Ga direct naar de content

Kennisindicatoren verankerd in de nationale rekeningen

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: april 30 2004

Kennisindicatoren verankerd in de nationale rekeningen
Aute ur(s ):
Rooijen-Horsten, M. van (auteur)
Haan, M. de (auteur)
De auteurs zijn werkzaam b ij de divisie Macro-Economische Statistieken en Publicaties van het Centraal Bureau voor de Statistiek. mhrn@cb s.nl
Ve rs che ne n in:
ESB, 89e jaargang, nr. 4432, pagina 204, 30 april 2004 (datum)
Rubrie k :
Statistiek
Tre fw oord(e n):

Het monitoren van kennis in de Europese economieën gebeurt momenteel aan de hand van losse, niet op elkaar afgestemde,
indicatoren. Door deze indicatoren te baseren op het stelsel van nationale rekeningen kunnen investeringen in de
kennisinfrastructuur beter in kaart worden gebracht.
Het belang van kennis in de economie wordt alom erkend. De regeringsleiders van de eu-lidstaten hebben ruim drie jaar geleden in
Lissabon een gezamenlijke strategie geformuleerd om de Europese Unie binnen een tijdsbestek van tien jaar om te vormen tot de meest
competitieve en dynamische kennisgeoriënteerde economie ter wereld. Het stimuleren van kennis, innovatie en ondernemerschap is
aangemerkt als een van de agendapunten met de hoogste prioriteit.
Om de vooruitgang richting de gestelde doelen te meten, wordt jaarlijks een set indicatoren gepubliceerd in een zogenaamd
syntheserapport: de Structurele Indicatoren. Momenteel is dit een lijst van ‘losse’ indicatoren per terrein1. Door afwijkende definities en
overlap zijn deze indicatoren onderling niet altijd vergelijkbaar en blijven tevens hun relaties met andere macro-economische grootheden
onzichtbaar. In het kader van de Lissabon-strategie zijn naast doelen met betrekking tot kennis ook doelen met betrekking tot
economische groei en werkgelegenheid gesteld. Om vast te kunnen stellen wat de bijdrage is van investeringen in kennis aan
bijvoorbeeld economische groei, werkgelegenheid en arbeidsproductiviteit, is het aanbevelenswaardig om kennisindicatoren te
verankeren in het stelsel van nationale rekeningen. Recentelijk heeft het cbs een nationale-rekeningenmodule ontwikkeld met als doel de
uitgaven aan Nederlandse kennisinfrastructuur beter zichtbaar te maken
Een consistent rekeningenstelsel: de nationale rekeningen
Het opnemen van kennisindicatoren in de nationale rekeningen heeft bepaalde voordelen, zoals de harmonisatie van definities en de
eliminatie van overlap (dubbeltellingen). Naast verbeteringen in de betrouwbaarheid en de stabiliteit van de gegevens, heeft dit ook tot
gevolg dat relaties tussen indicatoren beter kunnen worden weergegeven en geanalyseerd.
Het opnemen van kennisindicatoren in het stelsel van nationale rekeningen gaat niet zonder slag of stoot. De benodigde conceptuele
aanpassingen of afwijkende classificaties kunnen niet zomaar los van andere landen worden doorgevoerd. Via zogenaamde
satellietrekeningen kan worden vooruitgelopen op mogelijke toekomstige herzieningen van het systeem. Satellietrekeningen bieden
gebruikers van nationale rekeningencijfers de mogelijkheid om specifieke facetten van de economie beter zichtbaar te maken zonder de
noodzaak het gehele systeem te herzien2.
Kennismodule
De recentelijk op het cbs ontwikkelde kennismodule steunt op drie pijlers: onderzoek en ontwikkeling (o&o), menselijk kapitaal (kennis
die ligt besloten in de productiefactor arbeid en de rol van onderwijs hierbij) en informatie- en communicatietechnologie (ict). Met
betrekking tot alledrie deze onderwerpen beoogt de kennismodule een verbeterd en meer gedetailleerd beeld te geven dan de huidige
nationale rekeningen, zonder daarbij de aansluiting op de nationale rekeningen en zijn grootheden (bijvoorbeeld het bbp) te verliezen.
Bij het opstellen van de nationale rekeningen volgen nagenoeg alle landen de regels en definities van het System of National Accounts
(sna) uit 1993. Voorzover nu bekend zal dit systeem in 2008 worden herzien. Het is te verwachten dat deze herziening een wijziging in de
registratie van o&o tot gevolg zal hebben. De uitgaven aan o&o zullen dan waarschijnlijk niet langer als lopende productiekosten, maar
als investeringen worden geregistreerd. Hiermee wordt het toenemende economische belang onderkend van immateriële activa,
waaronder kenniskapitaal. Hierop vooruitlopend worden in de kennismodule alle o&o-uitgaven als investeringen geregistreerd. Dit heeft
als voordeel dat o&o-uitgaven als onderdeel van de totale investeringen in een land kunnen worden weergegeven en dat ze ook als
aandeel in het bbp zichtbaar kunnen worden gemaakt3. Een correcte weergave van dit aandeel vereist dat de totale investeringen in
Nederland, evenals het bbp, met de uitgaven van bedrijven aan o&o worden verhoogd omdat deze niet zijn inbegrepen in de totale
investeringen en in het bbp zoals deze in de huidige nationale rekeningen worden gepubliceerd4.
Onderwijs

Ook onderwijs leidt via het verhogen van het kennisniveau van de beroepsbevolking overduidelijk tot opbouw van kenniskapitaal. Het is
echter niet eenvoudig om menselijk kapitaal in de nationale rekeningen als zodanig te registreren5. Menselijk kapitaal is niet vrij
uitruilbaar, los van personen, en er zijn naast onderwijs verschillende niet-produceerbare zaken die het niveau van het menselijk kapitaal
mede bepalen zoals aanleg en talent. Een volgende complicatie is dat het genieten van onderwijs als een productieve activiteit zal moeten
worden aangemerkt. Immers, via het volgen van onderwijs wordt menselijk kapitaal geformeerd. Productie wordt hierdoor een nauwelijks
meetbaar begrip. Naast problemen met het bepalen van de waarde van onbetaalde activiteiten zoals het volgen van onderwijs verandert
ook de inhoud van allerlei grootheden zoals werkgelegenheid (ook alle studenten zijn dan werkzaam) en het bbp (dat stijgt).
Kortom, het registreren van onderwijsuitgaven als investeringen zou het systeem van nationale rekeningen radicaal veranderen. Hiervan
zal worden afgezien in de aankomende herziening van het systeem. De inzet van menselijk kapitaal wordt via de registratie van lonen en
arbeidsvolumina op dit moment eenduidig beschreven in de nationale rekeningen. Hierbij kunnen lonen en gewerkte uren worden
opgesplitst naar kennisintensiteit of beroepsgroepen. Met andere woorden, het kapitaliseren van onderwijsuitgaven is geen absolute
voorwaarde voor het beschrijven van de kapitaaldiensten die menselijk kapitaal levert. Bovendien worden onderwijsuitgaven in de
huidige nationale rekeningen voor een heel groot deel als consumptie geregistreerd waardoor ook deze uitgaven als aandeel in het bbp
zichtbaar worden gemaakt in de kennismodule6.
Ook ict wordt gezien als een belangrijke pijler van de kenniseconomie. Het is in grote lijnen mogelijk om uitgaven aan ict af te bakenen op
basis van de internationaal gestandaardiseerde goederen en diensten nomenclatuur (cbs, 2003). Echter, een internationaal aanvaarde
definitie van ict-activa ontbreekt momenteel. De kennismodule geeft een eerste aanzet tot het afbakenen van ict-investeringen in
Nederland.
Geïntegreerde indicatoren: resultaten
Kennisuitgaven zijn in tabel 1 gedefinieerd als investeringen in immateriële activa en ict en als consumptieve uitgaven aan onderwijs.
Deze kenniscomponenten zijn in de kennismodule verbeterd en in meer detail opgenomen dan in de huidige nationale rekeningen,
hetgeen er toe leidt dat het aandeel van deze kenniscomponenten in het bbp zichtbaar kan worden gemaakt. Bijvoorbeeld, ict is in recente
jaren een belangrijke bron van economische groei geweest en dit wordt met behulp van de kennismodule direct meetbaar. De
belangrijkste in geld gemeten indicatoren op het terrein ‘innovatie en onderzoek’, zoals dat is geformuleerd in het kader van de Lissabonstrategie, kunnen met behulp van de kennismodule worden gereproduceerd. De indicatoren die zijn vastgesteld met behulp van de
kennismodule zijn gebaseerd op één consistent rekeningenstelsel. De voordelen hiervan zijn dat de indicatoren onderling consistent zijn
gedefinieerd en dat overlap is voorkomen. Op deze wijze kan hun belang voor de economie zichtbaar worden gemaakt. Ter illustratie
wordt een deel van de resultaten uit de kennismodule hieronder gepresenteerd.

Tabel 1 Kennisgerelateerde investeringen en consumptie, in procenten van het bbp a
1995
bruto investeringen totaal c
ict totaal
computers
software
telecommunicatie infrastructuur
o&o
totaal bedrijven
overheidd
overige immateriële activa
overige activa
onderwijs totaal (consumptie)
gesubsidieerd onderwijs
primair/secundair
hbo/universitair
overig onderwijs
totale kennisgerelateerde uitgaven e

1996

1997

1998

22,1
22,9
23,4
23,4
2,2
2,5
2,9
3,4
4,0
0,9
1,0
1,0
1,0
1,1
0,9
1,0
1,3
1,7
1,9
0,4
0,4
0,5
0,6
1,0
2,0
2,0
1,9
1,9
2,0
1,1
1,1
1,1
1,1
1,2
0,9
0,9
0,8
0,8
0,8
0,1
0,2
0,2
0,2
17,8
18,3
18,3
18,0
4,3
4,2
4,1
4,1
4,2
4,2
4,0
3,9
3,9
4,0
3,2
3,1
3,1
3,1
3,1
0,9
0,9
0,9
0,9
0,9
0,2
0,2
0,2
0,2
0,2
8,7
8,8
9,2
9,5
10,2

1999

2000b

2001b

24,5
4,0
1,0
1,9
1,0
1,9
1,1
0,7
0,1
18,4
4,1
3,9
3,0
0,9
0,2
10,1

24,1
4,0
0,9
2,0
1,1
1,9
1,1
0,7
0,1
18,1
4,2
4,0
3,1
0,9
0,2
10,1

23,6

0,1
17,7

a Bbp nationale keringen (marktprijzen) verhoogd door revisie software cijfers en bijtelling (gereviseerd).
b Voorlopige cijfers.
c Bruto investeringen nationale rekeningen verhoogd door revisie software cijfers en bijtelling
(gereviseerd).
d Alle bedrijfseenheden behorend tot de sector overheid.
e Inclusief bruto investeringen in ict, o&o en overige immateriële activa en finale consumptie van onderwijs.

Zoals gezegd zijn de resultaten in tabel 1 gebaseerd op sna-definities, die soms enigszins zijn aangepast. De gepresenteerde indicatoren
maken daadwerkelijk onderdeel uit van het bbp, waardoor het bbp niet uitsluitend als schaalfactor (dat wil zeggen als noemer van een
arbitraire quotiënt) dient, zoals bij de indicatoren gepresenteerd in het syntheserapport van de eu het geval is. Hierdoor worden de
verschillende indicatoren (ict, o&o enzovoorts) onderling direct vergelijkbaar en kan bijvoorbeeld worden nagegaan in welke mate de
totale investeringen in Nederland aan het verschuiven zijn richting meer aan kennis gerelateerde investeringen. Uit tabel 1 blijkt dat de
totale, in de module onderscheiden kennisuitgaven, tussen 1995 en 2001 zijn gestegen van 8,7 procent naar 10,1 procent van het bbp.
Deze stijging van het aandeel van de kennisgerelateerde uitgaven in het bbp staat tegenover een daling van de overige (nietkennisgerelateerde) activa als percentage van het bbp in dezelfde periode. Het is echter direct duidelijk dat de ict-investeringen
verantwoordelijk zijn voor de stijging van het aandeel van kennisgerelateerde uitgaven in het bbp. De aandelen van o&o-investeringen
en onderwijsconsumptie in het bbp zijn stabiel of zelfs dalend tussen 1995 en 2001. Ook is duidelijk dat de groei van ict investeringen, en
daarmee die van de totale kennisgerelateerde uitgaven, als aandeel in het bbp aan het stabiliseren is sinds 1999. Kortom, kijkend naar de
kapitaalopbouw van Nederland in recente jaren lijkt er, behoudens ict, geen verschuiving plaats te vinden richting kenniskapitaal.

Vergelijking losse versus geïntegreerde indicatoren
In tabel 2 worden een aantal van de in de inleiding genoemde Structurele Indicatoren zoals ze in het syntheserapport verschijnen,
vergeleken met indicatoren gebaseerd op de kennismodule voor het jaar 2000. De indicatoren die gebaseerd zijn op de kennismodule zijn
structureel lager dan de indicatoren zoals ze momenteel voor de Europese Raad worden geproduceerd. Een deel van de verklaring
hiervoor ligt in de aanwezigheid van dubbeltellingen: de Structurele Indicatoren betreffende ict, o&o en onderwijs meten deels hetzelfde.
Zo zijn bijvoorbeeld ook de o&o-uitgaven die gedaan zijn binnen het onderwijs inbegrepen in de Structurele Indicator voor onderwijs
(totale overheidsuitgaven aan onderwijs), terwijl dit in de kennismodule niet het geval is. In de Structurele Indicator voor o&o (totale
uitgaven voor o&o met eigen personeel) zijn ook o&o-uitgaven met betrekking tot ict inbegrepen. In de kennismodule is de overlap met
ict geëlimineerd en zijn, zoals door de internationale richtlijnen wordt voorgeschreven, de aan o&o gerelateerde uitgaven aan de
ontwikkeling van software in de waarde van software inbegrepen.

Tabel 2. Kennisindicatoren: kennismodule versus structurele indicatoren, Nederland, 2000, in procenten van het bbp
kennismodulea
onderwijs
o&o
ict: informatietechnologie
ict: telecommunicatie

structurele indicatorenb

4,13
1,88
2,97
1,03

4,87
1,90
4,20
3,40

a Cijfers uit tabel 1.
b Cijfers afkomstig van Eurostat: http://europa.eu.int/comm/
eurostat/structuralindicators.

De belangrijkste verklaring voor het feit dat de Structurele Indicatoren met betrekking tot ict veel hoger liggen dan die in de
kennismodule is dat naast uitgaven aan computerhardware en software ook allerlei intermediaire en consumptieve uitgaven zijn
meegeteld welke in de nationale rekeningen niet als investeringen worden geregistreerd. Dit investeringsbegrip is van belang.
Investeringen bepalen tenslotte de infrastructuur van de economie. Om iets te kunnen zeggen over verschuivingen richting een
kennisinfrastructuur is het nuttig om ict-investeringen los van intermediaire of consumptieve uitgaven aan ict te beschouwen. Daarnaast
leidt een ict-indicator die gebaseerd is op de sommatie van intermediaire uitgaven en investeringen onherroepelijk tot dubbeltellingen.
Conclusie
De in geld gemeten Structurele Indicatoren op het terrein van innovatie en onderzoek zijn momenteel niet gebaseerd op een onderliggend
(consistent) rekeningenstelsel. Niet alleen zijn zij hierdoor niet goed onderling vergelijkbaar; ze vertonen ook overlap waardoor zij
gezamenlijk een troebel beeld schetsen (overschatting) van de investeringen in de kennisinfrastructuur. Het alternatief dat in dit artikel
wordt aangedragen stelt voor om deze indicatoren zoveel mogelijk in te bedden in het systeem van nationale rekeningen. Verschillen in
definities en eventuele overlap zijn daarbij geëlimineerd. Hierdoor worden relaties tussen indicatoren onderling, maar ook hun relaties met
andere macro-economische grootheden, zichtbaar. Voorts is deze samenhang een belangrijke voorwaarde voor het consistent meten van
de invloed van kennis op bijvoorbeeld de arbeidsproductiviteit.
De bijdrage van rekeningenstelsels aan het structureren van structurele indicatoren is in verschillende fora aan de orde gesteld7. Helaas
wordt de toegevoegde waarde van geïntegreerde indicatoren nog niet altijd doorzien. Dit pleit er voor om bij de ontwikkeling van
beleidsindicatoren in de toekomst meer gebruik te maken van de bij statistische bureaus aanwezige expertise. Dit zou bijvoorbeeld
kunnen plaatsvinden in de tussentijdse evaluatie van de Lissabon-strategie, die gepland is voor volgend jaar. Daarin zal ook aandacht
uitgaan naar de opzet van de structurele indicatoren. n
Myriam van Rooijen-Horsten en Mark de Haan
Dit artikel is gebaseerd op: M. de Haan en M. van Rooijen-Horsten (2004) Indicatoren ontleend aan de kennismodule bij de nationale
rekeningen.
In: Kennis en Economie 2003. CBS, Voorburg/Heerlen.
Literatuur
Commission of the European Communities, International Monetary Fund, Organisation for Economic Cooperation and Development,
United Nations and World Bank (1993) System of National Accounts 1993. United Nations, New York.
Bos, F. (1996) Human Capital and Economic Growth; a National Accounting Approach. Paper presented at the 24th General
Conference of the International Society of Research in Income and Wealth, Lillehammer, 18-24 August.
CBS (2003) De Digitale Economie 2003 (bijlage 2, blz. 158). CBS, Voorburg/Heerlen.
Haan, M. de, W.P. Leunis en M. Verbruggen (2002) European Structural Indicators, a Way Forward. BPA-nummer: 1143-02-MOO,
CBS, Voorburg/Heerlen.

Haan, M. de en M. van Rooijen-Horsten (2003) The Translation of R&D Statistics from Frascati to National Accounts Guidelines in
the Netherlands. BPA-nummer 0561-03-MOO, CBS, Voorburg/Heerlen.

1 Zie voor meer informatie over de Structurele Indicatoren http://europa.eu.int/comm/eurostat/structuralindicators
2 De termen satellietrekeningen en (nationale rekeningen-)module zijn onderling uitwisselbaar.
3 Intermediair verbruik is geen onderdeel van het bbp. Investeringen en consumptie zijn wél onderdeel van het bbp, benaderd vanuit de
finale bestedingen.
4 De overheidsconsumptie van o&o is reeds inbegrepen in het huidige bbp.
5 Zie voor een voorbeeld Bos (1996).
6 Een deel van de uitgaven aan particulier onderwijs bestaat uit intermediair verbruik en een deel uit consumptieve bestedingen door
huishoudens en de overheid. Uitgaven aan gesubsidieerd onderwijs worden volledig als consumptieve bestedingen geregistreerd.
7 Zie bijvoorbeeld De Haan et al. (2002).

Copyright © 2004 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteur