Ga direct naar de content

Het vertrek van bedrijven uit Amsterdam

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: juni 9 1982

Het vertrek van bedrijven uit
Amsterdam
DRS. W.T.M. MOLLE – DRS. J.G. VIANEN *
De ongunstige werkgelegenheidssituatie in grote steden komt voor een deel voort uit de
verplaatsing van de bedrijvigheid uit stedelijke gebieden naar gebieden direct rondom de grote
steden of naar verderweg gelegen regie’s. Bij die verplaatsingen kunnen zeer uiteenlopende
motieven een rol spelen, zoals ruimtegebrek, arbeidsmarktomstandigheden, slechte
bereikbaarheid of beperking van hinder voor de woningomgeving. Verder lijkt de mobiliteit
van bedrijvigheid conjunctuurgebonden te zijn en verschilt zij sterk tussen bedrijfsklassen.
In dit artikel worden de resultaten gepresenteerd van een onderzoek naar de bedrijfsverplaatsing
in de regio Amsterdam over de periode 1974-1978. Daaruit komt naar voren dat de
bedrijfsverplaatsingen meer samen lijken te hangen met de specifieke economische en
ruimtelijke structuur van de stad dan met de algemene economische situatie.
1. Inleiding
De grote steden in Nederland zowel als in andere.landen
worden geconfronteerd met een ware uittocht van hun
bevolking en, zij het in iets mindere mate, ook van hun
werkgelegenheid. Het wordt steeds duidelijker dat als gevolg
hiervan geweldige problemen ontstaan voor de stedelijke
samenleving 1). Er is dan ook alle aanleiding zowel de
omvang van deze fenomenen als de verschillende oorzaken
beter te leren kennen. Dit is met name van belang voor de
werkgelegenheid, waarover nog relatief weinig kennis
bestaat. In dit artikel wordt getracht om op dit onderdeel een
bijdrage te leveren.
De daling van werkgelegenheid in de steden komt slechts
gedeeltelijk voort uit de directe verhuizing van activiteiten uit
de stad naar elders. Daarnaast blijft de ,,groei” van de werkgelegenheid in de steden achter bij die in andere regie’s door
een geringer saldo van oprichtingen en opheffingen van bedrijven. Deze diverse componenten van de werkgelegenheidsontwikkeling hebben een zeer verschillend gewicht in het
totaal van de ontwikkelingen.
In dit artikel zullen wij ons concentreren op de
bedrijfsverplaatsingen. Het belang van de verplaatsingen
wordt in het algemeen groter naarmate de regio kleiner is. Uit
het reeds gedane onderzoek naar verplaatsingen van
bedrijven in Nederland 2) komt naar voren dat deze in het
verleden sterk gekenmerkt werden door een expulsie vanuit
de stedelijke gebieden met name in de Randstad en een
hervestiging zowel in de gebieden direct rondom de grote
steden (suburbanisatie) als, op beperktere schaal, ook in
verderaf gelegen gebieden (deconcentratie). Dit patroon is
overigens niet uniek voor Nederland en hangt in grote mate
samen met de algemene ruimtelijk-economische ontwikkeling
in Westerse landen.
De meeste studies die in Nederland tot nog toe zijn gedaan,
beperken zich tot de Randstad en daarbinnen nog tot de grote
steden 3). Zij vallen globaal uiteen in twee categorieen:
statistische analyses enerzijds en motievenonderzoeken
anderzijds. Kwantitatieve analyses van de omvang en de
samenstelling van de bedrijfsverplaatsing vanuit grote steden
zijn tot nog toe in Nederland beperkt gebleven tot Amsterdam 4) en Den Haag 5), vooral als gevolg van het feit dat
slechts voor deze steden behoorlijke statistische gegevens
beschikbaar waren 6). Voor deze steden zijn ook

608

onderzoeken gedaan naar de motieven die bedrijven ertoe
brachten om tot verplaatsing over te gaan 7).
Deze studies betreffen zonder uitzondering de periode voor
1973, d.w.z. een periode van groei. Sindsdien heeft de
economische crisis voor nogal ingrijpende wijzigingen
gezorgd, bij voorbeeld ten aanzien van de groeimogelijkheden
van het bedrijfsleven, de arbeidsmarktsituatie, de energiekosten enz. Te verwachten valt dat een en ander niet zonder
effect is gebleven op het verplaatsingspatroon van de
bedrijven 8). Dit zou bij voorbeeld zowel tot uiting moeten
komen in een verminderd aantal verplaatsingen als in een
wijziging van het ruimtelijk en sectoraal patroon van de
verplaatsingen. Onduidelijk is evenwel of deze ontwikkelingen zich ook inderdaad hebben voorgedaan, daar er tot nog
toe geen onderzoek naar is gedaan.

* De auteurs zijn verbonden aan het Nederlands Economisch
Instituut, afdeling Vestigingspatronen.
1) Zie in dit verband o.a. L.H. Klaassen, W.T.M. Molle en J.H.P.
Paelinck (red.), Dynamics of urban development, Gower Press,
Farnborough 1981, en L.H. Klaassen, W.T.M. Molle en J.H.P.
Paelinck (red.), De dynamiek van de stedelijke ontwikkeling in
Nederland, NEI, Rotterdam, 1981 (Olijfreeks).
2) Willem Molle, Industrial migration in the Netherlands, a synthesis
of empirical studies, NEI/PEER, 1981, nr. 4, binnenkort te verschijnen als hoofdstuk in het boek van L. H. Klaassen en W. T. M.
Molle (red.), Industrial migration and mobility in the European
Community, Gower Press.
3) Uitzonderingen hierop zijn o.a.: E. Wever, Industrielesuburbanisatie: enkele gegevens over Overijssel en Noord-Brabant, Geograflsch Tijdschrift, 1978, biz. 371-377; S. Grit, De dynamiek in een
regionaal industriele structuur: Gelderland 1955-1976, Geografisch
Tijdschrift, 1980, nr. 4, biz. 294-307.
4) Zie bij voorbeeld W. T. M. Molle, Industrial mobility, a review
of empirical studies and an analysis of the migration of industry
from the city of Amsterdam, Regional Studies, jg. 11, 1977, biz.
325-335.
5) Zie bij voorbeeld J. van der Linden (rapporteur), Rapport onderzoek migratiemotieven bedrijven, 1969-1974, Dienst Stadsontwikkeling, ‘s-Gravenhage.
6) Ook in het Rijnmondgebied is een bedrijfsregister operationeel,
waardoor het ook voor dit gebied mogelijk wordt kwantitatief
onderzoek naar bedrijfsverplaatsingen te verrichten. De periode
waarover gegevens beschikbaar zijn en het detail waarin zij
verschijnen stellen echter nog beperkingen.
7) Zie naast geciteerde onderzoeken met name ook die welke zijn
opgenomen in Molle, op. cit., 1977 en Molle, op. cit., 1981.
8) P. H. Pellenbarg, Bedrijfsmigratie in Nederland, Groningen,
1977.

In dit artikel wordt een poging gedaan in deze leemte te
voorzien. Daartoe zullen enkele recente bedrijfsmigratiegegevens (m.b.t. bedrijven en werkgelegenheid) van Amsterdam 9), betrekking hebbend op de periode 1974-1978, worden
geanalyseerd en vergeleken met de resultaten van een eerder
gepubliceerd onderzoek dat betrekking had op de periode
1967-1973 10). Drie aspecten van de bedrijfsverplaatsingen
zullen in aparte paragrafen worden besproken, te weten het
tijdspatroon, het bedrijfsklassepatroon en het ruimtelijk
patroon.
Voordat tot de behandeling van deze aspecten wordt
overgegaan zal eerst in het kort op enkele theoretische
aspecten worden ingegaan en zal bovendien het relatieve

belang van de verplaatsingen binnen het totaal van de ontwikkelingen die de dynamiek van de bedrijvigheid kenmerken, worden geschetst.
2. Theorie en hypothese

Theoretisch kan onderscheid worden gemaakt in factoren
die de mobiliteit en factoren die de migratie van bedrijven
bepalen. Mobiliteit kan worden gedefmieerd als geneigdheid om te verplaatsen en wordt be’invloed door factoren als
kapitaalintensiteit, ouderdom van de kapitaalgoederenvoorraad, stadium in de produktcyclus. De migratie wordt
gedefmieerd als de feitelijke verhuizing, welke wordt
be’invloed door externe factoren die de druk op bedrijven
uitoefenen om te verplaatsen, zoals technologische veranderingen, overheidsingrijpen, conjuncturele schommelingen
enz.
In de verscheidene onderzoeken naar de motieven voor
verplaatsing van een bedrijf wordt dit onderscheid niet
gevolgd, maar wordt veeleer onderscheid gemaakt in vertreken aankomstmotieven. De motieven die gebruikelijk als reden
voor vertrek worden genoemd zijn: gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden in of bij de bestaande vestiging, slechte
bereikbaarheid voor zowel personeel als goederen en factoren
als onvoldoende laad-, los- en parkeerruimte. In een aantal
gevallen bleek dat het bedrijf moest verdwijnen vanwege
overheidsmaatregelen in het kader van stadsvernieuwing,
beperking van hinder voor woonomgeving enz. Ook de
krapte op de arbeidsmarkt speelde voor een aantal bedrijven
een rol om te verhuizen.
Op de vraag naar motieven voor hervestiging komt vaak als
antwoord dat bedrijven zich gebonden voelen aan de
agglomeratie en daarom zo dicht mogelijk in de buurt van de
oude lokatie een nieuwe vestigingsplaats zoeken waar wel

met een verhuizing gepaard gaande kosten en eventuele
verhoogde huisvestingslasten vergeleken met de kosten van
het opheffen van knelpunten of het doorleven met bestaande
moeilijkheden op de oude lokatie. Bij goede toekomstperspectieven zal dit eerder tot een positieve migratiebeslissing aanleiding geven dan in een recessieve periode. Wij zullen
de hypothese van de cyclische schommeling toetsen in paragraaf 4.
Het is zeer waarschijnlijk dat er, om tot een migratiebeslissing te komen, minder druk van b.v. ,,golfbeweging” nodig is
voor bedrijven die mobiel zijn en meer druk voor bedrijven

die immobiel zijn (b.v. als gevolg van hoge investeringen).
Mobiliteitsbepalende factoren zijn nogal verschillend tussen
bedrijfsklassen (vergelijk bij voorbeeld de ,,immobiele”staalindustrie met een ,,mobiele” kleine drukkerij). Bovendien is

het waarschijnlijk dat het effect van wijzigingen in externe
factoren nogal verschillend kan zijn per type bedrijf. Te denken valt hier bij voorbeeld aan technische ontwikkelingen en
ruimtelijke beperkingen (vergelijk transportintensiteit en
transportinfrastructuur). Het lijkt dan ook nuttig na te gaan
oferzichindeverhuisfrequentiesvanbepaaldebedrijfstakken
verschillen voordoen als gevolg van mobiliteitsbepalende
factoren en tevens in hoeverre de veranderingen in de tijd zijn
terug te voeren op wijzigingen in de externe factoren. Deze
vraag zal in paragraaf 5 aan de orde worden gesteld.
Uit de literatuur is verder bekend dat er een bepaalde
samenhang bestaat tussen motieven en ruimtelijke patronen.
Zo is b.v. de lange-afstandsverplaatsing met name gericht op
arbeidsmarktfactoren, terwijl de korte-afstandsverplaatsing

met name zou samenhangen met ruimtelijke factoren. Als
gevolg van de wijziging in de conjunctuur kan men aannemen
dat er nu geen overwegende arbeidsmarktorientatie meer
bestaat. Dat zou dan ook betekenen dat de langeafstandsverplaatsing niet langer voorkomt. Daarentegen is in

de afgelopen periode in ruimtelijk beleid en ruimtelijke
omstandigheden geen grote verandering opgetreden. De
hypothese die in paragraaf 6 getoetst zal worden, is dan ook
dubbel: na 1973 zal enerzijds versterkte suburbanisatie t.o.v.
deconcentratie kunnen worden waargenomen en zal
anderzijds geen wijziging in de ruimtelijke suburbanisatiepatronen zijn opgetreden.

3. Verplaatsing en groei

de bereikbaarheid voor met name vracht- en personenauto’s
goed is. Bedrijven die vanwege de situatie op de stedelijke
arbeidsmarkt migreren hebben de neiging over langere
afstand te verhuizen en wel naar die gebieden waar veel van de
gewenste arbeidskrachten te vinden zijn, of wel naar gebieden
die een woonomgeving hebben die attractief is voor poten-

De totale werkgelegenheid in Amsterdam is in de totale
periode 1967/1978 met ongeveer 59.000 arbeidsplaatsen
gedaald. Voor rekening van bedrijfsverplaatsing naar buiten
Amsterdam kwam ongeveer 39.000 arbeidsplaatsen. Dit
laatste is meer dan 11% van het bestand in 1967, wat inhoudt
dat gemiddeld een verlies aan arbeidsplaatsen optreedt als
gevolg van bedrijfsverplaatsing van ongeveer 1% per jaar.
Bij deze verplaatsing naar lokaties buiten Amsterdam
waren in de genoemde periode bijna 3.300 bedrijven
betrokken. Dat is in totaal bijna 9% van het totale aantal

tie’le nieuwe of oude meeverhuizende medewerkers.

bedrijven dat in 1967 in de stad was gevestigd. Er is nogal wat

ruimte voor uitbreiding, laden, lossen en parkeren is en waar

De diverse elementen die uit deze motievenonderzoeken
naar voren komen, geven bij elkaar een redelijk beeld van wat
er zoal speelt bij bedrijfsverplaatsing. Wat zij echter niet

verschil in de migratieratio voor grote en kleine bedrijven.
Van de eerste (met meer dan 10 werknemers) vertrok

vermogen is aan te geven in hoeverre deze factoren zijn
gebonden aan specifieke situaties. Het relatieve belang ervan
verandert dan al naar gelang de mobiliteits- en/of migratie
bepalende externe factoren veranderen.
Een eerste hypothese, die ook nogal eens in de literatuur
naar voren komt, is dat de aantallen verplaatsingen
samenhangen met de golfbeweging van de conjunctuur 11).
De gedachte daarbij is dat in een oplopende conjunctuur er
relatief veel bedrijven zullen expanderen. Omdat een
expanderend bedrijf al gauw voor de noodzaak tot opnieuw
om dit te realiseren op een nieuwe lokatie die vanuit
bedrijfseconomisch oogpunt voordeliger is. Bij de afweging

9) Bureau van Statistiek der Gemeente Amsterdam, De Amsterdamse bedrijven, Statistische mededelingen van het Bureau van
Statisriek der Gemeente Amsterdam, 1978, nr. 223 en 1980, nr. 231.
10) Zie Molle, op. cit. 1977.
11) SIS WO, Industriele bedrijfsmigratie in Nederland in de jaren
1950-1962; een onderzoek naar vestigingsplaatsfactoren, 1967; M. E.
C. Sant, Industrial movement and regional development: The British
case, Londen, 1975; S. Nunn, The opening and closures of manufacturing units in the United Kingdom 1966-1975, Government

van de oude versus de nieuwe lokatie worden onder meer de

Economic Service, Working Paper nr. 36, Londen, 1980.

investeren komt te staan, wordt zo’n moment vaak gebruikt

ESB 16-6-1982

609

gemiddeld per jaar 1,4% van het bestand. Voor kleine

migratiepercentage van arbeidsplaatsen. In de tweede plaats

bedrijven lag dit percentage lager, namelijk op 0,8%.
Het is nuttig de rol van de verplaatsingen niet alleen te zien

blijkt dat procentuele mutatie van het aantal bedrijven

vanwege de talrijke oprichtingen en opheffingen groter is dan
de mutatie van de werkgelegenheid in de periode 1967-1973.

ten opzichte van de totale werkgelegenheid en de totale

Dit effect kan met name toegeschreven worden aan de kleine
bedrijven. Bij grote bedrijven zullen fluctuaties immers in
eerste instantie kunnen worden opgevangen door aanpassin-

aantallen bedrijven, maar ook ten opzichte van andere

componenten van de groei. Richten we ons ineerste instantie
op de werkgelegenheid, dan blijkt uit Kruijts analyse van het
cijfermateriaal van het Bureau voor de Statistiek dat in de

gen van de personeelsomvang, terwijl bij kleine bedrijven het
eerder een kwestie zal zijn van nieuw oprichten of opheffen.
Uit tabel 1 blijkt dat in de laatste periode de mutaties van
opheffing en oprichting nog in omvang zijn toegenomen. Was
in de eerste periode het negatieve saldo van oprichtingen en
opheffingen nog beperkt en in dezelfde orde van grootte als
het percentage van de verplaatsing, in de tweede periode blijkt
het saldo van beide componenten veel negatiever te zijn dan
dat van verplaatsing. Dit ligt voor de hand gezien de
economische ontwikkeling. Men hoeft niet te verwachten dat
de verhoudihgen tussen beide anders zullen liggen voor
werkgelegenheid, hoewel alle percentages mogelijk wat lager
zullen liggen.
Het beeld dat hieruit naar voren komt, is dat van een
relatief statisch patroon van bedrijfsverplaatsingen en een
aanmerkelijk veranderend patroon van opheffing en
inkrimping. Dit zou dan tot de conclusie aanleiding kunnen

periode 1967-1978 gemiddeld 2,2% van de arbeidsplaatsen
per jaar verloren zijn gegaan door opheffingen 12). De
werkgelegenheid daalde nog eens met gemiddeld 0,9% per
jaar als gevolg van een negatief saldo van uitbreidingen en
inkrimpingen. Daartegenover stond 2,3% groei per jaar als
gevolg van oprichtingen van nieuwe bedrijven, hetgeen

inhoudt dat het saldo van arbeidsplaatsengroei als gevolg van
opheffingen en oprichtingen in deze periode nog positief was.
Verder dient te worden opgemerkt dat beide componenten
afzonderlijk groter waren dan de verplaatsing van arbeidsplaatsen (0,9%).
Na 1973 zijn er geen gedetailleerde gegevens meer
beschikbaar over het relatieve belang van de componenten

van de groei voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid.
Het enige cijfer dat bekend is, is het verplaatsingspercentage
en dat is praktisch stabiel gebleven op 0,9.
Er zijn wel enige basisgegevens beschikbaar met betrekking
tot het relatieve belang van de componenten ten aanzien van
de ontwikkeling van het aantal vestigingen. Vanzelfsprekend
vervalt hierbij dan de component groei daar deze binnen een

geven dat voor het economisch beleid in het bijzonder
opheffingen en inkrimpingen interessant zijn, terwijl de

verplaatsingen vooral in het licht van het ruimtelijk beleid
bezien moeten worden. Deze punten zullen in de navolgende

en dezelfde vestiging wordt gerealiseerd. Net als bij de

paragrafen nader worden behandeld.

werkgelegenheid is ook hier de groep immigratie niet
opgenomen daar deze verwaarloosbaar klein is. De
betreffende cijfers zijn weergegeven in tabel 1.

4. Het tijdspatroon

Het vertrek van bedrijven uit Amsterdam naar andere
gemeenten in Nederland vertoont in de loop van de tijd vrij
grote schommelingen. Een beeld hiervan wordt gegeven in
tabel 2, welke voor alle jaren uit de periode 1967 tot 1978 een
overzicht geeft van het aantal bedrijven dat de stad verlaten
heeft alsmede van het aantal in die bedrijven werkzame
personen. Naast de gegevens voor alle bedrijven zijn ook

Tabel 1. Mutaties van het aantal vestigingen in Amsterdam in de
periode 1966-1973 en 1975-1978 in jaarlijkse percentages van

het gemiddeld bedrijvenbestand in de betreffende perioden
Oprichtingen
1966-1973
1975-1978

Opheffingen

Bedrijfsverplaatsing

6,1%

Bron: Bureau van Statistiek der Gemeente Amsterdam.

Uit tabel 1 blijkt in de eerste plaats dat het
migratiepercentage van bedrijven voor beide perioden 0,9 per
jaar is, hetgeen gelijk is aan het eerder genoemde

12) B. Kruijt, The changing spatial pattern of firms in Amsterdam:
Empirical evidence, TESG, jg. 70, 1979, nr. 3.

Tabel 2. Totaal aantal bedrijven en de daarin werkzame personen verplaatst vanuit Amsterdam naar buiten de gemeente in de

periode 1967-1978.
Jaar a)

verhuispercentage
b)

werkzame
personen

239
240
286
288
388
271
402
303
252
336
289
206

0,6
0,7
0,8
0,8
1,1
0,8
1,2
1,0
0,8
1,1
1,0
0,8

3.500

8,8

aantal

1967
1968
1969
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978

Totaal

Bedrijven met 10 of meer werknemers

Alle bedrijven
verhuispercentage
c)

gemiddelde
bedrijfsgrootte

aantal

verhuispercentage
b)

werkzame
personen

2.750
3.389
2.076
3.260
6.131
2.963
4.200
3.561
3.142
2.958
2.175
2.161

0,8
1,0
0,6
0,9
1,8
0,9
1,3
1.1
1,0
1,0
0,8
0,8

12
14
7
11
16
11
10
12
12
9
8
10

38.766

11,3

11

verhuispercentage
c)

gemiddel-

aandeel

de be-

van to-

drijfsgrootte

taal
aantal
bedrijven

55
60
63
66
91
61
50
71
49
64
38
46

1,2
1,3
1,5
1,6
2,3
1,6
1,4
2,0
1,4
1.9
1,1
1.4

714

15,5

2.241
2.891
1.508
2.590
5.243
2.353
3.286
2.823
2.604
2.092
1.473
1.667

0,8
1,1
0,6
1,0
2,0
0,9
1,3
1,2
1,1
0,9
0,7
0,7

41
48
24
39
58
39
65
40
53
33
39
36

23
25
22
23
23
23
12
23
19
19
13
22

85
73
79
86
79
78
79
83
71
68
77

30.771

11,0

43

20

79

a) Jaren tot 1974 lopen van oktober tot oktober, b.v. 1973 = oktober 1972 – oktober 1973.
b) Het aantal verhuisde bedrijven in procenten van het totaal aantal bedrijven in Amsterdam aan het begin van elk jaar.
c) Het aantal verhuisde werkzame personen in procenten van het totaal aantal werkzame personen in Amsterdam aan het begin van elk jaar.
Bron: Bureau van Statistiek der Gemeente Amsterdam.

610

aandeel
werkzame
personen
tov totaal aantal werkzame personen

81

vergelijkbare gegevens voor de grotere bedrijven (met meer
dan 10 werknemers) opgenomen. Dit is gedaan omdat in de
analyses die in de volgende paragrafen volgen alleen deze
groep nader beschouwd kan worden.
De cijfers in label 2 geven aan dat er een zekere
golfbeweging zit in het aantal verplaatsingen. Sinds 1967 is er

gegevens opgenomen

een stijging waar te nemen van het aantal bedrijven dat is

jaarlijkse mobiliteit voor beide perioden.

verplaatst, een stijging die zijn maximum bereikt in 1973, het
jaar van de oliecrisis. Na dat jaar is er sprake van een
geleidelijke daling. Dit patroon, dat zowel voor de totale
groep bedrijven als voor de grote bedrijven geldt, komt ook

Een analyse van de sectorale opbouw van de verplaatste
bedrijven kan om statistische redenen slechts geschieden voor
bedrijven met 10 of meer werknemers. In de waarnemingen
van het Amsterdamse bureau voor de statistiek wordt de

bedrijfsklasse zich in de tijd heeft gewijzigd. Daartoe zijn de
mobiliteitsgegevens per bedrijfsklasse samengebracht in tabel
3. Daarin wordt onderscheid gemaakt in twee perioden: de
ene betreft 1967-1973 en de andere 1974-1978. Gezien het

verschil in lengte tussen deze twee zijn in de tabel ook enkele
met betrekking tot

gemiddelde

tot uiting in de gegevens over de werkgelegenheid van beide

bedrijfsklasse ,,overige diensten” niet volledig meegenomen:

groepen bedrijven.

het ,,openbaar bestuur” en andere overheidsactiviteiten

Hoewel deze oppervlakkige beschouwing van het tijdspa-

blijven steeds buiten beschouwing.

troon ertoe zou kunnen leiden om de hypothese van de
invloed van de golfbeweging van de economische activiteit op
de verplaatsingen bevestigd te achten, blijkt bij nadere
beschouwing toch dat daarvoor maar weinig houvast bestaat.
Dit komt vrij duidelijk naar voren als de aantallen
verplaatsingen niet absoluut gezien worden, maar in relatie

groothandelsbedrijven is in de analyseperiode in totaal een
derde naar buiten de gemeente gelegen lokaties vertrokken.
Deze verplaatsingsactiviteit is in beide perioden relatief

tot het totale aantal in Amsterdam gevestigde bedrijven. Dan

praktisch even groot.

blijkt dat de verhuispercentages in de tijd vrij stabiel zijn.
Dit beeld verandert nauwelijks als de analyse wordt
verbijzonderd naar grootteklasse van de bedrijven. Zoals uit
de twee laatste kolommen van label 2 blijkt, maken de
bedrijven met tien of meer werknemers steeds zo’n 20% uit
van het totaal aantal bedrijven dat verhuist. De 20% grote
bedrijven zijn verantwoordelijk voor 80% van het verlies aan
arbeidsplaatsen (een ander voorbeeld van de 20-80%
vuistregel). De verplaatsingen van de grote bedrijven blijken
evenwel aan het eind van de jaren zestig en het begin van de
jaren zeventig een enigszinds belangrijkere rol te hebben
gespeeld dan in de overige jaren zeventig.
Gezien de grote stabiliteit van het verplaatsingspatroon in

De verplaatsingen van industriele bedrijven nemen 20%
van het totaal voor hun rekening. Relatief gezien stoot de
Industrie echter minder van haar bedrijven af (1%) dan de
tertiaire en kwartaire sector (1,5%). Dit laatste is echter
voornamelijk te danken aan de hoge cijfers voor de
groothandel. Wordt voor deze groep gecorrigeerd, dan komt
diensten ook op het gemiddelde van ca. 1 uit. Deze verhoudingen wijzigen zich nauwelijks tussen de beide perioden.
Dit is bepaald niet meer het geval als op de meer
gedetailleerde bedrijfsklassen wordt ingegaan. Inderdaad
blijkt dan dat er voor nogal wat bedrijfsklassen vrij

de beschouwde periode, lijkt er weinig ondersteuning te

wisselvallige ontwikkelingen optreden. Voor een gedeelte

vinden voor de hypothese van een dalende mobiliteit in een
periode van een dalende conjunctuur. Dit moge een
aanwijzing zijn dat veeleer andere factoren dan de
economische omstandigheden in algemene zin een belangrijke rol spelen voor het verplaatsingsgedrag van bedrijven.
Hierbij gaan de gedachten in de richting van gemeentelijke
maatregelen met betrekking tot stadsvernieuwing, metrobouw, verkeerscirculatie en van de beschikbare ruimte op

moeten deze aan toevallige factoren worden toegeschreven.
Voor een ander gedeelte zou echter kunnen worden verwacht
dat zij het gevolg zijn van de verschillen in readies van
bedrijfsklassen op veranderingen in de mobiliteitsbepalende
factoren enerzijds en van verschillen in de kracht van de

bedrijfsterreinen en in kantoren en de daar van belang zijnde
voorwaarden (erfpacht, prijzen).
De ontwikkelingen in de laatste twee jaren, vooral met
betrekking tot de grote bedrijven, laten evenwel zien dat de
bedrijfsmigratie vanuit Amsterdam enigszins aan het
afnemen is. Of dit samenhangt met de aan het eind van de
jaren zeventig verder afkalvende economic laat zich bij
gebrek aan recentere informatie moeilijk zeggen.

Bij bestudering van tabel 3 valt op dat groothandelsbedrij-

ven het grootste aandeel (46%) in de totale verplaatsingsactiviteit hebben; van de in 1967 in Amsterdam aanwezige

het jaarlijkse mobiliteitspercentage voor de resterende

migratie-invloeden anderzijds. In eerder onderzoek voor

Amsterdam 14) kon een, zij het zwak, verband worden
vastgesteld tussen de verplaatsingsintensiteit enerzijds en de
transportintensiteit en de optimale bedrijfsgrootte van de
bedrijfsklassen anderzijds. Op verschillende manieren is
getracht om na te gaan in hoeverre de wijzigingen die zich
hebben voorgedaan in deze twee variabelen evenals in een
aantal andere mogelijk ook relevante variabelen invloed

hebben uitgeoefend op de verplaatsingsintensiteit. Deze
analyse heeft geen duidelijke indicaties opgeleverd. Het
is mogelijk dat ons hierbij zowel het relatief gering aantal
bedrijven, als het samenvoegen van bedrijven in niet-homo-

gene bedrijfsklassen parten heeft gespeeld.
S. Het bedrijfsklassepatroon

De mobiliteit van de bedrij vigheid vanuit de grote stad kan
sterk verschillen naar gelang de aard van het bedrijf. Dit is
met name het gevolg van het feit dat de binding met het
grdotstedelijke milieu verschilt of dat de ruimtelijke
omstandigheden van de grote stad anders inwerken op de
bedrijfsontwikkeling: bepaalde typen bedrijven ondervinden
bij de bedrijfsvoering of expansie meer hinder van de
beperkingen die een vestiging in de stad hen oplegt dan
andere. In het onderzoek 13) betreffende de periode 19671973 bleken zulke omstandigheden zich met name voor te
doen in de bedrijfsklasse groothandel. Deze activiteit is in
hoge mate afhankelijk van aan- en afvoer per vrachtwagen,
welke grote moeilijkheden ondervindt van de verkeerssituatie
in de stad. Bovendien werd de groothandel door de technische

Kortom, er blijken geen saillante verschillen’te bestaan in
de mobiliteitspercentages van de bedrijfsklassen tussen de
beide perioden, waarin de economische situatie sterk
verschilde.

6. Het ruimtelijke patroon
Het geografisch patroon van de bedrijfsverplaatsing uit de
grote steden wordt gekenmerkt door suburbanisatie. Dit
hangt samen met het feit dat het met name ruimtelijke
factoren als gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden, slechte
bereikbaarheid enz. zijn die de verplaatsing veroorzaken.

ontwikkeling (met name de vorkheftruck) gedwongen naar
grote gelijkvloerse ruimten om te zien, die in de stad praktisch
niet voorhanden zijn.
Het is interessant na te gaan hoe de mobiliteit per
ESB 16-6-1982

13) Zie Molle, op. cit., 1977.
14) Zie Molle, op. cit., 1977.

611

Gezien de wens van bedrijven bij verplaatsing zoveel
mogelijk hun personeelsbestand en hun zakelijke contacten te
handhaven, vestigt een groot gedeelte van de verplaatsers zich
zo dicht mogelijk bij de oude lokatie op plaatsen waar de
belangrijkste ruimtelijke vestigingsvoorwaarden wel vervuld
zijn. Slechts een beperkt aantal verhuist over grotere
afstanden. Dit beeld wordt duidelijk geillustreerd door de
cijfers in label 4. Deze laten zien dat in de gehele periode 85%
van de bedrijven met 10 of meer werknemers die uit
Amsterdam vertrekken, zich hervestigt in drie westelijke
provincies (Randstad). Hiervan blijft dan weer ongeveer

driekwart in Noord-Holland. Naar het Uitstralingsgebied
verplaatst zich ongeveer 12,5% van het aantal bedrijven,
terwijl 2,5% een lokatie in de perifere provincies verkiest.
Andermaal kan nu de vraag worden gesteld of dit patroon
zich in de loop der jaren heeft gewijzigd. Dit blijkt nauwelijks

het geval te zijn. Zoals label 4 aangeeft blijkl hel aandeel van
de bedrijven dal zich in de twee perioden in de Randslad
hervesligl zeer slabiel le zijn. Dil geldl eveneens voor de
werkgelegenheid die mel deze bedrijfsverplaalsing is
gemoeid. De cijfers geven evenwel een indicalie dal de relatief
kleine bedrijven sinds 1974 dichter bij Amsterdam blijven,

Tabel 3. Aantal bedrijven met 10 of meer werknemers dat uit Amsterdam vertrokken is, naar bedrijfsklasse en periode
Aantal bedrijven

Bedrijfsklasse
(ISIC)

Aantal verplaatsingen

Jaartijks mobiliteitspercentage a)

1967

1974/1978

1967/1978

1967/1973

1974/1978

1967/1978

62
8
4
100
8
22
13
174
6
32
10
63
58
23
103
44

7

3
2

1.0

0,9
5,0

13
2
3
5
16
4
2
3
20
4
6
4
7

2

10
2
1
22
4
4
6
24
5
5
3
25
10
11
4
9

2,4
0,7
1,6
1.2
3.3
1,1
2,1
0,6
2,0
2,9
0,7
2,6
0,6
1.4

0,9

0,8
1,5
1,4
0,7
1,9
0,9
2,3
1,0
1,6
0,9
1,2
2,1
1,1
2.8
0,3
1,1

1.156

730

97

48

145

1,2

1,3

1,0

435
22

352
27

48

22

70

1,6

1,2

1,3

990
363
156
139
120
343
21
109
423
169

732
330
145
166
115
259
28
163
447
126

210
2

122
1

332
3

3,0

3,3

2,8

5
13
25

10
7
13

15
20
38

0,5
1,5
1,0

1,2
1,2
1,0

0,8
1,4
0.9

4
32
10

35
10

4
67
20

0,5
1,1
0,9

1.6
1,6

0,3
1,3
1,0

2.833

2.511

301

198

499

1,5

1,6

1,5

4.446

Tolaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

1967/1973

100
11
6
281
18
37
22
192
26
46
21
99
79
33
115
70
Industrie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

1974

3.620

446

268

714

1.4

1.5

1.3

1

9
2
1
1
8
1
3
5
6
5

1,8
5,0
0,9
1.5
0,9
3,3
1,8
1,5
2,0
4,3

Bron: Bureau van Statistiek der Gemeente Amsterdam.
a)

Het mobifiteitspercentage is berekend door het jaarlijks gemiddelde van het aantal verplaatste bedrijven per periode te delen door het bestand aan het begin van deze periode.

Tabel 4. Aantal bedrijven met 10 of meer werknemers en de daarin werkzame personen verplaatst vanuit Amsterdam naar elders
in Nederland in de periode 1967-1978
Absoluut
bedrijven

Procenten

werkzame personen

bedrijven

werkzame personen

1967/1973 1974/1978 1967/1978 1967/1973 1974/1978 1967/1978 1967/1973 1974/1978 1967/1978 1967/1973 1974/1978 1967/1978
268
69
38

10.544
3.316
3.822

7.005
954
1.273

17.549
4.270
5.095

60,1
15,5
8,5

60,8
11,6
13,4

60,4
14,0
10,4

52,4
16,5
19,0

65,7
9,0
11,9

57,0
13,9
16,6

230

605

17.682

9.232

26.914

84,1

85,8

84,8

87,9

86,6

87,5

«
4
21
1

}

431
100
74

375
Zuidetijke IJsselmeerpolders . . . . . . .

163
31
36

9
6
7
11
1

57

}

4* }

1.088

2
8
4

91

2.027

1
2
9
6

1
2

1.618

28
320
55

250
1.350
48

7
-°
0,9
4,7
0,2

1.239

3.266

12,8

10

34
1

Uitstralingsgebied . . . . . . . . . . . . . . . . .

32
2

65
861
!3

11

411 j
119
185
489
35

10
28
389
164

69
109

}

3,4 }
2,2
2,6
4,1
0,4

6,4

‘•«
0,3
4,3
0,1

12,7

12,7

10,1

0,4
0,4
1,8
0,9

1,5
4,5
0,3

0,1
0,3
1,3
0,8

0,4
0,7

}

3,9
1,1 }
1,7
4,6
0,3
11,6

»
0,8
4,4
0,2
10,6

0,1
0,1
1,6
0,3

0,7
1,0

0,1
1,3
0,5

Periferie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

14

4

18

403

188

591

3,1

1,5

2,5

2,0

1,8

1,9

Nederland . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

446

268

714

20.112

10.659

30.771

100,0

100,0

100.0

100.0

100.0

100.0

Bron: Bureau van Statistiek der Gemeente Amsterdam.

612

immers het aandeel van de bedrijven dat in de Randstad blijft
loopt iets op, terwijl het aandeel van de werkgelegenheid lets
terugloopt.
Hetzelfde kan overigens worden gezegd van het aandeel
van bedrijven die naar het Uitstralingsgebied verhuizen.
Hoewel in absolute termen gering van omvang (18 in totaal) is
er bij de verhuizingen naar de perifere provincies een tendens
tot daling waarneembaar. Verplaatste in het eerste tijdvak nog
3% van de bedrijven zich naar deze provincies, daarna is dit
tot de helft gereduceerd.
De verdeling over provincies binnen deze zones is nogal aan
schommelingen onderhevig. Aangezien het hier een gering
aantal bedrijven betreft, zal er niet verder op worden
ingegaan. Wel verdient vermelding dat enige verschuiving in
de bedrijfsverplaatsing van Utrecht naar Zuid-Holland is
opgetreden. Verder blijkt dat Noord-Holland in de tweede
periode kans heeft gezien binnen haar grenzen de relatief
grotere bedrijven te hervestigen, hetgeen voornamelijk ten
koste van Utrecht en Zuid-Holland ging. Immers, omvatten
de bedrijven die in Noord-Holland bleven gemiddeld 39
arbeidsplaatsen in het tijdvak 1967-1973, daarna liep dit op
tot 43. De relatief grotere bedrijven vertoonden derhalve de

tendens zich of wel dichter bij Amsterdam te hervestigen of
helemaal naar de uitstralings- en perifere provincies te verhuizen. Deaantrekkelijkheid vandeandere Randstadprovincies leek te verminderen.
Gezien de grote omvang van de korte-afstandverplaatsingen lijkt het interessant dit patroon wat nader te analyseren.
Daartoe zijn de kaarten 1 en 2 gemaakt. Deze kaarten geven
het aantal bedrijven weer dat in de beide perioden naar
gemeenten in de onmiddellijke nabijheid van Amsterdam
verhuisde.
In aanmerking nemende dat in de tweede periode het aantal
verplaatste bedrijven nogal wat lager lag dan in de eerste
periode, blijkt uit vergelijking van beide kaarten dat in grote
lijnen het beeld hetzelfde is gebleven. Het grootste gedeelte
van de bedrijven blijkt zich steeds in de onmiddellijke
nabijheid van Amsterdam te hervestigen, met name in de
zuidelijke schil. Toch lijkt het crop dat recent ook de
noordelijke schil iets meer in de belangstelling staat dan
vroeger: was het aandeel van de gemeenten ten noorden van
het Noordzeekanaal in de eerste periode nog maar 15% van

Kaart 1. Aantal verplaatsingen vanuit Amsterdam naar gemeente. 1967-1973

het totaal van de bedrijven die vanuit Amsterdam naar andere
plaatsen in de provincie verhuisden, in de tweede periode was
dit gestegen tot 21%. Voor zover het verplaatsing van
bedrijven uit Amsterdam betreft, lijkt het dus dat de
werkelijkheid iets dichter bij de wensen van het overloopbeleid gaat aansluiten dan in het verleden het geval was.
7. Conclusies

Uit voorgaande analyses bleek er een opmerkelijke
overeenkomst te bestaan tussen de verplaatsingspatronen die
golden in de periode voor 1974 en die voor de periode daarna
konden worden vastgesteld.
Opmerkelijk is de ontwikkeling van de rol die de
bedrijfsverplaatsingen spelen in het totale werkgelegenheidsverlies. Het aandeel van de bedrijfsverplaatsingen in de totale

teruggang is duidelijk gedaald, hetgeen impliceert dat de
andere oorzaken, zoals opheffingen en inkrimpingen een
belangrijkere rol zijn gaan spelen in de economische
ontwikkeling van Amsterdam.
De min of meer stabiele patronen duiden crop dat het
verschijnsel bedrijfsverplaatsing vanuit een stad als Amsterdam sterk bepaald is door factoren die inherent zijn aan de
economisch en ruimtelijke structuur van de stad, en veel
minder door factoren die verband houden met de veranderde
algemene economische situatie.
Deze conclusie wordt nog versterkt doordat uit enige
gedetailleerde analyses van sectorale ontwikkelingen en

geografische patronen bleek dat daarin over de tijd geen
duidelijke verschillen optraden. Slechts voor de laatste twee

jaren bestaan er lichte aanwijzingen voor een verminderde
verplaatsingsactiviteit. Onduidelijk is of dit voorboden zijn
van effecten die door de aanhoudende economische crisis
gaan werken, door andere omstandigheden worden veroorzaakt, of dat het voorbijgaande inzinkingen zijn, zoals ook
eerder wel waargenomen. Slechts de analyse van nog recenter
materiaal zal hier meer inzicht kunnen verschaffen.
W.T.M. Molle
J.G. Vianen.

Kaart 2. Aantal verplaatsingen vanuit Amsterdam naar gemeente, 1974-1978

B Stad Amsterdan

Stad Amsterda

10 vcstigingen

10 vcs.igingen

1 vestiging

1 verging

ESB 16-6-1982

613

Auteurs