Ga direct naar de content

Prestaties van grote ondernemingen

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 22 1995

Prestoties van grote
ondernemingen
H.W. de Jong*

G

rote ondernemingen ondervinden kritiek omdat zij te weinig zouden bijdragen
aan de groei van de nationale economie, geen werkgelegenheid zouden scheppen
en alleen maar op de loonkosten besparen door arbeid afte stolen. Is deze kritiek
terecht? In dit artikel warden deprestaties van de honderd naar netto toegevoegde
waarde grootste ondernemingen in deperiode 1987 tot en met 1993 bekeken.

Het Nederlandse bedrijfsleven – en met name de grote ondernemingen – heeft in het afgelopen jaar nogal
wat kritiek moeten doorstaan. De ondernemingen
zouden niet innovatief genoeg zijn en te weinig in
technologische ontplooiing investeren. Er zouden
ook te weinig groeiende ondernemingen zijn die tot
bedrijven van formaat worden. En de alom gehoorde
klacht was dat er geen werkgelegenheid wordt geschapen: de ondernemingen zouden alleen maar op
loonkosten besparen door arbeidsuitstoot. Dit artikel
heeft de bedoeling deze kritieken op hun waarheidsgehalte te toetsen. Met behulp van begrippen, ontleend aan de netto-toegevoegde-waardetheorie,
wordt gepoogd de prestaties van de honderd grootste Nederlandse ondernemingen te bepalen gedurende de periode 1987 tot en met 1993. Ook worden
enkele verbanden gelegd met grootheden zoals
be- drijfstakken, ondernemingsomvang, werkgelegenheid, produktiviteit en de verdeling van toegevoegde
waarde, waardoor wellicht antwoorden op de in de
aanhef opgeworpen vragen kunnen worden gevonden.
Welke maatstaf?
Om de prestaties van ondernemingen vast te stellen
en te beoordelen moet men over gegevens van een
voldoende omvangrijke populatie beschikken, die (i)
zijn opgesteld volgens een theoretisch aanvaardbaar
concept; (ii) waarin individuele ondernemingen herkenbaar zijn, met het oog op fouten in de lijsten, interpretatie van de gegevens e.d., en (iii) waarin in de
gegevens onderling vergelijkbaar zijn1.
Vanwege deze eisen zijn gegevens van officiele
statistische bureaus niet of nauwelijks bruikbaar. Er
zijn, nationaal en internationaal, wel diverse lijsten
van grootste ondernemingen in omloop, met ieder
hun eigen merites en tekortkomingen: de lijsten van
Fortune, Wirtschaftswoche, Financial times, het
Financieele Dagblad, enzovoort. Niet al deze lijsten
zijn echter bruikbaar om de prestaties van ondernemingen te beoordelen.

Lijsten die gebaseerd zijn op omzetcijfers, zoals
die van Fortune of Wirtschaftswoche, accentueren de
grootte van de ondernemingen terwijl het om de
waarde van de prestaties gaat; zij vertekenen de verhoudingen tussen bedrijfstakken en tussen ondernemingen, onder andere op grond van omzet/personeel, omzet/activa of omzet/toegevoegde-waardeverhoudingen; ook de invloed van de verticale integratie/desintegratie op de produktiviteit kan niet verdisconteerd worden. Voorts blijkt uit cijfermatige vergelijkingen van tot een zelfde sector behorende
ondernemingen, dat er grote verschillen bestaan tussen zowel het niveau als de groei van de omzet en
toegevoegde waarde. Gevallen als die waarbij een
onderneming met hoge toegevoegde waarde een relatief lage omzet of omgekeerd behaalt (zowel absoluut als per werknemer) komen nogal eens voor. Meting met de ene dan wel de andere variabele maakt
dan ook een groot verschil uit. Zo is het volgens het
omzetcriterium de Koninklijke Shell-groep de grootste onderneming van Europa. Volgens het netto-toegevoegde-waardecriterium wordt deze onderneming
echter ruimschoots gepasseerd door Siemens en
Daimler-Benz.
Sommige lijsten bevatten alleen industriele ondernemingen of banken (Fortune), terwijl andere sectoren juist aan belang winnen. Andere, hoewel omvangrijk ( Wirtschaftswoche: 800 ondernemingen) worden
gecompliceerd door de vermelding van diverse dochterondernemingen die tot een concern behoren.
Marktwaarde-, of marktkapitalisatielijsten, zoals de
‘Financial Times 500’, groeperen volgens een verdedigbaar, maar zeer eenzijdig kenmerk: de waarde van
een onderneming volgens de beurs. Geen wonder
dat men, dit overzicht lezende, tot de conclusie moet

* De auteur is emeritus-hoogleraar externe organisatie aan
de Universiteit van Amsterdam.
1. De toenemende internationalisering van het bedrijfsleven
bemoeilijkt uiteraard het zicht op bepaalde aspecten, zoals
werkgelegenheidsgroei.

komen dat Engelse concerns Europa beheersen .
Maar zolang de continentale landen niet bereid zijn
op het Angelsaksische stelsel over te schakelen, is
deze benadering een papieren exercitie.

Waardecreatie als ondernemingsdoelstelling
De, vanuit maatschappelijk oogpunt, enig juiste maatstaf om de prestaties van ondernemingen vast te stellen is de netto toegevoegde waarde. Deze valt te definieren als de bruto toegevoegde waarde verminderd
met de afschrijvingen. Wanneer deze laatste volgens
een gelijke methode bepaald worden, wordt het
meer of minder kapitaalintensieve karakter van de
voortbrenging bij uiteenlopende ondernemingen
geelimineerd. De bruto toegevoegde waarde is het
totaal van de omzet van de ondernemingen, beho-

rend tot een concern, inclusief die van de geconsolideerde deelnemingen (dat wil zeggen die waarin een
meerderheidsbelang bestaat), verminderd met de op
de omzet drukkende belastingen en accijnzen; daarvan dienen dan de ingekochte goederen en diensten
te worden te worden afgetrokken. De zo bepaalde
netto toegevoegde waarde is gelijk aan de som van
de inkomens van de bij de onderneming betrokken
werknemers, kapitaalverschaffers en overheid. De
laatste deelt in het gepresteerde mee door middel
van belasting op de winst als vergoeding voor de geleverde infrastructurele diensten in de brede zin van
het woord. Door deze netto toegevoegde waarde te
delen door het totale aantal werknemers (op gestandaardiseerde werkurenbasis) wordt een directe prestatievergelijking mogelijk, ongeacht de grootte van
de betreffende concerns.
Waarom is de netto toegevoegde waarde de enig
juiste maatstaf? Alle voortbrenging is conversie, om-

zetting van ‘inputs’ in ‘outputs’. Uit het behaalde surplus kunnen de inkomens aan bovengenoemde drie
groepen participanten worden toebedeeld. Hoe hoger dit surplus, hoe groter hun welvaart, gegeven
een bepaalde verdeling. Aangezien de welvaart van
een land voor het grootste deel bepaald wordt door
de voortbrenging van zijn ondernemingen, is de netto toegevoegde waarde vanuit algemeen-economisch
gezichtspunt van doorslaggevende betekenis. Hoe
groter de toegevoegde waarde die een onderneming
genereert met gegeven middelen, arbeid en kapitaal,
hoe beter ook de lange- en korte-termijnresultaten
op elkaar zijn afgestemd. Er is dan meer overeenstem-

tieven in de schaduw kunnen stellen (Concorde, Fokker, Kalkar, enzovoort).
Op grond van het bovenstaande geef ik de voorkeur aan lijsten die rangschikken op basis van netto
toegevoegde waarde. Voor Nederlandse ondernemingen wordt jaarlijks zo’n lijst gepubliceerd door het
Financieel-Economisch Magazine (FEM). Sinds 1986
is het mogelijk de populatie van de honderd grootste, Nederlandse ondernemingen in industrie, handel, bouw, transport en dienstverlening te volgen
inzake de formatie en verdeling van de netto toegevoegde waarde, opgesteld en afgeleid volgens een
zoveel mogelijk uniforme berekeningsmethode . De
.REM-lijst is weliswaar minder omvangrijk dan de andere (die vaak de vijf- of achthonderd grootste ondernemingen bevatten), maar theoretisch juister, conceptueel breder en wint het inzake de vergelijkbaarheid.

Onderverdeling naar toegevoegde waarde
De geiiniformeerde berekeningen van de door de
honderd grootste Nederlandse ondernemingen gevormde netto toegevoegde waarde, alsmede de verdeling daarvan over arbeid, kapitaal en overheid, zijn
door mij gebruikt om de ondernemingen in te delen
in vier groepen. Daarbij rangschik ik de ondernemingen naar groei, stagnatie of teruggang in de netto toegevoegde waarde vanaf 1987. Het jaar 1987 is als uitgangspunt gekozen omdat bij het bedrijfsleven als

geheel in 1986/87 een geringe teruggang respectievelijk stagnatie in de vorming van de bruto toegevoeg-

de waarde optrad, die zich in 1993 herhaalde . Het
effect van de korte economische cyclus wordt zodoende zoveel mogelijk geminimaliseerd.
De keuze betekent eveneens dat ondernemingen

die dwars door deze op- en neergaande cyclus heen
een voortdurende, ononderbroken verbetering van
hun netto toegevoegde waarde te zien gaven, uitgedrukt in van jaar op jaar stijgende indexcijfers, met
1987=100 als basis, een bijzondere prestatie leverden.
Deze eerste categoric is hier de ‘doorgroeiers’ genoemd.
De tweede categorie ondernemingen, die in 1992
of 1993 eveneens met de hoogste indexcijfers eindigden, maar die in enig jaar een terugval ten opzichte
van een vorig jaar te zien gaven, is hier de groep der
‘groeiers’ genoemd. Zij moeten hun netto toegevoegde waarde sinds 1987 met ten minste 10% verhoogd

ming tussen operationele en financiele resultaten. De

hebben, maar dat kan op onderbroken wijze ge-

ontwikkeling van de netto toegevoegde waarde vertoont een geringere variabiliteit en een hogere persistentie in de tijd dan maatstaven als bij voorbeeld de
cash-flow of het dividendrendement3.
Ten slotte behoedt het gebruik van de netto toegevoegde waarde als beoordelingsmaatstaf ons ervoor te denken in termen van grootte en technische
geavanceerdheid. Beide zijn van secundaire betekenis voor de welvaartscreatie. Omvang en technologic
kunnen een bijdrage leveren aan de waardeontplooiing, maar haar ook teniet doen. Grootte, bij voorbeeld uitgedrukt in omzet, is een volumemaatstaf,

beurd zijn.

die onbetrouwbaar kan zijn door prijserosie en kostenstijging. De technologic als richtsnoer verleidt tot
de keuze voor activiteiten die hoogwaardige alterna-

ESB 22-3-1995

2. Volgens de Financial Times, 20 januari 1994, biz. 135,
zouden bij de 500 grootste Europese ondernemingen de
Engelsen met 187 ondernemingen (marktkapitalisatie $ 835
mrd) domineren, terwijl de Duitsers slechts met 67 ondernemingen (marktkapitalisatie $ 315,2 mrd) vertegenwoordigd
zijn.
3. Zie voor een econometrische test het speciale nummer
van Managerial Finance, Value added accunting, jg. 9,
1994, biz. 3-15.
4. Top 100 Nederland, FEM, 17 September 1994. Sinds 1991
is er ook een lijst van de honderd grootste Europese ondernemingen.
5. Zie ING Bank, Analyse Nederlandse beursfondsen, nr.
554 van 2 augustus 1993 en nr. 569 van 5 juli 1994. Eveneens CBS, Index, nr. 6, januari 1995, biz. 15.

Tabel 1. Ondememingen met werkgelegenbeids- resp. produktiviteitsgroei (1987-1993)

Aantal

wv met werk-

onderne-

gelegenheidsgroei-

wv met produkti-

viteitsgroei

mingen ; , •, • ; •; :(jidem in %) , :

D. Verliezers

38
36
8
-14

Totaal

96

A. Doorgroeiers

B. Groeiers

C. Stagneerders

37
30

:

i

(idem in %)

(97)

33
19
5
5

(83)
(13)

3 (21)
71

(87)

(53)
(63)

(36)

63 (66)

(74)

MB: 92 ondernemingen op basis 1987 – 100; 4 ondememingen op basis 1989 •
100; van 4 ondememingen zijn geen doorlopende cijfers beschikbaar.
Tabel 2. Ondernemingen met werkgelegenbeids- en
produktiviteitsgroei (1987-1993)
Aantal

Met werkgelegenheids- en

onderne-

produktiviteitsgroei

mingen

(idem in %)

Doorgroeiers

38

31

(82)

Groeiers

36

15

(42)

Totaal groeiende
ondernemingen

74

46

(61)

De derde groep, de ‘stagneerders’, zijn de ondernemingen die hun netto toegevoegde waarde tussen
1987 en 1993 minder dan 10% wisten te verbeteren,

dan wel een eventueel verlies konden beperken tot
5% (index 1993 minimaal 95).
De overige zijn de Verliezers’. Zij zagen in de
periode 1987-1993 hun netto toegevoegde waarde
afglijden tot beneden de index van 95, en soms ver
beneden dit niveau.

Achter deze uiteenlopende ontwikkelingen van
de netto toegevoegde waarde gaan natuurlijk diverse
krachten schuil. Interne groei, externe groei door
middel van fusies/overnames, of juist afstotingen of
ontbinding, zodat afslanking volgt, zowel prijsstijgin-

gen als prijsdalingen aan de inkoop- en verkoopkant,
kwaliteitsverbeteringen en efficientere produktiemethoden zijn alle van belang. Waar het echter om gaat,
is of een onderneming in staat is haar netto toegevoegde waarde te vergroten, liefst met inzet van
meer – maar niet evenredig meegroeiend – personeel. De ‘ideale’ onderneming is dus een doorgroeier
of groeier qua netto toegevoegde waarde, die meer
werkgelegenheid schept en tevens de waardeproduk-

Figuur 1.
Groei netto
toegevoegde
waarde, werkgelegenbeid en
produktiviteit
bij doorgroeiende ondernemingen

500 Greeiiifittor

,

:

tiviteit per werknemer verbetert. Een stagnerende of
verliezende onderneming kan eveneens de produktiviteit per werknemer vergroten, maar bereikt dit
effect door middel van ontslag en vermindering van
werkgelegenheid. Zo’n onderneming kan wellicht
de winst vergroten of het rendement op het eigen
vermogen verhogen, maar als de strategic niet een
‘reculer pour mieux sauter’ is, verliest het bedrijf
marktpositie en wellicht zelfs zijn zelfstandige
bestaan. Bovendien levert het geen maatschappelijk
positief te waarderen bijdrage.
Wat was nu de gang van zaken bij de grootste
Nederlandse ondernemingen? Tabel 1 geeft daarover
uitsluitsel. Van vier ondernemingen (KPN, Nederlandse Spoorwegen, Bunge en Duphar Solvay) waren
geen doorlopende gegevens bekend, zodat de populatie 96 ondernemingen omvat. Niet minder dan 74
ondernemingen waren in de beschouwde periode
groeiers, en hadden in 1992 of 1993 derhalve een
hogere netto toegevoegde waarde dan in enig jaar
daarvoor. Daarvan waren 38 doorgroeiers, ondanks
de recessie van 1992/93. Twee en twintig stagneerders/verliezers completeren het beeld.
Uit de derde en vijfde en kolom-blijkt ook duidelijk dat het de toegevoegde-waardegroeiers zijn die
de werkgelegenheid in hun onderneming vergroten
en dat vooral de doorgroeiers de produktiviteit verbeteren. De negatieve associatie van stagneerders/verliezers met werkgelegenheid is evident, maar zo’n
45% van hen weet de produktiviteit nog te verhogen.
Op grond van tabel 1 kan men stellen dat groei

van de netto toegevoegde waarde bij ondernemingen
praktisch identiek is met werkgelegenheidsgroei of
produktiviteitsgroei (bij doorgroeiers) of daarmee in
belangrijke mate samenhangt (bij groeiers). Geldt
deze samenhang nu ook voor de combinatie van
werkgelegenheidsgroei en produktiviteitsgroei? Uit
tabel 2 blijkt dat doorgroeiers inderdaad vaak werkgelegenheidsgroei en produktiviteitsgroei realiseren,
maar dat dat voor de overige groeiende ondernemingen in slechts 42% van de gevallen opgaat.
Ten einde het verband tussen toegevoegde-waardegroei en toename van werkgelegenheid en produktiviteit nog iets duidelijker in het licht te stellen is in
figuur 1 het begrip ‘doorgroeier’ iets verruimd. Aan
de 38 eerder zo benoemde ondernemingen zijn er
tien toegevoegd die strikt genomen niet aan het criterium van ononderbroken groei van hun netto toegevoegde waarde voldoen, maar daar zo weinig van afwijken, dat zij in de groep van de doorgroeiers
meegenomen kunnen worden (als voorbeeld kan de
onderneming genomen worden die in 1992 op index
233 uitkomt, maar in 1993 op 225; geen doorgroeier
maar wel een die met gemiddeld 20,8% per jaar stevig vooruit weet te komen en ook de werkgelegenheid meer dan verdubbelde sinds 1987). Het gaat
hier om wat meer conjunctuurgevoelige bedrijven.
De figuur maakt duidelijk dat al deze ondernemingen hun netto toegevoegde waarde met meer
dan 10% vergrootten, dat – op negen na, gelegen bij
de verticale 100-lijn – de ondernemingen hun werkgelegenheid met ten minste 20% verbeterden, en dat
zo’n 38 ondernemingen, links van de diagonaal –

0

100

200

30D

«B

500

S»

700

tevens hun produktiviteit opvoerden.

Kanttekeningen

Tabel 3- Ontwikkeling netto toegevoegde waarde naar sectoren, 1987-

Twee relativeringen verdienen hierbij de aandacht.
Ten eerste betreft het hier grote ondernemingen
waarvan een groot deel Internationale activiteiten ontplooide in de afgelopen jaren. Daarom is voor deze
48 ondernemingen de toename van de binnenlandse
werkgelegenheid bepaald met behulp van de cijfers
die het Financieele Dagblad verschaft . Deze groei
kwam neer op ongeveer 70.000 arbeidsplaatsen, rekening houdend met de in sommige sectoren ruim optredende deeltijdarbeid.
Moeilijker is het om het effect van fusies en overnames te verdisconteren. Bij de grote fusies (Bols/
Wessanen, Wolters/Kluwer, KNP/BT/VRG, enz.) was
dat geen probleem, maar voor de talloze overnames
van kleine ondernemingen rnoeten wij ons behelpen
met een schatting. Die komt neer op 10 a 15.000 arbeidsplaatsen7, zodat de autonome groei van de 48
doorgroeiers (in ruimere zin) op 55 a 60.000 gesteld
kan worden. Dat is nog altijd zo’n 1.200 arbeidsplaatsen gemiddeld per groeiende onderneming in zes
jaar tijd. Van baanloze groei is dus geen sprake: het
is eerder zo dat er geen banen worden gecreeerd als
zich geen groei van de netto toegevoegde waarde
voordoet. Wat nodig is, is derhalve geen volumegroei, maar toename van de toegevoegde waarde.
Er is voorts wel enig verband tussen ‘doorgroei’
en het niveau van de produktiviteit, maar het is niet
uitgesproken: bijna twee derde van de doorgroeiers
(64%) scoort boven het gemiddelde produktiviteitsniveau van/ 84.000 voor de honderd groten, tegen
47% bij de overigen. De implicatie hiervan is dat een
hoog of laag bestaand produktiviteitsniveau geen beletsel hoeft te zijn voor een voortgezette groei van de
toegevoegde waarde.

1993

Sector, omvang en verdeling van de netto
toegevoegde waarde
Tabel 3 laat ons zien hoe de verdeling van (door)groeiende en stagnerende/verliezende ondernemingen naar sectoren is. De industrie heeft het grootste
aandeel in de 96 geobserveerde ondernemingen
maar heeft ook een minder dan gemiddeld aandeel
in de categoric van groeiende ondernemingen. De
conjunctuurgevoelige bedrijfstakken zoals chemie,
staal en machines/apparaten laten het, niet verwonderlijk, afweten; men moet evenwel ook vaststellen
dat er diverse zwakke ondernemingen tussen zitten.
Zo heeft Gist-Brocades, ondanks een technologiesubsidie van / 100 mln, circa tien jaar geleden, in
geen enkel jaar een netto toegevoegde waarde boven die van 1987 weten te realiseren net zo min als
de andere begunstigde (Philips), die/ 500 mln kreeg.
Veel betere prestaties leveren de transport- en
bouwbedrijven, die toch ook conjunctuurgevoelig
zijn, terwijl de 35 handels- en dienstverlenende ondernemingen de kroon spannen. Van deze laatste
groep waren niet minder dan 32 ondernemingen
(door)groeiers. De ondernemingen in deze sectoren
groeiden beneden normaal als hun netto toegevoegde waarde tussen 1987 en 1993 niet ongeveer verdubbelde en hun werkgelegenheid niet met zo’n zeventig procent steeg. Zoals men uit tabel 4 kan opmaken

ESB 22-3-1995

Sectoren en bedrijfstakken

B

A+B

;

C+D Totaal

wv

aandeel A+B

:

41

63,4

10

80,0

10

80,0

14

85,7

21

Industrie

95,2

96

77,1

11
1

Voedingsmiddelen/dranken

Textiel
Plastics
Papier/verpakkingen

3
3

Staal/non-ferrometaal en

metaalwaren
Machines en apparatenbouw
InstaUatiebedrijven
Elektrotechniek
Olie- en chemische industrie

Transport
Luchtvaart
Zee- en luchthavenbedr.
Weg/water/pijpleidingbedr.
Bouwbedrijven en
bouwmaterialen

6

2

8

2

5

2

7

3

2

5

1
1

1
2
1

4

Advies/consultancy

3
3
4

Uitgeverij/drukkerij

4

Handel
Groothandel
Kleinhandel
EHenstverlening
Accountantskantoren
Automattseringsbedrijven

Totaal

38

:

, 2

36

5
5
6

. – .
1

74

22

A – Doorgroeiers; B – groeiers; C – Stagneerders; D – Verliezers.

bleven vooral de uitgeverijen en de voedingsmiddelenbedrijven achter bij de werkgelegenheidsschepping. Maar er was geen sprake van ‘baanloze groei’.
Integendeel, ook uit de sectoropstelling blijkt dat als
ondernemingen de netto toegevoegde waarde verbeteren, er als regel ook arbeidsplaatsen ontstaan. Die
groei van de toegevoegde waarde ontstaat door de
conversie van lagerwaardige in hogerwaardige goederen en diensten, berustend op nieuwe en vernieuwende produkten, hogere kwaliteit, punctuele service, snelle en accurate uitvoering, enzovoort.
Kortom, al die facetten die een positieve waarde-prijsspiraal ontketenen8. Het volumedenken, een erfenis
van het keynesiaanse tijdperk heeft ons al te lang beziggehouden.

6. De omzetcijfers van 1993, uitgave van Het Financieele

Dagblad, 1994.
7. Een bekende ervaringsregel is dat ruwweg een derde van
de groei door fusies en overnames wordt gerealiseerd. Omdat voor grote fusies en overnames al is gecorrigeerd, is
hier aangenomen dat ongeveer een zesde van de groei aan
kleinere overnames valt toe te schrijven.
8. H.W. de Jong, Dynamische markttheorie, 1989, biz. 270272.

Tabel 4. Indexcijfers netto toegevoegde waarde en
werkgelegenbeid van 48 groeiende ondememingen,
1993 (1987 = 100)

Sooit Gadernemingen

Aantal

Weik-

Ntw

ondent.

getegenheid

7

\ GroothttJel

4

Kieinhandel

8

Bouwflijvertieid

1®
210
181

5

YoedingsM./dfanfceri

IB •:’•

5

tJitgever^drufckery

5

Advtes/ccaw»!Bui<;y
Aeoountaritskantofen

4:
4

;

190

137
195
108
116

178
243
178

263
164
Machine/appatatenbouw 254

148
148
324
161
151

214

169

;Autqrnatj5eri«g:

Hayenbjedrjp?en

3
3

Gemiddelde toename

48

Verschillen naar verdeling toegevoegde waarde
Tabel 5 bekijkt het verband tussen groei/stagnatie/teruggang en de verdeling van de netto toegevoegde

waarde. Het werknemersaandeel vertoont gemiddeld
een tendens tot stijgen van circa 80 tot 92,5% van de
netto toegevoegde waarde naarmate de groei van de
ondememingen afneemt. Deze conclusie, die in algemene zin voor de 96 beschouwde ondememingen
opgaat, behoeft enige nuancering voor de subgroepen. Niettemin kan men wel spreken van een stijgende tendens bij afhemende groei. Bij de stagnerende/verliezende ondememingen in de chemie en het
transport was zelfs sprake van een aandeel boven
100, dat wil zeggen dat de kapitaalverschaffers en de
overheid als derde belanghebbende per saldo verloren. Dit maakt de propositie dat loonsverhoging innovativiteit kan afdwingen (zoals geopperd door Kleinknecht) weinig plausibel.

Conclusies
Verschillen naar ondernemingsgrootte
Een andere vraag is of er enig verband bestaat tussen
ondernemingsgrootte en groei. De dimensies van de
hier beschouwde ondememingen verschillen tenslotte aanmerkelijk. Wanneer we de grote multinationale
ondememingen buiten de vergelijking houden, blijft
er nog een grootteverschil tussen de kleinste van de
honderd en de grootste van minstens 1 op 12 over.
Als men de doorgroeiers naar grootteklassedecielen indeelt en hetzelfde doet met betrekking tot de
stagneerders/verliezers, blijkt dat de beste groeipres-

taties voorkomen in de decielen 4 tot en met 9. Bij
voorbeeld in deciel 6 zitten zeven doorgroeiers en

nul stagneerders/verliezers, derhalve drie groeiers.
De netto toegevoegde waarde van ondememingen

uit deze beter presterende decielgroepen lag in 1993
tussen / 200 en 600 mln bij omzetten tussen / 500
mln en/ 3 mrd.
Tabel 5. Werknemersaandeel in netto toegevoegde waarde naar

soort ondememingen (1993)”
f

‘ ” • ” ‘ • Aatital

• •’•'<‘• “••”'”‘

Industrie

:

12

• machines en apparaten

8
:;

• andere bedrijfstakken ;•
s
Transport
bou\vmaterialen

^

:

89
95 ’76

87b
94

103
88d
106c

< ^ ? ” ‘^- ‘••”•• ‘•’- ” ‘•

‘ *

Handel
Dienstveriening

:

* ‘<> • • • 16 ” : ••”‘ •” >< 67 b> ‘ > 10 ! ‘ 73

v:

Bouwnijverheid ert ; ; ;

75

77

verliezers

72

\– \ “:: ‘•” !$ ,”

•chemie

Grdeters Stagneerders/
:

girbetets

• :v: ; ; – u – : – • l ” – : * < : , • :.

• voedingsmiddden/draaken

gemiddelde

Door-

•’•’ ‘

’16 ‘ r”:”

14
21

93 ?
81

76
87

>

; ,:U^;^ : – ; r^96U: ‘ : : : ‘-“fifr’

ttotaal; gtjwpgen gemiddelde • : §6′

80C

93

88

88b

93C

^;w
; t f < .»^4

:

v : 81^0

92,4

93,5

a. looen, salarissen en kx|aielal*en-iH % van de netto toegevoegde waarde.

b . SJechtseeaobseivatfe.i*”i’-F!;i : H , s ; ; ) s > : : . – . ‘ •
c, 1wee:observattes. :

: ;i ‘

; : :; s ;:;”, :’

—-.,,,-..:

•

d; Kon. Shell is buiten beschou;vying gelkleh. Met Jtibfegrip van Shell daalt het
aandeel tot 81%.

:

‘^

r

‘ “

Het bovenstaande is als volgt samen te vatten:
• De enige theoretisch verdedigbare manier om prestaties van ondememingen te bepalen vanuit maatschappelijk oogpunt is de meting van de netto toegevoegde waarde (liefst per werknemer). Omzet
reflecteert het volumedenken; marktkapitalisatie is
slechts interessant vanuit het gezichtspunt van de
aandeelhouders; gepubliceerde winsten bevatten
talloze vertekeningen en zijn eerder een maatstaf
voor verdeling dan voor economische prestaties.
• Ondememingen die netto toegevoegde waarde
scheppen vertonen a. consistente groei, b. toename van werkgelegenheid en c. in meerderheid
eveneens produktiviteitsgroei.
• Er is nauwelijks verband tussen groei van de netto
toegevoegde waarde en het niveau van de produktiviteit. Evenmin is er duidelijk verband tussen de
aard van de bedrijvigheid en de toename van de
netto toegevoegde waarde. Blijkbaar kan bijna iedere onderneming met succes werken aan de verbetering van zijn netto toegevoegde waarde. Het
feit dat zoveel handels- en dienstverlenende bedrijven erin slagen op markante wijze nun toegevoegde waarde, werkgelegenheid, produktiviteit te verbeteren relativeert het belang van de technologiediscussie. Technische innovatie is slechts een
aspect van de toegevoegde waarde.
• De middelgrote ondememingen in de groep van
de 96 grootste Nederlandse ondememingen groeien het beste: hoewel geen vergelijkingscijfers met
andere landen aanwezig zijn, lijkt mij het gegeven
dat circa de helft van het totale aantal ondememingen zijn netto toegevoegde waarde in zes jaar tijd
met 80% of meer op weet te voeren en de werkgelegenheid met tenminste 30% vergroot, bepaald
geen reden tot pessimisme omtrent de vitaliteit
van het grote bedrijfsleven. De pijn zat in de afgelopen jaren bij de top: daar werd minimale groei
gerealiseerd en verlies van arbeidsplaatsen. In totaal verloren de grote multinationale ondememingen enkele tienduizenden werknemers.

;

H.W. deJong

Auteur