeder bij geboorte van haar eerste kind, in jaren

Figuur 2. Gemiddelde levensverwachting bij de geboorte, naar geslacht, in jaren
Er zijn overigens ook compenserende factoren, zoals het gegeven dat ouderen steeds langer gezond blijven en dan een handje kunnen
toesteken bij de gezinsspits van hun kinderen. Ook de teneur dat een deel van de zogenoemde mantelzorg door het sociale netwerk
verschuift naar de professionele zorg speelt een rol. Aan dat laatste hangt natuurlijk wel een prijskaartje.
Bij dit alles dient bedacht te worden dat de zorg voor opa en oma voor het leeuwendeel door vrouwen uit de leeftijdsgroep 45- tot 65jarigen wordt gegeven: na de kinderspits volgt dan ook de grootouderspits waardoor de gezinsspits langer wordt. Waar beide elkaar
gedeeltelijk overlappen, wordt de gezinsspits ook intensiever.
Sandwichgeneratie
Ter illustratie van deze ontwikkelingen, waarbij in feite een zogenoemde ‘sandwichgeneratie’ ontstaat waar zowel door de vorige als
volgende generatie een beroep op wordt gedaan, wordt in figuur 3 de verhouding tussen nog in leven zijnde kinderen en (schoon-)

Figuur 3. Aantal ooit levendgeboren kinderen, aantal nog in leven zijnde kinderen en aantal nog in leven zijnde (schoon)ouders van
personen van veertig respectievelijk vijftig jaar, geboren in enkele geselecteerde geboortejaren (1875-1965)
ouders weergegeven op twee peilleeftijden. Een veertigjarige heeft tegenwoordig gemiddeld 1,75 kinderen (grotendeels jonger dan tien
jaar) en nog 3,07 in leven zijnde (schoon-)ouders (vaak zeventig jaar of ouder). Vroegere generaties hadden op die leeftijd meer kinderen
dan ouders. Ook op vijftigjarige leeftijd hebben wij nu minder kinderen dan (schoon-)ouders.
Als we de leeftijd van vijftig jaar als uitgangspunt nemen bij de speurtocht naar de verlengde gezinsspits, waar zowel voor kinderen als
potentieel voor grootouders wordt gezorgd, dan zijn er 200.000 gezinnen met dergelijke ‘oudere’ ouders en jongere thuiswonende
kinderen. Dat is anderhalf maal zoveel als in 1995, hetgeen illustreert dat het spitsuurgezin een sterk opkomend fenomeen is. Vooral het
aantal oudere gezinnen met kinderen onder de 12 jaar nam in deze periode flink toe van 38 tot 61 duizend. De meest intensieve vorm van
(groot-)ouderbetrokkenheid is uiteraard het driegeneratiegezin; bij benadering zijn daar tegenwoordig nog 32.000 van.
Zorgpotentieel

Al met al wordt het spitsuurgezin, al dan niet verlengd met de zorg voor ouderen, een steeds wijdverbreider verschijnsel en neemt de
druk op de ‘sandwichgeneratie’ toe. Deze ontwikkeling kan verder worden toegelicht aan de hand van het zogenoemde ‘family care taker
potential’. Deze indicator geeft aan uit welke menselijke hulpbronnen ouderen in beginsel kunnen putten tijdens hun oude dag. De
indicator geeft de verhouding weer van de potentiële hulpgevers, hier gedefinieerd als vrouwen in de leeftijd 45-69, ten opzichte van de
oudere generatie, hier de bevolking van zeventig jaar en ouder.
figuur 4 laat voor een periode van honderd jaar zien, dat dit potentieel gestaag is afgenomen van 2,5 in 1920 tot ongeveer twee vrouwen
van middelbare leeftijd per zeventig-plusser tegenwoordig en in de nabije toekomst. Omdat alleenstaanden doorgaans een groter beroep
doen op informele zorg vanuit de familie, daar zij niet kunnen terugvallen op hulp van een partner, wordt in de tweede kolom het
zorgpotentieel voor alleenstaanden gegeven. Door het relatief geringe aantal alleenstaande ouderen in het verleden is dit zorgpotentieel
groter, te weten rond de vier tot de jaren zestig, maar neemt dit vervolgens af tot rond drie tegenwoordig. Met het sterk stijgende aantal
oudere alleenstaanden, zal deze zorgdruk eerder toe- dan afnemen en zal een nog groter beroep worden gedaan op de vrouwelijke
hulptroepen uit de sandwichgeneratie.

Figuur 4. ‘Family Care Taker Potential’: het in de bevolking aanwezige aantal vrouwen (van 45-64 jaar) per (alleenstaande) persoon van
zeventig jaar of ouder, 1920-2020
Levensloopbestendig beleid
Als alles op rolletjes loopt, komt men er meestal wel uit. Bij een kink in de kabel, zoals ziekte, wordt het fragiele evenwicht al snel
verstoord. Ondersteunend beleid dat ‘levensloopbestendig’ is, kan daarbij een helpende hand bieden. Verschillende opties zijn denkbaar;
ik noem er enkele.
Voor het stimuleren van de informele zorg voor ouderen lijkt betaald langdurig zorgverlof, waarvoor een potentiële doelgroep van circa
één miljoen mensen bestaat, een mogelijkheid. Uit modelberekeningen van het cpb komt naar voren dat een financiële vergoeding van dit
verlof niet direct tot een daling van het arbeidsaanbod leidt, noch tot een herverdeling van arbeid en zorg, maar wel tot een toename van
de informele zorg. Het stimuleren van gesubsidieerde kinderopvang is een andere optie. Het verlagen van de (hoge) ouderbijdrage, zou
volgens deze berekeningen een positief effect hebben op de arbeidsparticipatie van vrouwen. Door de daarmee gepaard gaande hogere
belastinginkomsten en lagere uitkeringsuitgaven, zou deze maatregel zichzelf vrijwel volledig terugbetalen en tot een gelijkmatiger
verdeling van de formele arbeid leiden. Een verhoging van de inkomensvergoeding tijdens ouderschapsverlof, ten slotte, zou het tot nu
toe bescheiden gebruik hiervan uiteraard stimuleren, waarbij het arbeidsaanbod navenant zou dalen; volgens het cpb zou deze maatregel
niet leiden tot een gelijkmatiger verdeling van arbeid en informele zorg over mannen en vrouwen.
Al met al blijkt uit de modelexercities dat het macro-economische effect op de arbeidsparticipatie van het uitbreiden van betaald
verlofregelingen onzeker en mogelijk negatief is. Maar het verhogen van de arbeidsparticipatie is uiteraard niet het enige doel. Ook een
evenwichtiger verdeling van arbeid en zorg over mannen en vrouwen, een meer evenwichtig gebruik door hoger en lager betaalden en bij
voorbeeld een herverdeling van formele en informele zorg, zijn doelen die baat hebben bij een levensloopbestendig beleid.
Mantelzorg en werken rondom de pensionering
In de laatste fase van het werkzame leven neemt arbeid een steeds minder centrale plaats in. Mannen die aan het begin van de twintigste
eeuw werden geboren brachten nog driekwart van hun leven op de arbeidsmarkt door; voor meer recente generaties is dat teruggelopen
tot iets meer dan de helft (58 procent). Vooral tussen de vijftig- en zeventigjarige leeftijd zijn de veranderingen opzienbarend. Zo daalde
in dertig jaar de arbeidsdeelname van 60-64-jarige mannen van 75 tot 25 procent. Bij vrouwen in de leeftijd van 50-64 jaar was
daarentegen juist een stijging van de arbeidsparticipatie te zien van zeventien naar 32 procent. Vooral in deze categorie worden, zoals
gezegd, de meeste mantelzorgers gevonden. Meer recent lijkt er een einde gekomen aan de dalende arbeidsparticipatie van oudere
mannen.

Toch is werken na de zestigjarige leeftijd een uitzondering geworden en werkt slechts een kleine minderheid tot aan de pensioenleeftijd
die daarmee weinig materiële betekenis meer heeft. Vervroegd uittreden is maatschappelijk volledig geaccepteerd en wordt als een recht
ervaren. Dit te keren met nieuw beleid zal een immense klus zijn. Een versobering van prepensioenregelingen maakt vervroegd uittreden
‘iets’ minder aantrekkelijk en daardoor ‘iets’ later mogelijk (circa één à twee jaar), zo blijkt uit nidi-onderzoek naar uittredingswensen bij
oudere werknemers. Naast financiële prikkels spelen natuurlijk ook andere factoren een rol bij de beslissing om uit te treden, zoals de
eigen gezondheid, de opvattingen van de partner, maar ook de waardering die men op het werk ondervindt.
Eenmaal met pensioen hebben de ‘jongere ouderen’ een druk leven waarbij recreatieve activiteiten de boventoon voeren. Het is daarom
zeer de vraag of deze categorie een belangrijk en realistisch potentieel vormt voor vrijwilligerswerk en mantelzorg, hetgeen te vaak als
vanzelfsprekend wordt aangenomen. De ouderen zelf zien dit zeker niet als vanzelfsprekend. Overigens wordt het aantal personen dat
informele zorg verleent geschat op circa 1,4 miljoen en dat is aanmerkelijk meer dan het aantal formele zorgers. Vraagt men naar de
bereidheid om informele zorg aan ouderen te geven, dan lijkt er sprake te zijn van ambivalentie: een meerderheid is tegen een formele
zorgplicht, maar voelt zich toch moreel geroepen dat te doen. Dit zorgethos is universeel en lijkt weinig beïnvloed te worden door sociale
kenmerken zoals opleiding, geslacht en inkomenspositie.
Oplopende druk
Als het gaat om de tegen elkaar schurende werelden van werken en zorgen, is er sprake van oplopende druk op gezinnen, zeker maar niet
alleen tijdens de gezinsvormingsfase. Hierbij dient bedacht te worden dat ook het (levenslang) leren een steeds grotere rol zal gaan
spelen in de gehele levensloop. De noodzaak hiertoe wordt alleen maar groter, ook met het oog op een verouderende en op termijn
wellicht krimpende beroepsbevolking, die meer investeren in het menselijk kapitaal vereist. Ook wordt duidelijk dat tijdens de gehele
levensloop behoefte is aan beleidsmaatregelen die het ‘schuren’ proberen te verzachten.
In een steeds meer geïndividualiseerde samenleving, zal een dergelijk beleid ruimte moeten geven aan individueel maatwerk dat
gedurende de gehele levensloop ingezet moet kunnen worden. Daarbij kan ook van de burger een investering worden gevraagd,
bijvoorbeeld via verlofspaarregelingen. Lukt dit, dan zou zowel de arbeidsparticipatie verder kunnen worden gestimuleerd als de
(informele) zorgcapaciteit worden versterkt. In een vergrijzende samenleving zijn dit nastrevenswaardige doelen, temeer als hiermee ook
de druk op de individuele burger (en nog steeds vooral vrouwen) beheersbaar zou worden gehouden.
Nico van Nimwegen
Deze bijdrage is grotendeels gebaseerd op het onlangs verschenen rapport ‘Bevolkingsvraagstukken in Nederland anno 2003’,
Werkverband Periodieke Rapportage Bevolkingsvraagstukken (NIDI rapport 65), Den Haag, 2003. Het WPRB is een
samenwerkingsverband van het NIDI, de planbureaus SCP, CPB en RPB en het CBS en diverse departementen als waarnemer, dat tot
doel heeft te rapporteren over bevolkingsvraagstukken in maatschappelijk perspectief.

Dossier: Handel en transactiekosten
A.J. De Geus en M. Rutte: Europees levensloopbeleid
K.P. Goedswaard en T.D. Tiemens: Levensloopbeleid: hype of noodzaak?
H.J. Groenendijk en M.A.D. Fasol: Het wetsvoorstel levensloopregeling
J.C.M. Sap em J.J. Schippers: Arbeidsmarkt: meer investeren, minder sparen
A. Blokland: Van droom naar werkelijkheid
M.T. van der Veen: Levenshoop
J. Plantenga: Zorgen in en om de levensloop
M. Janssen: Deense mannen nemen geen ouderschapverlof op
M. Janssen: Zweedse verlofregeling: royaal maar dwingend
M. Koning en E. Wierda: Non-participatie verminderen
N. van Nimwegen: Van spitsuur naar sandwich
J.J.M. Theeuwes: Tegen de storm in
R.M.A. Jansweijer: Te mooi om waar te zijn
A. de Grip: Levensloop en personeelsbeleid in zorg en onderwijs
G. Dolsma: Zelf je leven lopen

M.E.J. Schuit: Levensloopbeleid: modegrill of blijvend fenomeen
A.L. Bovenberg en J.P. van der Toren: Pijlers onder het gezin
F. Leijnse: De levensloop als individueel project
S.G. van der Lecq: Levensloopbanen

Copyright © 2004 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteur