Ga direct naar de content

Toekomst van de financiële sector in Europa

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 26 2009

De toekomst voor de financiële sector in Europa
laat zich in scenario’s schetsen. Op korte termijn
v
­ eroorzaakt de crisis een terugval in Europese
a
­ ctiviteiten. Voor de langere termijn ligt er een
politieke keuze: nationaal toezicht met nationale
financiële instellingen, of Europees toezicht met
­
Europese financiële instellingen.

D

Dirk Schoenmaker
Decaan van Duisenberg

oor de Europese interne markt zijn
Europese banken en verzekeraars
ontstaan. Daar hoort Europees toezicht en crisismanagement bij. Het
crisismanagement heeft zich echter langs nationale lijnen afgespeeld. De Franse president
Sarkozy heeft afgelopen oktober succesvol een
crisisplan opgesteld om de reddingsacties van
de nationale overheden te coördineren, maar
de verantwoordelijkheid voor en uitvoering
van de reddingsacties zijn volledig nationaal
gebleven.
Er zijn verschillende gevolgen van de crisis
voor de inrichting van de financiële sector te
noemen. Op korte termijn hergroeperen de
banken en verzekeraars zich langs nationale
lijnen. Dat betekent een afname van grensoverschrijdende activiteiten in de Europese
Unie (EU). Voor de langere termijn staan
de beleidsmakers voor een fundamentele
keuze: hetzij toezicht en crisisbestrijding naar
Europees niveau overhevelen, hetzij toezicht
en crisismanagement nationaal houden. In
het eerste scenario sluit het beleid aan bij de
Europese oriëntatie van de financiële sector
zelf en zullen na de crisis de Europese activiteiten weer worden uitgebreid. In het tweede,
nationale, scenario wordt de herinrichting van
de financiële sector langs nationale lijnen
bestendigd. Ieder land heeft dan zijn eigen
nationale banken.

beleid

Toekomst van de financiële
sector in Europa
Het financiële trilemma
Het financiële trilemma vormt de theoretische
onderbouwing van deze fundamentele beleidskeuze (Schoenmaker, 2009). Dit trilemma
zegt dat financiële stabiliteit, een geïntegreerd
internationaal financieel systeem en nationaal
financieel beleid niet samengaan. Iedere combinatie van twee van deze drie beleidsdoelstellingen is mogelijk, maar niet alle drie tegelijk.
De overheid moet één doelstelling opgeven.
In een geïntegreerd financieel systeem met
grensoverschrijdende effecten moeten overheden bijvoorbeeld kiezen tussen de doelen van
nationaal financieel beleid en financiële stabiliteit. Bij de keuze voor nationaal beleid kan de
beslissing van het ene land negatieve gevolgen
hebben voor de financiële stabiliteit in andere
landen vanwege de grensoverschrijdende
effecten. Financiële stablitieit komt dus onder
druk te staan. Bij de keuze voor financiële stabiliteit is er geen ruimte meer voor nationaal
beleid, maar moeten de overheden beleid op
Europees niveau uitvoeren. Figuur 1 geeft het
financiële trilemma weer.
Het financiële trilemma is gebaseerd op het
klassieke trilemma uit het monetaire beleid,
Figuur 1

Het financiële trilemma.
Financiële
stabiliteit

Geïntegreerd
financieel systeem

Nationaal
financieel beleid

school of finance
De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
Het is
het artikel voor eigen
te publiceren in wat voor medium dan ook. van dewel toegestaan omauteur aan te wenden. gebruik
en voor publicatie op een intranet
werkgever van de

ESB

94(4563S) 26 juni 2009

69

dat zegt dat vaste wisselkoersen, kapitaalmobiliteit en nationaal monetair beleid niet tegelijkertijd
kunnen worden gerealiseerd (Mundell, 1963). Zelfs
een sterke vorm van coördinatie van nationaal beleid
in het Europees Monetair Stelsel bleek onvoldoende
om de vaste wisselkoersen te handhaven. De wisselkoerscrisis van september 1992 heeft beleidsmakers
met deze boodschap geconfronteerd. In Europa is
het monetaire trilemma opgelost met de oprichting
van de Europese Centrale Bank (ECB) in 1998. Het
supranationale monetaire beleid van de ECB maakt
de combinatie van vaste wisselkoersen, waarbij de
nationale munten zijn omgezet in één munt, de euro,
en kapitaalmobiliteit wel mogelijk.

De financiële crisis
heeft duidelijk gemaakt
dat financiële stabiliteit
een publiek goed is
dat door overheden
internationaal moet
worden aangepakt

Financiële stabiliteit
Bij het financiële trilemma is de doelstelling van financiële stabiliteit
het equivalent van vaste wisselkoersen uit het monetaire trilemma.
De ECB verstaat onder financiële stabiliteit een conditie waarin het
financiële systeem, bestaande uit financiële instellingen, markten en
infrastructuur, schokken kan weerstaan zonder dat de allocatie van
besparingen naar winstgevende investeringsprojecten in gevaar komt.
Hier ligt de nadruk op de capaciteit van financiële instellingen om
financiële diensten, zoals betalingsverkeer en kredietverlening, ongestoord te verlenen. Deze overwegingen liggen ten grondslag aan de
reddingsoperaties van de overheden wereldwijd. Zij waren bang voor
een scenario van omvallende banken, waardoor het betalingsverkeer en
de kredietverlening tot stilstand zouden komen. De economische crisis
was dan nog dieper geweest.
Financiële stabiliteit is een publiek goed waarvan niemand kan worden
buitengesloten en waarbij de consumptie door de een niet ten koste
gaat van de consumptie door de ander. De financiële crisis heeft duidelijk gemaakt dat financiële stabiliteit een publiek goed is dat door
overheden internationaal moet worden aangepakt. Zowel op mondiaal
niveau, bijvoorbeeld door het IMF en de G20, als op Europees niveau
is op de financiële crisis gereageerd. De internationale aanpak kan
worden gekarakteriseerd als coördinatie van nationaal beleid. Soms is
deze gecoördineerde aanpak succesvol geweest; voorbeelden zijn de
gezamenlijke renteverlagingen van de centrale banken wereldwijd. Ook
het crisisplan van Sarkozy heeft bijgedragen aan een geharmoniseerde
aanpak van reddingsacties voor financiële instellingen in de EU. Maar
soms hapert de coördinatie. De Verenigde Staten en de EU hebben een
uiteenlopende benadering voor het aanpakken van slechte activa op de
balansen van de getroffen financiële instellingen. Dit staat een voortvarende aanpak voor het opschonen van het financiële systeem in de weg,
hoewel de Verenigde Staten en de EU van elkaar hebben geleerd en
zo hun beleid stapsgewijs hebben kunnen verbeteren. Dichter bij huis
hebben de Belgische en Nederlandse overheden meer gekeken naar de
stabiliteit van de respectievelijke nationale delen van Fortis dan naar de
stabiliteit van Fortis als geheel. Ook in het geval van de problemen bij

70

ESB

94(4563S) 26 juni 2009

de IJslandse banken stond
de IJslandse overheid er
als thuisland alleen voor.
De gastlanden, Nederland
en het Verenigd Koninkrijk,
waren voornamelijk bezig
met het veiligstellen van de
gelden van depositohouders in hun eigen nationale
markt.

Financiële integratie

Het tweede doel binnen het
financiële trilemma is financiële integratie.
Het bevorderen van integratie is een kerndoel
van het interne markt programma van de EU.
Zowel de Europese Commissie als de Europese
Raad van regeringsleiders streeft naar een
sterke interne markt. In de internationale
literatuur is er een debat over de gevolgen van
financiële integratie. Daarbij wordt gekeken
of de opbrengsten alleen naar de rijke landen
gaan, of ook naar de ontwikkelingslanden.
Voor Europa laten Abiad et al. (2009) zien
dat financiële integratie geholpen heeft om de
kapitaalstromen van de rijke EU-lidstaten (de
oorspronkelijke 15 lidstaten: EU-15) naar de
nieuw toegetreden lidstaten uit Oost-Europa
(de 12 nieuwe EU-lidstaten: EU-12) te laten
gaan. Deze financiële stromen hebben bijgedragen aan de convergentie van het inkomen
per hoofd van de bevolking tussen de EU-15
en de EU-12. Er is echter ook een nadeel:
financiële integratie draagt bij aan een snellere
transmissie van economische schokken. De
Oost-Europese economieën staan momenteel
onder druk. Vooralsnog lijken de permanente
voordelen van inkomensconvergentie op te
wegen tegen de nadelen van grotere blootstelling aan systeemschokken.
Een maatstaf van financiële integratie is de
mate van grensoverschrijdende financiële
dienstverlening. In figuur 2 wordt hiervoor
het aandeel van bancaire activa in de andere
landen van de huidige EU als percentage
van de totale bancaire activa genomen. Deze
maatstaf laat een stijging van elf procent in
1995 naar 21 procent in 2007 zien. Nieuwe
data voor eind 2008 zijn nog niet beschikbaar,
maar het is wel al duidelijk dat het percentage

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

Nationaal financieel beleid
Het derde doel binnen het financiële trilemma
is nationaal financieel beleid. Overheden
hebben de eindverantwoordelijkheid voor het
beleid met betrekking tot de financiële sector:
nationaal financieel toezicht en nationale crisisbestrijding. Dat is de huidige situatie in de
EU, maar er is wel Europese coördinatie van
nationaal beleid. Zo is er een lange traditie van
samenwerking tussen de EU-toezichthouders
in sectorale toezichtcomités. Verder is er
sinds 2005 een samenwerkingsovereenkomst
(Memorandum of Understanding) tussen toezichthouders, centrale bankiers en ministeries
van Financiën over financiële crisisbestrijding
in de EU. Deze vormen van Europese coördinatie zijn echter juridisch niet bindend;
het primaat ligt bij de nationale autoriteiten.
De huidige financiële crisis heeft dat benadrukt. In de voorbeelden van het BelgischNederlandse Fortis en de IJslandse banken
waren de nationale belangen leidend en was
de veronderstelde Europese geest van het
Memorandum of Understanding ver te zoeken.
Al vóór de crisis heeft Freixas (2003) deze
uitkomst voorspeld aan de hand van een
speltheoretisch model. Als nationale partijen
vrijwillig bijeenkomen om een financiële bijdrage te leveren aan een gemeenschappelijk
doel (Europese financiële stabiliteit) heeft
iedere partij een prikkel om zijn aandeel zo
laag mogelijk te houden. Dit is het bekende
meelifteffect bij publieke goederen. Het gevolg

Figuur 2

Grensoverschrijdend kapitaal bancaire dienstverlening in de EU.

Als percentage van totale bancaire activa

fors is afgenomen. Door de crisis zijn banken
opgesplitst in nationale onderdelen, zoals
Fortis, of hebben banken verschillende, voornamelijk buitenlandse, onderdelen afgestoten. De afname van internationalisatie is een
typisch verschijnsel in een financiële crisis.
In de jaren tachtig expandeerden de Japanse
banken in navolging van het succes van de
Japanse industrie. Japanse banken openden
kantoren in de buitenlandse financiële centra,
zoals New York, Londen en Frankfurt, om hun
klanten in die werelddelen goed te kunnen
bedienen. Tijdens de langdurige Japanse
financiële crisis in de jaren negentig hebben
de Japanse banken fors gesneden in hun
buitenlandse activiteiten.

25

20

15

10

5

0
‘95

‘96

‘97

‘98

‘99

‘00

‘01

‘02

‘03

‘04

‘05

‘06

‘07

Bron: De Haan et al., 2009

is dat er onvoldoende middelen worden verzameld om het gemeenschappelijk doel te realiseren. In een omgeving met nationale banken
en verzekeraars kunnen de nationale autoriteiten goed voorzien in het
publieke goed van financiële stabiliteit. Hoe meer de financiële integratie tussen landen toeneemt, hoe minder de nationale autoriteiten in
staat zijn om financiële stabiliteit te handhaven.

Politieke keuze
Het financiële trilemma geeft aan dat overheden de drie beleidsdoelen,
financiële stabiliteit, internationale financiële integratie en nationaal
financieel beleid, niet alle drie tegelijk kunnen realiseren. Overheden
kunnen slechts twee van de drie doelen combineren; één doelstelling
moet worden opgegeven. Summers (1999) en Rodrik (2000) laten
de werking van het trilemma in een internationale omgeving zien.
Voortschrijdende internationale economische integratie verkleint de
beleidsvrijheid van nationale overheden en vergroot de noodzaak van
een wereldwijde aanpak. Het alternatief is de soevereiniteit volledig in
tact te laten en zodoende de integratie af te remmen.
Voor het financiële beleid hebben politici de keuze uit drie beleidsopties. De eerste optie is het doel van financiële stabiliteit te laten varen.
Er is een kleine groep van academici (Dowd, 1996) die pleit tegen overheidsingrijpen vanwege moreel risico. Doordat private financiële instellingen kunnen rekenen op hulp van de overheid, nemen ze zelf minder
voorzorgsmaatregelen om hun financiële gezondheid te bewaken. De
overgrote meerderheid pleit wel voor publieke handhaving van financiële
stabiliteit. Verder hebben overheden zonder uitzondering laten zien dat
hun voorkeur uitgaat naar het redden van financiële instellingen om
financiële stabiliteit te handhaven. Men is zelfs bereid hier belastingmiddelen voor in te zetten. De afschaffing van de financiële stabiliteitsdoelstelling wordt hier dan ook niet als serieuze beleidsoptie gezien.
De tweede optie is het proces van financiële integratie terugdraaien.
Dit gebeurt al in de markt. Depositohouders zullen niet zo snel meer

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
Het is
het artikel voor eigen
te publiceren in wat voor medium dan ook. van dewel toegestaan omauteur aan te wenden. gebruik
en voor publicatie op een intranet
werkgever van de

ESB

94(4563S) 26 juni 2009

71

hun geld deponeren bij een bijkantoor van een bank
sen en huizenprijzen boven
Het
uit een andere EU-lidstaat. De huidige crisis heeft
trend stijgen, waardoor
duidelijk gemaakt dat overheden alleen de eigen
het voor banken duurder
macro-prudentieel
nationale banken helpen en alleen kunnen of willen
wordt hierin te investeren.
toezicht kan
instaan voor de nationale depositohouders. De interne
Zodoende kunnen bubbels
markt, die toestaat om met een vergunning uit het
in aandelen- en huizendaarom beter aan
thuisland een bijkantoor in een ander EU-land te
markten worden afgeremd
de ECB worden
openen zonder extra toezicht, is dus op zijn retour.
of tegengegaan. Verder
Grensoverschrijdende diensten kunnen dan nog wel
geeft het rapport aan dat
toegewezen
via een aparte dochteronderneming worden aangede grensoverschrijdende
boden. Deze dochters hebben een eigen balans en
samenwerking tussen de
krijgen een vergunning van de gastlandtoezichthouder.
nationale autoriteiten te
In feite worden deze buitenlandse dochters zodoende een nationale
wensen overlaat.
entiteit in de ogen van buitenlandse klanten. De activa van de buitenHet de Larosière-rapport doet aanbevelinlandse dochter zijn beschikbaar om de buitenlandse depositohouders
gen om deze tekortkomingen op te lossen.
te betalen en de gastlandtoezichthouder ziet erop toe dat er voldoende
Allereerst stelt de de Larosière-groep voor
activa in het gastland zijn en blijven. In een omgeving met aparte dochom macro-prudentieel toezicht op Europees
terondernemingen per land kunnen de nationale overheden weer nationiveau in te voeren. Deze macrobenadering
naal financiële stabiliteit beheersen. Nadeel is dat grensoverschrijdende kan vroegtijdig onevenwichtigheden in het
banken geen synergievoordelen, zoals een geïntegreerd risicomodel
financiële systeem, zoals uitbundige kredieten gemeenschappelijke treasury-activiteiten, meer kunnen behalen.
groei, aan het licht brengen. De de LarosièreBanken moeten alle functies per land zelfstandig organiseren, wat leidt
groep stelt voor om een nieuwe Europese
tot doublures en hogere kosten.
Raad voor systeemrisico op te richten voor
De derde en laatste optie is de nationale autonomie op te geven en
dit macro-prudentieel toezicht. De ECB en de
over te stappen op Europees toezicht en crisisbestrijding. Deze keuze
voorzitters van de Europese toezichtcomités
is eerder gemaakt op monetair terrein met de oprichting van de ECB.
zouden in deze raad zitten. De praktijk leert
Het gaat hierbij niet om Europese coördinatie van nationaal beleid maar dat raden bestaande uit uiteenlopende parom overheveling van nationale bevoegdheden naar Europees niveau.
tijen vaak tot slappe compromissen leiden in
Het subsidiariteitsbeginsel geeft aan dat overheidstaken bij voorkeur op
plaats van daadkrachtige beslissingen. Het
een zo decentraal mogelijk niveau moeten worden uitgevoerd. Europese
macro-prudentieel toezicht kan daarom beter
uitvoering is alleen gerechtvaardigheid als er sprake is van externaliteiaan de ECB worden toegewezen. In de financiten, dus als het beleid van het ene land gevolgen heeft voor de andere
ële crisis is gebleken dat de ECB voortvarend
landen, of bij evidente schaalvoordelen; het is bijvoorbeeld efficiënter
kan handelen. Zo heeft de ECB vanaf het
om grensoverschrijdende fusies door een centrale autoriteit te laten
begin van de crisis in 2007 de geldmarkt ruim
beoordelen dan door verschillende nationale autoriteiten. In een omgevoorzien van liquide middelen, waardoor er
ving van geïntegreerde financiële markten levert financiële crisisbestrijgeen tekorten aan liquide middelen bij banken
ding duidelijk externaliteiten op, in de vorm van meeliftgedrag.
in het eurogebied ontstonden.
Verder stelt het de Larosière-rapport voor
Het de Larosière-rapport
om een Europees systeem van financiële
Een groep wijze mannen onder leiding van Jacques de Larosière, oud
toezichthouders op te richten met een finanIMF-topman, heeft de arrangementen voor toezicht en stabiliteit in de
ciële toezichtautoriteit in het centrum, die
EU onderzocht. Onno Ruding, oud-minister van Financiën, maakt deel
samenwerkt met de nationale ­oezichthouders
t
uit van deze groep. Het de Larosière-rapport (2009) wijst op enkele
(Schoenmaker en Oosterloo, 2008).
belangrijke gaten in het Europese bouwwerk. De nadruk van het huidige Het nieuwe Europese toezichtstelsel kan
toezicht ligt op de gezondheid van individuele banken en verzekevoorname­ijk decentraal werken, dicht bij de
l
raars, zogenaamd micro-prudentieel toezicht. Er is geen zicht op het
financiële instellingen. De centrale autoriteit
financiële systeem als geheel, zogenaamd macro-prudentieel toezicht.
zorgt dan voor een gezamenlijke benadering
Hierdoor konden kredietverlening, aandelenkoersen en huizenprijzen
en slecht eventuele geschillen tussen toezichtongeremd toenemen. Macro-prudentieel toezicht kan bijvoorbeeld de
houders in thuisland en gastland. Na verloop
kapitaaleisen verhogen voor aandelen en hypotheken als aandelenkoervan tijd is het niet ondenkbaar dat de centrale

72

ESB

94(4563S) 26 juni 2009

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

autoriteit zelf de grote grensoverschrijdende
banken onder haar hoede neemt. Er zijn
momenteel ruim veertig banken in Europa met
significante grensoverschrijdende activiteiten
in Europa. Deze selecte groep van Europese
banken beslaan zeventig procent in termen
van activa van de gehele bancaire sector.
Toezicht zou dan aansluiten bij de realiteit van
Europees bankieren.
Het de Larosière-rapport stelt een driestappenplan voor om tot Europees toezicht te
komen, maar stopt bij de tweede stap (figuur
3). De eerste stap betreft het versterken van
het toezicht door de nationale toezichthouders
en het harmoniseren van toezichtregels. De
tweede stap is het omzetten van de centrale
bureaus van de drie sectorale toezicht­
comités tot Europese toezichtautoriteiten: een
Europese bankenautoriteit, een Europese verzekeringsautoriteit en een Europese effecten­
autoriteit. Hoofdtaak van deze Europese
autoriteiten is het harmoniseren van het
toezichtbeleid. De toezichtbevoegdheid blijft
echter bij de nationale toezichthouders; wel
kunnen de Europese autoriteiten een bindende
beslissing opleggen bij geschillen tussen
natio­ ale toezichthouders. De derde stap is
n
het overhevelen van de nationale toezichtbevoegdheden naar de Europese autoriteiten.
Vanwege gebrek aan politiek draagvlak schetst
het de Larosière-rapport deze stap naar
Europees toezicht als een toekomstperspectief
zonder concreet tijdpad.

Lastenverdeling nodig
Het grote obstakel voor Europees toezicht is
de lastenverdeling tussen de lidstaten van de
EU. Zoals de huidige financiële crisis aantoont,
heeft een structuur voor toezicht en stabiliteit een fiscaal vangnet nodig om financiële
instellingen te kunnen redden in tijden van
crisis. De huidige nationale toezichtstructuren
hebben de nationale ministeries van Financiën
achter zich. Het leidend principe hierbij is dat
degene die betaalt ook bepaalt. Een Europese
toezichtstructuur heeft een Europees fiscaal
vangnet nodig in tijden van crisis (Goodhart en
Schoenmaker, 2009; Wellink, 2009). Zonder
een Europees fiscaal vangnet zullen financieel toezicht en crisismanagement nationaal

moeten blijven. Dit versterkt de al sluimerende tendens van financieel
protectionisme: in de huidige crisis richten de landen zich voornamelijk
op het helpen van de financiële sector in eigen land.
Een Europees fiscaal vangnet voorkomt dat landen zich achter nationale
financiële grenzen gaan verschansen. De vraag is hoe Europese fiscale
lastenverdeling kan worden vormgegeven. De Europese Commissie
heeft geen eigen bevoegdheid om belasting te heffen. In plaats daarvan
kunnen de lasten van een bankreddingsoperatie worden verdeeld over
de landen waarin de bank in nood opereert. Speltheorie laat zien dat
een dergelijke verdeling alleen werkt als je van tevoren een vaste verdeelsleutel afspreekt. Als je tijdens een crisis nog moet onderhandelen,
zal ieder land zijn aandeel bagatelliseren zodat het weinig hoeft bij te
dragen.
De discussie over lastenverdeling zet de politieke keuze op scherp.
De vraag is of politici bereid zijn een deel van hun soevereiniteit in te
leveren en afspraken te maken over Europees toezicht en lastenverdeling. Tot nu toe blijken de meeste politici in Europa daarvoor terug te
deinzen; Bos en Wellink behoren tot een zeer select gezelschap van
beleidsmakers die wel een Europese aanpak voorstellen. Door het
afwijzen van Europese arrangementen komt de tweede beleidsoptie
in zicht: het terugdraaien van financiële integratie. Concreet komt dat
Figuur 3

Het stappenplan in het de Larosière rapport.

Stap 1: 2009-2010
Verbeteren van kwaliteit nationaal toezicht
Harmoniseren van nationale regels en nationale
toezichtbevoegdheden

Stap 2: 2011-2012
Oprichten van drie sectorale Europese toezichtautoriteiten
Voorzitter Europese autoriteit beslist bij geschillen tussen nationale toezichthouders
Toezichtbevoegdheden blijven nationaal

Stap 3: ?
Overgang naar twee cross-sectorale Europese toezicht­
autoriteiten: een voor prudentieel toezicht en een voor
gedragstoezicht
Toezichtbevoegdheden worden Europees

Bron: de Larosière rapport (2009)

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
Het is
het artikel voor eigen
te publiceren in wat voor medium dan ook. van dewel toegestaan omauteur aan te wenden. gebruik
en voor publicatie op een intranet
werkgever van de

ESB

94(4563S) 26 juni 2009

73

neer op het omzetten van buitenlandse bijkantoren in dochterbedrijven.
Grensoverschrijdende instellingen kunnen dan niet meer de Europese
activiteiten vanuit een hoofdkantoor aansturen, maar worden een verzameling van min of meer zelfstandig opererende eenheden. De nationale
toezichthouders in het thuisland en de gastlanden houden daarbij ieder
toezicht op de betrokken eenheden in hun jurisdictie.

de financiële sector voor het tweede. Na de
massale reddingsoperaties zetten politici
voorlopig de toon.

Klant centraal
Tot slot is het nuttig om de invalshoek van financiële instellingen zelf
te beschouwen. Het Maas-rapport (2009) over de Nederlandse bankensector stelt voor om de klant weer centraal te stellen. De internationalisatie strategie van banken is mede gebaseerd op het volgen van
klanten. De zogenaamde klantvolghypothese (Grosse and Goldberg,
1991) stelt dat de internationale activiteiten van de klanten van een
bank een reden is voor banken om ook te internationaliseren. Klanten
die in verschillende landen opereren willen graag hun financiële operaties efficiënt uitvoeren en consolideren. Zo worden uitstaande kasbalansen in verschillende landen aan het eind van de dag samengevoegd
en rentedragend uitgezet op de geldmarkt tot de volgende ochtend.
Internationale bedrijven zoeken banken die deze internationale diensten
kunnen leveren.
Volgens deze klantbenadering zien de grotere banken de noodzaak voor
het in stand houden van een Europees, en wereldwijd, netwerk. Alleen
met een internationaal netwerk kunnen banken multinationals blijven
bedienen. Vanwege efficiëntievoordelen hebben deze internationale
banken een voorkeur voor een geïntegreerd risicomodel en centrale
treasury operaties, om onder meer de kasbalansen van hun klanten
aan het einde van de dag te kunnen samenvoegen. Zij zullen dus sterk
gekant zijn tegen een splitsing in nationale entiteiten. Voor Nederland
met de vele multinationals zijn sterke internationale banken met een
thuisbasis in Nederland belangrijk. Goede relaties tussen banken en
bedrijven helpen in tijden van nood. Zo heeft een consortium onder
leiding van ABN AMRO een noodkrediet van ruim drie miljard euro aan
Ahold verstrekt toen het in moeilijkheden was in 2003. Het bedrijfs­
leven bepleit traditioneel een sterke interne markt. Dat geldt ook voor
de financiële sector. Deze druk vanuit de markt zal niet weggaan en de
financiële sector zal blijven pleiten voor een Europese benadering.

Literatuur
Abiad, A., D. Leigh en A. Mody (2009) Financial
integration, capital mobility, and income convergence.
Economic policy, 58, 241–305.
Dowd, K. (1996) The case for financial laissez-faire.
Economic journal, 106(436), 679–687.
Freixas, X. (2003) Crisis management in Europe. In:
Kremers, J., D. Schoenmaker en P. Wierts (red.) Financial
supervision in Europe. Cheltenham: Edward Elgar,
102–119.
Goodhart, C. en D. Schoenmaker (2009) Fiscal burden
sharing in cross-border banking crises. International
journal of central banking, 5(1), 141–165.
Grosse, R. en L. Goldberg (1991) Foreign bank activity
in the United States: an analysis by country of origin.
Journal of banking & finance, 15(6), 1093–1112.
Haan, J. de, S. Oosterloo en D. Schoenmaker (2009)
European financial markets and institutions. Cambridge:
Cambridge University Press.
Larosière, J. de (2009) Report of the high-level group on
financial supervision in the EU. Brussel.
Maas, C. (2009) Naar herstel van vertrouwen. Amsterdam:
Adviescommissie toekomst banken.
Mundell, R. (1963) Capital mobility and stabilization
policy under fixed and flexible exchange rates.
Canadian journal of economics and political science, 29(4),
475–485.
Rodrik, D. (2000) How far will international economic

Conclusie

integration go? Journal of economic perspectives, 14(1),

De financiële crisis heeft aangetoond dat een Europese interne markt
en nationaal toezicht niet samengaan. Dit artikel schetst twee mogelijke
scenario’s voor de financiële sector in Europa. In het eerste, nationale,
scenario staan de nationale autoriteiten achter hun financiële instellingen. Depositohouders en bedrijven mijden in dit scenario buitenlandse
banken die niet kunnen rekenen op overheidsteun. Het financiële landschap deelt zich langs nationale lijnen op. In het tweede, Europese,
scenario wordt het beleid naar Europees niveau getild. De interne
markt, voor bedrijven en financiële instellingen, blijft het referentiepunt
voor beleidsmakers. Politici lijken voor het eerste scenario te kiezen en

Schoenmaker, D. (2009) The trilemma of financial

177–186.
s
­ tability. http://ssrn.com/abstract=1340395.
Schoenmaker, D. en S. Oosterloo (2008) Financial
super­ ision in Europe: a proposal for a new architecv
ture. In: Jonung, L., C. Walkner en M. Watson (red.),
Building the financial foundations of the euro – experiences
and challenges, Londen: Routledge, 337–354.
Summers, L. (1999) Distinguished lecture on econo­
mics in government: reflections on managing global
integration. Journal of economic perspectives. 13(2), 3–18.
Wellink, A. (2009) A new structure for European and
global financial supervision. Lezing bij de Oostenrijkse
Nationale Bank.

74

ESB

94(4563S) 26 juni 2009

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

Auteur

  • Dirk Schoenmaker

    Hoogleraar aan de Erasmus Universiteit ­Rotterdam (EUR) en senior fellow bij Bruegel