Ga direct naar de content

Het milieu-initiatief

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 4 1992

Het milieu-initiatief
Als de schijn niet bedriegt, zijn de tijden van de euforie rond de zorg voor het milieu voorbij. In 1987
trok het Brundtland-rapport in opdracht van de Verenigde Naties veel aandacht, waarna in cms land het
RIVM-rapport Zorgen voor morgen verscheen. Het
Nationaal milieubeleidsplan en de aangescherpte
versie van het huidige kabinet (NMP-plus) hielden
de spanning er enige tijd in. Maar wie nu in de pers
wil scoren, moet zware middelen inzetten. Het recente tweede Internationale Watertribunaal, met aanklachten tegen en veroordelingen van regeringen en
bedrijven, haalt nog de pers, maar een energieheffing wordt al spoedig in de partijpolitieke rivaliteit
getrokken. Dergelijke golfbewegingen in de publieke belangstelling zijn een normaal verschijnsel. Bewustzijn van milieuproblemen en ontkenning van
mogelijke oplossingen ervan wisselen elkaar periodiek af.
De vraag dringt zich op of er over milieuvraagstukken consensus mogelijk is. Of er met een beroep op
rationed handelen niet een weg kan worden gevonden om gezamenlijk milieuvraagstukken op te lossen. Wie in dit opzicht verlangend naar de wetenschap kijkt, komt vaak bedrogen uit. Wetenschappers hebben de mond vol van rationed handelen,
maar hebben daarnaast een geboren aanleg om elkaar tegen te spreken. Zij erkennen doorgaans spoedig van veel weinig te weten en veel politick gevoel
kan hun meestal niet worden toegeschreven. De politick op haar beurt heeft de neiging te veel te willen en te overvragen, waardoor dikwijls geen bevredigend resultaat van het beloofde beleid kan
worden bereikt. De politick heeft dan ook een ingebouwd mechanisme om haar eigen geloofwaardigheid te verliezen. Het bedrijfsleven, met name in Nederland, heeft de neiging de publieke milieudiscussie met enige vrees en op een afstand gade te
slaan, overigens niet zonder zelf de milieuproblemen serieus te nemen. Als bedrijven al niet op eigen
initiatief tot beleidsaanpassing overgaan, dwingen
werknemers en consumenten dit in toenemende
mate af.
Ook al is de euforie voorbij, de milieudiscussie van
de laatste jaren heeft veel opgeleverd. Een van de
verworvenheden is de brede steun voor ‘de economic van het evenwicht’. Dat wil zeggen voor het
zoeken naar een samenleving die tegelijkertijd voorziet in de behoeften van de mens, de instandhouding en de ontwikkeling van het sociale systeem en
in de voortzetting van een echte samenwerking met
de natuur. Als gevolg hiervan worden pogingen in
het werk gesteld de hoeveelheid bedrijfsafval drastisch te verminderen, wordt integraal beheer van
produktieketens ten behoeve van het maximeren
van het milieurendement steeds vaker realiteit en raken consumenten gewend om bij te dragen aan het
beperken van de milieuschade.
In de loop van 1991 heeft de Britse overheid een
commissie ingesteld die tot taak heeft om een onafhankelijk advies te geven over de maatregelen die
moeten worden getroffen om het milieuprobleem

ESB 4-3-1992

beheersbaar te maken. In deze commissie zitten uitsluitend ondernemers. Critici hebben laten weten
dat je de kat niet op ‘t spek moet
binden. Niettemin is deze commissie onder de welluidende naam
The green partners’ haar werkzaamheden begonnen, op zoek naar normen die bij de bedrijfsvoering kunnen worden toegepast, naar
actieplannen om deze normen aan
te scherpen en naar middelen om
het resultaat van deze inspanningen
te meten. Met veel aandacht voor
het broeikaseffect, voor ‘recycling’
en de ontwikkeling van groene
technologic. Op ongeveer hetzelfde
moment is onder leiding van de Zwitser Schmidhei- W.J. deRidder
ny de Business Council for Sustainable Development opgericht. Deze commissie, bestaande uit 48
ondernemers uit vele landen, heeft tot taak om voorstellen te doen voor de komende UNCED-conferentie in Rio de Janeiro. Het uitgangspunt van deze
commissie is dat milieubescherming het belangrijkste probleem is voor de markteconomie. Onze economische orde moet nog bewijzen dat zij milieuvraagstukken kan oplossen, zo merkte Schmidheiny
in een interview in Die Zeit (7 februari 1992) op.
Terug naar de Nederlandse politick. Zolang de wetenschap haar gelederen niet sluit en daarmee geen
reele partij is in de maatschappelijke discussie rond
het milieubeleid en de overheid politick gezien
even gas moet terugnemen, wordt het tijd om de industrie het initiatief in handen te geven. Het zou
een uniek experiment zijn om aan het gezamenlijke
Nederlandse bedrijfsleven de opdracht te geven een
nationaal milieubeleidsplan op te stellen dat de Nederlandse bijdrage vorrnt aan ‘de economic van het
evenwicht’. De vraag is slechts of de onderlinge belangentegenstellingen in het bedrijfsleven de meningsvorming niet belemmeren en of het verkregen
‘recht van initiatief voldoende prikkels geeft om gezamenlijke besluitvorming mogelijk te maken. Het
lijkt dan ook noodzakelijk om aan dit milieu-initiatief de conditie te verbinden dat het bedrijfsleven rekening mag houden met zijn internationale concurrentiepositie, met afspraken die in EG-verband zijn
en moeten worden getroffen en met de technologische mogelijkheden die zich nu en in de nabije toekomst voordoen. Daarbij mag de verplichting gelden dat in samenhang met de te verwachten milieueffecten de gevolgen voor de economische structuur van ons land voor de werkgelegenheid en de
koopkracht worden onderzocht.
Indien de grote technologische instituten aan dit experiment hun medewerking verlenen, is de kans
groot dat er over enige tijd in ons land een milieuconsensus wordt bereikt. In dat geval is optimaal gebruik gemaakt van de periode waarin het overheidsbeleid op dit terrein publiekelijk even wat minder
scoort.

Auteur