Ga direct naar de content

Kiezen voor kennis

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 10 1993

met als centrale vraag hoe een structuurbeleid te realiseren.
Industrieel structuurbeleid

Kiezen voor kermis
In plaats van kapitaalintensieve ondernemingen te ondersteunen, zou
bet industriebeleid betergericht kunnen warden op maatregelen die
bet investeren in en de overdracht van kennis bevorderen.

Industriepolitiek
Industriepolitiek staat (weer) in het
centrum van de belangstelling. Een
belangstelling die mede en vooral is
gewekt door de opgetreden problemen rond de zogenaamde kroonjuwelen van Nederland. Geconstateerd
kan worden dat discussies over industriepolitiek sterk de neiging hebben
om zich toe te spitsen op het einde
van het beslissingstraject en wel op
de vraag wat de beste specifieke industriepolitieke instrumenten zijn.
Aan de orde zijn dan instrumenten
zoals clusterstimulering, industriefonds, bevorderen van belangstelling
voor technische opleidingen enz.
Hoe relevant deze specifieke instrumenten ook mogen zijn, een industriepolitiek moet worden gevoerd
vanuit een expliciet, realistisch, consistent en strategisch concept. Een
concept waarop specifieke maatregelen worden geent. Ontbreekt een
dergelijk concept, dan bestaat industriebeleid uit niet meer dan een wisselend geheel van ad hoc-acties die
sterk onderhevig zijn aan de invloed
van pressiegroepen en/of toevallige
gebeurtenissen.
Een strategisch concept van industriepolitiek zal op zijn minst de volgende elementen dienen te omvatten:
• de beleidsvrijheden voor Nederland ter zake van een te voeren industriepolitiek, gegeven met name
de aan de EG overgedragen bevoegdheden;
• de ruimte die de Nederlandse samenleving bereid is om beschikbaar te stellen voor toekomstbepalende investeringen in fysiek en
menselijk kapitaal;
• de industriele structuur die wordt
gewenst;
• de specifieke instrumenten die
passen in het streven naar de gewenste industriele structuur.

Het ontwikkelen van een strategische
en samenhangende industriepolitiek
kan geen prerogatief van de overheid
zijn. De genoemde elementen zijn alleen van waarde als zij worden gedragen door de overheid, de sociale
partners, onderzoek- en onderwijsinstituten en andere betrokkenen. Deze
samenwerking kan alleen standhouden als zij wordt ingevuld op basis
van gelijkwaardigheid en als alle betrokken partijen toegevoegde waarde
ervaren.
Het eerste element van het strategische concept betreft de industriepolitieke beleidsruimte. Deze wordt
sterk beperkt door de aan de EG overgedragen bevoegdheden, met name
ten aanzien van concrete beleidsmaatregelen, ook wel specifiek beleid
genoemd. Verwachtingen ten aanzien
van een Nederlands industriebeleid
moeten aan deze realiteit worden
gespiegeld.
Element twee betreft de investeringsruimte. In Nederland bedragen
de uitgaven van overheid en ondernemingen voor materiele en immateriele investeringen 31% van het nationaal inkomen. Dit is 10-25% hoger
dan in belangrijke Europese landen
en de VS, maar 25-30% lager dan in
de meest ontwikkelde landen van het
Verre Oosten. Dit laatste kan de Nederlandse concurrentiepositie ernstig
bedreigen. De voor Nederland toereikende investeringsruimte verdient
dus kritische beschouwing. De resultaten van deze beschouwing dienen
te worden ingebouwd in de Nederlandse overlegeconomie op een wijze
die zeker stelt dat problemen rond de
verdeling tussen collectieve en private consumptie niet ten koste kunnen
gaan van de toekomstbepalende investeringen.
Het derde element betreft het industrieel structuurbeleid. Hier dient iets
uitgebreider bij te worden stilstaan,

Pogingen en ideeen om in Nederland
te komen tot het noodzakelijke structuurbeleid zijn ruim voorhanden.
Desondanks is een bruikbare structuurvisie en een daarop gebouwd
expliciet beleid niet geboren. Dit gebrek aan succes is zeer waarschijnlijk
te wijten aan het gemeenschappelijke
kenmerk van al deze ideeen: het kiezen tussen concrete sectoren of activiteiten, ofwel ‘picking the winner”.
Een dergelijke keuze is echter niet
wenselijk omdat dan het grote risico
ontstaat dat economische beslissingen worden verdrongen door politieke beslissingen. Deze keuze is ook
niet mogelijk omdat het noodzakelijke kennen en kunnen bij de overheid
ontbreekt en omdat de nationale beleidsvrijheden te beperkt zijn om dit
soort discriminerende keuzen te kunnen maken.
Kiezen voor kennisintensiteit
Het industriele structuurbeleid kan
echter ook worden gebouwd op een
keuze tussen activiteitenkenmerken
in plaats van op een keuze tussen
concrete activiteiten. Gegeven het
belang van menselijk kapitaal, ligt het
voor de hand om het activiteitenkenmerk kennis te benutten om een structuurbeleid gestalte te geven. Dit betekent een verandering ten opzichte
van de huidige situatie waar het beleid van de overheid sterk gericht is
op een impliciete stimulering van kapitaalintensiteit.
Uitgaande van een goed gedefinieerde wenselijke industriele structuur,
is een aantal instrumenten denkbaar
die breed kunnen worden gedragen
omdat zij alle betrokkenen een toegevoegde waarde opleveren. Enkele
uitdagende suggesties mogen dit
illustreren.

Mogelijke instrumenten
Subsidiering menselijk kapitaal
Een belangrijk instrument binnen het
huidige overheidsbeleid gericht op
stimulering van kapitaalintensiteit, is
het toestaan van fiscale afschrijvingen
op het geinvesteerde fysieke kapitaal.
De hierdoor gemiste vennootschapsen inkomstenbelasting kan worden
gezien als een subsidie op het gebruik van dit kapitaal.

Ter bepaling van de afschrijvingen
wordt het ge’investeerde kapitaal
rechtstreeks gewaardeerd. Deze waardering had, hypothetisch, ook tot
stand kunnen komen door de

schappen en dergelijke. Hoe effectiever namelijk deze hulp, hoe lager de
te betalen afkoopsommen voor opge-

schaligheid, worden binnen een dergelijke samenwerking oplosbaar.

bouwde studieschulden.

Detachering experts bij het mkb

betaalde beloningen op eigen en

vreemd vermogen, gei’nvesteerd in

Bundeling van onderzoek
Een tweede suggestie betreft het

fysiek kapitaal, tegen een bepaalde

structureren van kennisoverdracht

rentevoet te disconteren. Dat deze beloningen een zelfstandige van de brutowinst aftrekbare kostenpost zijn, is
niet relevant.
Deze methodiek kan in principe op

van onderzoeksinstellingen naar het
bedrijfsleven. Onderzoek vindt in
Nederland voor een zeer groot deel

gelijke wijze worden toegepast bin-

nen een beleid dat is gericht op stimulering van kennisintensiteit. De betaalde lonen boven het minimumniveau
zijn, zoals uit veel studies blijkt, de beloning voor het in gebruik zijnde
menselijk kapitaal. Door deze beloningen tegen een bepaalde rentevoet
te disconteren, kan het totale in gebruik zijnde menselijk kapitaal worden berekend. Op dit kapitaal kunnen vervolgens fiscale afschrijvingen
worden toegestaan. Ook hier is niet
relevant dat deze beloningen een zelfstandige, van de brutowinst aftrekba-

re, kostenpost zijn.

Stimuleren technisch ondenvijs
Meer specifiek zou technisch onderwijs aantrekkelijk kunnen worden
gemaakt via andere dan de huidige
studiebeursfaciliteiten. Stel een onderwijsjaar kost/ 20.000 per student.

Gegeven de positieve externe effecten verstrekt de overheid een subsi-

die van/ 10.000 per jaar. De overige
/ 10.000 per jaar zouden door de stu-

derende moeten worden geleend op
commerciele voorwaarden. Het te
lenen bedrag is te beschouwen als
financiering van de investering in
eigen menselijk kapitaal.

plaats binnen universiteiten en technologische instituten van de overheid. Slechts een beperkt deel vindt

plaats binnen de laboratoria van veelal grotere ondernemingen. Al vaak is
vastgesteld dat de samenwerking tussen de diverse onderzoeksinstellingen niet optimaal is en de kennisoverdracht naar het bedrijfsleven
slecht gestructureerd. Bij het bedrijfsleven leidt dit tot eigen onderzoek op
te kleine en dus te dure schaal.
Dit waarde-oordeel wordt gesteund
door het in de recente CPB-studie
Technologie en economic verzamelde
cijfermateriaal waaruit blijkt dat een
Nederlandse o&o-werknemer bij universiteiten en overheidsinstellingen
ongeveer evenveel kost als een collega in de concurrerende landen. De
investeringen in apparatuur per
werknemer liggen in Nederland
echter veel lager dan in andere landen, wellicht door een versnippering
van onderzoeksinspanningen en een
gebrekkige samenwerking. In het
bedrijfsleven liggen de kosten per
o&o-werknemer veel hoger dan in
andere landen. Een belangrijke factor
is hier de relatief hoge investeringen
in apparatuur per werknemer. Dit
zou samen kunnen hangen met een
gebrekkige kennisoverdracht en een
te kleinschalig eigen onderzoek.

In samenspraak tussen overheid en

bedrijfsleven zou periodiek bepaald
kunnen worden welke onderwijsinrichtingen dienen te worden gestimuleerd, bij voorbeeld bepaalde soorten
technisch onderwijs. Indien een afgestudeerde van een dergelijke studierichting vervolgens in dienst treedt bij

een onderneming of instelling, dient
de opgebouwde studieschuld door
de werkgever afgekocht te worden
voor een tevoren bepaald percentage, oplopend tot 100. Dit systeem
biedt niet alleen een sturingsmogelijkheid naar onderwijssoort, het geeft

het midden- en kleinbedrijf. Bij overheidsinstituten in Nederland zijn naar
schatting 5.000 personen werkzaam
in produkt- en procesontwikkeling.
De toegankelijkheid van dit grote reservoir voor met name het middenen kleinbedrijf is gebrekkig ondanks
‘vertaalinstellingen’ als wetenschapswinkels en innovatiecentra. Deze geringe toegankelijkheid is slechts voor

een beperkt deel toe te schrijven aan
de opstelling van de instituten en
voor een zeer groot deel aan het midden- en kleinbedrijf, dat veelal niet in
staat is de ontwikkelingsproblemen
waarvoor een oplossing wordt gezocht op een wijze te verwoorden die

communicatie met de instituten
vruchtbaar maakt.

Een mogelijke oplossing zou kunnen worden gevonden in het tijdelijk

detacheren van een deel van de instituutswerknemers bij het midden- en

kleinbedrijf. Gedacht zou kunnen
worden aan het jaarlijks detacheren
van 10% van de bij de instituten werkzame personen voor een periode van
twee jaar. Dit betekent dat 20% van
deze personen buiten hun instituut
werkzaam zijn als ontvanger en vertaler van kennis en kunde. De betaling
door de onderneming(en) voor de

detachering kan (deels) door de overheid worden gefinancierd. Een dergelijk systeem van kennisoverdracht
maakt de kennis van de instituten toe-

gankelijker voor vooral de kleinere
onderneming en bevordert tevens het

zicht op het bedrijfsleven binnen
deze instituten.

Een mogelijke oplossing ligt in het
bundelen van overheids- en ondernemingsonderzoek in een zeer beperkt
aantal onafhankelijke instituten. Het
fundamentele onderzoek van deze instituten zou dienen te worden betaald
door de overheid. Het toegepaste onderzoek (het grootste deel) zou kun-

nen worden betaald door afnemers
van kermis, waarbij de overheid per
onderzoeksprogramma tweederde
van de kosten vergoedt. De programmasponsors uit het bedrijfsleven zijn

potentiele werkgevers ook financiele

in deze constructie nauw betrokken
bij het opzetten en uitvderen van het

prikkels om studenten actief in hun
studie te helpen via mentorschappen,
afstudeeropdrachten, gastdocent-

programma. De kennisoverdracht is
daarmee gestructureerd. Problemen
als versnippering, doublures en klein-

ESB 9-6-1993

Een laatste suggestie betreft het plaatsen van goed geschoolde mensen bij

Relatie met de regio
Dit overzicht van ideeen en suggesties kan worden afgesloten met een
poging om een relatie te leggen met
mogelijke acties vanuit de regio.

Industriepolitieke concepten worden niet op regionaal, maar op zijn

minst op nationaal niveau tot stand
gebracht. Vanuit de regio kan echter

wel worden deelgenomen aan het
ontwikkelen van dergelijke concepten. Het hier geschetste industrieel

structuurbeleid en de daarbij horende
vervanging van fiscale afschrijvingen
op fysiek kapitaal door afschrijvingen
op menselijk kapitaal, zou bij

voorbeeld zeer ten goede komen aan
het concurrerend vemogen van een
menselijk-kapitaalintensieve regio als
Zuidoost-Brabant. Om een dergelijk

concept op nationaal niveau bespreekbaar te maken, zou deze regio
alvast een voortrekkersrol kunnen
vervullen ten aanzien van het afkopen van studieschulden en ten aanzien van bundeling van overheidsen ondernemingsonderzoek. Ook is
het denkbaar om, vooruitlopend op
nationale regelingen, regionale finan-

cieringsmiddelen in te zetten ter bevordering van detachering van insti-

tuutmedewerkers bij middelgrote en
kleine ondernemingen.
Van belang is dat hoewel een industriepolitiek concept niet op regionaal
niveau tot stand komt, concrete industriepolitieke instrumenten wel op regionaal niveau kunnen worden gei’ni-

tieerd of uitgetest.
P.M.P.J. Merkelbach
De auteur is werkzaam bij Philips en bijzonder hoogleraar ‘Institutionele omgeving van de onderneming’ aan de Erasmus
Universiteit Rotterdam. Dit artikel is gebaseerd op de lezing “Industrie en de regio”
op 10 maart 1993 voor de Eindhovense Fabrikanten Vereniging.

Auteur