Ga direct naar de content

Eén zwaluw . . . .

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 20 1980

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN
Eén zwaluw
Terwijl de leden nog op de camping of in hun zomerhuisjes zaten, heeft de voorzitter van de Industriebond
FNV, Arie Groenevelt, een discussiebijdrage van het
federatiebestuur voor het middellange-termijnbeleid van
de Industriebond aan de pers gepresenteerd I). Hoewel
de discussiebijdrage logisch voortbouwt o p de reeds in
maart verspreide nota Verder kijken 2), die dient ter
voorbereiding van het fusiecongres dat eind dit jaar moet
plaatsvinden, heeft zij veel stof doen opwaaien in het
juist in een zomerslaap wegzakkende sociaaleconomisch
Nederland. Met name de duidelijke boodschap, dat als het
aan het federatiebestuur zou liggen, een matiging van
de looneisen tot de mogelijkheden zou behoren, mits aan
bepaalde voorwaarden wordt voldaan, heeft sterk de aandacht getrokken. Maar ook andere punten die in Verder
kijken en Een beleid voor de tachtiger jaren aan de orde
worden gesteld, zijn zeer opmerkenswaard.
Hoe positief d e beleidsvoorstellen van Groenevelt en
de zijnen ook zijn ontvangen in de pers, het zou overdreven zijn te constateren dat er o p het sociale front nu
ineens een doorbraak zou zijn geforceerd. In de eerste
plaats zijn er in delen van de industrie (Hoogovens,
Philips) al tweejarige cao’s afgesloten, zodat de ideeën
van het federatiebestuur daar op zijn vroegst pas in 1982
verwezenlijkt zouden kunnen worden, terwijl steeds duidelijker wordt dat er op sociaal-economisch gebied op
zeer korte termijn iets moet gebeuren. Inde tweede plaatsis
nog volstrekt onzeker wat de ,,harde contracten” van de
Industriebond tussen werkgevers, werknemers en de overheid zouden moeten inhouden en hoe zij vorm zouden
moeten krijgen. In de derde plaats heerst er grote verdeeldheid en twijfel, niet alleen onder de andere FNVbonden, maar ook binnen de Industriebond zelf.
Tot op heden is de ervaring met het maken van werkgelegenheidsafspraken weinig bemoedigend geweest. Het
,,jaar van de apo” (1978) is op een mislukking voor het
vakbondsstreven uitgelopen. Ook nu heeft FME-voorzitter Ter Hart duidelijk te kennen gegeven, dat het verschaffen van werkgelegenheidsgaranties niet tot de mogelijkheden behoort. Weliswaar erkent ook de Industriebond dat het principe van ,,gelijk oversteken” bij loonmatiging en werkgelegenheid moeilijk te verwezenlijken
is, maar vooralsnog laat zij de vraag onbeantwoord wat
voor overeenkomsten er dan zouden moeten worden
afgesloten en hoe controle o p de resultaten ervan zou
kunnen worden uitgeoefend. Als er werkgelegenheid inde
industrie zou moeten worden gecreëerd lijkt dat eerder in
nieuw opkomende bedrijven te moeten gebeuren, dan dat
koste wat kost wordt geprobeerd de trend tot produktiviteitsverbetering en arbeidsuitstoot in bestaande bedrijven te doorbreken. Maar hoe dat contractueel kan worden geregeld, is een allesbehalve gemakkelijk te beantwoorden vraag.
Voor het echter zover is, moet eerst nog blijken of de
voorstellen van het federatiebestuur het tot algemeen
bondsbeleid zullen kunnen brengen. De reacties vanuit
andere FNV-bonden variëren tot nog toe van weifelachtig
tot scherp afwijzend. Ook binnen de Industriebond zelf
bestaat nogal wat verzet tegen de plannen. Kaderleden
van de chemische fabriek Windmill verweten hun voorzitter ,,manipulatie in de ergste vorm”. Als die reactie
bijval zou vinden, zou Groenevelts uitspraak: ,,desnoods
gaan we alleen door. . .”,wel eens heel dunnetjes kunnen
gaan klinken. Een zelfde afloop dreigt dan als die welke de
z.g. economendiscussie was beschoren die de laatste
maanden in de FNV is gevoerd. Het balletje dat door een
aantal vakbondseconomen onder aanvoering van Piet Vos
in De Vakbondskrant werd opgeworpen, nl. dat voor

. . ..

behoud van werkgelegenheid en collectieve voorzieningen
een prijs moet worden betaald, werd in ingezonden
brieven die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten,
met kracht teruggeslagen.
Het is duidelijk dat Groenevelt c.s. bang zijn voor het
alternatief: een jarenlange geleide loonpolitiek waarbij
de vakbeweging helemaal buitenspel komt te staan.
Bovendien ziet het federatiebestuur heel goed in, dat de
afbrokkeling van de werkgelegenheid in de industrie en
het gebrek aan nieuwe arbeidsplaatsen elders d e koopkracht op den duur veel ernstiger dreigen aan te tasten
dan d e voorgestane matiging nu. ,,Het moet toch zonneklaar zijn dat een voortduren van de huidige situatie
veel nadeliger is voor de koopkracht”. Juist in de hoek
van de industrie vallen d e klappen van het werkgelegenheidsverlies, zoals de analyse van d e W R R in Plaats en
toekomst van de Nederlandse industrie nog eens overduidelijk heeft aangetoond.
De discussienota van de bond sluit overigens ook op
een ander punt wonderwel aan bij het rapport van d e
WRR. Erkend wordt dat de tripartite overlegstructuur
bij het herstructureringsbeleid een ongelukkige en ineffectieve constructie is, ,,omdat er van een o.i. onjuiste
vermenging van verantwoordelijkheden van overheid,
werkgevers en vakbonden sprake was” (NEHEM).
En elders: ,,Het eerste dat zal moeten gebeuren is dat de
overheid zich een zelfstandiger positie verovert in de
economische besluitvorming . . . Het is daarvoor noodzakelijk dat ze randvoorwaarden stelt aan het gedrag van
d e maatschappelijke groeperingen en hun pressiegroepen,
dus ook aan ons”. Dat betekent echter niet dat de Industriebond geen medeverantwoordelijkheid voor de uitvoering van b.v. het sectorstructuurbeleid zou willen
dragen. Integendeel, Verder kijken en Een beleid voor
de tachtiger jaren kenmerken zich juist – in tegenstelling tot sommige vroegere nota’s – door een zeer
duidelijke keuze voor het aanvaarden van verantwoordelijkheid. Die koerswijziging vindt b.v. ook zijn vertaling in
een positievere houding dan tot nu toe werd aangenomen,
tegenover het werk in de ondernemingsraad.
Het federatiebestuur van de Industriebond FNV heeft
een zeer pragmatisch discussiestuk o p tafel gelegd. De
in het verleden o p de voorgrond geplaatste ideologische
geschillen zijn niet verdwenen, maar wel o p de lange baan
geschoven. O p middellange termijn is het bedwingen van
de steeds verder oplopende werkloosheid opgave nummer
één geworden. Het federatiebestuur wil daaraan meewerken en daar offers voor brengen. Die uitgestoken hand
mag niet worden afgewezen. De ommezwaai-is voor de
leden echter toch nog vrij abrupt gekomen. De massale
protestdemonstratie Tn maart tegen aantasting van de
priiscompensatie en voor
. . v e r i i n het geheugen.behoud van de koopkracht ligt
nog
In Zin, de weekkiant van de
Industriebond FNV, leest men nog wekelijks antikapitalistische taal. Het is dan ook de vraag of de
vakbondsleden d e omwentelingssnelheid van hun bestuurders kunnen bijbenen.
L. van der Geest

1) Industriebond FNV, Een beleid voor de rachriger jaren,
18 juli 1980.
2) Industriebond FNV, Verder kijken . . . Middellange termijnbeleid Industriebond FNV, 1980.

Auteur