Ga direct naar de content

Het bewegende beleid van Camps

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 10 2014

De beleidsmaker die een stip op de horizon zet en zegt “hier gaan we naar toe de komende jaren en zo gaan we dat doen” is vanaf vandaag ouderwets.
Het debuut van Maarten Camps zijn nieuwjaarsartikel gaat over beleid dat nooit stilstaat. De stip aan de horizon is nu een bandbreedte langs een trendlijn geworden. Dit lijkt radicaal, vanwege de grotere beleidsonzekerheid en mogelijk lagere investeringsbereidheid. Toch is het dat niet, want in feite gaat het om het op een voorspelbare manier van continue aanpassing aan voortschrijdend inzicht. Het automatisch koppelen van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting is een voorbeeld van dergelijk beleid.

Het meest schrijnende voorbeeld van stip-op-de-horizon-beleid dat helemaal verkeerd uitpakt is de hypotheekrenteaftrek. Het vasthouden hieraan was altijd een dikke vette stip op de horizon, terwijl iedereen kon voorzien dat die stip allang niet meer haalbaar was. Als gevolg daarvan staan mensen met hypotheken ‘onder water’. Zij dragen de aanpassingskosten, aldus Camps.  
Het pleidooi voor bewegend beleid van Camps wordt het meest concreet in zijn voorstel om op de behoeften van zzp’ers in samenwerkingsverbanden in te spelen door so­ciale zekerheden niet langer in een werknemers-werkgever keurslijf te gieten. Iedere werkende krijgt straks toegang tot een arbeidsinfrastructuur van verzekeringen en uitkeringen als het aan Camps ligt.

Deze visie past in een bredere ontwikkeling waarin de verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een overheidsinfrastructuur. De overheid zorgt niet meer voor haar burgers maar entameert hen. Of de burger zich tussen twee banen in bevindt of arbeidsongeschikt is, er is continue sprake van een aangezwengeld worden door de staat om weer actief mee te doen. Sterker nog, in de zorg gaan burgers zelf ook aan de slag met het entameren van hun eigen sociale netwerk voor mantelzorg.
In vrijwel alle gesloten akkoorden van vorig jaar klinkt het eindbeeld van een slankere en meer flexibele overheid door. De Minister van Financiën stelde in zijn laatste miljoenennota dat er jarenlang van een te positief groeipad is uitgegaan waarmee publieke voorzieningen gefinancierd hadden moeten worden. Maar dat is niet het hele verhaal. De noodzaak van bezuinigingen was ook een bruikbare  aanleiding om publieke voorzieningen te moderniseren of te privatiseren.

Gelukkig maar, want bewegend beleid wil ook zeggen dat je in de gaten moet houden of nieuwe ontwikkelingen vroegere marktfalens inmiddels hebben opgelost. Zo geven patiënt-tevredenheidsstudies en gezondheidswinstindicatoren tegenwoordig vrij veel inzicht in de kwaliteit van zorg, waardoor we niet meer alleen afhankelijk zijn van de public service motivation van zorgverleners en de overheid dus niet meer alles zelf hoeft te doen.

Op de arbeidsmarkt loopt het adagium voor modernisering vooral van minder fricties naar meer mobiliteit, betere matches, hogere productiviteit, en uiteindelijk hogere groei.
In het sociaal akkoord staat de arbeidsmarktinfrastructuur die deze moderniseringsstappen moet faciliteren centraal. Deze infastructuur gaat bestaan uit instrumenten zoals ketenbenaderingen voor baan-baan transities, om-, her-, bijscholingstrajecten en intersectorale transitiefondsen.

Wat hier ontbreekt is naar mijn idee de stap tussen meer mobiliteit en betere matches. Een arbeidsmarktinfrastructuur zou eigenlijk voor de werkzoekende zelf bruikbaar moeten zijn door inzicht te verschaffen in welke banen er in het verlengde van iemand zijn vorige baan liggen.
In de praktijk is dat behoorlijk lastig om zelf te bepalen. Zo stapte ik laatst in een taxi bij een nogal geïrriteerde chauffeur omdat ik hem voor maar drie straten verder uit de taxiwachtrij had laten komen. In ruil daarvoor moest ik onderweg zijn grieven aanhoren over zijn uitzichtloze werksituatie. Mijn “maar waarom ga je niet wat anders doen?” leidde tot nog meer triestheid want hij kon niets anders dan taxi rijden. Ik probeerde het met een “wat maakt je tot een goede taxichauffeur?”. Omdat daaruit wel drie of vier vaardigheden kwamen rollen, zoals “ik ken de weg als geen ander, ben altijd op tijd en maak met iedereen een praatje” kon ik een beetje meedenken over banen waar die vaardigheden misschien van pas komen.

Een arbeidsmarktinfrastructuur die deze chauffeur helpt om online zijn vaardigheden te matchen met die in gerelateerde banen zou tegenwoordig toch niet zo moeilijk moeten zijn om te realiseren. Een soort tomtom die ons met wat coördinaten de richting wijst naar een nuttige werkplek in de buurt zou best fijn zijn als we iedere paar jaar in de arbeidsmarktjungle worden losgelaten.

* Deze blog is eerder verschenen als hoofdredactioneel commentaar in ESB 4676

Auteur

  • Sandra Phlippen

    Hoofdeconoom van ABN Amro en universitair docent aan de Erasmus Universiteit Rotterdam

Categorieën