Ga direct naar de content

Het belang van economisch onderzoek

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 17 2013

De crisis heeft niet alleen genomen maar ook veel gegeven, alhoewel niet noodzakelijkerwijs wat u gevraagd had: meer aandacht voor de economie en economen, meer verhitte debatten tussen economen en meer kritiek op de economische wetenschappen. Dat laatste is wel te begrijpen. In de publieke debatten lijkt economie soms niet meer dan een argumentenmachine waarmee je elke stelling kunt verdedigen. Hoe kan het anders zijn dat economen het zo oneens zijn over ogenschijnlijk elementaire vragen? Een goed Nederlands voorbeeld is het recente debat op dit forum tussen Bas Jacobs (eerste en tweede blog) en Sweder van Wijnbergen (blog) over de noodzaak tot bezuinigen. De media pikken deze verdeeldheid met liefde op. Peter de Waard van de Volkskrant bespreekt een studie van 21 boeken over de kredietcrisis die sterk uiteenlopende conclusies trekken en maakt daaruit op dat economen zich beter gedeisd kunnen houden. Recent zelfonderzoek door economen toont aan dat het niet zo slecht gesteld is met de economie als wetenschap. 

Op de jaarlijkse conferentie van de American Economic Association eerder deze maand in San Diego werden twee papers gepresenteerd over de meningen van economen, hoe die tot stand komen en hoe die zich verhouden tot de ideeën van het publiek (zie ook deze blog en dit stuk in The Economist). De papers gebruiken onder meer gegevens van een soort Amerikaanse voorloper van het MeJudice Economenpanel, waarmee de University of Chicago regelmatig de meningen peilt van 41 vooraanstaande economen van 7 topuniversiteiten in de Verenigde Staten. Wat blijkt? Economen zijn het opvallend eens over stellingen die uitvoerig onderzocht zijn. De meningen lopen uiteen over onderwerpen waar weinig academische literatuur over is of waar deze literatuur geen uitsluitsel over geeft. Het verschil in meningen kan niet verklaard worden door de politieke opvattingen van de economen of de universiteit waar ze hun PhD hebben gehaald of nu werken. Dat laatste is opvallend, omdat de verschillende  economiefaculteiten die in het panel vertegenwoordigd zijn, zoals die van de University of Chicago en Harvard, vaak als academische en politieke tegenpolen worden afgeschilderd. Het enige significante verschil in meningen is tussen mannen en vrouwen: vrouwen zijn wat vaker geneigd te zeggen dat ze het antwoord niet weten. Tot slot wijken de meningen van het publiek sterk af van die van de economen; ze lijken nog het meest op de meningen van economen bij stellingen waar weinig onderzoek naar is gedaan. Opmerkelijk is dat het gat tussen publiek en economen alleen maar groter wordt als het publiek wordt verteld wat de economen er van vinden. Klaarblijkelijk wantrouwt het publiek economen, zelfs als die het op basis van (volgens hen) gedegen onderzoek eens zijn.

Al met al lijken economen wel degelijk in staat consensus te vinden, ongehinderd door ideologische vooringenomenheid, door onderwerpen theoretisch en empirisch voldoende te onderzoeken. Ze zouden zich wellicht wel, als de vrouwen in het panel, iets meer op de vlakte moeten houden wanneer hun mening wordt gevraagd over onderwerpen waar weinig literatuur over is, zodat ze beter gehoord worden als ze iets wel weten.

Terug naar het Nederlandse debat. Neem bijvoorbeeld de discussie over het begrotingsbeleid. Economen lijken het eens dat het effect van bezuinigen sterk afhangt van de situatie, bijvoorbeeld de openheid van de economie en het soort bezuigingen, etcetera (zie bijvoorbeeld de blogs van Jacobs en Van Wijnbergen). Dit is niet zo gek, want hier is, zeker de laatste jaren, uitgebreid internationaal onderzoek naar gedaan. Het betekent wel dat we voor de Nederlandse discussie maar beperkt kunnen leren van buitenlands onderzoek en Nederlands onderzoek uit andere tijden. Er is echter opvallend weinig serieus onderzoek met recente Nederlandse gegevens dat ons kan helpen. Dit wordt impliciet ook duidelijk uit de meeste recente blog van Bas Jacobs hierover. Hij haalt hierin vijf empirische studies aan ter ondersteuning van zijn verhaal. Deze studies zijn weliswaar recent, maar de economische omgeving is heel anders dan die van Nederland: vier studies gebruiken gegevens over Amerikaanse staten en een over Italiaanse provincies. Daar komt nog bij dat deze studies zich richten op bestedingsschokken gerelateerd aan zaken als militaire uitgaven, medicare, en maffia-activiteiten die weinig te maken hebben met de Nederlandse discussie. Kortom, er is nauwelijks serieuze literatuur over het effect van eenzijdige Nederlandse bezuigingen op de Nederlandse economie en je kunt dan ook niet verwachten dat Nederlandse economen het daarover eens zijn. 

Tot slot, een opmerking van huishoudelijke aard. Ik heb eerder getwitterd over de empirie van eenduidig Nederlands begrotingsbeleid. Op basis daarvan wijst Bas Jacobs me in zijn eerste blog aan als een van de economen die vindt dat de Nederlandse bestedingsmultiplier ongeveer nul is. Ik heb de nieuwe archiefmogelijkheid van Twitter gebruikt om mijn oude Tweets nog eens na te gaan en heb niet de indruk dat ik dit gezegd heb. Wel heb ik me, als niet-expert, verwonderd over het gebrek aan empirisch bewijs, me afgevraagd of het wel mogelijk is dit empirisch te onderzoeken en me, vanuit dit perspectief, verzet tegen al te stellige beweringen dat de economie kapot wordt  bezuinigd door Den Haag. Kortom, ik heb de wijze vrouw in me laten spreken. 

PS: Ik was zelf op de conferentie in San Diego, maar kon helaas niet bij de sessie over economenmeningen zijn omdat ik gesprekken moest voeren met kandidaten voor een baan in Tilburg (hier kom ik later misschien nog op terug; zie mijn eerdere blog hierover). Gelukkig zijn niet alleen de papers beschikbaar, maar kan de discussie ook worden bekeken via deze webcast.

Auteur

  • Jaap Abbring

    Hoogleraar Econometrie aan de Universiteit van Tilburg (UvT)