Ga direct naar de content

Inkomensdata van zzp’ers zijn inconsistent

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 9 2020

Gegevens over het totaalinkomen, de arbeidsduur en uurtarieven van zzp’ers zijn onderling inconsistent. Hierdoor is het onduidelijk hoeveel zij werken en verdienen – en dus ook hoe groot de schade als gevolg van de lockdown is. Hoe zijn deze inconsistenties te verklaren, en hoe ziet de werkelijke situatie van zzp’ers er waarschijnlijk uit?

In het kort

-Volgens enquêtedata werken zzp’ers vele uren en hanteren zij een hoog uurtarief, maar dit is niet terug te zien in inkomensdata.
-Het is aannemelijk dat zzp’ers lagere uurtarieven hebben, en minder uren werken dan zij rapporteren.
-Er is meer onderzoek naar zzp’ers nodig om maatschappelijke en beleidsdiscussies goed te kunnen voeren.

Zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) zijn steeds vaker onderwerp van discussie. Zo is het de vraag of het wel wenselijk is dat Nederland “kampioen flexibele arbeid in Europa” is (WRR, 2017, p. 11), of een minimumtarief voor zelfstandigen een goed idee is en hoe hoog dit dan zou moeten zijn, en of de sociale zekerheid voor zzp’ers collectief georganiseerd dient te worden (Commissie-Borstlap, 2020; WRR, 2020).

Ook tijdens de uitbraak van het coronavirus ging de aandacht uit naar de zzp’ers, die veelal hun inkomen zagen wegvallen. Met de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) werd er een sociaal vangnet voor onder andere zzp’ers gecreëerd. Voor een goed beleid en goed onderzoek is goede informatie over de situatie van zzp’ers cruciaal. Het is echter niet zo eenvoudig om er achter te komen wat zzp’ers verdienen en hoeveel zij werken.

Beschikbare gegevens

Er zijn veel verschillende informatiebronnen beschikbaar over de inkomensgegevens van zzp’ers. Deze gegevens zijn bijvoorbeeld te vinden in de databanken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en in verschillende rapporten, die veelal gebruikmaken van enquêtedata.

Afzonderlijk van elkaar lijken de observaties van het inkomen, de uren en de uurtarieven van zzp’ers accuraat en adequaat te zijn. De verschillende onderzoeken komen grofweg tot dezelfde niveaus voor de individuele variabelen. Hierdoor lijken de onderzoeken een goede weergave van de werkelijkheid.

Er is alleen een probleem met de observaties: wanneer de observaties van het inkomen, de uren en het uurtarief van zzp’ers worden samengebracht, ontstaat er een inconsistent beeld. In figuur 1 is te zien dat zzp’ers vele uren werken en een hoog uurtarief hanteren, maar een lager totaalinkomen hebben volgens data van het CBS. Deze uitkomst is logisch gezien niet mogelijk, omdat het aantal gewerkte uren vermenigvuldigd met het gehanteerde uurtarief per definitie gelijk is aan het totaalinkomen. De blauwe inkomenslijn zou de lijnen voor gewerkte uren en uurtarief dus moeten snijden op het snijpunt van deze twee lijnen, maar doet dit niet.

In plaats daarvan schetsen de verschillende onderzoeken andere beelden van de situatie van zzp’ers, gebaseerd op de snijpunten tussen de lijnen van uren en uurtarief in figuur 1. De gegevens van de nationale rekeningen nemen bijvoorbeeld het snijpunt van de blauwe inkomenslijn en de oranje urenlijn. Deze geven respectievelijk aan dat zzp’ers in 2017 een gemiddeld jaarlijks persoonlijk primair inkomen van 33.800 euro hadden, en gemiddeld 35 uur per week werkten. Ter vergelijking: werknemers verdienden in 2017 als totaalinkomen gemiddeld 43.800 euro voor 30 uur per week (CBS, 2017a). De nationale rekeningen impliceren dus dat zzp’ers gemiddeld een laag inkomen per uur zouden hebben van 19 euro per uur. Dit is grofweg drie keer zo weinig als de 57 tot 59,30 euro per uur die zzp’ers zelf aangeven in enquêtes, zoals de Zelfstandigen Enquête Arbeid 2019 en de Enquête Beroepsbevolking 2017, en ook aanzienlijk minder dan de 34 euro per uur die werknemers verdienen (CBS, 2017a; Van der Torre et al., 2019; Heyma, 2018).

Lautenbach et al. (2017) geven een ander beeld, namelijk het snijpunt van de grijze urenlijn en groene urentarieflijn. Deze gegevens komen beide uit de Zelfstandigen Enquête Arbeid. Wederom zouden zzp’ers aanzienlijk meer werken dan werknemers, namelijk 37,6 uur per week (­Lautenbach et al., 2017). Ze zouden daarbij een hoog uurtarief rekenen van gemiddeld 59,30 euro per uur (Van der Torre et al., 2019). Deze combinatie van een lange arbeidsduur en hoog uurtarief maakt dat zzp’ers een hoog totaal­inkomen zouden moeten hebben van tussen de 103.740 en 115.943 euro per jaar.

Tot slot trekken Heyma et al. (2018) nog een andere conclusie op basis van het snijpunt van de blauwe inkomenslijn en de roze urentarieflijn. Volgens hen hanteren zzp’ers een hoog uurtarief, maar hebben ze een relatief laag totaalinkomen. Zzp’ers zouden in werkelijkheid namelijk minder werken dan ze in enquêtes, inclusief hun eigen enquête, suggereren. Zo stellen Heyma et al. (2018) dat er waarschijnlijk “een overschatting van het aantal gewerkte uren” is. Dit impliceert dat zzp’ers gemiddeld ongeveer 11 uur per week zouden werken in plaats van 35 tot 37,6 uur per week.

Figuur 1

Verklaringen inconsistentie

In werkelijkheid kunnen niet alle observaties over inkomensgegevens van zzp’ers correct zijn en de cruciale vraag is daarom op welk punt in figuur 1 zzp’ers werkelijk zitten. De drie factoren die bij de inkomensgegevens van de zzp’ers worden gehanteerd (inkomen, uren en uurtarief) kunnen wellicht deze inconsistentie verklaren.

Inkomen

Ten eerste zou het zo kunnen zijn dat zzp’ers in werkelijkheid een hoger totaalinkomen hebben dan de gegevens in de nationale rekeningen laten zien. De gegevens uit de nationale rekeningen over het totaalinkomen van zzp’ers zijn gedeeltelijk gebaseerd op belastingaangiften. Hiermee geven ze een betrouwbaar beeld van het formele inkomen van zzp’ers. In de nationale rekeningen worden er ramingen gemaakt van de niet-waargenomen economie, om zo ook het informele inkomen van zelfstandigen in beeld te brengen. Ramingen zijn uiteraard met meer onzekerheid omgeven.

Een mogelijke verklaring voor de inconsistentie tussen de observaties zou kunnen zijn dat het informele inkomen van zzp’ers hoger is dan momenteel wordt geraamd. Het is echter onwaarschijnlijk dat dit de discrepantie tussen de verschillende observaties kan verklaren, aangezien het zou betekenen dat het totaalinkomen van zzp’ers in werkelijkheid drie keer zo hoog zou zijn (boven de 100.000 euro per jaar in plaats van ongeveer 30.000 euro per jaar). Met andere woorden, dit zou betekenen dat er onopgemerkt grootschalig fraude wordt gepleegd. Hoewel dit zeer onaannemelijk is zou het mogelijk een deel van de verklaring kunnen zijn. Om te bepalen of dit het geval is, dient er nader onderzoek te worden gedaan naar de accuraatheid van de ramingen van de niet-waargenomen economie.

Uren

Ten tweede zou het kunnen zijn dat zzp’ers in werkelijkheid minder uren werken dan zij zelf in de verschillende enquêtes zeggen. De data over het aantal gewerkte uren zijn gebaseerd op zelfrapportage in enquêtes. Hierbij zijn bekende gevoeligheden van enquêtes – zoals sociaal wenselijke antwoorden, cognitieve fouten en verkeerde zelfbeelden – mogelijk problematisch (De Leeuw et al., 2008; Tourangeau et al., 2000).

Bij vragen naar het aantal gewerkte uren van zzp’ers zou er een specifiek probleem kunnen spelen: welke uren dienen als werk gerekend te worden? Bij werknemers is dit probleem niet aanwezig omdat hun uren onderdeel zijn van de afspraken die ze maken met hun werkgevers. Zelfstandigen onderhandelen echter niet over hun arbeidsduur, buiten de uren die zij factureren bij hun opdrachtgevers. Dit maakt dat er mogelijk aanzienlijke verschillen kunnen zijn tussen hoe de diverse zelfstandigen hun werk definiëren en afbakenen, wat de data minder betrouwbaar maken. Dit zou ook kunnen leiden tot een overschatting van het aantal gewerkte uren. Zo schrijven Heyma et al. (2018) dat het kan zijn dat “werk en privé worden gecombineerd, zodat onduidelijk is welke uren effectief worden besteed aan de werkzaamheden als zzp’er”. Een andere mogelijke verklaring is dat zzp’ers aangeven naar hoeveel uur werk zij streven, in plaats van hoeveel zij in de praktijk realiseren – wat dan gezien kan worden als verborgen underemployment

Daarnaast hebben zzp’ers een fiscale prikkel om hun uren “over te rapporteren”. Zzp’ers kunnen alleen gebruikmaken van de zelfstandigenaftrek indien zij aangeven te voldoen aan het urencriterium van 1.225 uur per jaar. Bij de belastingaangiften wordt er echter enkel gevraagd naar het voldoen aan het urencriterium, en niet naar het exacte aantal gewerkte uren, vandaar dat de gegevens over de arbeidsduur gebaseerd zijn op enquêtes. Hoewel de fiscale prikkel in principe afwezig is bij de enquêtes, kan het toch invloed hebben op de gegeven antwoorden. Mensen kunnen namelijk geneigd zijn om antwoorden te geven die consistent zijn met wat zij bij hun belastingaangifte rapporteren, mogelijk uit angst dat ‘overrapportage’ in de aangifte ontdekt zou kunnen worden.

Nader onderzoek naar het aantal gewerkte uren van zzp’ers en hoe dit zich verhoudt tot het aantal gefactureerde uren, is van belang om meer inzicht te krijgen in de situatie van zzp’ers. Dit is niet alleen belangrijk voor beleidsdiscussies rondom zzp-werk, maar ook relevant omdat het de productiviteitstatistieken van de Nederlandse economie zou kunnen vertekenen. Indien er zoveel overrapportage is als Heyma et al. (2018) veronderstellen, wordt de arbeidsproductiviteit van Nederland momenteel met grofweg tien procent onderschat.

Uurtarief

Ten derde zouden zzp’ers in werkelijkheid een lager uurtarief kunnen hanteren dan ze in de verschillende enquêtes rapporteren. Vergelijkbaar met het aantal gewerkte uren is het uurtarief van zzp’ers minder helder gedefinieerd dan bij werknemers.

Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld wat er in het uurtarief dient te worden doorgerekend. Theoretisch zou het te beargumenteren zijn dat alle bedrijfsmatige kosten doorgerekend moeten worden in uurtarieven, maar het is te betwijfelen of zzp’ers dit in de praktijk doen.

Dat de tarieven lastig te schatten zijn, bleek ook bij het minimumtarief voor zzp’ers dat vanaf 2021 zou ingaan. Een minimumtarief werd noodzakelijk geacht omdat men constateerde dat zzp’ers aan de onderkant van de arbeidsmarkt momenteel een te laag uurtarief ontvangen om van te kunnen leven. Op 15 juni 2020 lieten minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) en staatssecretaris Hans Vijlbrief (Financiën, D66) echter weten toch af te zien van deze maatregel, nadat er ophef was ontstaan over de handhaving en hoogte ervan.

Bij het vaststellen van het minimumtarief werden verschillende aannames gedaan. Het tarief zou worden vastgesteld op 16 euro per uur, zodat zzp’ers minimaal het bestaansminimum (netto 13.577 euro per jaar) zouden moeten verdienen als zij voltijd (40 uur per week, 46 weken per jaar) werkten. Hierbij werd geschat dat 33 procent van de gewerkte uren niet-declarabel is en 15 procent van de kosten indirect zijn. Op basis van deze aannames, komt het het effectieve uurtarief uit op 57 procent van wat er op de factuur staat, 9,11 euro per gewerkt uur (exclusief directe en indirecte kosten). Dit is vergelijkbaar met het minimumloon van werknemers van 21 jaar en ouder in 2020 van 9,54 euro per uur.

Als het effectieve uurtarief van zzp’ers echter op dezelfde manier wordt berekend op basis van het gerapporteerde gemiddelde uurtarief als bij de Lautenbach et al. (2019) dan komt daar 33,60 euro uit. Dit is ongeveer net zo hoog als het uurloon van 34 euro voor werknemers (CBS, 2017a).

Voor het gerapporteerde gemiddelde uurtarief van ­Heyma et al. (2018) kan men niet dezelfde berekening maken. In dit tarief zijn namelijk al expliciet de ­indirecte kosten meegenomen. Heyma et al. laten wel zien dat, wanneer het uurtarief benaderd wordt door de maand- of jaaromzet te delen door het aantal gewerkte uren, het uurtarief lager uitkomt, namelijk op respectievelijk 26 en 34 euro. Dit uurtarief is dus lager dan de 57 euro die zzp’ers zelf in dezelfde enquête aangeven. Dat is volgens Heyma et al. vooral te wijten aan de overrapportage van het aantal gewerkte uren door zzp’ers, en niet zozeer aan het uur­tarief.

Heyma et al. beargumenteren dat het direct gevraagde uurtarief bij enquêtedata betrouwbaarder is, omdat dit voor mensen makkelijker te onthouden is dan de maand- en jaaromzet. De antwoorden zijn mogelijk echter wel gevoeliger voor willekeur omdat ze waarschijnlijk vaak gebaseerd zullen zijn op de laatste paar uitgevoerde opdrachten, die kunnen afwijken van het gemiddelde.

Er zijn bovendien een aantal zaken die het wel degelijk aannemelijk maken dat zzp’ers in werkelijkheid een lager uurtarief hanteren dan zij zelf zeggen. Ten eerste lijkt de gemiddelde marktpositie van zzp’ers relatief zwak te zijn, vanwege een lagere arbeidsproductiviteit en/of minder onderhandelingsmacht dan werknemers. Volgens het Nederlands Comité voor Ondernemerschap (2019) voegen zzp’ers minder waarde toe per voltijdsequivalent dan werknemers. Het Comité concludeert dat de productiviteit van zzp’ers lager is. Een andere optie is dat zzp’ers minder onderhandelingsmacht hebben – dat zou nog nader uitgezocht moeten worden.

Ten tweede zouden de uurtarieven van zzp’ers relatief laag kunnen zijn vanwege het ontbreken van een collectief georganiseerde sociale zekerheid en/of een lage fiscale druk. De precieze invloed van het ontbreken van deze factoren dient nog nader onderzocht te worden.

Tot slot

Er zijn veel zorgen over de economische situatie van zzp’ers, zeker ten tijde van het coronavirus. Het is echter lastig om zicht te krijgen op de ernst van de situatie, aangezien het onduidelijk is wat het totale inkomen, het aantal gewerkte uren en het inkomen per uur van zzp’ers is. De gegevens over het formele inkomen van zzp’ers lijken erg betrouwbaar. Of de schattingen van het informele inkomen van zzp’ers accuraat zijn, dient echter nader onderzocht te worden.

Nader onderzoek is cruciaal om de maatschappelijke en beleidsdiscussies over zzp’ers, zowel nu als in de toekomst, op feiten te kunnen baseren. Met name gedetailleerde analyses op basis van microgegevens kunnen nuttig zijn om beter zicht te krijgen in de specifieke situaties van zzp’ers.

Microgegevens, waarbij er gegevens over het inkomen, de uren en uurtarieven van individuen aan elkaar worden gekoppeld, maken het namelijk beter mogelijk dan macrogegevens om de plausibiliteit van data te beoordelen. Daarbij zou de vergelijking van deze gegevens met de beschikbare gegevens genoemd in dit artikel het ook mogelijk maken om te kijken of er specifieke groepen zzp’ers zijn die inconsistente antwoorden geven, en op welke wijze zij dat doen.

Vervolgens zou er door middel van een steekproef in meer detail gekeken kunnen worden naar de inkomensgegevens van zzp’ers, om nader te bezien welke specifieke gegevens er incorrect zijn. Dit kan gedaan worden door per zzp’er te onderzoeken in welke sector zij opereren, na te gaan wat gebruikelijke uurtarieven zijn voor de opdrachten in deze sector, en te onderzoeken hoeveel uren de opdrachten ongeveer kosten. Kortom, meer micro-onderzoek zou veel inzicht kunnen bieden in deze puzzel, die op macro­niveau moeilijk op te lossen lijkt.

Getty Images

Literatuur

CBS (2017a) Integraal inkomens- en vermogensonderzoek. Statistiek te vinden op www.cbs.nl.

CBS (2017b) Enquête beroepsbevolking. Statistiek te vinden op www.cbs.nl.

Commissie-Borstlap (2020) In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de regulering van werk. Eindrapport te vinden op www.rijksoverheid.nl.

Heyma, A., K. van der Ven, C. Biesenbeek et al., (2018) Karakteristieken en tarieven zzp’ers. SEO Economisch Onderzoek Rapport, 2018-68.

Leeuw, E.D. de, J.J. Hox en D.A. Dillman (2008) International handbook of survey methodology. Londen: Taylor & Francis.

Lautenbach, H., W. van der Torre, E.M.M. de Vroome et al. (2017) Zelfstandigen Enquête Arbeid 2017: methodologie en globale resultaten. TNO/CBS-rapport, te vinden op www.monitorarbeid.tno.nl.

Nederlands Comité voor Ondernemerschap (2019) Investeren in groeivermogen: jaarbericht Staat van het mkb 2019. Te vinden op www.staatvanhetmkb.nl.

Torre, W. van der, H. Lautenbach, H.A. van de Ven et al. (2019) Zelfstandigen Enquête Arbeid 2019: methodologie en globale resultaten. TNO/CBS-rapport, te vinden op www.monitorarbeid.tno.nl.

Tourangeau, R., L.J. Rips en K. Rasinski (2000) The psychology of survey response. Cambridge: Cambridge University Press.

WRR (2017) Voor de zekerheid: de toekomst van flexibel werkenden en de moderne organisatie van arbeid. WRR-verkenning, 36.

WRR (2020) Het betere werk: de nieuwe maatschappelijke opdracht. WRR-rapport, 102.

Auteur

Categorieën

4 reacties

  1. K. van Beek
    2 jaren geleden

    Geachte heer De Muijnck,

    het lijkt me dat er een simpeler verklaring is voor de door u waargenomen inconsistentie: niet alle uren die zzp-ers werken zijn declarabel. Bijvoorbeeld acquisitie, netwerken, bijstuderen, administratie doen, computer op orde brengen, zijn wel echt werk, maar kunnen niet worden gefactureerd. Ook als een project meer uren kost dan was geoffreerd, werkt de zzp-er voor nop (terwijl zzp-ers slechts meer uren kan declareren als de klus sneller klaar was dan gedacht).

    Hier gaat het dus niet om 'een andere interpretatie' van wat werk is of privé (waar Heyma blijkbaar een verklaring in zag). Maar om het simpele gegeven dat niet voor elk werkuur een rekening kan worden gestuurd. Als ik kijk naar mijn eigen praktijk dan zit er zomaar 30% verschil tussen gewerkte en gedeclareerde uren.

    Dit lijkt mij een veel logischer verklaring dan alles wat u van stal haalt.

  2. M.T. Haarmans
    2 jaren geleden

    Ik ben nog niet overtuigd. Ik probeer het op een andere manier over te brengen wat ik bedoel.

    Gegeven de functie A(uurtarief) is het aantal zzp’ers met dit uurtarief.

    Dan is het gemiddelde uurtarief gelijk aan de som over alle mogelijke uurtarieven van het product A(uurtarief)*uurtarief gedeeld door het totaal aantal zzp’ers. Dit is de 58 euro van Heyma et al. Zie figuur 4.1 van Heyma et al. Ik zie daar dat Heyma et al met hun 58 euro het gemiddelde uurtarief hebben berekend.

    Gegeven de functie B(uurtarief, werkuren) is het aantal zzp’ers met dit uurtarief en dit aantal werkuren.

    Dan is het gemiddelde inkomen van een zzp’er per uur gelijk aan de som over alle mogelijke uurtarieven en werkuren van het product B(uurtarief, werkuren)*uurtarief*werkuren gedeeld door de som over alle mogelijke uurtarieven en werkuren van het product B(uurtarief, werkuren) * werkuren. Dit is de 19 euro van de nationale rekeningen.

    Merk op dat A(uurtarief) is de som over alle mogelijke werkuren van B(uurtarief, werkuren).

    Het gemiddelde uurtarief is niet hetzelfde als het gemiddelde inkomen per uur van een zzp’er. Dit zijn twee volkomen verschillende grootheden. Deze twee grootheden worden in dit artikel gelijk gesteld.

  3. S.A.M. de Muijnck
    2 jaren geleden

    Beste Haarmans, Bedankt voor uw reactie. Er is inderdaad een verschil tussen het gemiddelde inkomen per uur over het totale aantal gewerkte uren en het gemiddelde inkomen per uur per zzp’ers. Maar het is onwaarschijnlijk dat dit de inconsistentie tussen de gegevens kan verklaren. Dit zou namelijk veronderstellen dat de twee manieren van het gemiddelde inkomen per uur berekenen compleet verschillende uitkomsten genereren. Dit kan alleen mogelijk zijn als de zzp’ers die een hoog uurtarief hebben heel weinig uur werken en degene met een laag uurtarief juist heel veel uur werken (waardoor het gemiddelde inkomen per uur over het totaal aantal uren grofweg 3x lager is dan het gemiddelde inkomen per uur per zzp’er, €19 ten opzichte van €59 per uur). Heyma et al. schrijven echter: “achtergrondkenmerken die gelden voor zzp’ers met uurtarieven van minder dan €18 (het betreft 19 procent van alle zzp’ers met zakelijke opdrachtgevers): … Vaker parttime werkzaam als zzp’er”. In andere woorden, de inconsistentie tussen de gegevens lijkt niet verklaard te worden door de manier van het gemiddelde inkomen per uur berekenen.

  4. M.T. Haarmans
    2 jaren geleden

    Als ik het goed begrepen heb betekent totaalinkomen het gemiddelde inkomen van een zzp'er. Het aantal gewerkte uren het gemiddelde aantal gewerkte uren per zzp'er. Bij benadering is dan het gemiddelde inkomen per uur bij benadering gegeven door de kruising van de blauwe en oranje lijn. Dit is alleen exact als de volgende functie die de dichtheid van zzp'ers als functie van het uurtarief en gewerkte uren geeft de volgende eigenschap heeft: dichtheid(uurtarief, gewerkte_uren) = functie1(uurtarief) * functie2(gewerkte_uren) volgens mij.

    Nu is de vraag wat wordt bedoeld door Heyma en Van der Torre met gemiddeld inkomen per uur. Als dit het uurtarief gemiddeld is over alle zzp'ers maar niet gewogen naar het aantal werkuren dan kan ik me voorstellen dat dit getal veel hoger uitkomt.
    In Heyma lees ik: "Het gemiddelde uurtarief na aftrek van niet-arbeidsgerelateerde kosten ligt bij zzp’ers met zakelijke opdrachtgevers op €58." Een gemiddeld uurtarief is niet hetzelfde als een gemiddeld inkomen per uur. Is hier niet sprake in dit artikel van een misverstand omtrent definities?