Ga direct naar de content

Internationale kredietverlening aan de Comecon

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 10 1980

Geld- en kapitaalmarkt

Internationale kredietverlening
aan de Comecon
DRS. J.A. SCHOLTEN*

De kredietverlening van het Westen
aan de Comecon 1) heeft sinds het begin
van de jaren zeventig een snelle vlucht
genomen. De bruto schuld van de Comecon liep op van $ 8,4 mrd. in 1971tot $24
mrd. in 1974, en $75 mrd. in 1979.
kredietwaardigheid van de Comecon
werd door Westerse bankiers meestal
hoog aangeslagen. Niet alleen de stipte
betalingsgewoonten van het Oostblok,
maar ook de gedachte dat centraal geleide economieën in een handomdraai een
bezuinigingsbeleid aan de bevolking
kunnen opleggen, droegen bij tot deze
mening. De aanhangers van de z.g. ,,paraplutheorie” zetten zelfs iedere gedachte
aan kredietrisico over boord. Volgens de
paraplutheorie zal de Sovjetunie, waarvan de kredietwaardigheid dank zij grote
grondstoffenreserves haast boven iedere
twijfel verheven zou zijn, de kleinere
Oostbloklanden bij financiële problemen
te hulp schieten, teneinde de kredietwaardigheid van het Oostblok als geheel
overeind te houden. De problemen in
Polen hebben opnieuw de aandacht gevestigd op de schuld van de Comeconlanden, reden om hun schuldposities eens
nader te bekijken.

De schulden
Met uitzondering van Hongarije en
Polen is de Comecon weinig scheutig met
het verstrekken van gegevens over de
buitenlandse schuld. Zelfs over Roemenië, dat als enige Comeconland lid is van
het IMF, zijn schuldgegevens moeilijk
verkrijgbaar. Nu Roemenië sinds juni
1980 in de maandelijkse International

Financial Statistics van het IMF is opgenomen, valt van dit land misschien ook
enige verbetering in de economische r a p
portage te verwachten.
Voor schattingen over de omvang van
de buitenlandse schuld is men aangewezen op de berekeningen van de Economic
Commission for Europe van de Verenigde Naties en van diverse Westerse instellingen, waarvan het Wiener Institut fur
internationale Wirtschaftsvergleiche het
bekendst is. De meest recente schatting is
afkomstig van de Amerikaanse CIA, dat
zich ook heeft gewaagd aan een schatting
van debt service ratio’s (zie tabel). Onder
de netto schuld (kolom I) wordt verstaan
de bruto schuld onder aftrek van de
deposito’s van de betrokken landen bij
Westerse banken en onder debt service
ratio (kolom 2) de rente- en aflossingsverplichtingen als percentage van de
export naar niet-communistische landen. Om een idee te krijgen van de
relatieve omvang van de schuld is in
kolom 3 de verhouding weergegeven tussen schuld en goederenexport naar de
OECD.
De debt service ratio’s, zoals de CIA
die heeft berekend lijken voor Polen wat
aan de hoge kant en voor Bulgarije te
laag. Zelf geeft Polen voor 1979 een debt
service ratio op van 54%, maar voor 1980
schatten de Polen het al op 80%. Over de
schulden van de kleinere Oostbloklan-

* De

auteur is medewerker van het Ecnomisch Bureau van de Amro bank. Dit artikel
is geschreven a titre personnel.
I) Onder Comecon wordt hier verstaan: Sovjetunie, Polen, DDR, Tsjechoslowakije,Hongarije, Roemenië en Bulgarije.

Tabel.
(1)
Netto schuld in
mrd. Ia ult. 1979

‘2)
Debt service ratio
1979 (%)

(3)
Schuldjexport
naar OECD in
1979

(4)

Export naar nietcommun. landen in
1978. mrd. $ a )

Bulgarije

DDR
Hongarije
Polen
Roemenie
Tsjechoslowakije
Sovjetunie
Comecon-banken
Totaal

64.7

a ) Monrhli. Bullerrn
den aan de Sovjetunie zijn slechts sporadisch gegevens te vinden. Bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van
een Comeconland spelen de schulden in
roebels nauwelijks een rol.
De schuld van de Comecon hangt
nauw samen met de ontwikkeling van de
handel tussen Oost en West, welke zich
vanaf ongeveer 1970 sterk ten nadele van
de Comecon heeft ontwikkeld. De oorzaken van deze onevenwichtige ontwikkeling zijn aanhoudende ruilvoetverliezen
voor m.n. de kleinere Comeconlanden,
een ontwikkelingsmodel in d e Comecon
dat zwaar leunde o p Westerse leveranties, en een verschillende samenstelling
van de wederzijdse exportpakketten; de
Comecon levert voornamelijk grondstoffen en bulkprodukten, terwijl het Westen
veelal technisch hoogwaardige produkten in de Comecon afzet. De tendens
naar aanhoudend grote tekorten in de
handel met het Westen is momenteel
echter vooral doorbroken door de sterke
prijsstijging van ruwe aardolie, het belangrijkste exportartikel van de Sovjetunie. Het handelsbalanstekort van de
Comecon met de O E C D daalde van
$5,8 mrd. in 1978 tot $2,2 mrd. in 1979.
De nu zeer comfortabele positie van de
Sovjetunie lijkt echter geen blijvende
zaak.
Olie

De Sovjetunie produceerde in 1979

585 mln. ton olie. De binnenlandse olieconsumptie bedroeg 440 mln. ton, de
olie-export naar de overige Oostblokstaten 80mln. ton en de export naar het
Westen 65 mln. ton. Meer dan de helft
van de Russische export naar het Westen
bestond in 1979 uit olie. Ofschoon er
verschillend over de toekomstige groei
van de olieproduktie in de Sovjetunie
wordt gedacht, lijkt de meest aannemelijke veronderstelling dat de olieproduktie
niet veel verder kan worden opgevoerd.
De produktie in de Wolga/Uralvelden is
dalende. De produktie in West-Siberië
zal rond 1981- 1982 haar top bereiken,
en vanaf 1985 dalen. Olieproduktie in
Oost-Siberië en uit off-shorevelden is
niet meer vóór 1990 te verwezenlijken.
Gezien het relatief lage aandeel van
olie in de energiemix en &zien de geringe
direct consumvtieve aanwending van
olie zijn de besiaringsmogelijkhed;en ge-

ESB 3-9-1980

i
ring. De toename van het olieverbruik in
de Sovjetunie bedroeg in d e periode
1975- 1979 gemiddeld 4% per jaar. Als
de toekomstige groei van het olieverbruik op 3% wordt gesteld, zal het verbruik met 13 mln. ton perjaar toenemen.
De olie-export naar het Westen is zonder
toename van de olieproduktie in 5 jaar
verdwenen. Misschien zit er nog enige
rek in de olieproduktie, maar het lijkt vrij
zeker dat de Sovjetunie, gezien de dalende olie-inkomsten in de jaren tachtig
weer terugkeert naar handelsbalanstekorten met het Westen. In dat geval zal
de Sovjetunie, na in 1979 geheel afwezig
te zijn geweest o p de Eurokredietmarkt,
weer nieuwe kredieten opnemen. De
toename van de aardgasexport zal daar
niets aan af kunnen doen omdat de
komende leveranties dienen als betaling
voor geleverde materialen en diensten bij
de aanleg van het binnenlandse aardgasnet.
De kleinere Comeconlanden hebben
een veel nijpender energiesituatie. De
eigen produktie bedraagt 20 mln. ton,
waarvan alleen al ~ o e m e n i ë 14 mnl.
produceert. De huidige olieconsumptie
bedraagt 110 mln. ton per jaar. De netto
olie-import uit harde-valutalanden bedraagt nu nog slechts I0 mln. ton per
jaar. Bij een verwachte groei van de
olieconsumptie met 5% per jaar zal d e
import jaarlijks met 5,s mln. ton toenemen. Betalen de kleinere Comeconlanden voor de Russische olie nog een speciale lage prijs in roebels, de extra olie zal
geheel tegen harde valuta’s en tegen
wereldmarktprijzen moeten worden gekocht. Bij de huidige olieprijzen wordt
in harde valuta de handelsbalans van de
kleinere Oostbloklanden dan jaarlijks
met $1,3 mrd. extra belast. Daarbij komt
dat zonder nieuwe olievondsten de olieproduktie in Roemenië tegen 1990 tot
stilstand komt.
Verdere importbeperking lijkt niet
mogelijk zonder groeidoelstellingen voor
de lange termijn aan te tasten. Westerse
machines en technologie zullen een belangrijke bijdrage moeten leveren aan de
omschakeling van extensieve naar intensieve groei. De economische groei in het
Oostblok vond tot nu toe plaats door
meer inzet van produktiefactoren, het
z.g. extensieve groeimodel. Zo was in de
Sovjetunie gedurende de periode
1950- 1975 45% van de groei te danken

aan een toegenomen voorraad kapitaalgoederen, tegen 25% in de Verenigde
Staten en 18% in West-Europa 2). Stagnatie in de toename van de beroepsbevolking en dure grondstoffen dwingen het
Oostblok tot grotere nadruk o p efficiency. Dit probleem klemt voor de grondstofarme kleine Comeconlanden meer
dan voor de Sovjetunie.
De toenemende en steeds duurdere
energie-import en de import van Westerse kapitaalgoederen zullen de handelsbalans met het Westen negatief houden.
De schuld van Oost-Europa zal in de komende jaren dan ook verder blijven toenemen. Deze tendens zou alleen kunnen
worden gekeerd door een versterkte exportgroei. Hoe moeilijk zo’n exportoffensief kan zijn, bewijzen de zware problemen waar Polen nu voor staat.

Polen
Met behulp van voornamelijk uit het
Westen geïmporteerde machines en technologie wensten de Poolse planners een
snelle industriële expansie te bereiken.
Vanaf 1970 heeft Polen voor ongeveer
$ 6 0 mrd. aan kapitaalgoederen uit het
Westen geïmporteerd. Het beleid was
aanvankelijk bijzonder succesvol. In de
periode 1970-1975 groeide de industriële
produktie met gemiddeld 11% per jaar.
Alleen de groei van de export naar het
Westen bleef echter voortdurend bij de
planning achter.De kapitaalgoederenimport werd gefinancierd via Westerse kredieten. De buitenlandse schuld zou volgens plan later door een versterkte
uitvoer naar het Westen worden afbetaald. De tekorten met het Westen namen vanaf 1975 een dermate grote omvang aan dat de import moest worden
afgeremd. Het jaar waarin de handelsbalans met het Westen in evenwicht zou
zijn, werd telkens weer een jaartje opgeschoven. Het heeft er even naar uitgezien
dat het dit jaar zou lukken een klein
overschot in de handel met het Westen te
behalen. Slechte oogstvooruitzichten
door overstromingen en produktieuitval
door stakingen maken het echter waarschijnlijk dat de handelsbalans wederom
met een tekort zal afsluiten.
Een vermindering van de Poolse
schuld vergt door de groeiende renteverplichtingen een steeds groter overschot
o p de handelsbalans. De vooruitzichten
o p belangrijke overschotten in de komende jaren zijn echter weinig hoopgevend. Ongeveer een kwart van de export
bestaat uit steenkool en de vooruitzichten o p snelle groei van de kolenproduktie
zijn weinig optimistisch. Een belangrijk
deel van de resterende export bestaat uit
koper en zwavel, waarvoor de prijsvooruitzichten bij een zwakke wereldconjunctuur ongunstig zijn. De resterende export
2) Zie R. T. Maddock, Oil and economic
growth in the Soviet Union, The Three Banks
Review, maart 1980.

moet dan wel zeer fors groeien willen d e
Polen de beoogde doeleinden halen.
Aanpassing van de binnenlandse consumptieve vraag aan de hoge schuldenlast lijkt gezien de recente stakingen
politiek moeilijk haalbaar. Polen zal in
de komende jaren naar schatting zijn
gehele schuldendienst van minimaal $ 5
mrd. moeten lenen in het Westen. De
schuld blijft dan jaarlijks met $ 2 mrd.
toenemen. Voor 1980 bedraagt de financieringsbehoefte van Polen zelfs $ 7
mrd., waarin inmiddels grotendeels is
voorzien.
Slot
De problemen bij d e overige Come-

conlanden zijn duidelijk minder scherp
dan in Polen. De Poolse problemen
zullen echter ongetwijfeld leiden tot een
grotere risicobewustheid inzake de Comecon bij de internationale banken.
Deze grotere risicobewustheid zal zich
gaan uiten in zwaardere condities voor
nieuwe kredieten. De banken schijnen
het er nog niet o p aan te willen laten
komen de ,,paraplutheorie” uit te testen.
Nieuwe leningen o p Polen worden echter
met steeds grotere tegenzin door de
markt verwerkt. Sommige banken zitten
echter zo diep in Polen dat afwijzing van
nieuwe kredieten zou kunnen worden
bestraft met het niet nakomen van de
verplichtingen o p de lopende schuld van
Polen, eenvoudig omdat Polen dan niet

langer in staat is te betalen. Wil men de
Oost-Westhandel met vooral de kleinere Comeconlanden verder uitbreiden,
dan zal aan verdere kredietverlening niet
te ontkomen zijn. Zo niet, dan drijft men
de kleinere Comeconlanden weer terug
in een economisch geheel afhankelijke
positie van de Sovjetunie. Indien het
Westen uit politieke overwegingen dit
een ongewenste richting acht, lijkt het
onontkoombaar dat meer dan tot nu toe
het kredietrisico door de overheid wordt
overgenomen.

J. A. Scholten

Auteur