Ga direct naar de content

Het einde van het Zweedse model

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: maart 25 1992

Net einde van het Zweedse
model
R. Leering en B. Leeftink*

D

e uitzonderlijk lage werkloosheid in Zweden is niet zonder meer toe te schrijven
aan het ‘Zweedse model’, dat bestaat uit een solidaristische loonpolitiek, een
actief arbeidsmarktbeleid en een restrictief macro-economisch beleid. Het model
lokt namelijk onverantwoorde loonstijgingen uit. Om de werkloosheid desondanks
laag te houden is de werkgelegenheid in de collectieve sector uitgebreid en is de
concurrentiepositie verbeterd door devaluaties van de Zweedse kroon. Als Zweden
tot de EMU toetreedt behoren deze beleidsopties tot het verleden en zal Zweden niet
langer in staat zijn volledige werkgelegenheid te handhaven.

Zweden ondergaat momenteel grote veranderingen.
Het land heeft zich aangemeld bij de EG en de onlangs gehouden verkiezingen hebben een nederlaag
voor de socialisten opgeleverd, waarmee de macht
in handen is gekomen van de centrum-rechtse regering-Bildt. Hiermee lijkt een einde te komen aan het
zeer succesvolle anti-werkloosheidsbeleid waarmee
Zweden internationaal naam heeft gemaakt. Het succes van dit beleid wordt veelal toegeschreven aan
het befaamde Zweedse model. In dit artikel wordt
nagegaan in hoeverre de zeer lage werkloosheid inderdaad kan worden toegeschreven aan implementatie en effectiviteit van het Zweedse model. Daarnaast wordt aangegeven in hoeverre het Zweedse
model in de huidige situatie nog levensvatbaar is.

Kenmerken van het model
Het Zweedse model is in het begin van de jaren vijftig ontworpen door de vakbondseconomen Meidner
en Rehn. Het model is gebaseerd op een driesporenbeleid, aan de hand waarvan de doelstelling van volledige werkgelegenheid gerealiseerd moet worden.
Het eerste spoor is de solidaristische loonpolitiek,
die uitgaat van het principe ‘gelijk loon voor gelijk
werk’. Dit houdt in dat lonen in hoogproduktieve
sectoren lager zijn dan mogelijk is op basis van de
produktiviteitsontwikkeling, en vice versa in laagproduktieve sectoren. Als gevolg van deze ontkoppeling van produktiviteit en loon zal de winst per
eenheid produkt in hoogproduktieve bedrijven toenemen, terwijl de minst efficiente ondernemingen
gedwongen worden de poorten te sluiten. Langs
deze weg moet de solidaristische loonpolitiek de
(hoogproduktieve) groeisectoren van de economic
stimuleren en daarmee een gunstige economische
ontwikkeling waarborgen. De produktietoename in
de groeisectoren zou over het algemeen voldoende
moeten zijn om het arbeidspotentieel op te vangen
dat vrijkomt uit de zwakkere (laagproduktieve) sectoren.

ESB 25-3-1992

Het tweede spoor van het beleid, de actieve benadering van de arbeidsmarkt, sluit hierop aan. Onderdeel van het actieve arbeidsmarktbeleid zijn namelijk de mobiliteitspremies. Met deze premies moet
worden voorkomen dat werklozen achterblijven in
regie’s met slechte werkgelegenheidskansen. De
premies worden vergezeld door uitgebreide
(om)scholingsmogelijkheden die knelpunten op delen van de arbeidsmarkt moeten voorkomen. Daarnaast krijgen werklozen een zeer intensieve begeleiding bij het zoeken naar een baan. Daar staat
tegenover dat een werkzoekende, op straffe van forse kortingen op zijn uitkering, verplicht wordt een
aangeboden baan te accepteren, ook als die niet
aansluit bij zijn opleiding en wensen. Die banen
moeten er wel zijn. In perioden van laagconjunctuur
zal de werkgelegenheidsgroei in de groeisectoren
vaak niet toereikend zijn om het verlies aan arbeidsplaatsen in de laagprodukieve sectoren te compenseren. Onderdeel van het arbeidsmarktbeleid is daarom dat de werklozen in een dergelijke situatie een
tijdelijke baan in de collectieve sector aangeboden
krijgen. Zodoende wordt voorkomen dat recessies
gepaard gaan met een fors oplopende werkloosheid.
Het risico van het Zweedse model is dat het aan zijn
eigen succes ten onder gaat. Het gevolg van een effectieve werkloosheidspreventie is immers een aanhoudend krappe arbeidsmarkt, waardoor er constant dreiging is van een uit de hand lopende
loonontwikkeling. Om deze inflatoire impuls tegen
te gaan dient het macro-economische beleid overwegend restrictief te zijn. Ook een verantwoord gecen-

* R. Leering is werkzaam als student-assistent bij de vakgroep Micro-economie aan de Universiteit van Amsterdam.
B. Leeftink is werkzaam bij de leerstoelgroep Internationale Economische Betrekkingen en is tevens verbonden aan
het Tinbergen Instituut. De auteurs bedanken H. Jager
voor nuttig commentaar op een eerdere versie.

« 297 *

120

Relatieve arbeidskosten
ijke
(gemeenschappelijk valuta)

Relatieve loonkosten
.••”**

V

110

100

Relatieve produktiviteir

90

80

Effectieve wisselkoers

70

60

1970

Figuur 1. Con-

1975

1980

1985

1988

traliseerd loonbeleid, ter behoud van de concurren-

currenttekracht tiepositie, moet de inflatie in de hand houden. Deze
gemeten in kos- instrumenten vormen het derde spoor van het
ten per eenbeid
Zweedse model.
produkt, 19701988

Implementatie

De solidaristische loonpolitiek is daadwerkelijk
geimplementeerd. Uit de Zweedse Saltercurve, die
het verband weergeeft tussen het loonniveau en de
toegevoegde waarde per werknemer, blijkt dat er

sprake is van een ontkoppeling van de produktivi-

teit en de loonvoet1. Bovendien valt uit de curve af
te lezen dat slechts een zeer laag percentage van de
industriele werknemers werkzaam is bij bedrijven

waar het loon hoger is dan de produktiviteit.
Ook het tweede instrument van het Zweedse model, het actieve arbeidsmarktbeleid, is daadwerkelijk in praktijk gebracht. Dit blijkt uit de vele scholingsprogramma’s die in het leven geroepen zijn, de
intensieve begeleiding van werklozen bij het zoeken naar een baan en de omvangrijke verstrekking
van mobiliteitspremies, die tot enkele duizenden
guldens kunnen oplopen. Daarnaast heeft men een
soepele aansluiting van het arbeidsaanbod op de
vraag proberen te bereiken door werkgevers te verplichten om alle vacatures bij het arbeidsbureau aan
te melden.
Met betrekking tot de implementatie van het derde
beleidsspoor, restrictief loon- en macro-economisch
beleid, is het beeld gemengd. Door de lage werkloosheid op macroniveau en, in mindere mate, de
onvermijdelijke (tijdelijke) spanningen op deelmarkten, heeft er de afgelopen twee decennia continu
een opwaartse druk op de lonen gestaan in Zweden. De empiric wijst uit dat de inflatoire impuls die

daarvan uitgaat lang niet altijd is tegengegaan door
een restrictief macro-economisch beleid en een verantwoord gecentraliseerd loonbeleid. Illustratief
hiervoor is de periode rond het midden van de jaren
zeventig. In deze periode was de arbeidsmarkt, met
een werkloosheid van 1,6%, zelfs voor Zweedse begrippen erg krap. Gevoegd bij de, onder invloed
van de oliecrisis, reeds oplopende inflatie, leidde dit
tot een dusdanige stijging van de lonen dat de relatieve loonkosten per eenheid produkt (p.e.p.) snel
toenamen (zie figuur 1). Aangezien deze kostenstijging slechts gedeeltelijk opgevangen werd door een

daling van de winstmarge, vertaalden de loonsiij-

298

gingen zich via een verder oplopend prijspeil in een
verslechtering van de concurrentiepositie en in het
kielzog daarvan een daling van de werkgelegenheid
in de particuliere sector.
Door het onverantwoorde beleid van de vakbonden
is ook de overheid destijds in verleiding gebracht om
af te wijken van het Zweedse model. In plaats van het
voeren van een restrictief macro-economisch beleid
gericht op het terugdringen van de inflatie, kreeg het
beleid in toenemende mate een expansief karakter.
De regering probeerde de daling van de werkgelegenheid in de private sector tegen te gaan door op grote
schaal ondersteuning te verlenen aan noodlijdende
sectoren . Daarnaast voerde de regering het tempo
op waarmee de werkgelegenheid in de collectieve
sector werd uitgebreid. Omdat het resulterende tekort
op de overheidsbegroting deels monetair werd gefinancierd, had ook het monetaire beleid een expansief
karakter in deze periode.

Evaluatie
Uit label 1 blijkt dat Zweden met succes de hoofddoelstelling van het beleid, werkloosheidspreventie,
heeft nagestreefd. Met betrekking tot de nevendoelstellingen, voorspoedige economische groei en een
lage inflatie, is het beeld gemengd. Afgezet tegen het
groeicijfer voor de EG is de economische groei in
Zweden mager geweest. De inflatie ligt gemiddeld lager dan in de EG, maar is in absolute zin vrij hoog.
Het werkloosheidsverschil tussen Zweden en de EG
is niet het gevolg van een gunstige ontwikkeling
van het arbeidsaanbod in Zweden. Sterker, de groei
van het aanbod in Zweden was gedurende de periode 1973-1989 15,5% tegen 11,5% in de EG3. Uit de
groei van de werkgelegenheid met bijna 17% in
deze periode blijkt dat Zweden in staat is geweest
de toename van het arbeidsaanbod op te vangen.
Dit in tegenstelling tot de EG waar de groei van de
werkgelegenheid met 6,3% ruim achterbleef bij de
groei van het arbeidsaanbod. De vraag kan gesteld
worden in hoeverre deze gunstige werkgelegenheidsontwikkeling samenhangt met de implementatie en effectiviteit van het Zweedse model.

Solidaristische loonpolitiek
Uit de data kan niet worden afgeleid dat het solidaristische loonbeleid de beoogde hoge produktiviteitsontwikkeling en daarmee voorspoedige economische groei teweeg heeft gebracht. Vergelijken we
de produktiviteitscijfers voor de Zweedse industrie
met die van de EG, dan blijkt dat de ontwikkeling in
Zweden niet gunstig afsteekt bij deze landen, waar
nooit een expliciete ontkoppeling van produktiviteit
en loon heeft plaatsgevonden. Zoals blijkt uit label
1 is de produktivileilsgroei in de Zweedse induslrie
de afgelopen drie decennia zelfs iels lager geweest
dan in de EG4. Niet alleen in de induslrie maar ook
in de landbouw- en dienslensector was de produkliviteitsonlwikkeling zwak. Hiermee is een belangrijke reden achterhaald voor de achterblijvende economische groei in de Zweedse particuliere sector. In

1. OESO, Economic Surveys, Sweden, 1988-1989, biz. 77.
2. OESO, Economic Surveys, Sweden, 1984-1985, biz. 45.
3. Eurostat Review, meerdere jargangen.
4. OESO, Historical Statistics, 1960-1989.

combinatie met een afnemende arbeidsintensiteit
van de produktie heeft dit ertoe geleid dat de werkgelegenheid in de particuliere sector over de periode 1960-1986 met een half miljoen personen is afge-

nomen5.

Het feit dat het solidaristische loonbeleid niet in
staat is geweest de beoogde produktiviteits- en
werkgelegenheidsontwikkeling in de particuliere
sector te realiseren, geeft aan dat het model op een
belangrijk punt heeft gefaald. De sterke werkgelegenheidsgroei in Zweden is dan ook in toenemende
mate te danken geweest aan de expansie van de collectieve sector, het aandeel van de publieke sector
in de totale werkgelegenheid is toegenomen van

12,8% in I960 tot 31,8% in 19896.

’68- ’73
Zw EG
Econ. groei

Inflatie
Werkloosheid
Prod. gr. ind.

3,7
6,0
2,2

5,4

4,8

6,2
2,7
4,7

73-79
EG

Zw

1,8
9,8
1,9
1,6

2,5
12,3
4,8
2,6

79-’89
Zw EG
2,0
7,9

2,5
2,4

2,2

7,5

9,7
2,5

’60-’89
EG

Zw

3,4

2,9
6,8
2,1
3,3

7,2

6,1
3,5

Econ. groei – Gemiddelde jaarlijkse procentuele mutatie bbp;
Inflatie – gemiddelde jaarlijkse inflatie;
Werkloosheid • gemiddelde jaarlijkse werkloosheid in procenten van de
beroepsbevolking;

Prod. gr. ind. = gemiddelde jaarlijkse procentuele mutatie van de arbeidsproduktiviteit in de Industrie.
Bron: OESO, Historical Statistics, 1960-1989.

Actief arbeidsmarktbeleid

is opgetreden bij een krappe arbeidsmarkt. Dit

Tabel 1. Kern-

Het actieve arbeidsmarktbeleid heeft wel een duidelijke positieve rol gespeeld in de voorspoedige
werkloosheidsontwikkeling. Een belangrijke verdienste van het beleid is dat het er in geslaagd is om

duidt crop dat ook de Zweedse vakbonden in een

gegevens Zwe-

dergelijke situatie loonstijgingen verkiezen boven
werkgelegenheid. Daarnaast moet bedacht worden
dat de loonvorming slechts gedeeltelijk op centraal

1960-1989

de verschillende soorten arbeid op het juiste moment en op de juiste plaats aanwezig te laten zijn.
Hiermee werd voorkomen dat Zweden, in navolging van veel EG-landen, werd geconfronteerd met

een oplopende frictie- en kwalitatieve structurele
werkloosheid. Dit komt tot uiting in de stabiliteit
van de Zweedse UV-curve. Terwijl de UV-curve
voor de EG gedurende de laatste twee decennia
naar buiten is opgeschoven, is de relatie tussen

den en EG,

niveau heeft plaatsgevonden. Decentrale loonvorming zal eerder tot onverantwoorde loonstijgingen
leiden, aangezien er op decentraal niveau minder rekening wordt gehouden met de werkgelegenheidsef-

fecten van de loonvorming. Een derde verklaring is
mogelijkerwijs een tekortschietende solidariteit van
de werknemers in de hoogproduktieve sectoren ten
opzichte van nun collega’s in de laagproduktieve
sectoren. De werknemers in de hoogproduktieve

werkloosheid (U) en vacatures (V) voor Zweden vrij-

sectoren zouden wel akkoord gaan met het ‘gelijk

wel onveranderd gebleven7. Meer in het algemeen

loon voor gelijk werk’-principe, maar willen hun
loon niet te ver onder hun produktiviteit laten zak-

is de timing van het actieve arbeidsmarktbeleid
goed geweest. In de jaren waarin de werkloosheid
oploopt, wordt de stijging snel een halt toegeroe-

ken. Vanwege het ‘gelijk loon voor gelijk werk’-principe komt de gemiddelde loonstijging hoger uit dan

pen door een verhoogde deelname aan de scholingsprogramma’s en het uitbreiden van de tijdelijke

wanneer deze een middeling is van de produktiviteitstoename over alle sectoren.

werkverschaffing8.

Aanvullend beleid
Restrictief loon- en macro-economisch beleid
Zoals gememoreerd hebben de Zweedse vakbon-

den en de Zweedse overheid zich niet altijd gehouden aan het derde beleidsspoor, een restrictief loonen macro-economisch beleid. Zo was in het midden
van de jaren 70 zowel de loonvorming als het ma-

cro-economische beleid expansief van aard. Het expansieve begrotingsbeleid moet worden beschouwd

als een poging om ondanks het onverantwoorde
loonbeleid toch de hoofddoelstelling van het
Zweedse model, volledige werkgelegenheid, te bewerkstelligen. De stijging van de lonen was strijdig
met het derde beleidsspoor. Dat de loonontwikkeling in de jaren ’70 geen incident is geweest, blijkt
bij voorbeeld uit de loonontwikkeling in 1983-1984

en 1988-1991. Hiermee wordt duidelijk dat de loonontwikkeling een zwak punt van het model is. Zonder een verantwoord loonbeleid van de vakbonden
zal het Zweedse model zeker niet goed functione-

ren. De loonontwikkeling kan als verantwoord gekenmerkt worden als de stijging van de loonkosten
per eenheid produkt in binnnenlandse valuta in
Zweden niet hoger is dan de stijging van deze kosten in de concurrerende landen, zodat de concurren-

tiepositie in tact blijft en/of de winstmarge hierdoor
niet wordt aangetast.
Het voorgaande roept de vraag op wat de oorzaken
zijn van het onverantwoorde loonbeleid, dat telkens

ESB 25-3-1992

Men kan zich echter afvragen of een verantwoord
loonbeleid voldoende zou zijn geweest om succes
van het Zweedse model te garanderen. Gealar-

meerd door het onverantwoorde loonbeleid en de
mede daaruit resulterende dalende werkgelegenheid in de particuliere sector, devalueerde de
Zweedse overheid de kroon in 1975 en 1976 met respectievelijk 3% en 5%. Bovendien deprecieerde de
kroon, omdat in het mandje waaraan de ze destijds
was gekoppeld de in waarde dalende dollar oververtegenwoordigd was. De devaluaties en depreciatie
waren zo groot, dat de loonkosten ten opzichte van
het buitenland vanaf 1975 niet stegen maar daalden
(zie figuur 1), waarvan zowel de concurrentiepostie
als de winstmarge profiteerden. In de beginjaren

1980 werd dit beleid herhaald. Ook toen werd de
verslechtering van de concurrentiepositie, als gevolg van de stijging van de loonkosten p.e.p. tegen
gegaan door devaluaties in 1981 en 1982. In totaal

devalueerde de kroon met bijna 26%. Wederom was

5. OESO, Economic Surveys, Sweden, 1988-1989, biz. 60.

6. OESO, Historical Statistics, 1960-1989
7. OESO, Economic Surveys, Sweden, 1988-1989.
8. L. Calmfors en A. Forslund, Wage formation in Sweden,

in: L. Calmfors (red.), Wage formation and macro-economic policy in the nordic countries, Oxford, 1990.

299

Zweden
BTW

Inkomstenbelasting
Vennootschapsbelasting
Collectieve-uitgavenquote

EG

25
51
30
60,1

17,3
50,2
38,6
47,6

Bronnen: T.H. van Hoek en J.S.M. Groot, Beleidsimplicaties van een Econotniscbe en Mone/taire Unfe in Europa, Onderzoeksmemorandum, nr. 73,
CPB, Den Haag, 1991; OESO, Economic outlook, nr. 49, juli 1991. Ink.bel. be-

treft hoogste tarief. Zweden 1991 en E(^1989.

Tabel 2. Betas- ^/sprake van overcompensatie; de devaluaties leidtingtarieven ‘ den tot een daling van de relatieve loonkosten p.e.p.

en uitgaven-

De devaluaties van 1981 en 1982 hebben tot substan-

quote, Zweden
tiele werkgelegenheidseffecten geleid. Dit kan woren EG

den afgeleid uit schattingen die zijn gemaakt voor
de reele wisselkoerselasticiteit van de produktie en
de produktie-elasticiteit van de werkgelegenheid.
Uit door ons gemaakte berekeningen blijkt dat zonder de devaluaties de werkgelegenheid in de periode 1981-1984 met 5% zou zijn gedaald. In werkelijkheid steeg de werkgelegenheid in deze periode met
1% . In feite voerde de Zweedse overheid hiermee
een ‘beggar-thy-neighbour’-beleid, hetgeen een belangrijke verklaring is voor de lage werkloosheid in
Zweden.
Uit het bovenstaande volgt dat indien het beleid
strikt volgens de regels van het Zweedse model was
gevoerd, en er geen devaluaties hadden plaatsgevonden, de prestaties van de Zweedse economie
slechter waren geweest. De devaluaties hebben immers tot overcompensatie geleid. Zodoende zou de
concurrentiepositie zich bij een verantwoorde loonontwikkeling zonder devaluaties slechter ontwikkeld hebben, waardoor de daling van de groei van
de werkgelegenheid in de particuliere sector groter
zou zijn geweest, dan in werkelijkheid al het geval
was.
Naast de doorgevoerde devaluaties heeft de overheid de werkloosheid in Zweden laag gehouden
door de reeds gememoreerde uitbreiding van de
werkgelegenheid in de collectieve sector. Ook deze
beleidsmaatregel maakt duidelijk dat het model zelf
niet in staat is gebleken de doelstelling van volledige werkgelegenheid te realiseren. In het oorspronkelijke model is uitbreiding van de werkgelegenheid in de collectieve sector immers alleen
toegestaan om de uitstoot van arbeid uit de laagpro-

duktieve sectoren tijdelijk op te vangen. Dat de
werkgelegenheid in de collectieve sector trendmatig
gestegen is vanaf de jaren ’60, duidt crop dat de
hoogproduktieve sectoren deze uitstoot in onvol-

doende mate hebben geabsorbeerd.
Nadere analyse van het model leert dat deze constatering niet zo opmerkelijk is. De solidaristische
loonpolitiek leidt ertoe dat de gemiddelde arbeidsproduktiviteit zal stijgen, omdat na elke onderhande-

Gevolgen van toetreding tot de EMU
Nu gebleken is dat het aanvullende beleid een belangrijke verklaring is voor de gunstige werkloosheidsontwikkeling in Zweden, resteert de vraag in
hoeverre het Zweedse model inclusief aanvullend
beleid in de nabije toekomst toepasbaar is op de
Zweedse economie. Ons inziens zijn de mogelijkheden daartoe beperkt. Het verschil met het verleden
is dat de overheid niet kan terugvallen op het aanvullende beleid om de dreigende werkloosheidsstijging het hoofd te bieden.
Zo lijkt het ten eerste uitgesloten dat er opnieuw gedevalueerd zal worden, omdat de Zweedse autoriteiten vooruitlopend op de aanvraag van het EG-lidmaatschap afgelopen mei er toe over zijn gegaan de
Zweedse kroon te koppelen aan de ecu. Dat het de
autoriteiten ernst is met deze koppeling is afgelopen december gebleken toen de Zweedse autoriteiten het disconto, ter verdediging van de wisselkoers, met maar liefst 6% verhoogden. Op het
moment dat Zweden toetreedt tot de EMU behoren
de devaluaties definitief tot het verleden. Zoals aangetoond hebben de wisselkoersaanpassingen destijds tot substantiele werkgelegenheidseffecten geleid, zodat het wegvallen van dit beleidsinstrument
een belangrijke handicap is.
Ten tweede lijkt ook de andere aanvullende beleidsmaatregel, uitbreiding van de collectieve sector, in
de toekomst uitgesloten. Naast het gegeven dat de
collectieve sector met een aandeel van 32% in de totale werkgelegenheid zo langzamerhand zijn ‘natuurlijke’ grenzen bereikt heeft, betekent toetreding
tot de EMU dat deze beleidsoptie definitief komt te
vervallen. Zweden zal zich in een Verenigd Europa
namelijk geen collectieve-lastendruk kunnen veroorloven die substantieel hoger ligt dan het Europese
gemiddelde. De werkgelegenheid in de collectieve
sector zal hierdoor eerder afnemen dan toenemen.
De belastinghervormingen in 1990 en 1991 hebben
reeds in belangrijke mate bijgedragen aan harmonisatie (lees: verlaging) van tarieven ten opzichte van
het EG-gemiddelde (zie label 2). Nu zichtbaar wordt
dat deze belastinghervormingen tot een aanzienlijke
inkomstendaling leiden, zal er in de uitgaven moeten worden gesneden. De huidige regering-Bildt

heeft dan ook forse bezuinigingen aangekondigd.
Gezien het grote aandeel van de salariskosten in de
totale collectieve uitgaven, zullen de bezuinigingen
zonder twijfel negatieve gevolgen hebben voor de
werkgelegenheid(sgroei) in de collectieve sector en
daarmee de werkloosheid doen toenemen.
Ten derde is een intensivering van het (gecentraliseerde) arbeidsmarktbeleid onwaarschijnlijk aangezien dit beleid momenteel een decentralisatieproces
ondergaat. Enerzijds is er sprake van een decentralisatietendens binnen de vakbonden. Tot voor kort
werd het loonbeleid van de vakbonden hoofdzakelijk bepaald door de ‘blauwe boorden’-vakbond, de

lingsronde de laagproduktieve sectoren afvallen. Dit
brengt een inherente impuls tot loonstijging met
zich mee. Dat betekent dat lonen in de hoogproduktieve sectoren weliswaar boven de arbeidsproduktiviteit liggen, maar dat dit positieve verschil na verloop van tijd kleiner wordt. Het is onwaarschijnlijk
dat hoogproduktieve sectoren dan in staat en/of bereid zijn de bedoelde uitstoot van arbeid op te vangen.

9. Het werkgelegenheidseffect van de devaluaties (6% in
genoemde periode) is berekend door de totale omvang
van de devaluaties (26% in genoemde periode) te vermenigvuldigen met het produkt van de reele wisselkoerselasticiteit van de produktie (0,28) en de produktie-elasticiteit
van de werkgelegenheid (0,8). Bronnen: A.V. Deardorf en
R. Stern, The Michigan model of world production and trade, 1986; en OESO, Employment outlook, 1989.

LO. Onder invloed van de LO is er een forse inkomensnivellering opgetreden, waardoor beloningsverschillen tussen geschoold en ongeschoold personeel gehalveerd zijn 10 . Dit heeft geleid tot een
tekort aan geschoold personeel. De positie van de
‘witte boorden’-vakbond is hierdoor aanzienlijk versterkt, wat de centralisatie van het arbeidsmarktbeleid ondermijnt. Dit blijkt onder andere uit de recentelijk toegenomen ‘wage drift’ 11 . Anderzijds heeft
het decentralisatieproces afgelopen voorjaar een impuls gekregen met de beslissing van de werkgeversorganisatie SAP om de organen voor het centrale arbeidsmarktbeleid te verlaten. Dit is eveneens een
aderlating voor de tripartite overlegstructuur, die jarenlang de zo belangrijke consensus tussen sociale
partners tot stand heeft gebracht. De SAP zegt deze
stap te hebben genomen vanwege de overtuiging
dat het gecentraliseerde arbeidsmarktbeleid en het
hieraan gekoppelde solidaristische loonbeleid niet
in staat zijn om de huidige spanningen op deelmarkten van de arbeidsmarkt weg te nemen. Daarom
wordt gepleit voor loondifferentiatie om verschillen
in arbeidsproduktiviteit tot uiting te brengen. Het besluit van de SAP lijkt echter ook voort te komen uit
een poging haar onderhandelingspositie te versterken. Nu de werkgevers geen verantwoordelijkheid
meer dragen voor het centrale arbeidsmarktbeleid
zijn ze niet meer verplicht medewerking te verlenen
aan de organisatorisch belastende werklegenheidsbevorderende maatregelen.
Het gevaar dreigt dat met het afzweren van het gecentraliseerde loonbeleid het kind met het badwater
wordt weggegooid, omdat het op decentraal niveau
waarschijnlijker is dat werknemers werkgelegen-

toegeschreven aan de implementatie van het Zweedse model. Zowel de doorgevoerde devaluates als
een groeiende werkgelegenheid in de collectieve
sector moeten als belangrijke verklaringen voor de
lage Zweedse werkloosheid worden aangemerkt.
De loonvorming is, naast tegenvallende effecten
van de solidaristische loonpolitiek, om uiteenlopende redenen het zwakke onderdeel van het model gebleken. Deze zwakheden hebben er sterk toe bijgedragen dat het model niet in staat is geweest om
werkgelegenheidsgroei in de particuliere sector te
realiseren, waardoor toename van de werkgelegenheid afhankelijk is geweest van de expansie van de
collectieve sector. Echter, zoals aangetoond zou het
Zweedse model ook bij een verantwoord loonbeleid niet de vereiste werkgelegenheidsontwikkeling
in de particuliere sector hebben gerealiseerd. Meer
in het algemeen kan worden vastgesteld dat Zweden, als kleine open economic, niet heeft kunnen
voorkomen dat het meedrijft op de golven van de internationale conjunctuur. Dit ondanks het feit dat

Zweden een beleid voerde dat op essentiele punten
afweek van andere Westeuropese economieen.
Aangezien toetreding tot de EG belastingverhoging
en daarmee verdere uitbreiding van de publieke sec-

tor onmogelijk maakt, zal werkgelegenheidsgroei in
de toekomst moeten plaatsvinden in de private sector. Daarnaast leidt toetreding ertoe dat Zweden de
voor de economic zo belangrijke concurrentiepositie niet meer kan verbeteren door devaluaties; werkgelegenheidsgroei zal voornamelijk voort moeten
komen uit een gematigde loonontwikkeling. Ge-

vreesd moet worden dat de recente ontwikkeling
naar meer decentralisatie van het loonvormingspro-

heidsbevorderende maatregelen inruilen tegen loon-

ces de kans verder verkleint op loonmatiging in sa-

stijgingen. Gezien het grote belang van loonmatiging voor een kleine open economic, is een
gezamenlijke inspanning van overheid en sociale
partners om te komen tot loonmatiging cruciaal.
Uit het bovenstaande volgt dat toetreding tot de
EMU en de binnenlandse ontwikkelingen ertoe leiden dat de werkgelegenheidsgroei in de toekomst
door middel van loonmatiging in de particuliere sector zal moeten plaatsvinden. Daarvoor zal een verantwoord loonbeleid noodzakelijk zijn. Naast het
feit dat dit gezien het decentralisatieproces niet in
de lijn der verwachting ligt, is het de vraag of het af-

menhang met actief arbeidsmarktbeleid. Daarom
verwachten wij in de komende jaren een afname
van de hoge werkgelegenheidsgroei gepaard gaande met een stijgende werkloosheid in de richting
van het EG-gemiddelde. Hiermee komt een einde
aan een lange periode van volledige werkgelegenheid in Zweden.

Raoul Leering
Bertholt Leeftink

doende zou zijn. Zelfs als er met het oog op de
concurrentiepositie een verantwoord loonbeleid gevoerd zou worden, mag daarvan niet veel heil verwacht worden. De ontwikkelingen voor Zweden in
de jaren zeventig en tachtig hebben immers duidelijk gemaakt dat zelfs een verbetering van de concurrentiepositie geen garantie is voor toename van de
werkgelegenheid in de particuliere sector.

Slotopmerkingen
Samenvattend kan worden gesteld dat de overheid
zich de afgelopen decennia vrij goed aan de voorschriften van het Zweedse model heeft gehouden.
Uitzondering is de periode 1976-1982, waarin de
overheid een expansief macro-economisch beleid
voerde. Aanleiding voor het loslaten van het model
was een onverantwoord loonbeleid in het midden
van de jaren zeventig.
De zeer gunstige ontwikkeling van de Zweedse
werkloosheid mag echter slechts ten dele worden

ESB 25-3-1992

10. Het beloningsverschil tussen geschoold en ongeschoold personeel is teruggevallen van 54% in I960 tot
25% in het begin van de jaren ’80. OESO, Economic Surveys, Sweden, 1988-1989.
11. ‘Wage drift’ is gedefinieerd als het verschil tussen de
werkelijke stijging van de brutolonen en de op centraal niveau overeengekomen stijging. Bron: Zweedse Ministerie
van Arbeid.

301

Auteurs

Categorieën