Ga direct naar de content

Naar een superieur vennootschapsrecht

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 11 2004

Naar een superieur vennootschapsrecht
Aute ur(s ):
Boot, A. (auteur)
Hoogleraar ondernemersfinanciering en financiële markten, Universiteit van Amsterdam. a.w.a.b oot@uva.nl
Ve rs che ne n in:
ESB, 89e jaargang, nr. 4435, pagina 265, 11 juni 2004 (datum)
Rubrie k :
Prikkel
Tre fw oord(e n):

Het economische denken neemt imperialistische vormen aan. Zelfs zonder een econoom in hun midden, hebben de negen juristen in de
Commissie voor de vereenvoudiging en flexibilisering van het Nederlandse bv-recht, primair economische maatstaven gebruikt voor de
hervorming van het Nederlands bv-recht. De commissie, die onder leiding staat van de Amsterdamse jurist Harm-Jan de Kluiver, geeft
hiermee invulling aan een uitnodiging van de ministeries van Justitie en Economische Zaken.
De commissie neemt als uitgangspunt onder meer dat het bv-recht niet dwingend, maar faciliterend moet zijn. Met dit regelende recht
hangt samen dat wordt gestreefd naar een grotere vrijheid van inrichting, vermindering van de administratieve lasten, adequate
bescherming van crediteuren, het voorkomen van rechtsonzekerheid en aansluiting bij de nationale en internationale ontwikkelingen.
Deze uitgangspunten hebben geleid tot voorstellen om te komen tot een flexibele vorm voor de bv, waar bijvoorbeeld minimum
kapitaaleisen vervallen en grote ‘statutaire flexibiliteit’ bestaat.
In essentie moet de bv steeds meer worden gezien als een contractueel verband tussen aandeelhouders en minder als een institutioneel
fenomeen. Dit impliceert wel dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders zal en moet worden uitgebreid. De grotere flexibiliteit
en het contractuele perspectief brengen dit met zich mee. Hiermee wordt de institutionele verstarring die de bv kenmerkt in ieder geval
gedeeltelijk teruggedrongen. Deze ontwikkelingen zijn koren op de molen van het ministerie van Economische Zaken, dat op actieve wijze
tracht onnodige wet-, en regelgevende verstarring tegen te gaan. Het is voor het ministerie wel te hopen dat de wettelijke invoering
voorspoediger zal verlopen dan de al even loffelijke, maar nog hangende wetgevende veranderingen in de faillissementswet.
De inrichting van vennootschappen krijgt veel aandacht. In Nederland komt het grootste werk nog, namelijk de herinrichting van
structuurvennootschappen. De voorgenomen aanpassingen in het bv-recht laten deze vooralsnog ongemoeid. De regering heeft
toegezegd een grondig debat te entameren over de inrichting van het ondernemingsrecht, waaronder dat van de
structuurvennootschappen. Zij wil echter wachten op de aanname van een wetsontwerp dat nu nog bij de Eerste Kamer ligt. Dit ontwerp
is gericht op de wettelijke verankering van de code-Tabaksblat. Beter gezegd, het ontwerp zou hierop gericht moeten zijn: er zitten allerlei
oneigenlijke zaken in. Ik roep de regering op om zeker op dit punt haar belofte na te komen en dus een fatsoenlijke discussie te faciliteren.
Gerust ben ik er echter niet op. Mij bereiken teveel geruchten dat met een overvaltactiek getracht wordt een vervolgdebat te vermijden.
Voor economen en met name rechtseconomen zijn bovenstaande ontwikkelingen van grote betekenis. Economen raken in toenemende
mate geïnteresseerd in juridische structuren. De rechtsvorm van ondernemingen is daar een van. Economen proberen te meten of
rechtsvormen (en verschillen in rechtsstelsels) er in economisch opzicht toedoen. De mede door juristen gevoerde discussie over de
wenselijkheid van concurrentie tussen rechtsstelsels (en rechtsvormen voor ondernemingen) hoort hier ook bij. Tegelijkertijd staan
rechtsvormen steeds vaker ter discussie. De econoom zal een natuurlijke voorkeur hebben voor een zo groot mogelijke flexibiliteit. Hij
wordt hierin gesterkt door de steeds grotere dynamiek, met dienovereenkomstige grotere veranderingen in ondernemingsland. De
ranglijsten met de grootste ondernemingen veranderen vele malen sneller dan in het verleden. Misschien moet er ook wel fundamenteel
anders naar een onderneming worden gekeken, bijvoorbeeld als een tijdelijk samenwerkingsverband. Dit sluit overigens ook aan op de
voorgestelde wijzigingen in het bv-recht, die meer tijdelijke verbanden, zoals joint ventures, beter moeten kunnen accommoderen.
De discussies beperken zich echter niet tot de rechtsvorm in enge zin; ook de hieraan complementaire regulering van de financiële markt
waaraan ondernemingen blootstaan, krijgt steeds meer aandacht. Hierin ligt voor de econoom misschien wel het belangrijkste
onderscheidende kenmerk van ondernemingen. Een onderneming die niet voor een beursnotering kiest, is voor de econoom primair een
contractueel samenwerkingsverband, maar zodra er sprake is van een beursnotering is er behoefte aan grote bescherming van (vaak
anonieme) beleggers in de financiële markt. De onderneming als entiteit wordt dan onderhevig aan allerlei eisen van transparantie en
standaardisatie opdat de financiële markt waarin de aandelen van die ondernemingen verhandeld worden ordelijk verloopt. 1
Er ligt een prachtige onderzoeksagenda. De eerdergenoemde commissie-De Kluiver spreekt over een pragmatische aanpak waarbij zij niet
getracht heeft het bv-recht vanuit het niets opnieuw op te bouwen, maar uit te gaan van hetgeen al bestaat. De uitdaging voor de ‘echte’
wetenschap is om dit nu juist wel te doen. Binnen de vakgebieden rechtseconomie, industriële organisatie (de ‘theory of the firm’) en
financiering (de optimale mate van beperkte aansprakelijkheid en de convergentie van ‘corporate governance’-systemen) zijn hiertoe al
interessante aanzetten gedaan, maar meer dan aanzetten zijn het niet. De wetenschap is weinig richtinggevend als het komt tot het
bepalen van de optimale organisatie- en rechtsvormen. Hetzelfde manco speelt in de al zeer uitgebreide literatuur over corporate
governance. Er is dus werk aan de winkel!

1 Dit neemt niet weg dat ook de econoom er mee in zal kunnen stemmen dat de omvang van de onderneming, met name het aantal
werknemers, aangrijpingspunt is voor bepaalde regelingen.

Copyright © 2004 Economisch Statistische Berichten ( www.economie.nl)

Auteur