Ga direct naar de content

Van de wieg tot het graf

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 9 1992

Van de wieg tot het graf
November 1942. De geallieerde troepen hebben het
Nazi-leger bij El Alamein in Noord-Afrika zijn eerste
nederlaag toegebracht. Op de bevroren vlaktes voor
Stalingrad zijn Hitlers troepen in de ijzige koude vastgelopen. Maar heel Europa is nog bezet. In die dagen valt er een dik rapport op de werktafel van Winston Churchill, de Britse eerste minister. Het zijn de
aanbevelingen van een regeringscommissie om iets
te doen aan de ontoereikende sociale en medische
verzekeringen. Maar het rapport is meer. Het is een
bevlogen oproep om de strijd aan te binden met de
vijf Grote Kwaden – Gebrek, Ziekte, Onwetendheid,
Morsigheid en Ledigheid – die de wederopbouw
kunnen bedreigen. Het is het Beveridge-rapport,
dat de grondslag legt voor de schepping van de
naoorlogse welvaartsstaat .
Inmiddels, vijftig jaar later, lijkt de welvaartsstaat, of
zoals hij hier is gaan heten de verzorgingsstaat, aan
het eind van zijn levenscyclus. “Nederland is ziek”,
heeft premier Lubbers gezegd. In Duitsland, Belgie
en Zweden hoort men dezelfde klachten: de verzorgingsstaat is onbetaalbaar geworden, hij heeft de
mensen afgeleerd om voor zich zelf te zorgen en hij
is ontaard in een anoniem herverdelingsmechanisme
waarin iedereen probeert te profiteren ten koste van
iedereen. Geleidelijk aan is het maatschappelijke
draagvlak onder het stelsel afgebrokkeld. Is er nog
toekomst voor de verzorgingsstaat?
De Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde heeft die vraag voorgelegd aan een reeks economen, gesecondeerd door een socioloog, een bestuurskundige en een politicus . Het antwoord is
vrijwel unaniem: de verzorgingsstaat moet blijven,
maar de allocatieve en herverdelende functies kunnen veel doelmatiger, en vaak ook nog rechtvaardiger, worden vervuld door overheidsinterventie zoveel mogelijk te vervangen door particulier initiatief
en de werking van de markt. Laat de overheid zich
tot haar kerntaken beperken, is de boodschap. Alleen in die gevallen waarin er sprake is van ontbrekende of falende markten, kan er een aanvullende
rol voor de overheid zijn weggelegd.
Uit alle preadviezen komt naar voren dat de verzorgingsstaat, en zeker de Nederlandse variant daarvan,
zich in zijn huidige vorm heeft overleefd. De bedreigingen komen zowel van binnen uit als van buiten
af. De interne dreiging komt voort uit het overmatige
beroep op de voorzieningen die het systeem aanbiedt. Bij de vormgeving van de verzorgingsstaat is
onvoldoende rekening gehouden met lifters, uitvreters en ‘calculerende burgers’. Het stelsel van sociale
zekerheid remt de arbeidsparticipatie af in plaats van
deze aan te moedigen. Het ver beneden de kostprijs
aanbieden van quasi-collectieve goederen als openbaar vervoer, beroepsopleiding, volkshuisvesting en
medische zorg heeft de vraag naar deze voorzieningen opgeschroefd, op kosten van de gemeenschap.
De onduidelijke vermenging van publieke en private
verantwoordelijkheden heeft tijdig bijsturen verhinderd. De uit de hand gelopen kosten hebben de collectieve-lastendruk opgejaagd en een hoge marginale wig op het arbeidsloon gezet, waardoor laagproduktieve krachten van de arbeidsmarkt zijn verdre-

ESB 9-12-1992

ven. Daarnaast zorgt de demografische ontwikkeling
ervoor dat de verzorgingsstaat in zijn huidige vorm
onbetaalbaar dreigt te worden. Ten slotte zijn de
doelmatigheid en de rechtvaardigheid van de herverdeling steeds meer aan twijfel onderhevig.
Maar ook externe factoren hebben de Nederlandse
verzorgingsstaat onhoudbaar gemaakt. De internationalisering van de economic, in het bijzonder het proces van Europese eenwording, en de daaruit voortvloeiende toenemende mobiliteit van arbeid en
kapitaal, leiden tot een scherper wordende (beleids)concurrentie tussen landen. Landen met een hoog
niveau van collectieve lasten dreigen zich als vestigingsplaats uit de markt te prijzen. In een verenigd
Europa met vrij personenverkeer zal het steeds moeilijker worden het beroep op sociale voorzieningen
nationaal af te grendelen. Veeleer ligt een ontwikkeling in de richting van een Europees gemiddelde
voor de hand. Voor Nederland impliceert dit een lager niveau van collectieve voorzieningen.
Hoe ziet de moderne verzorgingsstaat er dan uit? Het
preadvies van Kortleve, Oudshoorn en Rutten probeert daarvan de contouren te schetsen. Op het terrein van de sociale zekerheid kan worden toegewerkt naar een stelsel waarin de overheid op den
duur geen verantwoordelijkheden behoudt die door
particulieren zelf gedragen kunnen worden. In die
optiek is alleen het voorzien in een minimumbestaansbehoefte (sociaal vangnet) een kerntaak van
de overheid. Op het terrein van de gezondheidszorg
beperkt de overheid zich tot de opvang van categoriee’n van personen die als onverzekerbaar moeten
worden aangemerkt, voor het overige is de verzekeringsmarkt vrij. Op het terrein van de subsidies
wordt door talrijke regelingen een streep gehaald, de
vrijkomende middelen worden aangewend voor lastenverlichting. Volgens globale becijferingen zou de
collectieve-lastendruk dan circa 10 procentpunten lager kunnen uitvallen, terwijl de werkgelegenheid in
een tijdsbestek van 15 a 25 jaar met circa 10% extra
(500.000 personen) zou kunnen stijgen.
Het is niet gezegd dat de preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde het Beveridge-rapport voor de 21ste eeuw zullen worden.
Maar zij bevatten overtuigende argumenten waarom
het in Nederland gegroeide model van de verzorgingsstaat zeer wezenlijk zal moeten veranderen en nuttige
ideeen om aan die hervorming gestalte te geven. Bevlogen hervormers •worden echter gewaarschuwd in
het preadvies van Vos: “de welvaartsstaat ontstond
niet uit een vast omlijnd plan, maar als een bijprodukt
van pogingen om optredende problemen en conflicten op te lessen”. Een nieuw, eigentijds model zal op
soortgelijke wijze gestalte moeten krijgen.
L. van der Geest
1. W. Beveridge, Social insurance and allied services, Londen,
1942, later gevolgd door Full employment in a free society,
Londen, 1944.
2. B.M.S. van Praag, P.J. Vos en H.P. van Dalen (red.), De toekomst van de welvaartsstaat, Preadviezen van de Koninklijke
Vereniging voor de Staathuishoudkunde 1992, Leiden/Antwerpen, 1992.

i 1181

Auteur