Ga direct naar de content

Regionaal initiatief

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 2 1980

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN
Regionaal initiatief
Wie de regiona Ie spreiding van de werkloosheid in Nederland bekijkt, wordt getroffen door een opmerkelijke
coïncidentie: de gebieden die in geografisch opzicht het
meest excentrisch zijn gelegen, nemen veelal ook in economisch opzicht als het ware een bescheiden plaatsje langs
de zijlijn in. Gaande van het noorden van Friesland en
Groningen door Oost-Groningen en Zuid-Oost-Drenthe,
via Twente en de regio Arnhem-Nijmegen, door het
oosten van Noord-Brabant tot in het puntjevanzuid-Limburg en langs de Belgische grens tot in Zeeuws-Vlaanderen, bestrijkt men vrijwel alle regio’s waar de werkloosheid een meer dan gemiddeld of zeer hoog percentage van
de afhankelijke beroepsbevolking bedraagt. Daarbij liggen de regio’s die meestal als de zwakste probleemgebieOost-Groningen, Twente en
den worden aangeduid
Zuid-Limburg- bovendien nog inde verste uithoeken van
het land. Perifere ligging, tegen de landsgrenzen aan, is
blijkbaar voldoende grond om de economische ontwikkeling van een gebied danig te belemmeren.
Nu kan ongunstige situering uiteraard door geen enkel
regionaal beleid worden verholpen. Men zou zich dan ook
vertwijfeld kunnen afvragen of de kloof tussen centrum en
periferie, die voor deze ,,buitengewesten” zo groot is, ooit
kan worden overbrugd?
De reeks bedrijfssluitingen en herstructureringsplannen die in de eerste maanden van dit jaar bekend zijn geworden en waarmee vele duizenden arbeidsplaatsen zijn
gemoeid, doet in dit opzicht weinig goeds verwachten. De
hardste klappen vielen opnieuw in de zwakste gebieden.
Ik denk aan de reorganisatieplannen van Philips in o.a.
Stadskanaal, Winschoten, Heerlen en Maastricht; het
faillissement van de TSB Finishing & Printing te Goor,
dat op zijn beurt de problemen van de Nederlandse Bontweverij verder heeft verscherpt; de voorziene inkrimping
van het personeelsbestand van DSM met 2.000 man in de
komende jaren; de voortdurende problemen in de aardappelmeel- (Avebe) en strokartonindustrie in Groningen;
de nog steeds niet geheel voltooide capaciteitsafbouw in
de kunstvezelsector (Enka Emmen); de personeelsinkrimping bij Heemaf in Hengelo en bij andere bedrijven van het
Holec-concern en ten slotte het nog steeds niet definitief
voltrokken vonnis over de hypermoderne kartonfabriek
Okto in Winschoten. Het is geen wonder dat de regionale
bestuurders die geconfronteerd worden met deze problemen bijna voortdurend in Den Haag aan de bel hangen om
gehoor te vinden voor hun moeilijkheden.
Echter, ook op nationaal niveau ziet men zich geplaatst
voor de problemen van een stagnerende economie. Voor
een verbreding van de middelenstroom naar de zwakke
regio’s schept dat niet bepaald de gunstigste voorwaarden.
De tegenstellingen lopen af en toe dan ook hoog op. Een
voorlopige climax werd enkele maanden geleden bereikt
met de staking van Gedeputeerde Staten in Groningen en
de tijdelijke opschorting van alle overleg met Den Haag
uit frustratie vanwege de gang van zaken met het Integraal Structuurplan voor het Noorden des Lands.
Hoe begrijpelijk de regionale boosheid ook was over
het gesol van de regering met de beloften die in het ISP
waren gedaan, men lost er niet veel mee op. Ook al lijkt de
actie van G S een zeker effect te hebben gesorteerd h e t kabinet heeft in elk geval een beslissing genomen tot overplaatsing van de Centrale Directie van de PTT naar Groningen, het is gekomen met een reeks aanvullende maatregelen voor het noorden en het wil met bijna 90% overheidssubsidie via de NOM samen met Enraf-Nonius ca.

ESB 26-3-1980

tien fabrieken voor hoogwaardige instrumenten in het
noorden oprichten -, de problemen zijn nogallerminst de
wereld, c.q. de regio, uit. De betreffende gebieden zullen
voorlopig nog wel een zwakke positie innemen.
Het is de vraag of men zich intussen met steeds grote
nadruk tot Den Haag kan blijven wenden om de regionale
problemen tot een oplossing te brengen. In de eerste plaats
is een zekere twijfel over de effectiviteit van het regionaaleconomische beleid op zijn plaats; de schaars beschikbare
onderzoeksresultaten tonen een weinig rooskleurig beeld.
Daarnaast ligt, zoals gezegd, gezien de financiële situatie
van het Rijk een opvoering van de steunverlening voor
probleemgebieden nauwelijks voor de hand. In de derde
plaats kan ook het Rijk het gebrek aan nabijgelegen
afzetgebied, met name in de noordelijke provincies, nu
eenmaal niet verhelpen. En ten slotte zit men met een
zwakke industriële structuur (veel filiaalbedrijven van
elders gevestigde concerns), die niet in een handomdraai is
te verbeteren.
De rol die de centrale overheid kan spelen in het regionale beleid dient dan ook niet te worden overschat. De regering kan ineen bepaaldgebied welgunstigevoorwaarden
tot stand proberen te brengen, maar ter plaatse zullen de
initiatieven moeten worden ontplooid. Directeur Slingerland van de verpakkingsindustrie De Dollard in Nieuweschans zei het aldus: ,, We moeten niet als muisjes voor
de deur van Den Haag gaan liggen; helaas is er nauwelijks
initiatief in deze provincie; we moeten mensen hebben die
aan risico’s durven sleuren” 1).
Drie zaken lijken voor de regionale ontwikkeling ,,op
eigen kracht” in het bijzonder van belang: het ontstaan
van nieuwe bedrijven vanuit de regio zelf; een sterkere
oriëntatie van het lokale bedrijfsleven op de export en verbetering van de aanwezige managementcapaciteiten. In
deze behoeften wordt door het huidige regionaal-economische beleid echter in het geheel niet voorzien. Te denken
valt aan faciliteiten voor werknemers die eigen
bedrijfjes willen beginnen, cursussen voor exportbevordering en het tijdelijk stationeren van ervaren managers bij
lokale bedrijven om de export-, marketing- en andere bekwaamheden te vergroten en de blik van de zittende bedrijfsleiding te verruimen.
Dat er ook in z.g. probleemgebieden mogelijkheden
zijn, tracht men aan te tonen in Twente. Uit het debacle
van de textiel is men bezig omhoog te krabbelen, o.a. door
zich toe te leggen op de micro-elektronica. In samenwerking tussen gemeenten en plaatselijk bedrijfsleven (metaalindustrie) en ondersteund door de technische wetenschap (TH Twente) wordt hard gewerkt om een microelektronische industrie op poten te zetten. Perspectieven,
ook voor de export, lijken beslist aanwezig.
Uiteraard kan dit voorbeeld niet zonder meer worden
overgeplant op b.v. Groningen of Zuid-Limburg. Wel illustreert het dat probleemregio’s kansen kunnen hebben
als plaatselijk initiatief wordt ontplooid en enkele ondernemende personen de kar willen trekken. Helaas lijkt men
soms wel eens te vergeten dat een krachtig beroep op Den
Haag alleen voor regionale ontwikkeling niet voldoende
is.
L. van der Geest

I ) Geene sterkte, geene veerkracht. Het falen van de industrie in
Oost-Groningen, NRC Handelsblad. 15 maart 1980, blz. Z 4.

36 1

Auteur