Ga direct naar de content

Nederlands meest concurrerende sectoren

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 12 1992

Nederlands meest
concurrerende sectoren
D. Jacobs en A. de Vos*
e concurrentiekracht van Nederland ontwikkelt zich in negatieve zin. Het

D

marktaandeel op de wereldmarkt is dalende. Dit blijkt uit de geactualiseerde
clusterkaart van de Nederlandse economie. De oorzaak van de verslechtering van
de concurrentiepositie ligt niet aan de kostenkant, maar veeleer aan het in te
geringe mate toepassen van nieuwe technieken en het vertalen van deze technieken
in produkten die aantrekkelijk zijn voor steeds meer, steeds veeleisender cliënten.
Nieuwe patronen van concurrentie en samenwerking zijn vereist om nieuwe
markten te ontwikkelen en veroveren.

In zijn boek The competitive advantage of nations
presenteert Michael Porter een methode waarmee
snel een inzicht kan worden verkregen in de sectorale sterkten en zwakten van een nationale economiel. Men kent intussen waarschijnlijk de redenering: landen kunnen niet over de hele linie even
goed presteren; op basis van specifieke factorvoordelen, kenmerken van de thuismarkt, netwerken
van met elkaar verbonden sectoren en patronen van
concurrentie en samenwerking is een land eerder
sterk in bepaalde sectoren dan in andere. Porter
meet concurrentiekracht
af aan de sterkte op de
wereld-exportmarkt.
Alle sectoren die op die markt
meer afzetten dan het nationale gemiddelde zijn
relatief competitief. Die sectoren worden samengebracht in een clusterkaart. Binnen de zestien
mogelijke clusters worden weer vier niveaus onderscheiden: eindprodukten, machines, hulpstoffen,
diensten. Nationale specialisatie blijkt uit breedte en
diepte van bepaalde clusters in die kaart.
De clusterbenadering is voor Nederland toegepast
in het onderzoek De economische kracht van Nederland. De cijfers waarop deze kaart gebaseerd was,
waren voor wat de industrie en de landbouw betreft, de exportcijfers van 1986 van de Verenigde Naties. Het voordeel van deze VN-statistieken is dat ze
zeer gedesaggregeerd zijn, het nadeel dat ze vrij laat
verschijnen. Voor de dienstensectoren zijn dergelijke internationale gedesaggregeerde
cijfers niet aanwezig en moet men naar geschikte vergelijkbare
statistieken zoeken. Voor Nederland konden we
gebruik maken van de gegevens van de ERBOenquête 1988 van de Vereniging van Kamers van
Koophandel en Fabrieken.
Op basis van de laatste VN-statistieken hebben we
nu de Nederlandse clusterkaart voor 1988 berekend.
Aangezien in de vorige clusterkaart voor de dienstensectoren al de cijfers van 1988 waren verwerkt,
zijn deze opnieuw gebruikt. We concentreren ons in

148

dit artikel dus op de wijzigingen in de exportprestatie van de landbouw en industrie tussen 1986 en
1988.

Achteruitgang

over de gehele lijn

De algemene trend is een achteruitgang van de exportprestatie: het Nederlandse gemiddelde aandeel
op de wereldexportmarkt
was in 19863,80%, in
19883,66% (tien jaar geleden, in 1978, was dit nog
iets hoger: 3,86%, maar tijdens de crisis van het begin van de jaren tachtig lager: in 1982 bij voorbeeld
3,61%). Me(r978 als index 100 is de wereldexportmarkt in 1988″(in dollars) tot 218 gestegen, de Nederlandse export tot 206. In 1978 kwamen 208 Nederlandse produktgroepen
uit de landbouw en de
industrie boven het nationale gemiddelde en konden in de clusterkaart worden opgenomen, in 1986
waren dat er net 200, in 1988 nog slechts 161!
Dat door een dergelijke kleine verschuiving van het
wereldexportaandeel
39 sectoren uit de clusterkaart
verdwijnen heeft ook te maken met een tweede element in Porters berekeningmethode:
sectoren die
een negatieve handelsbalans hebben vallen ook af,
tenzij ze zich in de bovenste categorieën bevinden
van de sectoren met meer dan twee keer het gemiddelde nationale aandeel van hun markt. In de categorie 3,66 tot 7,32% zijn deze keer opvallend veel
sectoren – 43 – in de min gekomen. Dat leidt tot een
veel minder brede clusterkaart dan de vorige keer.
In figuur 1 is de Nederlandse clusterkaart van 1988
samengevat, waarbij ook de kwantitatieve verhouding tussen de vier soorten sectoren binnen de clus-

• Beide auteurs zijn werkzaam bij het Studiecentrum voor
Technologie en Beleid TNO, Apeldoorn.
1. M.E. Porter, The competitive advantage ofnations, Free
Press, New York, 1990.
2. D. Jacohs, P. Boekholt en W. Zegveld, De economische
kracht van Nederland, SMO, Den Haag, 1990.

Stroomopwaartse sectoren
80

Ondersteunende functies
80

Eindverbruik
80
c:::J

Diensten

= Hulpstoffen
60

40

20

20

0

c

~

.::

Cl

0

t::
0

~
0

.~

c

E
ol
><:

” “

‘” ~ Cl

s;-

ol

r=

ters – eindprodukten,
machines, hulpstoffen, diensten – duidelijk wordt.
Uit figuur 2 komen de kwantitatieve verschuivingen
per cluster van 1986 naar 1988 naar voren. Uit de
figuur hlijkt dat de verliezen het grootst zijn in de
sterkste clusters:
voeding/dranken:
65 sectoren, min 14;
– aardolie/chemie:
41, min 9;
– transport: 23, min 4;
– materialen/metalen:
21, min 2.
In de middencategorie
houden de meeste clusters
redelijk stand:
– huisvesting/huishouden:
16, min 2;
persoonlijke zaken: 13, status quo;
diversen: 9, min 2;
kantoor: 9, status quo;
ontspanning: 8, plus 1;
gezondheidszorg:
9, plus 1;
maar textiel daalt met 5 tot 10.
De overige clusters zijn bijna leeg:
energie: 2, min 2;
computers/chips:
2, status quo;
– bosbouw: 0, status quo;
telecommunicatie:
0, status quo;
defensie: 0, min 1.

Verschuivingen
Kijken we naar de sectoren met het grootste wereldexportaandeel (tabel 1) dan merken we dat het landbouw/voeding-cluster
zich relatief versterkt. Kijken
we niet enkel naar het eindverbruiksaspect
– het
perspectief van Porters clusterkaart – maar naar de
produktiekant, dan blijkt dat de gehele top-lO (ook
de top-12 overigens) nu met land- en tuinbouw en
voeding te maken heeft.
Aardgas, in 1978 nog nr. 1 en in 1986 nr. 8 is nu helemaal uit de top-lO verdwenen. In 1978 was aardgas nog goed voor bijna 6% van de Nederlandse export, nu is dat nog net meer dan 2%. Aardgas is als
nr. 13 de eerste sector van buiten de land- en tuinbouwen voeding.
De algemene verzwakking van de concurrentiepositie
van de sectoren blijkt ook uit het feit dat in 1986 22
sectoren meer dan een kwart van hun wereldexportmarkt bezetten, twee jaar later zijn dat er nog maar
16. In 1986 waren er 51 sectoren in de topcategorie
van sectoren met een exportaandeel van meer dan
vier maal het nationaal gemiddelde, in 1988 maar 42.

E5B 12-2-1992

….. Machines
_ Eindprodukten

60

40

60

Figuur 1.
SamenvaUing
van de Nederlandse clusterkaart 1988

e!l
c

E

0
u


C

.;;;

Ol)

c

‘ö

~


~

.g
‘S
:I:

Ó.

tl

c
0

..ei
“0
c

]
:::

N

~

0

r.)

><

N

<ïi
l:i

“”‘

Constantes
De clusterkaart van 1988 bevestigt dus de sterktes
van de kaart van 1986. De sectoren in de top-10 worden bijna alle gekenmerkt door relatief kleinschalige ondernemingen.
De enkele sectoren die hun aandeel in het voorbije decennium duidelijk hebben
weten te verbeteren (zie tabellen
2) komen uit de
grootste clusters: landbouw/voeding
en aardolie/chemie. Maar ook in deze clusters zijn er grote
verliezers. Ook uit figuur 2 komt naar voren dat de
sterkere clusters allerminst veilig zijn.
In 1988 blijkt ook uit niets een versterking van de
high-tech. De fotokopieerapparaten
hebben de röntgenapparatuur
hier weer vervangen aan de top – en
dat is dan nog maar nr. 58 hinnen de top-lOO! maar evenaren nog bij verre niet hun positie van
1978. Philips-sterktes als verlichting en medische apparatuur zakken verder weg. Wat het transportcluster betreft bleek de sterkte in de vrachtwagensector
van 1986 in 1988 reeds geflatteerd. De positie die
werd opgebouwd bij sleepboten en speciale vaartuigen is in 1988 bijna weer helemaal bij het punt van
1978. Bij de bouwmaterialen,
die als het sterkste en
meest innovatieve deel van het bouwcluster worden
beschouwd is de positie van de ‘werken van cement’ van 1978 herwonnen, maar tuimelt de restcategorie ‘bouwmaterialen,
niet vuurvast’ van nr. 43
06,8%) in 1986 naar 143 (5,1%) twee jaar later3.
De vraag is natuurlijk of deze ontwikkeling zich
sinds 1988 heeft voortgezet. Reden voor veel optimisme lijkt er niet. Vorig jaar stond er in ESB bij
voorbeeld een vrij optimistisch artikel over de
verbeterde concurrentiepositie
in de kapitaalgoe100

Figuur 2.
Clusters in
Nederland,
1988 vergeleken met 1986

_1986
=1988

80

60
40

o

149

Tabel 1. Nederlands top-l0 landbouw/industrie naar exportprestatie, in procenten van de wereldexportmarkt en van de Nederlandse
export 1988

Cluster
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.

Sector (plaats ’86, ’78)

pers. zaken
idem
voeding
idem
idem
idem
idem
idem
idem
idem

snijbloemen 0, 2)
plantenlbollen
(4, 3)
vogeleieren in schaal (2,7)
levende varkens (3, 8)
verse tomaten (7, 6)
cacaopoeder (6, 4)
melkroom (5,5)
ov. vogeleieren 06, 21)
aardappelen (9,13)
cacaoboter (10, 12)

Wereld
1988

T.o.v.
1986

% Ned.
expo

65,3
57,6
55,7
52,1
47,8
44,4
44,2
32,4
31,9
30,5

+1,4
+1,2
-5,4
-4,5
+4,4
-4,2
-8,9
+2,5
-3,6
-1,9

1,58
1,56
0,42
0,45
0,62
0,13
0,37
0,05
0,32
0,34

derensectoren4.
Op geen enkel moment werd evenwel stilgestaan bij het feit dat in vijf van de genoemde zeven sectoren die positie van 1988 naar 1990 is
verslechterd, zoals blijkt uit tabel 3 van het artikel.
Alleen bij de machines voor de voedingsindustrie
en de overige automobielen was er een zekere verbetering. In een ander ESB-artikel5 was sprake van
een gemiddelde jaarlijkse groei van het buitenlands
marktaandeel met 1%, zonder dat duidelijk werd op
welke cijfers dit optimisme gebaseerd was, terwijl
op basis van onze gegevens integendeel sprake is
van verlies.

De centrale knelpunten
Wat is nu de oorzaak van deze verslechtering van
de concurrentiepositie?
In een aantal gevallen zijn
natuurlijk specifieke oorzaken aan te wijzen. De achteruitgang in de biersector bij voorbeeld heeft alles
te maken met het lange tijd onderschatten van een
meer gedifferentieerd wordende markt. Ten aanzien
van de meer algemene oorzaken bestaat in Neder-

Tabel 2. Opvallende stijgers en dalers in de Nederlandse top-l00
landbouw/industrie naar exportprestatie in procenten van de
wereldexportmarkt 1988
Wereld

Cluster
12.
18.
21.
22.
23.

sector (plaats ’86, ’18)

vOèditfg.
vOèding
huisVê~trng
olie/chemie
vOèding

T.o.v.

1988

1986

T.o.V.
1978

varkensvlees (22, 17)

25. transpM
27. voeding
30. olie/chemie
31. olie/chemie

32. voeding
37. huisvestirtg
39. olie/chemie
41. olie/chemie
48. vOèditm
53. vOèditm

58. kantoor ‘
59. huisvestirtg
78. gezondheid

96.transport

+4,6 +18,1
, 29,8
+2,9
+1,9
kaas, melk (29″,30)
23;4
-7,5
-8,7
elektrische latnpe.t’1 (14, 15) 21,9
-0,4
+4,5
ruwe polyamides (42, 27) 21
-5,8
-8
bier (l7,18)’
,
–6,5 +4,1
ttèkket$ vr, tmilers (18, 51)
+0,4
-11,8
chem,;~f.(I~.,
36)
-1,1
20,33)
,19′
-7,2
-5,7
-9,6
lwaterst. (24,17),
, ,-5,9
-4,6
ma
(25,26)
-6,8
+6,8
wetkei’i v, cement (108,24)
+11,8
xyI~
(200, -)
+
ákohril, fenol (196, -)
-12,6
veU Poedermelk (26, ~)

‘.zonn~oemolie(41, -)
fotocop~p,
(88, 46)
12
gloeilampenB9, 3S)
11,9
fÖntgen-apparatuur(71,53)
10,3
sleepb., spec. vaart.(54, 144) 8,5

-4,6
+1,4

-4,8

-5,7

-8

-2,3
-6,3

-4,4
+0,8

land de reflex om bij dalende concurrentiekracht
alleen over kosten concurrentie te praten. Vanuit kostenoogpunt had er evenwel van 1987 naar 1988 op
zijn minst een stabilisering van het exportaandeel
moeten plaatsvinden, want het Centraal Planbureau
za~ een verbetering van de prijsconcurrentiepositie . Ook de loonkosten, die het CPB als belanSfijkste kostencomponent
ziet, evolueerden gunstig .
Niettemin daalde het Nederlandse wereldexportaandeel van 3,71% in 1987 naar 3,66% in 1988.
Industrieën concurreren evenwel niet alleen op gelijkenis (en dus kosten), maar steeds meer op verschil
(differentiatie: sterke, aantrekkelijke produkten en
diensten). Het feit dat binnen de clusters en zelfs
binnen de industrieën bepaalde sectoren hun positie versterken, terwijl andere veld verliezen, wijst
erop dat kosten in het algemeen en loonkosten in
het bijzonder moeilijk een belangrijke verklaring
kunnen zijn. Bij de concurrentie tussen hoogontwikkelde landen spelen ‘basic factors’ als locatievoordelen en de aanwezigheid van goedkope grondstoffen
of arbeidskrachten
steeds minder een rol. Vanuit het
‘Porter-perspectief’
moet men kijken naar een breder geheel van factoren. In De economische kracht
van Nederland is er al veel over gezegd en dat behoeft hier niet herhaald te worden8 Sinds de publikatie van dat boek hebben wij nog een achttal sectoren intensiever onderzocht. Dat heeft ertoe geleid
dat wij in de dynamiek van de Nederlandse ‘diamant’ enkele grote knelpunten kunnen aanwijzen.
Deze hebben alles te maken met:
– de toepassing van de nieuwste technieken (waaronder milieutechnologie)
in relatief traditionele
en kleinschalige sectoren enerzijds;
– de vertaling van technologische
toepassingen in
voor de cliënt aantrekkelijke produkten; en
– met de schaalvergroting van de markt (Europa
1992).
Al deze ontwikkelingen vereisen een nieuw patroon
van concurrentie en samenwerking dat behoorlijk afwijkt van het in Nederland gebruikelijke. Er wordt
soms beweerd dat in het licht van deze ontwikkelingen het noodzakelijk is de schaal van de ondernemingen behoorlijk op te schroeven, met andere
woorden dat de Nederlandse ondernemingen
op
grote schaal moeten gaan fuseren of concurrenten
opkopen. Dat is op korte termijn evenwel niet haalbaar en het is de vraag of het ook wenselijk is. Veel
fusies en overnames mislukken, terwijl een belangrijke sterkte van de Nederlandse economie juist ligt

3. Op de knelpunten ten aanzien van innovatie in het
bouwcluster wordt dieper ingegaan in de STB-TNO-studie
van D. ]acobs, J. Kuijper en B. Roes, De economische
kracht van de houw, SMO, Den Haag, 1992.
4. H. Oldersma, De export van kapitaalgoederen,
E5B, 27
november 1991, blz. 1180-1183.
5. J.J.M. Kremers, Naar een sterke re binnenlandse groeidynamiek, E5B, 11 december 1991, blz. 1228-1232.
6. Centraal Planbureau, Macro Economische Verkenning
1989, Den Haag, 1988, blz. 69.
7. Centraal Planbureau, Centraal Economisch Plan 1989,
Den Haag, 1989, blz. 128.
8. Zie ook: D. ]acobs, De concurrentievoordelen
van landen, E5B, 30 mei 1990, blz. 501-503 en D. ]acobs, P. Boekolt en W. Zegveld, De concurrentiekracht
van Nederland,
E5B, 19/26 december 1990, blz. 1204-1207.

in het midden- en kleinbedrijf met zijn dichte betrokkenheid en combinatie van technische en commerciële vaardigheden in een overzichtelijke organisatie.
En de fusie of overname kan zo veel energie opeisen dat het oplossen van de hierboven genoemde
knelpunten juist niet de vereiste aandacht krijgt.
Gezien het feit dat de Nederlandse economie voor
een groot deel steunt op kleinschalige en technologievolgende ondernemingen,
willen we in de rest
van dit artikel dieper op deze prohlematiek ingaan.

Technologie

en innovatie

Zowel de toepassing van nieuwe technologieën als
informatietechnologie
en telematica, en in zekere
mate ook van nieuwe materialen en biotechnologie,
als het aanpakken van de milieuproblematiek
vragen om radicale innovaties van een andere soort
dan de incrementele innovaties, gekoppeld aan het
improvisatievermogen
en commercieel talent waar
men in de kleinschalige ondernemingen
zo vertrouwd mee is. Waar deze toepassing van de nieuwste technieken wel lukt, blijkt een goede combinatie
van rivaliteit en samenwerking, onder meer ook met
de kennisinfrastructuur.
Daar zien we dan ook exportsterkte: bloemen en bollen, de zuivel (zij het
niet eenduidig), de cacao. Maar dan nog zijn er in
veel gevallen uitdagingen en bedreigingen, met
name op het vlak van het milieu, die nog onvoldoende worden opgenomen. Ook gaat het om vrij
eenvoudige produkten die geen specifieke aanpassing aan nieuwe gehruikerswensen
vereisen.
Waar men blijft zweren hij louter incrementele innovatie, de toepassing van de nieuwste technologie
niet van de grond komt, of niet vertaald wordt in
aantrekkelijke produkten zien we (dreigende) achteruitgang. Bij de sectorstudies die we bij STB-TNO
verrichten, worden we hiermee voortdurend geconfronteerd en de problematiek blijkt zeer weerbarstig. Onze gesprekspartners
drukken ons dan ook
geregeld op het hart dat we hieromtrent niet te veel
illusies moeten koesteren, als zou de problematiek
te ontlopen zijn! Dat is ze dus niet, omdat in alle sectoren de snelheid van de innovatie en de ‘product
life cycle’ toeneemt, de milieu problematiek aangepakt moet worden en de concurrentie op de Europese markt heviger wordt.

Samenwerking

als strategie

Wij beweren natuurlijk niet dat er niets gebeurt. Kijken we naar de technische ontwikkelingen (inclusief de milieutechnologie)
dan zien we dat in sommige gevallen toeleveranciers een innovatieve rol
spelen, doordat ze hun afnemers nieuwe toepassingen voorleggen. Ook afnemers stellen soms eisen
op het vlak van de kwaliteit, het milieu of van de
toepassing van telematica voor de orderbehandeling.
De meeste ondernemingen
stellen zich hiertegenover echter te afwachtend op. Zij zouden zelf meer
het initiatief moeten nemen om tot radicalere innovaties te komen, zowel met concurrenten als met
andere schakels uit het waardesysteem. In nauwe
interactie met de toeleveranciers (waaronder de importeurs) en de eindgebruikers kan men tot innovatievere produktontwikkeling
proheren te komen.
Een voorbeeld is de bouw, waar de ondernemingen
in samenspel met de materialentoeleveranciers
en
met de grote afnemers beter zouden moeten naden-

ESB 12-2-1992

ken over het huis of het kantoor van de toekomst
en op basis van volgehouden evaluatie van de geleverde produkten tot continue verbetering ervan komen. Het is toch onvoorstelhaar dat zoveel mensen
in ‘sick buildings’ wonen en werken en in de sectoren uit het bouwcluster nauwelijks iets ondernomen
wordt om gezondere gebouwen te ontwikkelen?
Samenwerking kan ook vereist zijn binnen de
branche zelf om de noodzakelijke technologische
schaaleffecten te hereiken voor innovaties waar kleinere ondernemingen
niet aan toekomen. Dynamische branche-organisaties
kunnen daarbij, samen
met gespecialiseerde technologische instituten, een
rol spelen. Een voorbeeld hiervan zijn de grotere
chassis- en carrosserie bouwers in Nederland, die
weliswaar zeer innovatief zijn, maar door hun – internationaal gezien – beperkte schaalgrootte de belangrijkste grote uitdagingen (aerodynamica, gebruik nieuwe materialen) nog te weinig opnemen.
Samenwerking op dit punt hoeft rivaliteit daarbuiten zeker niet uit te sluiten9
Niet alleen voor wat hetreft radicale innovatie en
produktontwikkeling,
maar ook ten aanzien van gezamenlijke promotie en marketing zullen met name
de ondernemingen
uit het midden- en kleinbedrijf
meer initiatieven moeten ontplooien. Ook op het
punt van het milieu zijn er uitdagingen en bedreigingen. Verschillende van de meest sterke sectoren uit
onze clusterkaart worden met relatief sterke milieuen energieproblemen
geconfronteerd. Vanuit kostenoverwegingen verkiest men in veel gevallen een lobby-politiek tegen maatregelen op dit punt om de
noodzakelijke investeringén zo lang mogelijk uit te
stellen. Toch zou men juist innovatiever moeten proberen oplossingen te zoeken om daarmee in het buitenland posities te veroveren. Ook hiervoor zal vanuit de optiek van het integraal ketenbeheer meer
samenwerking met toeleveranciers en afnemers vereist zijn.
Samenwerking, niet om markten af te schermen,
maar juist om ze te ontwikkelen en te veroveren,
wordt dus steeds meer de opdracht van het toch in
sterke mate relatief kleinschalig blijvende Nederlandse bedrijfsleven. De handelsingesteldheid
van
de meeste ondernemers maakt het evenwel moeilijk
om in Nederland de constructievere vormen van
samenwerking tot stand te brengen die de technologische ontwikkelingen en de markt in toenemende
mate vereisen. De nieuwe uitdagingen vereisen dan
ook een andere managementcultuur.
Om langs de
andere kant niet in ‘technology push’-denken en ondoordachte vormen van samenwerking te vervallen
is het noodzakelijk dat de ondernemers hun talent
voor korte-termijnimprovisatie
en handel aanvullen
met een strategischer middellange-termijnvisie
op
hoe de maatschappij ontwikkelt, welke richting daarin de gebruikerswensen
opgaan en op welk wijze
ze daar met de eigen onderneming op willen inspelen. Er is op dat punt nog een lange weg af te leggen.

Dany)acobs
Ane de Vos

9. Zie verder D. Jacobs en N. Smak, De Nederlandse chassis- en carrosseriebouw, STB-TNO, Apeldoorn, 1991.

151

I

Auteurs