Ga direct naar de content

Prikkels voor pensioenfondsen

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 15 2006

binnenland

Prikkels voor pensioenfondsen
Pensioenfondsbestuurders hebben onvoldoende prikkels om
de belangen van de deelnemers goed te behartigen. Zowel
het bezoldigingsbeleid als het toezicht kunnen op dit punt
worden verbeterd.
e sterke daling van de beurskoersen na
2001 heeft het vertrouwen in ons pensioenstelsel geen goed gedaan. Sindsdien
staat goed pensioenfondsbestuur (Pension
Fund Governance) hoog op de agenda. Mijlpalen
in het debat zijn Allen&Overy/Boer&Croon (hierna
AOBC, 2004) en de principes voor goed pensioenfondsbestuur van de Stichting van de Arbeid (hierna
STAR, 2005). Sinds 1 januari 2007 zijn deze principes verankerd in de nieuwe pensioenwet.
Een belangrijk principe is dat bestuurders van
pensioenfondsen uitsluitend handelen ten behoeve
van de belanghebbenden van het fonds. Voor zover
er in de discussie belangenconflicten worden onderkend, spelen deze zich af tussen de werkgevers,
werknemers en gepensioneerden. De principes voor
goed pensioenfondsbestuur stellen voorts eisen aan
de competentie en professionaliteit van het bestuur
en aan het toezicht op en de verantwoording van het
beleid. Ze zwijgen echter over mogelijke belangenconflicten tussen de bestuurders zelf en de deelnemers in het fonds.
Rationele pensioenfondsbestuurders maximaliseren
hun eigen nutsfunctie, gegeven toezicht en prikkels.
Dit roept de vraag op of het eigenbelang van bestuurders kan botsen met het belang van de deelnemers en, zo ja, hoe goed pensioenfondsbestuur de
deelnemers hiertegen kan beschermen.

D

Mandaat, toezicht en prikkels

IVO ARNOLD
Hoogleraar Economie
aan Nyenrode Business
Universiteit

366

ESB

sche indexatie van zijn pensioenaanspraak. Alleen
gepensioneerden verkeerden in onzekerheid over
de toepassing van de indexatie. De nieuwe middelloonregelingen zijn bijna allemaal voorwaardelijk
geïndexeerd, waardoor indexatiekortingen nu ook de
aanspraken van actieve deelnemers treffen. Begon
iemand zich vroeger pas bij pensionering zorgen te
maken over waardevastheid, nu begint de inflatieonzekerheid veertig jaar eerder, bij de start van de
pensioenopbouw. De periode waarover Nederlanders
in onzekerheid verkeren over de waardevastheid van
hun pensioen is daarmee meer dan verdriedubbeld.
Gedurende deze tijd is de indexatie van de pensioenaanspraken afhankelijk van beslissingen van
pensioenfondsbestuurders.
Ook het toezicht is met de komst van het nieuwe
financiële toetsingskader sterk veranderd. De
Nederlandsche Bank (DNB) richt zich als prudentieel toezichthouder vooral op de solvabiliteit. DNB
wil zeker stellen dat een fonds de pensioenen kan
uitbetalen en de indexatieambitie kan waarmaken.
Dit verklaart haar focus op de dekkingsgraad. Ook de
deelnemers zien toe. Voor hen is de dekkingsgraad
op zichzelf niet zo informatief. Een fonds zonder
indexatieambitie kan een mooie dekkingsgraad
presenteren. Maar zelfs een matige inflatie zal op
termijn de koopkracht van een niet-geïndexeerd pensioen eroderen. Aan een hoge dekkingsgraad alleen
heeft een deelnemer dus niet zoveel. De indexatie is
cruciaal.
Het toezicht door DNB is professioneler dan dat
door de deelnemers. Bovendien gunt de pensioenwet
een arsenaal aan machtsmiddelen aan DNB. Hier
staat het adviesrecht van de deelnemersraad tegenover. DNB oefent dus stevig toezicht uit gericht op
de dekkingsgraad, terwijl de deelnemers toezien hoe
de indexatie wordt gekort. Wat bepaalt de positie
van het pensioenfondsbestuur in dit spanningsveld?
Zal het de belangen van de deelnemers voldoende
behartigen? Voor een antwoord op deze vraag kijken
we naar de prikkels.

Een gezonde organisatie kent een goede balans
tussen mandaat, toezicht en prikkels (Brickley,
Smith en Zimmerman, 1995). Een ruim mandaat
dat bestuurders veel beslissingsrechten gunt, vereist
toezicht en prikkels om te waarborgen dat ze deze
gebruiken in het belang van de organisatie. Brickley,
Smith en Zimmerman (1995) visualiseren deze gedachte door middel
Een belangrijk
van een driepoot. Een onbalans
tussen mandaat, toezicht en prikkels
principe is dat
bergt risico’s in zich en heeft aan
bestuurders van
de wortel gelegen van veel recente
boekhoudschandalen.
pensioenfondsen
In de pensioenwereld heeft de
uitsluitend handelen
omzetting van eindloon- naar middelloonregelingen het mandaat van
ten behoeve van de
pensioenfondsbestuurders sterk
belanghebbenden
verruimd. Voor de gemiddelde
werknemer lag het voordeel van een
van het fonds
eindloonregeling in de automati-

15 juni 2007

Geldelijke prikkels
Pensioenfondsbestuurders krijgen
een geldelijke honorering. Grote
pensioenfondsen kennen veelal een
directie met vast salaris en soms
een variabele beloning. Over de
hoogte, samenstelling, vaststelling
en openbaarmaking van de bezoldiging is weinig geregeld in STAR
(2005). Voor beursgenoteerde
ondernemingen geldt dat het bezoldigingsbeleid ter goedkeuring aan
de aandeelhouders moet worden
voorgelegd en dat een eventuele

variabele beloningscomponent de binding van de
bestuurders aan de vennootschap en haar doelstellingen dient te versterken (Code Tabaksblat, 2003).
Op basis hiervan stellen AOBC (2004) voor om de
honorering van bestuurders te laten goedkeuren door
het verantwoordingsorgaan van het pensioenfonds.
Daarnaast vragen ze aandacht voor een adequate
honorering (gezien de vereiste deskundigheid en
inzet), maar zwijgen ze over variabele beloning. De
goedkeuring door het verantwoordingsorgaan is niet
overgenomen in STAR (2005), waarin alleen wordt
voorzien in een adviesrecht. Betekent dit dat principes ten aanzien van het bezoldigingsbeleid overbodig zijn voor pensioenfondsen? Om dit te toetsen
wordt hieronder het bezoldigingsbeleid van het ABP
besproken.
Het dagelijks bestuur van het ABP wordt gevormd
door de directieraad. Sinds 2002 vermelden de
jaarverslagen de beloningscomponenten van leden
van de directieraad. De toekenning van de variabele beloning (de gratificatie) wordt door het ABP
als volgt verantwoord: “Door de mate van indexatie zwaar te laten wegen in de variabele beloning
…wordt zichtbaar gemaakt dat indien de fondspositie aanleiding geeft om de indexatie te korten, dit
ook doorwerkt in de beloningen van de top van het
bedrijf†(ABP, 2003 en verder). Deze directe koppeling tussen de belangen van de directieraad en
die van de deelnemers is in de geest van de Code
Tabakblat en zal iedere deelnemer aanspreken. Op
papier is het bezoldigingsbeleid van het ABP dus
ronduit vooruitstrevend.
Helaas voegt het ABP niet de daad bij het woord.
In tabel 1 staan gegevens over de door het ABP
gevolgde index (contractloonstijging bij de overheid),
het indexatiepercentage en de variabele beloning
van de directieraad. Sinds 2002 is de cumulatieve
indexatiekorting opgelopen tot twee procent. De
hoogte van de variabele beloning varieert weinig en
vertoont geen positief verband met het waarmaken
van de indexatieambitie. In 2006 werden de gratificaties sterk verhoogd. In dat jaar was ook de indexatiekorting het hoogste. De conclusie is dat principes
ten aanzien van de honorering ook in de pensioenwereld geen overbodige luxe zijn.

tabel 1

Indexatie en Gratificatie

jaar

contractloonstijging (%)

indexatie
(%)

indexatiekorting (%)

gratificaties
(in euro, pp)

in %
salariskosten

2002
2003
2004
2005
2006

3,80
2,65
0,15
0,38
3,70

3,80
1,77
0,12
0,17
2,80

0,00
-0,88
-0,03
-0,21
-0,90

56.525
56.050
51.731
51.950
71.383

17,3%
17,0%
14,8%
15,0%
18,8%

Bron: jaarverslagen ABP: obv bestuurders met doorlopend dienstverband;
excl. long term incentives.

fonds gaat beleggingsrisico’s uit de weg om geen risico’s te lopen ten aanzien
van de dekkingsgraad (Koedijk en Slager, 2006). Dit gaat ten koste van het
beleggingsrendement op de lange termijn en dus van de mogelijkheid om de
indexatieambitie te realiseren. Beleggingsbeleid en indexatiebeleid verworden
hiermee tot instrumenten om de dekkingsgraad te stabiliseren. Dit is misschien
goed voor de gemoedsrust van pensioenfondsbestuurders en toezichthouders,
maar niet in het belang van de deelnemers.

Conclusies
De prikkels voor pensioenfondsbestuurders schieten tekort. Het bezoldigingsbeleid van bestuurders heeft te weinig aandacht gekregen in de discussies over
goed pensioenfondsbestuur. Op dit punt zou de Stichting van de Arbeid de
principes voor goed pensioenfondsbestuur moeten herschrijven in de geest van
de Code Tabaksblat. Hierdoor kunnen bestuurders beter worden afgerekend op
de behaalde indexatiekwaliteit.
Herstel van de balans tussen mandaat, toezicht en prikkels kan ook op een tweetal andere manieren worden bereikt. In de eerste plaats door meer evenwicht in
het toezicht. Versoepel het toezicht van DNB onder gelijktijdige versterking van
het toezicht door deelnemers, indien nodig ondersteund door externe deskundigen (Koelewijn, 2005). Dit prikkelt bestuurders om de indexatie zwaarder te
laten wegen in hun beleid. De laatste optie is om het mandaat van pensioenfondsen te beperken, door de waardevastheid wettelijk te garanderen (Beetsma
en Van Praag, 2005). Hier is veel voor te zeggen. Het ontlast bestuurders van
de moeilijke taak om te sturen op zowel de dekkingsgraad als de indexatie. Voor
de recente pensioencrisis zou deze inperking van het mandaat weinig hebben
uitgemaakt. Het herstel van de dekkingsgraden komt immers vrijwel volledig voor
rekening van de opleving van de beurzen, niet door indexatiekortingen.

Immateriële prikkels

LITERATUUR

Los van geldelijke beloningen zijn voor bestuurders ook een aantal immateriële zaken van belang.
Bestuurders hechten aan speelruimte en aan een
goede reputatie, mede uit loopbaanoverwegingen.
Vanuit dit perspectief wil een pensioenfondsbestuurder koste wat kost een conflict met DNB voorkomen.
Ingrijpen van DNB bij een pensioenfonds is immers
ongunstig voor de speelruimte, de reputatie en de
loopbaan van bestuurders. Met de beurscrisis nog
vers in het geheugen, kan men zich voorstellen dat
hier een sterke negatieve prikkel vanuit gaat.
Wanneer angst voor ingrijpen door DNB domineert
in hun nutsfunctie, zullen pensioenfondsbestuurders een behoudende koers varen. Een pensioen-

ABP (2003) Jaarverslagen 2003-2006, www.abp.nl.
Allen&Overy/Boer&Croon (2004) Pension Fund Governance:
Eenheid in Verscheidenheid. Allen&Overy Boer&Croon, 6 september 2004.
Beetsma R.M.W.J. en B.M.S. van Praag (2005) Garandeer koopkracht pensioenen in nieuwe wet. NRC 22 augustus 2005.
Brickley, J., C. Smith en J. Zimmermann (1995) The economics
of organizational architecture. Journal of Applied Corporate
Finance, 8(2), 19-31.
Code Tabaksblat (2003) De Nederlandse corporate governance code.
Commissie corporate governance, 9 december 2003.
Koedijk, K. en A. Slager (2006) De toekomst van het
Nederlandse pensioenfonds, ESB 91(4496), 516–519.
Koelewijn, J., (2005), Pension fund governance, een analyse
vanuit de contracttheorie. Pensioenmagazine, 12, 20-24.
Stichting van de Arbeid (2005) Principes voor goed pensioenfondsbestuur. 16 december, publicatienr.10/05.

ESB

15 juni 2007

367

Auteur

  • Ivo Arnold

    Hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam van het faculteitsbestuur van de Erasmus School of Economics met portefeuille onderwijs.