Ga direct naar de content

Milieu-ecpnomie in ontwikkelingslanden

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: september 14 1989

Milieu-ecpnomie in
ontwikkelingslanden
Milieu-economen komen steeds vaker voor de vraag te staan hoe het principe van
duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden in praktijk kan worden gebracht. Het
uitgangspunt is dat de voorraad natuurlijk kapitaal op peil moet blijven. Dit heeft
belangrijke consequenties voor de nationale rekeningen, de prijs van goederen en
diensten, en de wijze waarop projecten in ontwikkelingslanden moeten worden
beoordeeld. Het zou goed zijn als de prijzen in ontwikkelingslanden nauwkeuriger dan
nu het geval is, alle milieu-, vervuilings- en gebruikerskosten weerspiegelden. Voorts
zouden bij de economische analyse van investeringsprojecten in ontwikkelingslanden
ook de gevolgen voor het milieu behoorlijk moeten worden verwerkt.

DR. E.B. BARBIER – J.C. BURGESS*
In de meest uitgebreide zin houdt duurzame ontwikkeling
in dat ervoor gezorgd wordt dat toekomstige generaties er
niet slechter aan toe zijn dan de huidige en dat ze in principe
evenveel kans op welvaart hebben als de huidige generatie.
Elke generatie ontleent haar verzameling economische
kansen aan de hulpbronnen die haar ter beschikking staan.
We beschikken over een hele verscheidenheid aan hulpbronnen, varierend van natuurlijk kapitaal en door mensen
gemaakt reproduceerbaar kapitaal tot menselijk kapitaal.
Bij conventionele benaderingen van de economische ontwikkeling is het belang van fysiek of reproduceerbaar kapitaal zoals infrastructuur, machines, gereedschappen en
uitrusting al lang erkend, evenals de noodzaak om de
kennis en kunde van de menselijke bevolking op peil te
houden en uit te breiden. Hoe natuurlijke rijkdommen de
economische vooruitgang kunnen steunen en op peil houden, heeft echter minder aandacht gekregen.
Wanneer we de term natuurlijk ‘kapitaal’ ruim opvatten,
komen we tot drie belangrijke functies van het milieu:
– de hulpbronnen van het milieu leveren de grondstoffen
en energie die nodig zijn voor het economische proces;
– het milieu neemt de uitstoot van het economische proces

op;

– het milieu verleent voortdurend ‘natuur-‘ of ‘milieudiensten’ aan enkelingen en produktiestelsels (bij voorbeeld
in de vorm van recreatieve voorzieningen, voorzieningen ter ondersteuning van gezondheid en leven, de
instandhouding van ecologische stelsels en het klimaat,
de kringloop van materialen).
Tot dusver was de tendens om maar een enkele functie
van de natuurlijke activate belichten, namelijk het leveren
van grondstoffen en energie. Ook de andere functies verdienen evenwel aandacht, zoals het opnemen van afval en
het op gang houden van essentiele ecologische processen. Weliswaar zijn sommige milieu-activa – bij voorbeeld
grondstoffen en energie – uit het oogpunt van menselijke
welvaart misschien geheel of gedeeltelijk vervangbaar
door materiaal dat door mensen vervaardigd is en kan

894

worden aangevuld, maar er zijn er ook die niet zo gemakkelijk te vervangen zijn.
Met de vervangbaarheid van de verschillende soorten
kapitaal die in beginsel welvaart kunnen scheppen, staat
of valt het begrip duurzame ontwikkeling. Als we het belangrijk vinden de economische kansen voor de toekomst
op peil te houden, dan kunnen we de aantasting van
natuurlijk kapitaal alleen accepteren als daardoor andere
vormen van kapitaal – hetzij menselijk of fysiek – worden
geschapen die de essentiele functies van het milieu kunnen overnemen. En als door mensen geschapen kapitaal
wordt uitgeput, dan moet dat worden goedgemaakt door
het milieukapitaal te verbeteren of uit te breiden.
Het is echter gevaarlijk om zonder meer aan te nemen
dat onomkeerbaar verlies van de voorraad natuurlijk kapitaal verantwoord is als daardoor kunstmatig kapitaal wordt
gevormd. Sommige functies van het milieu kunnen niet
worden overgenomen door reproduceerbaar kapitaal. Andere kunnen wel vervangen worden, maar alleen tegen
onoverkomelijke kosten. Bovendien kan de aantasting van
een of meer onderdelen van het stelsel van hulpbronnen
voorbij een zekere drempel het hele systeem in elkaardoen
storten, met dramatische gevolgen voor het herstellende
vermogen en de elasticiteit van het stelsel. Zo’n ineenstorting van een stelsel kan in totaal meer kosten dan de
activiteit die het oorspronkelijke verval had veroorzaakt
waard was1.
Voor een verantwoord beheer van de hulpbronnen is
nodig dat:
– in de waardering van milieu-activa al hun huidige en
toekomstige bijdragen aan het menselijke welzijn tot
uiting komen;
* De auteurs zijn werkzaam bij het London Environmental Economics Centre, University College Lpnden.
1. Dat kan bij voorbeeld het geval zijn bij de uitgebreide ontbossing
van tropische regenwoudenin het Amazonegebied, de verwording
van het bovenste stroomgebied, en zelfs de temperatuurverhoging veroorzaakt door broeikasgassen.

– enkelingen en organisaties worden geprikkeld de activa
in overeenstemming met hun waarde te beheren;
– de waardedaling van het ene kapitaalelement in voldoende mate wordt gecompenseerd door de opwaardering van andere elementen.
Duurzame ontwikkeling betekent dan ook dat in de toekomst elk verlies dat het milieu lijdt moet worden gecompenseerd door er soortgelijke activa voor in de plaats te
stellen. Daartoe moet worden vastgesteld wat ‘kritische’
milieu-activa zijn, bij voorbeeld die welke onmisbare levensfuncties en ecologische processen leveren, en om die
in materiele zin op peil te houden. Voor milieu-activa die
vervangbaar zijn is aantasting of uitputting aanvaardbaar
zolang de vervangende activa in voldoende mate worden
uitgebreid. Bij alle beleidsmaatregelen die afbreuk doen
aan de milieu-activa moet daarom de waarde van de
milieu-aantasting bepaald worden en gezorgd worden voor
investeringen in vervangende activa.
We kunnen dan het begrip duurzame ontwikkeling interpreteren als dat peil van economische activiteit waarbij de
milieukwaliteit op zijn minst ongeschonden blijft, dan wel de
verliezen worden gecompenseerd. Daarmee stemt een beleid overeen dat tot doel heeft de netto baten van economische ontwikkeling te maximaliseren en de waarde van de
diensten en de kwaliteit van onontbeerlijke natuurlijke hulpbronnen ook op de lange duur op peil te houden2.

Consequenties voor economen

__

De uitdaging die een duurzame ontwikkeling aan economen stelt, is de optimale hoeveelheid van elke kapitaalvorm
aan te geven en daartoe de juiste waarde van elke vorm vast
te stellen. Voor het door de mens geschapen kapitaal, als
verhandelbare rijkdom, is dat niet moeilijk. De waarde van
menselijk kapitaal is indirect terug te vinden in de uitgaven
aan onderwijs en opleiding, onderzoek en ontwikkeling.
Moeilijker is het bepalen van de waarde en de f uncties van
milieu-activa, want daarbij gaat het in het algemeen om
niet-verhandelbare goederen. Hoewel milieugoederen en
-diensten zelden via het marktmechanisme worden verhandeld, kan men toch enig idee van hun waarde krijgen door er
‘schaduwprijzen’ voor vast te stellen, dat zijn de prijzen die
zouden gelden als milieu-activa en de functies ervan in de
‘juiste’ hoeveelheden zouden worden verhandeld.
Om kort te gaan, als het marktmechanisme er niet in slaagt
volledig recht te doen aan de bijdrage van milieu-activa en
-functies aan de economische activiteit en het menselijke
welzijn, dan kan op den duur de optimale toewijzing van die
activa en functies niet worden gegarandeerd. We kunnen er
niet op rekenen dat marktstelsels, aan zichzelf overgelaten,
het ‘juiste’ bedrag aan omgevingskapitaal zeker zullen stellen. Daarom is het een eis van duurzame ontwikkeling, dat
onze boekhoudstelsels zoveel mogelijk de schaduwprijzen
van het milieu weerspiegelen. De belangrijkste uitdaging
voor de milieu-economie is om te zorgen voor een juiste
waardering van de bijdrage die milieu-activa en milieufuncties leveren aan het menselijke welzijn.
Verscheidene praktische stappen kunnen worden genomen om aan die uitdaging te voldoen, zoals:
– reorganisatie van het stelsel van nationale rekeningen
opdat het verband tussen veranderingen in het milieu en
veranderingen in de economie daaruit naar voren komt;
– correctie van de marktprijzen zodat ze volledig recht
doen aan de kosten (en baten) van het gebruik van het
milieu;
– een zodanige beoordeling van projecten dat de economische waarde van de gevolgen voor het milieu meer
dan tot dusver in aanmerking wordt genomen.

ESB 13-9-1989

We zullen nu deze drie aspecten toespitsen op de ontwikkelingslanden.

Een nieuwe opzet voor de nationale rekeningen
Er zijn verschillende methoden voorgesteld om milieugevolgen en milieuwaarden op te nemen in een boekhoudsysteem3. Daarbij zijn twee algemene benaderingen
bepleit. Het eerste voorstel is om alle milieu-aspecten op
te nemen in het bestaande stelsel van nationale rekeningen; het tweede om een afzonderlijke materiaalboekhouding op te zetten voor de natuurlijke hulpbronnen met
rekeningen waarin de voorraden en stromen milieuvariabelen in fysieke eenheden worden verwerkt4. Te denken
valt aan energiebalansen, rekeningen waarop de mineraalvoorraden worden bijgehouden en het meten van de toestand in de atmosfeer. In een aantal ontwikkelde landen is
die benadering al uitgewerkt, met name in Noorwegen,
Frankrijk en zeer onlangs Canada. De ervaring in die
landen leert dat zo’n materiele benadering geschikt is om
de samenhang tussen omgeving en economie te analyseren; verder uitgewerkt zou ze kunnen helpen om het toekomstige verbruik van hulpbronnen te voorspellen. Voor
een ontwikkelingsland zou deze methode ook aanzienlijk
voordeel kunnen opleveren, maar of dat voordeel opweegt
tegen de hoge kosten valt te betwijfelen.
Bij een eventuele monetaire aanpassing van de nationale
rekeningen zou in de eerste plaats een betere standaard
voor ‘haalbaar’ inkomen ontwikkeld moeten worden. Een
haalbaar inkomen wordt gedefinieerd als de stroom goederen en diensten die een economie zou kunnen opbrengen
zonder dat de toekomstige produktiecapaciteit afneemt. Bij
het begrip haalbaar inkomen wordt dus uitgegaan van een
constante kapitaalvoorraad, zowel in fysieke zin als met
betrekking tot het milieu, hetzelfde principe dat ten grondslag
ligt aan de economische interpretatie van de duurzame
ontwikkeling. Het gemeten inkomen zou dan zodanig moeten worden aangepast, dat rekening wordt gehouden met (a)
alle extra uitgaven die huishoudingen en ondernemingen
doen om de gevolgen van milieuvervuiling te matigen; (b) de
kosten van elke vervuiling waar geen matigende actie tegenover staat; en (c) alle nog niet verantwoorde waardeverminderingen van de aanwezige natuurlijke hulpbronnen. Door
de eerste twee aanpassingen kan de huidige welvaart nauwkeuriger gemeten worden; de drie aanpassingen geven alle
aan in hoeverre de produktiecapaciteit van de economie in
principe kan worden gehandhaafd. Het meten van het haalbare inkomen betekent een bijzondere uitbreiding van de
conventionele meting van het netto nationaal produkt (nnp)
waarbij het gemeten inkomen alleen werd gecorrigeerd voor
de waardevermindering van door mensen geschapen kapitaal.

2. Barbier en Markandya hebben een technisch model ontwikkeld

waarin de optimale beleidsmaatregelen in die omstandigheden
worden aangeduid. E.B. Barbier en A. Markandya, The conditions
for achieving environmentally sustainable development, LEECpaper 89-01, London Environmental Economics Centre, Londen,
te verschijnen in European Economic Review.

3. Y.J. Ahmad, S. El Serafy en E. Lutz (red.), Environmental
accounting for sustainable development: a UNEP-World Bank
symposium, Wereldbank, Washington D.C., 1989; R. Repetto, W.
Margrath, M. Wells, C. Beer en F. Rossini, Wasting assets: natural
resources in the national income accounts, World Resource Institute, Washington D.C., 1989.
4. Een nadere bespreking en vergelijking van deze twee benaderingen is te vinden in: W. Pearce, A. Markandya en E.B. Barbier,
Sustainable development: the implications of sustainable development for resource accounting, project appraisal and integrative
environmental policy, rapport voor het Department of the Environment, Londen, 1989, hoofdstuk4.

895

De monetaire aanpassing van de nationale rekeningen is
nog maar ten dele uitgewerkt. Nordhaus en Tobin5 hebben
getracht ‘maatstaven van economische welvaart’te construeren waarin aanpassingen voor de kosten en schade van
vervuiling verwerkt waren. Hun benadering komt er op neer
dat eerst een kwaliteitsnorm wordt gesteld voor de vervuiling
van de omgeving (waterbesmetting, luchtvervuiling en afvalverwerking), vervolgens geschat wordt in hoeverre de huidige uitstoot die norm te boven gaat, en dat ten slotte begroot
wordt wat het kost de vervuilende stoffen te verwijderen en
de vervuiling tot het standaardpeil terug te brengen. Gezien
de beperkte beschikbaarheid van gegevens in ontwikkelingslanden is er grote kans dat deze werkwijze voor die
landen niet in aanmerking komt.
Vermoedelijk is het voor ontwikkelingslanden praktischer
en relevanter om elke waardevermindering van de hulpbronnen afzonderlijk te verantwoorden. De verandering in netto
rijkdom wordt dan berekend als het verschil tussen de waarde van het goed aan het eind van de periode en aan het begin
daarvan. Vervolgens wordt het nnp gecorrigeerd voor alle
netto toegevoegde rijkdommen — het zijn immers in feite
inkomsten – en voor alle reele verminderingen. Elke herwaardering van de voorraad wordt aangetekend in een
afzonderiijke herwaarderingsreserve. De label laat zien hoe
het bruto binnenlands produkt (bbp) in Indonesie op die
manier is aangepast; voor 1974 blijkt het aangepaste bbp
boven het werkelijke bbp te liggen, na dat jaar ligt het lager.
Bijna de helft van de gemiddelde jaarlijkse groeivoet over
1971 -1984 was ‘onverantwoord’, dat wil zeggen dat de groei
tot waardevermindering van de essentiele natuurlijke rijkdommen heeft geleid.
Intussen is wel duidelijk geworden dat in het huidige
stadium elke poging tot een nieuwe opzet van de nationale
rekeningen tot mislukken gedoemd is. Beter is het daarom
een stel afzonderiijke ‘satelliet’-rekeningen voor het milieu
aan te leggen. Voor ontwikkelingslanden is de eerste stap
het opzetten van samenhangende databestanden voor de
natuurlijke hulpbronnen, waarmee het verband tussen het
milieu en de economische bedrijvigheid zichtbaar kan worden gemaakt. Uiteindelijk zouden deze rekeningen zo kunnen worden uitgebreid dat een balans van natuurlijke hulpbronnen kan worden opgesteld, waaruit dan een maatstaf
van haalbaar inkomen kan worden afgeleid.

Het conigeren van marktprijzen
Wil men verantwoorde ontwikkeling tot realistische doelstelling verheffen, dan is het allereerst zaak de juiste economische waarden toe te kennen aan de natuurlijke rijkdommen. In de ‘juiste’ prijs van natuurlijke rijkdommen
behoren de kosten van winning plus de milieukosten plus
de verbruikerskosten te zijn begrepen. De directe kosten
van het oogsten of winnen van verhandelbare rijkdommen
worden automatisch in de prijzen verwerkt. Maar de kosten
die door het winnen en oogsten aan anderen worden
opgelegd, of die verband houden met het gebruiken van
het milieu voor het opnemen van afval, komen meestal niet
in het marktmechanisme tot uitdrukking. Bovendien houden marktprijzen geen rekening metgebruikerskosten-de
kosten van het verloren gaan van toekomstige baten door
nu een niet vernieuwbare bron aan te boren of door de
waarde van een vernieuwbare bron te verminderen6. De
juiste prijsstelling van natuurlijke rijkdommen wordt verder
belemmerd door de prijspolitiek van de regering en door
regelingen die de marktmechanismen verstoren.
Zo is het bij voorbeeld duidelijk dat de economische
waarde van tropische regenwouden kan worden uitgedrukt
in de houtproduktie of het herinrichten van bosland voor
ander gebruik, zoals landbouw. De directe kosten van het
896

Tabel. Indonesie, haalbaar inkomen (nbp), roepia’s van
1973
Netto verandering in sectoren

Jaar

1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984

van natuurlijke rijkdommen3
Bbp
aardbosbodem
Netto
Nbp
olie
bouw
verandering

5.545
6.067
6.753
7.296
7.631
8.156
8.882
9.567
10.165
11.169
12.055
12.325
12.842
13.520

1.527
337
407
3.228
-787
-187
-1 .225
-1.117
-1 .200
-1 .633
-1.552
-1.158
-1.825
-1.765

Gem. jaarlijkse
groei
7,1%

-312
-354
-591
-533
-249
-423
-405
-401
-946
-965
-595
-551
-974
-493

-89
-83
-95
-90
-85
-74
-81
-89
-73
-65
-68
-55
-71
-76

1.126
-100
-279
2.605
-1.121
-684
-1.711
-1.067
-2.219
-2.663
-2.215
-1.764
-2.870
-2.334

6.671
5.967
6.474
9.901
6.510
7.472
7.171
7.960
7.946
8.506
9.840
10.561
9.972
11.186
4,0%

a. Positieve getallen duiden aan dat de stoffelijke reserves van die hulpbron
in het betrokken jaar zijn gegroeid.
Bron: R. Repetto, W. Magrath, M. Wells, C. Beer en F. Rossini, Wasting

assets: natural resource in the national income accounts, World Resources
Institute, Washington D.C., 1989.

winnen van hout of het omzetten van bosland worden
normaal gesproken doorberekend in de prijs van timmerhout en de produkten van het alternatieve grondgebruik.
Maar tropische regenwouden hebben nog ander economisch nut. Ze houden bij voorbeeld ecologische sleutelfuncties in stand, zoals de bescherming van de waterscheiding, de kringloop van stoffen en de regulering van de
energiestroom en het microklimaat; verder zijn ze indirect
waardevol doordat ze, naast timmerhout, nog andere produkten opleveren; daarnaast is er nog de ‘optiewaarde’ van
de eventuele biologische variatie7. Voorts kunnen grote
veranderingen in het grondgebruik van tropische regenwouden gevolgen hebben voor het klimaat, zowel regionaal als voor de hele wereld.
At te vaak echter heeft overheidsbeleid de juiste prijsstelling van natuurlijke rijkdommen verstoord. Daaruit komt
een ontwikkelingsstrategie voort die onverantwoord gebruik van natuurlijke rijkdommen in de hand werkt, zodat
de economische baten niet optimaal zijn. Ten onrechte
wordt aangenomen dat het niets kost om tropische wouden, moeraslanden en andere systemen van natuurlijke
hulpbronnen voor een ander doel te bestemmen, en dat
alternatief gebruik dus de beste manier zou zijn om de
waarde van het land zo hoog mogelijk te maken.
Zo kan het grootste deel van de uitgebreide ontbossing in
het Amazonegebied van Brazilie – meer dan 15 miljoen
hectare tot 1987 – direct in verband worden gebracht met
door de overheid gefinancierde programma’s en verstrekte
subsidies, vooral voor het inrichten van landbouwbedrijven
5. W.D. Nordhaus en J. Tobin, te growth obsolete?, National
Bureau of Economic Research, General Series, nr. 96, Columbia
University Press, New York, 1972.

6. Er zouden in beginsel twee prijsvoorschriften moeten zijn: een
om de prijs te bepalen van gewonnen of geoogste rijkdommen, en
een voor de produktie van alle andere goederen. De regel voor de
prijsbepaling van natuurlijke rijkdommen die hier wordt geschetst
komt erop neer dat de prijs wordt gelijkgesteld aan de marginale
winningskosten plus marginale milieukosten plus marginale verbruikerskosten.
7. De term optiewaarde wordt gebruikt om aan te geven dat de
‘opportunity costs’ van de onomkeerbare omzetting van natuurlijke
hulpbronnen hoog kunnen zijn doordat de optie om in de toekomst
milieugoederen en -diensten te winnen erdoor wordt uitgesloten.

en voor kolonievorming. Bovendien verschaffen bepaalde
algemene macro-economische beleidsmaatregelen zoals
de inkomstenbelasting, de grondbelasting en de landtoewijzingsregels, economische motieven voor ontbossing8. Met
gevolg is dat de economische bedrijvigheid die tropische
ontbossing veroorzaakt, niet alleen de milieu- en verbruikerskosten daarvan ontloopt, maar zelfs de directe kosten van
de omzetting niet vergoedt.

Milieu-effecten van ontwikkelingsprojecten
De derde belangrijke praktische stap tot verantwoord
ontwikkelingswerk is een juistere beoordeling van investeringsprojecten en -programma’s. De investeringen in landbouw, irrigatie, stroomopwekking, vervoer en infrastructuur
die door deze hulp tot stand komen, hebben vaak grote
gevolgen voor de omgeving. Vooral de manier waarop de
milieu-effecten van de projecten worden berekend en milieuwaarden in de economische beoordeling van deze investeringen worden doorberekend, behoeft dringend herziening.
Allereerst moet de economische waarde worden geschat van de diensten en hulpbronnen van net systeem van
natuurlijke rijkdommen waarop het te beoordelen project of
programma zal inwerken. Het kan nuttig zijn onderscheid
te maken tussen:
– de waarde op grand van direct gebruik (bij voorbeeld de
waarden ontleend aan het economische gebruik dat van
de rijkdommen en diensten van het natuurlijke systeem
wordtgemaakt);
– de waarde op grand van indirect gebruik (de indirecte
steun en bescherming geboden doorde natuurlijke werking van het systeem, het zogenaamde ‘milieunut’);
– de waarde die niet wordt ontleend aan gebruik maar aan
de wens tot behoud.
Op zichzelf staande natuurlijke rijkdommen kunnen al
heel veel waard zijn bij direct en indirect gebruik, en die
waarde moet worden bepaald en doorberekend bij de
beoordeling van alle investeringen die op die rijkdommen
inwerken. Zo heeft de Senegalese acacia die in de SahelSoedanzone wordt gekweekt (vooral in Soedan) allerlei
waardevolle economische en ecologische functies, te verdelen in directe (produktie-) en indirecte (milieu-)gebruikswaarden. Onder de directe baten valt de produktie en
verhandeling van arabische gom, voor Soedan het op een
na belangrijkste exportartikel, goed voor $ 65 miljoen in
1987. De Senegalese acacia levert ook veevoeder op,
terwijl oude bomen die geen gom meer leveren dikwijls tot
brandhout worden gekapt. Maar bovendien kan de Senegalese acacia van groot nut zijn voor het milieu. De diepliggende aftapwortel van de boom en het uitgebreide stelsel van zijwortels kan de erosie van de grand en het
wegvloeien van water verminderen. Deze peuldragende
boom houdt ook stikstof vast, en bevordert zo de groei van
gras, op zijn beurt weer nuttig voor grazend vee. Een bosje
bomen bij elkaar kan voorts als windscherm dienen en zo
zandheuvels op hun plaats houden. Op die manier werkt
de aanwezigheid van een ‘gordel’ van arabische-gombomen in grote delen van de noordelijke Sahel-Soedanzone
als buffer tegen woestijnvorming.
Het zal nu wel duidelijk zijn dat economische waarde
moet worden toegekend aan al deze functies, en dat die
waarde bij de projectbeoordeling moet worden betrokken.
Helaas is dat echter vaak niet mogelijk door gebrek aan
gegevens. Ook is er zo nog geen garantie dat de hulpbronnen van een land altijd op duurzame manier zullen worden
ontwikkeld. In de eerste plaats geeft het beoordelen van
afzonderlijke projecten vaak geen zicht op de milieubaten
in ruimere zin, omdat de bijdrage van elk project aan de

ESB 13-9-1989

totale baten misschien maar marginaal is. Zo kan een
afzonderlijk bosje van Senegalese acacia’s wel nuttig zijn
voor het vastleggen van zandduinen, maarom wijdverbreide woestijnvorming tegen te gaan zijn veel van zulke
bosjes nodig. In de tweede plaats, zelfs als men kans zou
zien om de milieubaten te schatten, dan is het effect ervan
toch vaak belangrijker op de lange dan op de korte termijn,
wat vaak tot onderschatting van deze baten leidt.
Daarom kan een andere benadering nodig zijn, een werkwijze die ervoor zorgt dat elke aantasting van het milieu door
ontwikkelingsprojecten voldoende wordt gecompenseerd.
Daartoe zou bij het analyseren van een complete projectenportefeuille het begrip ‘milieu-compenserend project’ moeten
worden gehanteerd. In elke projectenportefeuille zou ten
minste een project opgenomen moeten worden dat de aantasting van het milieu door andere projecten in de portefeuille
compenseert. Dat houdt in dat de baten van het behoud ten
minste gelijk moeten zijn aan de kosten van het compenserende project. Veel projecten tot rehabilitatie of verbetering
van het milieu, zoals het planten van beschermende gordels,
bodembeheer, bosaanleg en herbebossing ter bestrijding
van woestijnvorming, zouden als milieu-compensatieprojecten kunnen dienen. De aanvaardbaarheid van deze projecten behoeft dan niet langer te worden afgemeten aan het
verdisconteerde economische rendement ervan, maar aan
de mate waarin de milieubaten die ze opleveren een compensatie vormt voor de schade die andere projecten aan het
milieu toebrengen.

Conclusie
Milieu-economen zien zich in dejaren negentig voorde
uitdaging gesteld om voor de derde wereld een concrete
inhoud te geven aan het begrip duurzame ontwikkeling. Dit
is een uitdaging van levensbelang. Duurzame ontwikkeling
houdt in wezen in dat de economische vooruitzichten in de
toekomst op peil moeten blijven of zelfs beter moeten
worden. De economische vooruitzichten van veel ontwikkelingslanden zijn nog steeds afhankelijk van de vraag of
zij erin slagen hun natuurlijke rijkdommen duurzaam te
beheren. Maar die rijkdommen worden in zo’n tempo vernield en aangetast dat de inspanning van veel ontwikkelingslanden erdoor dreigt te worden ondermijnd.
Wij hebben betoogd dat het een goede eerste stap in de
richting van een meer duurzame ontplooiing van ontwikkelingseconomiee n zou zijn, hun boekhoud-, prijsbepalings- en
waarderingsstelsels te herzien. Die stelsels zouden zoveel
mogelijk recht moeten doen aan de volledige waarde van het
gebruik van de natuurlijke rijkdommen en de werkelijke
kosten van milieu-aantasting. Op drie gebieden zou onmiddellijk vooruitgang kunnen worden geboekt, namelijk de
ontwikkeling van een stelsel van milieurekeningen voor het
meten van ‘haalbaarinkomen’; herziening van het prijsstelsel
om de kosten van milieu-effecten door te berekenen en van
beleidsmaatregelen die de vertekening in de hand werken;
en ten slotte, het betrekken van de economische waarde van
milieu-aantasting bij de beoordeling van projecten.

Edward B. Barbier
Joanne C. Burgess

8. H. Binswanger, Fiscal and legal incentives with environmental
effects on the Brazilian Amazon, Wereldbank, Washington D.C.,
1987; J.O. Browder, Subsidies, deforestation and the forest sector
in the Brazilian Amazon, World Resources Institute, Washington
DC, 1988; D.J. Mahar, Government policies and deforestation in
Brazil’s Amazon region, Wereldbank, Washington D.C., 1989.

897

Auteurs