Ga direct naar de content

Pas op met conjunctuurindicatoren!

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juli 13 1994

Pas op met
coniunctuurindicatoren!
Figuren van conjunctuurindicatoren suggereren een sterke samenhang tussen het werkelijke conjunctuurverloop en het verloop van de
leading indicator. Maar die samenhang kan voor een belangrijk deel
berusten op grafische illusie.
In dit blad heeft De Nederlandsche
Bank (DNB) een maandelijkse rubriek waarin ingegaan wordt op de
laatste stand van zaken betreffende
haar Nederlandse conjunctuurmeter
en haar daarop voorlopende samengestelde ‘leading indicator’ 1. Ook zijn
er nog enkele andere Nederlandse instanties, bij voorbeeld de Rabobank,
die min of meer vergelijkbare reeksen samenstellen. Kennelijk worden
dergelijke reeksen nuttig geacht.
Waarschijnlijk wordt de waardering
voor deze reeksen vergroot door de
gebruikelijke grafische weergave, die
doorgaans een bijzonder grote mate
van samenhang laat zien tussen de
ontwikkeling van een bepaalde conjunctuurmeter en zijn leading indicator.
Dit artikel waarschuwt voor grafische illusies. Aan de hand van de conjunctuurmethodiek
van DNB zal worden beargumenteerd
dat de eerder
genoemde figuur veel lastiger is te interpreteren dan op het eerste gezicht
het geval lijkt te zijn. Met als consequentie dat men uitermate voorzichFiguur 1. De (zelfgeconstrueerde)
conjunctuurmeter C en de geïnverteerde korte rente leading indicator
K per maart 1994a

-4

70 72 74 76

ESB27-7-1994

tig moet zijn met de conclusies die
men aan de figuur ontleent: niet alleen ten aanzien van de toekomstige
conjunctuur, maar ook ten aanzien
van het heden en het recente verleden.

Technische achtergronden
De ‘conjunctuurmeter’
of kortweg ‘de
conjunctuur’, hier aan te duiden als
‘C’, weerspiegelt de berekende conjuncturele componenten
in de reële
economische produktie. Onder conjuncturele componenten worden de
niet-toevallige en niet-seizoensgebonden korte-termijn afwijkingen van de
lange-termijn trend verstaan. Een
‘Ieading indicator’ CLEAD(pweerspiegelt de conjuncturele componenten
van een bepaalde economische variabele j die vooruitloopt op de conjunctuurmeter C. De ‘lead’ van de leading
indicator geeft het aantal tijdsperioden aan dat de leading indicator gemiddeld genomen voorloopt.
Als proxy voor de reële economische produktie werkt DNB met de
CBS-(hoeveelheids)index
voor de industriële produktie2. De manier waarop DNB de conjuncturele componenten in deze index bepaalt is in grote
lijnen bekend3. De volgende vier
stappen staan daarbij centraal:
1. Eerst worden de toevallige maandelijkse componenten uit de tijdreeks verwijderd door het nemen
van een gecentreerd 12-maands
voortschrijdend gemiddelde. Het
verlies van de eerste zes en laatste
zes gemiddeldes wordt voorkomen
door afknotting4. Voor het einde
van de reeks (waar toekomstige gegevens ontbreken) houdt dit in dat
de aanwezige data een zwaarder
gewicht krijgen.
2. Vervolgens wordt de trend in de
tijdreeks vastgesteld. Omdat, aldus

DNB, de gemiddelde conjunctuurcyclus een lengte zou bezitten van
43 maanden, geschiedt de trendbepaling door het nemen van gecentreerde 43-maands voortschrijdende gemiddeldes van de
gemiddeldes uit stap 1. Het verlies
van gemiddeldes aan het begin en
einde wordt voorkomen door middel van een exponentiële extrapolatie op basis van de groeivoet met
betrekking tot de twee eerste en
de twee laatste elkaar niet-overlappende 43-maands gemiddeldes.
Voor het uiteinde van de reeks betekent dit dat de laatst gerealiseerde groeivoet als het ware wordt
doorgetrokken naar de toekomst.
3. De niet-gestandaardiseerde
conjuncturele componenten worden
bepaald als het quotiënt van de
voortschrijdende gemiddeldes uit
de stappen 1 en 2.
4. De uiteindelijke indicator, annex
de conjunctuurmeter
C, wordt verkregen door de conjuncturele componenten uit stap 3 te standaardiseren op een gemiddelde van 0 en
een standaarddeviatie
van 1.
Dezelfde constructiemethode
wordt
ook toegepast bij het construeren van

1. De DNB-reeksen worden sedert enige
tijd ook maandelijks besproken in Beursplein 5, het blad van en over de Amsterdamse Effectenbeurs.
2. Deze CBS-cijferskomen sneller en frequenter beschikbaar dan cijfers met betrekking tot het (reële) bnp. De conjuncturele component van de industriële produktie blijkt trouwens zeer sterk samen te
vallen met die van het bnp. Zie de DNBrubriek Conjunctuurindicator met als subtitel: Opleving in de industrie?, E5B, 7 oktober 1992, blz. 983.
3. Zie in dit kader: M.M.G.Fase en].A.
Bikker, De datering van economische fluctuaties: proeve van een conjunctuurspiegel voor Nederland 1965-1984, Maandschrift Economie, 1985, blz. 299-332; ].A.
Bikker en L. de Haan, Conjunctuur en conjunctuurprognose: een conjunctuurindicator voor Nederland, Kwartaalbericht
DNB, 1988, nr. 3, blz. 71-83; M.M.G.Fase
en H.C.]. van der Wielen, Grandeur en
malheur van de conjunctuurbarometer,
E5B, 5 april 1989, blz. 332-336; J.A. Bikker
en L. de Haan, DNB-conjunctuurindicator:
een terugblik op vooruitzien, E5B, 12 december 1990, blz. 1188-1192.
4. De oorspronkelijke tijdreeks moet seizoenvrij zijn. Weliswaar wordt een seizoenpatroon weggefilterd bij het twaalfmaands voortschrijdend middelen, maar
dat geldt niet’in geval van de afgeknotte
gemiddeldes in stap 1.

leading indicators. Door middel van
het berekenen van de cross-correlatiefunctie tussen de conjunctuurmeter
en vertra~ingen van een leading indicator CLE D(p is het mogelijk om de
lead van de leading indicator op de
conjunctuurmeter te achterhalen.
Deze lead wordt dan gedefinieerd als
die vertraging waarbij de bijbehorende cross-correlatiecoëfficiënt (in absolute waarde) piekt5.

Leading indicators: enkelvoudig
versus samengesteld
Uiteraard is het zo dat men, afhankelijk van de economische variabele j
die men bij de berekening van
C1ead(pgebruikt, verschillende leading indicators kan construeren. Tal
van potentieel interessante economische variabelen dienen zich daarvoor
aan. Bij wijze van voorbeeld neem ik
een variabele die de laatste tijd erg in
de belangstelling staat als het gaat
om haar invloed op de conjunctuur.
Het betreft de korte rente (zie figuur
1). De in de figuur getoonde korterenteïndicator, kortheidshalve aan te
duiden als K, is gebaseerd op de driemaands rentetarieven (maandgemiddelden) voor kasgeldleningen aan de
lagere overheden.
Bij het voorbeeld van figuur 1 zijn
beide indicatoren (C en K) berekend
door toepassing van de eerder beschreven vier stappen. Beide zijn gebaseerd op onderliggende cijfers die
lopen tlm maart 1994. Het begin van
de periode is gelegd bij januari 19706
Grafisch valt waar te nemen dat de
twee reeksen in behoorlijke mate met
elkaar sporen (behoudens wellicht
de recente historie). De korte-renteïndicator K blijkt maar liefst 17 maanden voor te lopen op de conjunctuurFiguur 2. De conjunctuurmeter en
(samengestelde) leading indicator
van DNB per juli 1992

meter C. Bij die lead is hun correlatiecoëfficiënt 0,73, zodat K zo’n 54% verklaart van de variantie van C. De correlatiecoëfficiënt is negatief: een, in
relatie tot de trend, lage (hoge) korte
rente leidt dus gemiddeld genomen
tot een hoge (lage) conjunctuur over
17 maanden. Vanwege de negatieve
correlatiecoëfficiënt is K in de figuur
geïnverteerd (gespiegeld in de x-as)
weergeven. Bovendien is K gesynchroniseerd weergegeven. Dat wil
zeggen: K is 17 maanden naar rechts
verschoven, zodat gecorrigeerd
wordt voor haar voorlopende karakter.
Zoals gezegd, zijn er naast de korterenteïndicator K talloze andere enkelvoudige leading indicators denkbaar.
Uiteraard is het mogelijk een aantal
veelbelovende enkelvoudige leading
indicators te combineren tot één samengestelde leading indicator. Dit
gebeurt bij de leading indicator van
DNB (zie figuur 2)7 In de kern der
zaak wordt deze berekend als een gewogen gemiddelde van vijf enkelvoudige leading indicatoren. Deze hebben betrekking op de volgende
economische variabelen:
• de gedefleerde geldhoeveelheid
(lead is 17 maanden);
• de verwachte bedrijvigheid in de
industrie (lead is 5 maanden);
• de feitelijke orderontvangst in de
industrie (lead is 7 maanden);
• de Duitse IFO-conjunctuurindicator (lead is 6 maanden); en
• de verwachte omzet van nieuwe
NCM-polishouders (lead is 7 maanden).
De samengestelde DNB-leading indicator loopt vijf maanden voor op de
DNB-conjunctuurmeter. In figuur 2 is
de leading indicator weer gesynchroniseerd met de conjunctuurmeter. Blijkens een correlatiecoëfficiënt van
0,89 verklaart de DNB-leading indicator 78% van de variantie van de DNBconjunctuurmeter. Dit is dus geen
eens zoveel hoger als de korte-renteïndicator K. Zeker niet als men bedenkt dat de lead van vijf maanden
van de DNB-leading indicator aanzienlijk korter is dan die van K.

Grafische illusies
Figuren zoals figuur 1 en vooral ook
figuur 2 suggereren onmiskenbaar
dat de meest rechtse cijfers van de
leading indicator accurate voorspellingen van de toekomstige conjunctuur

behelzen. Immers, in de figuren liegt
de historische samenhang tussen leading indicator en conjunctuurmeter er
ogenschijnlijk niet om. Voorts suggereren de figuren ten sterkste dat de recentere cijfers aan het rechteruiteinde
van de conjunctuurmeter cijfers zijn
die de conjunctuur in het recente verleden accuraat meten.
In het onderstaande zullen we beide suggesties eens nader onder de
loep nemen. Eenvoudigheidshalve
geschiedt dat aan de hand van figuur
1 met de enkelvoudige leading indicator K. De essentie van hetgeen volgt
is evenwel onverminderd van kracht
in het geval van een samengestelde
leading indicator zoals die in figuur 2.

De leading indicator
Men kan zich afvragen of de cijfers
van de leading-indicator bestaan uit
echte ex-ante voorspellingen dan wel
uit ex-post voorspellingen ofwel verklaringen achteraf.
Het antwoord op de gestelde vraag
is eenduidig. Immers, de cijfers van
de leading indicator zijn gedefinieerd
als het quotiënt van een gecentreerd
12-maands en 43-maands voortschrijdend gemiddelde van de oorspronkelijke reeks met de driemaands rentevoeten. Daarbij worden in beginsel
zogenaamde tweezijdige filters gehanteerd. Het laatste wil zeggen dat het
indicatorcijfer voor een bepaalde
maand niet alleen maar gebaseerd is
op cijfers betreffende die maand en
de daaraan voorafgaande maanden,
maar ook op cijfers voor de maanden
na de maand in kwestie. Het tweezijdig filteren levert een probleem op
voor de laatste voortschrijdende gemiddelden dat via afknotting en extrapolatie wordt opgelost (zie de toelich-

5. Overigens, DNB baseert zich niet alleen op de correlatiefunctie. Men neemt
ook de gemiddelde voorsprong van de
omslagpunten van de leading indicator
op de omslagpunten van de conjunctuur
in ogenschouw.
6. Beide indicatoren in figuur 1 zijn door
mij zelf geconstrueerd. De ter beschikking
staande basisgegevens van de rente en de
industriële produktie, die afkomstig zijn
van achtereenvolgens
DNB en het CBS,
gingen veel verder terug dan januari 1970.
Vandaar dat er zich geen afkappings- en
trendextrapolatieproblemen
voordeden
voor wat betreft de linker uiteinden van
de indicatoren.
7. De cijfers met betrekking tot beide indicatoren in figuur 2 zijn op aanvraag beschikbaar gesteld door DNB.

Figuur 3. De twee geïnverteerde korte-renteïndicatoren K en K*”

ting bij de punten 1 en 2). Afknotting
en extrapolatie zorgen er te zamen
voor dat de recentere indicatorcijfers
relatief gezien steeds meer gaan neigen naar cijfers die via (links) eenzijdig filteren tot stand zijn gekomen.
Het allerlaatste of meest rechtse cijfer
van de leading indicator is zelfs helemaal via een (links) eenzijdig filter berekend. Dat impliceert weer dat alleen maar het allerlaatste cijfer een
echte ex-ante voorspelling van de toekomstige conjunctuur is. Alle andere
cijfers van de leading indicator zijn
geen ex -ante voorspellingen!
Ten einde een indruk te verkrijgen
van de afwijkingen tussen de ex-ante
voorspellingen en de ex-post voorspellingen is er ten aanzien van de
leading indicator in figuur 1 een reconstructie uitgevoerd. Voor iedere
maand, beginnend vanaf januari
1970, is het indicatorcijfer bepaald alsof er geen gegevens na dat tijdstip beschikbaar waren. Derhalve is in de gereconstrueerde reeks ieder cijfer op
precies dezelfde manier, en dus via
precies hetzelfde (links) eenzijdige filFiguur 4. De twee conjunctuurmeters een C*”

ESB 27-7-1994

ter, tot stand gekomen als het meest
recente cijfer van K in figuur 1. De gereconstrueerde indicator, hier aangeduid als K*, bestaat daarom uit de
echte ex-ante voorspellingen die verkregen zouden zijn indien de constructiemethode vanaf januari 1970
operationeel zou zijn geweest.
Figuur 3 geeft de gereconstrueerde
indicator K* alsmede de oude indicator K grafisch weer. Eenvoudigheidshalve is in de figuur de verschuiving
met 17 maanden achterwege gelaten.
Wel zijn beide reeksen geïnverteerd
weergegeven. Bij de reeksen in de figuur is de standaardisatie uit stap 4
van de constructiemethode
achterwege gelaten. De achterliggende reden
hiervan is dat men nu duidelijk kan
zien dat het allerlaatste cijfer van K
identiek is aan dat van K*. Figuur 3
maakt duidelijk dat de ex-ante voorspellingen van K* aanzienlijk kunnen
afwijken van de ex-post cijfers van K
(behoudens het allerlaatste cijfer).
Hun correlatiecoëfficiënt bedraagt
0,73 (54% verklaringskracht) 8

De conjunctuurmeter
Figuur 1 kent nog een tweede complicatie die men maar al te gemakkelijk
over het hoofd ziet. De eerder geconstateerde complicatie met de leading
indicator, doet zich namelijk ook
voor bij de conjunctuurmeter. Dat is
natuurlijk niet zo vreemd, omdat er
qua constructiewijze geen wezenlijk
verschil bestaat tussen de conjunctuurmeter en de leading indicator.
Wel is het zo dat de complicatie bij
de conjunctuurmeter een iets andere
wending neemt. Dat hangt samen
met het feit dat het bij de conjunctuurmeter, in tegenstelling tot de leading indicator, niet gaat om het voorlopende karakter van de indicator.
Net zoals dat het geval is bij de
leading indicator, bestaat er naast de
in figuur 1 afgebeelde indicator C
ook nog een indicator CO. Zie hiervoor figuur 4. De verschillen tussen
beide hebben ook hier weer te maken met de afknotting en trendextrapolatie die nodig zijn bij het berekenen van het rechter uiteinde van C.
C* is de tijdreeks die via eenzijdig filteren telkens voor iedere maand de
allereerste raming voor die maand
van de conjunctuur geeft. C daarentegen bestaat grotendeels uit de definitieve conjunctuurcijfers die via tweezijdig filteren zijn berekend.
In figuur 4 is weer de standaardisatie uit stap 4 van de constructiemetho-

de achterwege gelaten, opdat men
kan zien dat het allerlaatste cijfer van
C identiek is aan dat van C*.
Figuur 4 is in zekere zin verrassend. Achteraf gezien blijkt dat de allereerste ramingen van de conjunctuur er behoorlijk naast kunnen
zitten. De correlatiecoëfficiënt tussen
de reeks met de allereerste ramingen
en de definitieve cijfers is slechts 0,53
(28% verklaringskracht)9

Recapitulatie
Met het voorgaande is allereerst aangetoond dat figuur 1, en hetzelfde
moet ook gelden voor figuur 2, een
onjuiste indruk geeft van de ex-ante
voorspelkracht van het meest rechtse
cijfer van de leading indicator. De samenhang tussen beide indicatoren betreft nagenoeg geheel hun ex-post relatie. Op zich zelf beschouwd zegt
dat niet veel over de ex-ante voorspelkracht van de leading indicator.
Voor de helderheid is het goed om
het voorafgaande nog eens samen te
vatten in de volgende drie met elkaar
samenhangende punten. Ten eerste,
het meest recente cijfer is slechts een
allereerste voorlopige raming van de
conjunctuur voor die maand. Ten
tweede, terugkijkend naar het verleden zijn ook de conjunctuurcijfers betreffende de 26 maanden die direct
voorafgaan aan de meest recente
maand, voorlopige ramingen. En ten
derde, een allereerste raming voor
een gegeven maand zal in de daarop
volgende 26 maanden gevolgd worden door telkens andere ramingen
voor die zelfde maandlO. Pas 27
maanden na dato zal het alsdan berekende cijfer voor een bepaalde
maand definitief vastliggen 11

Bruikbaarheid
Het bovenstaande roept onherroepelijk de vraag op welk nut men dan
wel aan figuren zoals figuur 1 en 2

8. Zie volgende noot.
9. Bij de berekening van de correlatie tussen C en CO(en hetzelfde geldt ten aanzien van de correlatie tussen K en K*) zijn
de laatste 27 maanden buiten beschouwing gelaten. De reden daarvoor zal later
duidelijk worden (zie noot 11 en de
hoofdtekst rondom die noot).
10. Het voorlopige karakter van de conjuntuurmeter kan men ook gemakkelijk
constateren door figuur 2 te vergelijken
met een recenter plaatje van de DNBmeter (zie bij voorbeeld blz. 327 van E5B
van 6 april jl.).

–I

moet toekennen. Tot die vraag zullen
we ons dan nu wenden.
Kortheidshalve beperk ik mij tot figuur 2, als de representant van een
methode die elke maand wordt toegepast en waarvan de resultaten in de
praktijk ook een grote bekendheid
genieten.
Om de hierboven gestelde vraag te
beantwoorden, introduceer ik drie
hypothetische conjunctuurverkenners. In de praktijk zal menigeen zich
waarschijnlijk in een of meerdere van
deze hypothetische personen kunnen
herkennen.

De historicus
Conjunctuurverkenner
1 is de historicus die wil weten hoe het in het niet
meer zo heel recente verleden gesteld was met de conjunctuur. Figuur
2 is voor deze conjunctuurverkenner
het aangewezen instrument. De recentere cijfers van de conjunctuurmeter zijn alle voorlopige ramingen. Alle
cijfers daarvóór hebben hun definitieve waarde aangenomen en het zijn
deze cijfers die de historicus kan gebruiken. Hij heeft de leading indicator niet nodig.

deze cijfers er behoorlijk naast zaten.
Figuur 4 gaf een indruk van de mate
waarin dat het geval kan zijn.
Voor de actualiteitsverkenner
zou
het nog weleens zinvol kunnen zijn
om terug te vallen op een alternatief
gebruik van de leading indicator. In
tegenstelling tot de toekomstverkenner die vooral zal letten op het rechteruiteinde van de leading indicator,
zou de actualiteitsverkenner
namelijk
een beroep kunnen doen op die leading indicatorcijfers die in een figuur
zoals figuur 2 loodrecht boven of onder de cijfers ter rechterzijde van de
conjunctuurmeter vallen. Hoe paradoxaal dit wellicht ook moge klinken, wellicht is het zo dat deze leading indicatorcijfers veel accuratere
schattingen van de definitieve conjunctuurcijfers opleveren dan de
meest rechtse cijfers van de conjunctuurmeter zelve. Maar, ook in dat geval zit de actualiteitsverkenner
met
een probleem ten aanzien van figuur
2. Hij heeft namelijk geen goed inzicht in de accuraatheid van het op
die manier gebruiken van de leading
indicator12

Slot
De toekomstverkenner
Nummer twee is de toekomstverkenner. Deze is op zoek naar houvast
omtrent de vraag waar de conjunctuur zich over enige tijd zal bevinden
en het liefst wil hij zo ver mogelijk in
de toekomst kijken. Deze toekomstverkenner heeft de leading indicator
nodig, maar hij zit wel met een probleem. Buiten kijf staat dat het meest
rechtse cijfer van de leading indicator
een echte ex-ante voorspelling betreft. Alleen rest de vraag: hoe betrouwbaar is deze voorspelling? Uit
het voorgaande is duidelijk geworden dat figuur 2 hieromtrent geen uitsluitsel geeft.

De actualiteitsverkenner
Nummer drie is de actualiteitsverkenner die wil weten hoe het zit met de
conjunctuur in het heden e%f in het
zeer recente verleden. Ook hij tit met
een probleem. De recentere cijfers
van de conjunctuurmeter in figuur 2
liggen namelijk in een soort grijze
zone. Van deze zijn de wat meer naar
links liggende bijna definitief; die zullen in de toekomst nauwelijks meer
veranderen. Daarentegen zijn de
meest rechtse cijfers van de conjunctuurmeter vrij onzeker. Het valt niet
uit te sluiten dat uiteindelijk blijkt dat

In dit artikel zijn enkele kritische
kanttekeningen geplaatst bij het gebruik van conjunctuurindicatoren.
Nu
zou men kunnen opwerpen dat de
gemaakte kanttekeningen louter en
alleen zijn geënt op het op een absolute manier bekijken van de cijfers. In
de praktijk heeft men misschien niet
zozeer behoefte aan het correct constateren van de ‘absolute’ hoogte van
de huidige conjuncturele stand, noch
aan het zo goed mogelijk voorspellen
van de toekomstige ‘absolute’ hoogte
daarvan. Misschien is men veel meer
geïnteresseerd in de actuele enlof in
de toekomstige ‘relatieve’ conjuncturele ontwikkeling. Veelal zal men dan
vooral gespitst zijn op het eerst zo
vroeg mogelijk voorspellen en het
daarna zo vroeg mogelijk constateren
van het volgende conjuncturele omslagpunt.
Degenen die op die relatieve manier tegen de materie aankijken, kunnen de mening zijn toegedaan dat figuren zoals figuur 1 of 2 wel
representatief zijn voor hun doeleinden. Alleen ontbreken de gegevens
die die mening ondersteunen. Nader
onderzoek is geboden, waarbij expliciet rekening moet worden houden
met het gecompliceerde onderscheid

tussen ex-post en ex-ante indicatorenl3.
Op zich is er niks mis met de bedoelde figuren. Gegeven de onderliggende definities van het begrip conjunctuur, zijn dergelijke figuren bij
uitstek geschikt om af te lezen hoe
de conjunctuur zich in het verleden
heeft ontwikkeld. Ook geven dergelijke figuren een goede indruk van de
manier waarop achteraf gezien bepaalde economische variabelen neigen voor te lopen op de conjunctuur.
Zodra men echter dergelijke figuren
gebruikt om daaruit informatie te destilleren voor het zeer recente verleden, het heden of de toekomst, dan
is, zeker indien men met een absoluut oog naar de cijfers kijkt, grote
voorzichtigheid geboden.
E.P. Kroon
De auteur is senior beleggingsspecialist bij
ABN AMRO. Het artikel is geschreven op
persoonlijke titel.

11. Voor een 43-maands voortschrijdend
gemiddelde zijn 21 toekomstige 12maands voortschrijdende gemiddeldes nodig. Voor het laatste 12-maands gemiddelde zijn nog eens zes extra maanden nodig. Te zamen is dit dus 27 maanden. We
gaan hier overigens voorbij aan het feit
dat het CBS eenmaal gepubliceerde cijfers
voor de industriële produktie nadien nog
kan bijstellen.
12. De actualiteitsverkenner
staat dus feitelijk voor een keuzeprobleem:
moet hij
voor een impressie van de conjuncturele
stand in het heden en! of nabije verleden
de conjunctuurmeter
gebruiken dan wel
de leading indicator? Dit dualisme vormt
ongewijfeld de verklaring voor een curieus verschil qua terminologie tussen DNB
en de Rabobank. Net zoals DNB, heeft de
Rabobank een conjunctuurmeter
(die overigens niet een enkelvoudige maar een samengestelde is) en een leading indicator
ontwikkeld. Beide instellingen duiden
een van de twee door hen ontwikkelde indicatoren aan met ‘conjunctuurindicator’
.
Echter de ‘Rabo-conjunctuurindicator’
is
hun conjunctuurmeter
(en dus niet hun
leading indicator die aangeduid wordt als
de ‘voorlopende indicator’). De ‘DNB-conjunctuurindicator’
daarentegen is hun
leading indicator (en dus niet hun conjunctuurmeter die aangeduid wordt als de
‘realisatiereeks’) .
13. Vervolgonderzoek zou bij voorbeeld
ook kunnen aantonen dat de in dit artikel
geschetste problemen minder ernstig zijn
bij samengestelde indicatoren, bij voorbeeld vanwege het uitmiddelen van de onnauwkeurigheden
van de enkelvoudige
indicatoren waaruit een samengestelde indicator is opgebouwd.

Auteur