Ga direct naar de content

Inkomenspositie partners steeds vaker vergelijkbaar

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: oktober 13 2021

Als mensen vaker een partner vinden met een vergelijkbaar inkomen, kan dit bijdragen aan de inkomensongelijkheid tussen huishoudens. Hoe heeft de relatie tussen inkomens van partners zich ontwikkeld de afgelopen veertig jaar?

In het kort

– In tegenstelling tot veertig jaar geleden, is er tegenwoordig een duidelijk positief verband tussen het inkomen van partners.
– Het is de vraag in hoeverre deze ontwikkeling de inkomens-ongelijkheid tussen huishoudens heeft vergroot.

Wang et al. (2014) laten zien dat in de meeste OESO-landen de ongelijkheid van het primaire inkomen op huishoudniveau is toegenomen tussen 1985 en 2005, en dat geldt ook voor Nederland. In een recente samenwerking van de Universiteit Leiden met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt deze trend bevestigd met recent herziene inkomensstatistieken van het CBS voor de periode 1977–2019 (Caminada et al., 2021). Deze data bieden een unieke mogelijkheid om langetermijntrends in inkomensongelijkheid te analyseren.

Ondanks de aanzienlijke interesse voor het thema inkomensongelijkheid is het onderzoek ernaar vooralsnog grotendeels gefocust op de rol van uitkeringen en belastingen (Caminada et al., 2017). Tot dusver is onderbelicht in welke mate sociale determinanten, zoals partnerkeuze, een rol spelen bij de inkomensongelijkheid in Nederland.

Volgens de internationale literatuur kan assortative mating oftewel ‘assortatieve paring’ – waarbij er sprake is van een positieve correlatie tussen het inkomen van partners – een verklarende factor zijn voor de inkomensongelijkheid tussen huishoudens (Eika et al., 2019; Frémeaux en Lefranc, 2020; Greenwood et al., 2014). Uit onderzoek in andere westerse landen blijkt dat de positieve relatie tussen het inkomen van partners toeneemt, waarbij dit met name optreedt aan de bovenkant van de inkomensverdeling (Chiappori et al., 2020). Daarmee is de toename van huishoudens met twee hoge inkomens een factor die bijdraagt aan de toename van de inkomensongelijkheid.

In Nederland is deze relatie tussen het inkomen van partners vooralsnog een ‘blinde vlek’ in het academisch onderzoek, en ook voor beleid. In deze bijdrage bestuderen wij daarom de relatie tussen het inkomen van partners in Nederland over een tijdsbestek van veertig jaar.

Methode

In onze analyse maken we gebruik van de herziene inkomensstatistieken voor Nederland van 1977–2019. De revisie van de inkomensstatistieken uit 1977–2011 (Caminada et al., 2021) heeft ervoor gezorgd dat de inkomensstatistieken beter aansluiten bij de integrale bestanden vanaf 2011. Daarbij zijn onder andere de breuken in 2000 en 2011 verkleind, wat belangrijk is voor onderzoek naar ontwikkelingen over de tijd.

Deze data maken het mogelijk om gedurende een lange periode partners binnen een huishouden te volgen, en zo hun persoonlijke inkomen te kunnen observeren. We beperken ons daarbij tot man-vrouwstellen. Stellen van hetzelfde geslacht laten we in deze analyse buiten beschouwing, aangezien de partners hierbij niet volgens dezelfde methode zijn in te delen. Ook kijken we alleen naar partners die beiden op de arbeidsmarkt participeren.

We bepalen voor de mannen en vrouwen bij man-vrouwstellen de positie of rang in de geslachtsspecifieke inkomensverdeling. We gebruiken daarbij de positie van het inkomen in de verdeling, en niet het inkomen zelf, om te voorkomen dat onze resultaten beïnvloed worden door verschillende trends in de inkomens en arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen, zoals de stijgende arbeidsparticipatie van vrouwen en de dalende loonkloof tussen mannen en vrouwen (Albrecht et al., 2004; CBS, 2020).

Vergelijkbaar met de methode in Fagereng et al. (2021) zetten we vervolgens de individuen op volgorde van hun positie in de geslachtsspecifieke inkomensverdeling. Daarna kijken we wat de gemiddelde inkomenspositie is van de partners.

Ter illustratie: op de horizontale as in figuur 1a staan de mannen op volgorde van hun positie in de inkomenspositie van alle mannen. Op de verticale as in figuur 1b staat de gemiddelde positie van de vrouwelijke partner in de inkomenspositie van alle vrouwen. Wanneer er sprake is van een positieve relatie tussen het inkomen van de partners, dan is er sprake van een stijgende lijn. Wanneer er geen relatie is tussen de inkomensposities van partners, dan resulteert dat in een horizontale lijn.

Resultaten

Figuur 1 toont de resultaten voor de relatie tussen de inkomens uit werk (de som van het inkomen uit arbeid en winst) van partners in 1977 en 2019.

Het eerste wat opvalt is dat er, voor zowel mannen als vrouwen, sprake is van weliswaar een grillig maar niet een duidelijk stijgend of dalend patroon in 1977. Het grillige patroon is het resultaat van het gebruik van een representatieve steekproef van ongeveer één procent van de bevolking (het Inkomenspanelonderzoek, IPO).

In 1977 was er nog vrijwel geen sprake van een relatie tussen het inkomen van de man en de vrouw, met wellicht enige positieve matching op basis van inkomens bovenaan in de top van de inkomensverdeling. In 2019 zien we voor mannen een (nagenoeg) lineair positief verband tussen de positie in de inkomensverdeling van de man en zijn partner (figuur 1a). Dit betekent dat het inkomen van de partner een rol speelt in de partnerkeuze van mannen met zowel een lagere positie in de inkomensverdeling als een hogere positie in de inkomensverdeling. Dit heeft als resultaat dat de partners van mannen in het 95e percentiel gemiddeld genomen een positie in de vrouwspecifieke inkomensverdeling hebben die vijftien percentielen hoger is dan die van de partners van mannen in het 5e percentiel.

Ditzelfde verschil zien we terug bij de partners van vrouwen (figuur 1b); er is ongeveer vijftien percentielen verschil in de man-specifieke inkomensverdeling voor de partners van vrouwen in het 95e en 5e percentiel. In tegenstelling tot mannen, is de relatie met het inkomen van de partner beduidend sterker bij vrouwen in de hoogste inkomensdecielen. Wanneer we kijken naar een aantal tussenliggende jaren (1990, 2000, en 2010), lijkt er sprake te zijn van een geleidelijke ontwikkeling in de laatste veertig jaar (deze uitkomsten zijn op verzoek verkrijgbaar).

Discussie

Mensen met een gelijk inkomen zoeken elkaar steeds vaker op als partner. Terwijl er in 1977 nog vrijwel geen relatie was tussen de inkomens van partner binnen stellen, bestaat er tegenwoordig een positieve relatie, waarbij mannen met een laag inkomen steeds vaker een vrouw met een laag inkomen hebben, en mannen met een hoog inkomen steeds vaker een vrouw met een hoog inkomen.

Het is waarschijnlijk dat deze ontwikkeling heeft bijgedragen aan de stijgende inkomensongelijkheid. Nader onderzoek is nodig om de precieze bijdrage aan de gestegen ongelijkheid te bepalen.

Tevens is nader onderzoek gewenst naar de sociaal-economische determinanten van de positieve relatie tussen het inkomen van partners, zoals de toename in het opleidingsniveau en de arbeidsparticipatie van vrouwen (­Christiansen et al., 2016; CPB, 2018; Euwals et al., 2011). Deze positieve relatie zou mogelijkerwijs nog sterker zijn wanneer we rekening zouden houden met non-participatie op de arbeidsmarkt door een positieve selectie in participatie (Been et al., 2021).

Onze resultaten zijn relevant voor de discussie over het fiscaal stimuleren van tweeverdieners. De afgelopen twee decennia zijn de belastingkortingen en de kinderopvangtoeslag voor tweeverdieners verhoogd, en is de belastingkorting voor eenverdieners verlaagd. Dit heeft de gemiddelde druk voor tweeverdieners verminderd, met name voor tweeverdieners waarbij de tweede verdiener een relatief grote bijdrage levert aan het gezinsinkomen, en heeft de gemiddelde druk voor eenverdieners verhoogd (Jongen et al., 2018). Hierdoor neemt de inkomensongelijkheid tussen huishoudens verder toe, zeker als hogere inkomens vaker met elkaar een stel vormen.

Getty Images

Literatuur

Albrecht, J.W., A. van Vuuren en S. Vroman (2004) Decomposing the gender wage gap in the Netherlands with sample selection adjustments. IZA Discussion Paper, 1400.

Been, J., M. Knoef en H. Vethaak (2021) A panel data sample selection model with semi-continuous labor supply and non-parametric unobserved heterogeneity in earnings: an application to the part-time earnings penalty. Paper presentatie bij The Netspar Pension Day. 14 oktober, Utrecht. Te vinden op netspar.nl.

Caminada, K., K.P. Goudswaard en J. Been (2017) Neemt de inkomensongelijkheid in Nederland toe? In: K. Chkalova, J. van Genabeek, J. Sanders en W. Smits (red.), Dynamiek op de Nederlandse arbeidsmarkt; de focus op ongelijkheid. Den Haag: CBS/TNO, p. 85–100.

Caminada, K., E. Jongen, W. Bos et al. (2021) Inkomen verdeeld, trends 1977–2019. Centraal Bureau voor de Statistiek en Universiteit Leiden.

CBS (2020) De arbeidsmarkt in cijfers 2019. CBS Webpublicatie. Te vinden op longreads.cbs.nl.

Chiappori, P.-A., M. Costa Dias en C. Meghir (2020) Changes in assortative matching: theory and evidence for the US. NBER Working Paper, 26932.

Christiansen, L., H. Lin, J.. Pereira et al. (2016) Individual choice or policies? Drivers of female employment in Europe. IMF Working Paper, WP/16/49.

CPB (2018) Arbeidsparticipatie. CPB Notitie, 20 december.

Eika, L., M. Mogstad en B. Zafar (2019) Educational assortative mating and household income inequality. Journal of Political Economy, 127(6), 2795–2835.

Euwals, R., M. Knoef en D. van Vuuren (2011) The trend in female labour force participation: what can be expected for the future? Empirical Economics, 40(3), 729–753.

Fagereng, A., L. Guiso en L. Pistaferri (2021) Wealth inequality and assortative mating. Paper presentatie bij CEPR Micro and Macro Implications of Household Behavior and Financial Decision-Making. 23 april, Londen. Te vinden op cepr.nl.

Frémeaux, N. en A. Lefranc (2020) Assortative mating and earnings inequality in France. The Review of Income and Wealth, 66(4), 757–783.

Greenwood, J., N. Guner, G. Kocharkov en C. Santos (2014) Marry your like: assortative mating and income inequality. The American Economic Review, 104(5), 348–353.

Jongen, E., H.-W. de Boer en P. Koot (2018) Eenverdieners onder druk. CPB Policy Brief 2018/03.

Wang, C., K. Caminada en K. Goudswaard (2014) Income redistribution in 20 countries over time. International Journal of Social Welfare, 23(3), 262–275.

Auteurs

  • Heike Vethaak

    Promovendus aan de Universiteit Leiden

  • Jim Been

    Universitair docent aan de Universiteit Leiden en onderzoeker bij Netspar

  • Egbert Jongen

    Wetenschappelijk medewerker bij het Centraal Planbureau (CPB) en universitair hoofddocent aan de Universiteit Leiden