Ga direct naar de content

Ronald Coase

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 30 1991

Ronald Coase
Dit jaar is de Nobelprijs voor de economic toegekend
aan de Brit Ronald Coase. In 1937 – hij was toen 27
jaar oud – leverde Coase met het artikel ‘The nature
of the firm’ een klassiek geworden bijdrage aan de
economische wetenschap . Hij verschafte daarmee
nieuw inzicht in de bestaansreden van ondernemingen. Later, in I960, werd hij met zijn artikel ‘The problem of social cost’ een van de grondleggers van een
nieuwe stroming binnen de economiebeoefening, namelijk de rechtseconomie .
In “The nature of the firm’ constateert Coase dat een
sluitende verklaring voor het bestaan van ondernemingen nog ontbreekt. Enerzijds stellen economen
dat het prijsmechanisme vraag en aanbod op efficiente wijze op elkaar laat aansluiten. Anderzijds blijkt
echter dat bij aanwending van arbeid en kapitaal de
markt slechts gedeeltelijk deze coordinerende functie
vervult. Een belangrijk deel van de coordinatie vindt
namelijk plaats door ondernemers die in hun organisaties zorgen voor een zo efficient mogelijke benutting van produktiemiddelen. Waarom gaan bezitters
van arbeid en kapitaal niet rechtstreeks via de markt
een overeenkomst met elkaar aan, maar gebruiken ze
een onderneming als intermediair? Het antwoord van
Coase is dat aan het gebruik van het marktmechanisme aanzienlijke kosten verbonden kunnen zijn. Indien de vervaardiging van een produkt volledig via
markttranssacties zou geschieden, zou iedere bezitter
van een produktiefactor een contract moeten aangaan met een of meer andere bezitters. Voor ieder
contract moeten de relevante prijzen worden nagegaan, moeten onderhandelingen worden gevoerd en
afspraken worden gemaakt. En dat voor ieder produktieproces opnieuw. De transactiekosten die daarmee
samenhangen kunnen worden beperkt door een contract aan te gaan met een onderneming, waarbij het
vervolgens niet meer nodig is contracten af te sluiten
met andere bezitters van produktiefactoren binnen
die onderneming. De ondernemer zorgt voor de coordinatie en gaat bij het aanwenden van de produktiemiddelen na of de kosten van coordinatie binnen de
onderneming lager zijn dan de transactiekosten bij uitbesteding aan de markt. De onderneming dankt zijn
bestaan aan het feit dat transacties via de markt veel
geld kunnen kosten.
Het inzicht dat aan markttransacties kosten verbonden zijn, is van grote betekenis geworden. Niet alleen
het bestaan, ook de omvang van de onderneming
kan eruit worden afgeleid. De ondernemingsactiviteiten kunnen worden bepaald door een vergelijking
van de kosten van het organiseren van produktiefactoren met de kosten van een transactie via de markt. Dalen de kosten van het organiseren, bij voorbeeld door
betere managementtechnieken, dan kan de onderneming groeien. Wordt de markt transparanter dan zullen de transactiekosten dalen en ontstaat een tendens
naar uitbesteding. Zo kan een bijdrage worden geleverd aan de verklaring van de verdeling van activiteiten over markten en organisaties. Ook voor overheden is de transactiekostengedachte als analyseinstrument toepasbaar. De overheid voert de taken
die zij tot haar terrein rekent grotendeels zelf uit. Het

ESB 30-10-1991

is interessant om vanuit de benadering van Coase
eens na te gaan wat het uitbesteden aan markten bij
voorbeeld voor openbaar vervoer, onderwijs of gezondheidszorg aan kosten met zich mee brengt en of
die kosten opwegen tegen de huidige kosten van afstemming van produktiefactoren binnen de overheid.
Ook in het latere werk van Coase neemt de mogelijkheid tot contractvorming tussen marktpartijen een
centrale plaats in. Gebiologeerd door het ingrijpen
van de overheid bij negatieve externe effecten van
ondernemingsactiviteiten (zoals milieuvervuiling)
vraagt hij zich af of overheidsoptreden wel nodig is.
Kan dit probleem wellicht ook door de markt worden
opgelost? Volgens Coase kan dit inderdaad, als zo’n
extern effect wordt verbonden aan een verhandelbaar
recht. Heeft een vervuiler (bij voorbeeld een fabriek)
het recht om te vervuilen dan kan dit recht door een
benadeelde (bij voorbeeld een beroepsvisser), indien
hij daar zijn opbrengst mee kan verhogen, worden afgekocht. Heeft een vervuiler geen recht om te vervuilen, dan heeft een benadeelde recht op compensatie.
Op deze wijze ontstaat een prijs voor het externe effect. Coase stelt nu dat door de verhandelbaarheid
van de rechten een optimale inzet van de produktiemiddelen ontstaat. Beide partijen worden zo min mogelijk benadeeld, omdat rekening is gehouden met de
prijs van het externe effect. De uitkomst is zelfs onafhankelijk van de wijze waarop de rechten zijn toegekend.
Een belangrijke kanttekening bij de praktische toepassing van deze theorie zijn eventuele transactiekosten
verbonden aan het marktmechanisme. Die kunnen,
zoals al uit Coase’s eerdere werk bleek, zeer hoog
zijn. Als de kosten van informeren, onderhandelen enzovoorts hoger zijn dan het voordeel dat met een herschikking van de produktiemiddelen kan worden behaald, heeft een verhandeling van rechten via de
markt geen zin meer. In dit soort situaties kan het
recht de allocatie van produktiemiddelen wezenlijk
be’invloeden. Met deze gedachte legt Coase de basis
voor de rechtseconomie, het vakgebied dat rechtsregels op hun economische doelmatigheid toets. Uiteindelijk zal bij hoge kosten van het marktmechanisme
de overheid met wetgeving regulerend optreden optreden tegen luchtvervuiling en dergelijke. Voor Coase is dit een laatste optie omdat generieke maatregelen nooit in alle gevallen tot een optimale allocatie
van produktiemiddelen kunnen leiden.
Een vurig pleidooi voor de markt, zo kan het werk
van Coase worden bestempeld. Een pleidooi, dat niet
eenzijdig de voordelen benadrukt, maar ook de beperkingen van de markt voor het voetlicht werpt. Het
werk van Coase toont verrassende inzichten, die bij
actuele kwesties als milieuvervuiling, privatisering of
deregulering nog steeds een heldere kijk bieden.
T.P. van Walderveen
1. R.H. Coase, The nature of the firm. Economica, 1937,

biz. 386-405.
2. R.H. Coase, The problem of social cost, The journal of

law and economics, oktober I960, biz. 1-45.

1081

Auteur