Ga direct naar de content

Welvaart en duurzaamheid

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 9 2000

Welvaart en duurzaamheid
Aute ur(s ):
Bartelsman, E.J. (auteur)
De auteur is werkzaam aan de Vrije Universiteit.
Ve rs che ne n in:
ESB, 85e jaargang, nr. 4242, pagina 119, 11 februari 2000 (datum)
Rubrie k :
Uit de vakliteratuur
Tre fw oord(e n):
milieu

“Innovatie veertig keer belangrijker dan olie en gas.” “Welvaart slechts één procent lager wegens uitputting natuurlijke
hulpbronnen.” Dit zijn twee provocerende koppen uit Weitzman’s recente artikel over het meten van de welvaartsconsequenties van
het gebruik van uitputbare natuurlijke hulpbronnen 1. Zijn bijdrage volgt op een lange reeks pogingen om inkomen te schonen voor
welvaartseffecten die het gevolg zijn van toenemende schaarste en uiteindelijke uitputting van verhandelbare natuurlijke hulpbronnen.
Om een monetaire benadering te krijgen van de gevolgen van uitputting werd in het verleden veelal gebruik gemaakt van een algemeen
evenwichtsmodel. Daarin werden vraag en aanbodcurves, voor bijvoorbeeld olie, gespecificeerd tezamen met informatie over bekende
reserves en toekomstige exploratie- en ontginningskosten. Het model moest verder substitutie toestaan tussen natuurlijke hulpbronnen
en andere productiefactoren. Ook moest bekend zijn hoe deze substitutiemogelijkheden en factor- en vraagelasticiteiten door de tijd
veranderen onder invloed van vraagverschuivingen en technologische vernieuwing. De uitkomsten van zulke berekeningen zijn echter
niet geloofwaardiger dan de veronderstellingen, geprikte parameters en projecties die erachter liggen.
Weitzman omzeilt dit probleem. De kern van zijn idee is dat alle marktpartijen gezamenlijk meer en betere informatie hebben dan de beste
modellenbouwers. Marktpartijen hebben een economisch belang om over de beste informatie te beschikken. Zij kunnen die informatie
afleiden uit observeerbare marktprijzen. Die komen immers tot stand als gevolg van economisch gemotiveerde individuele beslissingen.
Intuïtief verwacht je dat de olieprijzen vandaag hoog zullen zijn als marktpartijen denken dat het opraken van olie in de toekomst een
probleem vormt, Als geen schaarste wordt verwacht zal de prijs vandaag dicht tegen de marginale productiekosten aan liggen 2. Die
marktprijs bevat daarnaast ook de marktverwachtingen over toekomstige technologische vooruitgang: als prijzen vandaag hoog zijn zal
er veel geïnvesteerd worden in het zoeken naar substitutiemogelijkheden, waardoor prijzen omlaag kunnen.
Wat is hiermee nu te zeggen over de welvaartsconsequenties van eindigheid van hulpbronnen? We kunnen huidige welvaart vergelijken
met welvaart in een wereld waar het huidige gebruiksniveau van hulpbronnen eeuwig kan voortduren. Weitzman gebruikt hiervoor een
theoretisch dynamisch economisch model met consumptie, investeringen en hulpbronnen. Het antwoord op de vraag is dan het verschil
in welvaart van optimale consumptiepaden indien hulpbronnen uitputbaar zijn en optimale consumptiepaden onder eeuwigdurend
gebruik op het huidige niveau.
De welvaartsconsequenties van uitputting zijn de optelsom van het productievolume maal het verschil tussen prijs en marginale
productiekosten voor alle hulpbronnen 3. Via een grove schatting aan de hand van deze simpele welvaartstheoretische afleiding en
observeerbare gegevens over veertien van de belangrijkste minerale hulpbronnen komt Weitzman uit op een effect van 1,1 procent van
het wereldwijde netto binnenlands inkomen.
Is dat veel? In absolute zin wel, maar niet vergeleken met de welvaart voortvloeiend uit toekomstige technologische vooruitgang die ook
niet in ons inkomensbegrip meegeteld wordt. Zou die vooruitgang, gemeten bijvoorbeeld als het Solow residu, van de afgelopen vijftig
jaar in de toekomst in hetzelfde tempo doorgaan dan zou onze welvaart veertig procent hoger zijn dan tot uitdrukking komt in het netto
nationaal inkomen. De allocatie van inspanning tussen energiebeleid en innovatiebeleid zou, volgens Weitzman, deze werkelijkheid
moeten reflecteren.
Weitzman’s berekening voor verhandelbare minerale hulpbronnen bevat lessen voor het berekenen van de welvaartsconsequenties van
aantasting van het milieu. Zolang de gebruiker van milieufuncties zoals schoon water of niet-verzuurde grond geen rekening
gepresenteerd krijgt, dus zolang ze niet verhandeld worden en er externe effecten spelen, kan de eenvoudige optelsom niet gebruikt
worden. Moeten we dan maar terugvallen op de oude modellen? Nee, mogelijk zijn alternatieve bronnen van informatie over economische
waardering aan te boren zoals batenstudies die proberen schaduwprijzen voor milieufuncties te schatten. De betere van deze studies
maken gebruik van observeerbaar economisch gedrag van marktpartijen, zoals van effecten van fijnstof concentraties op huizenprijzen 4.
Indien de milieu-effecten daadwerkelijk in marktprijzen terechtkomen, bijvoorbeeld via verhandelbare rechten of heffingen, dan kunnen
we optimistischer zijn over een duurzame toekomst. Met het besef dat milieufuncties in de toekomst wel eens schaars zouden kunnen
worden, moeten de prijzen wel stijgen, waardoor de speurtocht naar substitutiemogelijkheden toe zal nemen. Om Weitzman te citeren:
“Necessity is the mother of invention”.

1 M.L. Weitzman, Pricing the limits to growth from minerals depletion”, Quarterly Journal of Economics, 1999, blz 691-706.
2 Behalve op korte termijn zijn er voor deze hulpbronnen geen aanwijzingen dat substanti ële marktmacht de marktprijzen zou verstoren.
3 Weitzman gebruikt prijzen voor 1994. Er kunnen verstoringen optreden omdat deze afwijken van schaduwprijzen wegens tijdelijke
marktmacht of gelimiteerde verhandelbaarheid. Onder beperkte mededingen zou de schatting van welvaartsverlies lager liggen.
4 K.Y. Chay en M. Greenstone, Does air quality matter? Evidence from the housing market, NBER working paper, 1998.

Copyright © 2000 – 2003 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteur