Ga direct naar de content

Een ervaringsperspectief op marktordening en publieke belangen

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 6 2014

Organisaties waarin processen en structuren tot doel zijn verheven, creëren een corporate mind waarin moreel besef het onderspit delft.

ESB Drieluik Moraal en het publieke belang

essay

De econoom,
de bestuurder, het publiek
en de moraal
Dit essay is het eerste deel van een drieluik over publieke moraal
in deze editie. ESB wil met essays bijdragen aan bredere discussie
over beleidsrelevante economische thema’s. De redactie nodigt lezers uit bij te dragen aan de discussie over moraal en het publieke
belang.

Hugo
Keuzenkamp
Hoogleraar aan
de Universiteit van
Amsterdam en lid
van de Raad van
Bestuur van het
Westfriesgasthuis

134

“

The point is, ladies and gentleman, that greed, for
lack of a better word, is good. Greed is right, greed
works. Greed clarifies, cuts through, and captures the
essence of the evolutionary spirit. Greed, in all of its
forms; greed for life, for money, for love, knowledge
has marked the upward surge of mankind. And greed, you mark
my words, will not only save Teldar Paper, but that other malfunctioning corporation called the USA. Thank you very much.â€
Gordon Gekko, Wall Street (1987).
Kort na elkaar werden Margaret Thatcher en Ronald
Reagan verkozen tot respectievelijk prime minister (1979)
van het Verenigd Koninkrijk en president (1981) van de Verenigde Staten. Hun aantreden markeert een nieuw tijdperk,
waarin de verhouding tussen markt en overheid – na een jarenlange opmars van de overheid – ging kantelen. Thatcher
was sterk beïnvloed door Friedrich Hayek. Tijdens een bijeenkomst van de Conservative Party, eind jaren zeventig van
de vorige eeuw, sprak een partijlid over het belang om een
‘middenpartij’ te zijn. Geïrriteerd pakte zij het boek The constitution of liberty van Hayek uit haar tas (Hayek, 1960). Ze
klapte het op tafel en riep uit “This is what we believe.†Een beroemde oneliner van Thatcher is “there is no such thing as society†(interview met Douglas Keay, Woman’s Own, 1987). Ze

beoogde te zeggen dat er individuen en gezinnen bestaan, en
dat de overheid het beleid daarop moet richten. Niet op een
abstract algemeen belang. Ronald Reagan was minder ideologisch dan zijn Britse collega, maar inhoudelijk zat hij op dezelfde lijn. Privatiseren, lastenverlichting en inflatie­bestrijding
waren kernthema’s van hun beleid. Ook in Nederland kreeg
dit, met enige vertraging, navolging.
Met de opkomst van de marktideologie is een groeiend
debat op gang gekomen over markt, moraal en publiek belang. Recent nog beklaagde Abram de Swaan zich over het
‘markt­isme’ ofwel ‘vrijemarktfundamentalisme’ waar we sinds
de Thatcherrevolutie aan zouden zijn blootgesteld (Het Financieele Dagblad, 2013). Uit het bedrijfsleven overgewaaide
managementtechnieken penetreren het bestuur van onze universiteiten en andere maatschappelijke instituties. De Swaan,
auteur van een prachtig bo​ k over de opkomst van de verzore
gingsstaat (De Swaan, 1989), pleit ervoor om “de mensen die
verantwoordelijk zijn voor crimineel gedrag, bijvoorbeeld in
de financiële sector, persoonlijk aansprakelijk te stellenâ€.
Er valt inderdaad heel wat te klagen over de excessen
in de ‘vrije’ markt, en die in de door de markt geïnfecteerde
maatschappelijke organisaties. In de VS waren Enron (met
in het kielzog Anderson) en Lehman Brothers dramatische
dieptepunten van ondernemingsfalen, met grote gevolgen.
Maar Amerikaanse toestanden beperkten zich niet tot de
VS. Over de drama’s Ahold en ABN Amro heeft Jeroen Smit
twee mooie boeken geschreven (Smit, 2004; 2008). Het waren niet alleen ‘echte’ marktbedrijven die ten onder gingen.
In ons land zijn Meavita (zorg), Vestia (woningmarkt) en
Amarantis (onderwijs) drie grote voorbeelden van bestuurlijk
falen. Maar zelfs binnen de kern van het publiek domein zijn
er ontluisterende voorbeelden van list, bedrog en het najagen
van eigenbelang. Het meest markante naoorlogse voorbeeld
hiervan draagt de naam Berlusconi.

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

Jaargang 99 (4680) 7 maart 2014

Drieluik Moraal en het publieke belang ESB

De econoom

Economen spelen een flinke rol in de opkomst van het
marktisme­in Nederland, maar zijn vaker instrumenteel dan
filosofisch betrokken. De beste vraag die economen dan kunnen stellen is welk publiek belang gediend is met overheidsinterventie. Vaak is die eenvoudige vraag moeilijk te beantwoorden. Sweder van Wijnbergen heeft als secretaris-generaal van
het Ministerie van Economische Zaken gepoogd te helpen
door een beslisboom te ontwerpen voor het faciliteren van de
keuze tussen private en publieke uitvoering. Eric van Damme
heeft vanuit speltheoretisch perspectief geholpen bij het opzetten van (nieuwe) markten, zoals die voor telecomfrequenties of benzinestations langs de snelweg. En hoewel niet alle
economen zotte marktaanbidders zijn, wordt het marktdenken graag op het conto van ‘de’ economen gezet.
Naargeestige mensen, die economen, die een naargeestige wetenschap beoefenen. De dismal science, die het menselijk handelen in het licht van het eigenbelang plaatst. Over
economen zelf wordt wel gezegd dat ze het beeld van die
rationele egoïst belichamen. Experimenten van economisch
psychologen suggereren dat economen ‘anders’ zijn. In een
gevangenendilemma kiezen ze voor de rationele (dat is de
niet-coöperatieve) oplossing, in een ultimatum game draaien
ze de medespeler een poot uit (Ridley, 1996). Adam Smith
wordt vaak en graag geciteerd met de frase dat dit najagen
van het eigenbelang helemaal zo slecht niet is: de samenleving
profiteert ervan. “It is not from the benevolence of the butcher,
the brewer, or the baker that we expect our dinner, but from
their regard to their own interest.â€
Toch doen we Smith, en ons economen in navolging, tekort als we de samenleving reduceren tot de diersoort homo
economicus. In zijn Theory of moral sentiments geeft Smith
juist een veel rijker mensbeeld, waarbij sympathy een belangrijke rol vervult. Het najagen van eigenbelang wordt beheerst
doordat de mens behoefte heeft aan respect van de medemens.
Zelfbeheersing (self command) is cruciaal in het denken van
Smith. In deze context is eigenbelang een deugd. Eigenbelang
verschilt van hebzucht. Hebzucht kan door de markt zelfs
in toom gehouden worden, maar juist waar de markt ontbreekt (door overheidsoptreden of een monopolie) en prikkels en driften vrij baan hebben, kan eigenbelang ontaarden
in hebzucht. En waar ook die prikkels worden afgestompt is
lethargie het resultaat. Als toezichthouder bij een openbaarvervoerbedrijf heb ik mogen ervaren hoe de introductie van
marktprikkels (verzelfstandiging en aanbesteding) op korte
termijn enkele tientallen miljoenen aan efficiencywinst opleverde. Het leidde tot een maatschappelijk schandaaltje: een
journalist tekende op dat het publiek in het verleden dus voor
tientallen miljoenen genaaid was. De boosheid richtte zich
echter niet op de vorige generatie politici, maar op het huidige doelmatige bedrijf. Als econoom is dat morele sentiment
moeilijk te begrijpen.
De bestuurder

Bestuurders zijn ook maar mensen. De meeste bestuurders,
van bedrijven net zo goed als van maatschappelijke instellingen, worden gedreven door de wens om gerespecteerd te
worden voor wat ze tot stand brengen. Het probleem van bestuurders is dat ze een zekere mate van narcisme (niet zelden in
combinatie met andere persoonlijkheidsstoornissen) vertonen
Jaargang 99 (4680) 7 maart 2014

(Kets de Vries, 2003). Narcistische bestuurders willen macht
en erkenning – en vinden tegenspraak lastig. Narcisme uit zich
in zaken die variëren van de grootte van de foto van de bestuurder in een jaarverslag tot de hoogte van het inkomen. De
Maserati (nota bene met chauffeur) van Huub Möllenkamp,
voormalig bestuurder van woningcorporatie Rochdale, is hier
een uitingsvorm van. Antoinette Rijsenbilt, die op narcisme
bij topbestuurders promoveerde, denkt dat het narcisme in
de publieke sector minder voorkomt dan in het bedrijfsleven
(Rijsenbilt, 2011). Dat lijkt me optimistisch – het is simpelweg een psychologisch kenmerk van leiders. De vraag is of de
controlemechanismen in het publiek domein beter zijn dan in
het bedrijfsleven. Dat is twijfelachtig, op zijn zachtst gezegd.
Juist in het maatschappelijk domein vertoeven de grootste
narcisten, namelijk oud-politici. Vaak zijn zij deel van de governance van maatschappelijke organisaties. Denk aan de rol
van Elco Brinkman bij de deconfiture van Philadelphia, of
Loek Hermans bij Meavita (en COA en nog zo wat).

Het publiek eist,
geheel ten onrechte, een andere,
hogere moraal van bestuurders van
maatschappelijke organisaties.

Er bestaan geen organisaties zonder publiek belang.
Winst maken is net zo goed een publiek belang als vuil ophalen. Bestuurders van maatschappelijke organisaties zijn dan
ook geen ander soort mensen, laat staan een beter soort mensen, dan andere bestuurders. Er is ook geen reden waarom ze
anders beloond of beoordeeld zouden moeten worden. Het
publiek is het daar echter niet mee eens. Dat eist, geheel ten
onrechte, een andere, hogere moraal van bestuurders van
maatschappelijke organisaties.
Het publiek

Ook al meet het publiek met twee maten, het is de belangrijkste tegenkracht tegen overmatig zelfzuchtige bestuurders. Dat
disciplinerende publiek kan zich op verschillende manieren
manifesteren.
Allereerst door het lezen van de krant – of bij jongere
generaties het volgen van sociale media. Een vrije pers is de
belangrijkste tegenkracht tegen bestuurlijke excessen. Dat
de vrije pers zulke excessen noch in het bedrijfsleven noch in
het maatschappelijk domein heeft weten te verhinderen, lijkt
daarmee in tegenspraak. Ik denk echter dat het juist opmerkelijk is dat we zo weinig Vestia’s, Meavita’s en Amarantissen

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

135

ESB Drieluik Moraal en het publieke belang

tegenkomen. Ook in het bedrijfsleven is het eigenlijk saaiheid
troef. De tientallen schandalen die we tegenkomen zijn…
slechts tientallen schandalen.
Naast publiciteit (die direct gevolgen heeft voor de sympathy die volgens Adam Smith voor de mens zo belangrijk is)
kan het publiek ook met de voeten stemmen. Corporate governance is veel moeilijker dan klanten die gewoon weglopen
omdat ze het gehad hebben met een bedrijf. Het succes van
buurtzorg is een treffende illustratie van de macht van werknemers en consumenten in de thuiszorg. Grote fusieorgani­

De markt vormt de tegenkracht
die voorkomt dat eigenbelang gemakkelijk
ontaardt in pure hebzucht

De moraal

In de film Wall Street dreigt even alle macht aan de zelfzuchtigen en hebzuchtigen toe te vallen. “We make the rules, palâ€,
zegt Gordon Gekko op zijn hoogtepunt. Zoals dat hoort
in een Amerikaanse film loopt het toch nog goed af met de
mensheid. Self command zegeviert en houdt de “malfunctioning corporation called the USA†op het spoor. Ik deel dit naïeve optimisme. Het moreel vacuüm van de corporate mind,
waar Paul de Bijl het in zijn essay over heeft (De Bijl, 2014),
zie ook ik als een gevaar. Maar niet als een gevaar dat groeit
met de opkomst van marktwerking in het voormalige publiek
domein. Boeven zijn van alle tijden, van alle plaatsen.
Het nastreven van eigenbelang is de mens eigen. De
markt is niet het forum waar dat eigenbelang onbegrensd nagejaagd kan worden – misschien zelfs integendeel: de markt
vormt de tegenkracht die voorkomt dat eigenbelang gemakkelijk ontaardt in pure hebzucht. Juist in het maatschappelijk domein is het daarom belangrijk om ruimte te geven aan
markt en openheid, zodat disciplinerende prikkels daar hun
zegenrijke werk kunnen doen.

Dit artikel is een herschreven versie van een lezing die is uitgesproken tijdens
het Lustrumcongres van de Rijksacademie voor Financiën, Economie en Bedrijfsvoering, Den Haag, op 14 november 2013.

saties worden hierdoor meer gedisciplineerd dan door regulering van bestuurders en toezichthouders. Tegen boze klanten
kan geen gedragscode op (Commissie-Halsema, 2013). Wat
dat betreft beleven we mooie tijden. Klanten kunnen zich nu
veel gemakkelijker collectief boos maken dan twintig jaar geleden. Dat betekent dat de schandalen die we nu tegenkomen
vroeger waarschijnlijk net zo vaak voorkwamen, maar minder
vaak publiekelijk escaleerden.

Literatuur
Bijl, P. de (2014) Een ervaringsperspectief op marktordening en publieke belangen. ESB,
99(4680), 137–139.
Commissie-Halsema (2013) Een lastig gesprek. Den Haag: Advies Commissie Behoorlijk Bestuur.
Hayek, F.A. (1960) The constitution of liberty. Chicago: The University of Chicago Press.
Het Financieele Dagblad (2013) Interview De Swaan. Het Financieele Dagblad, 12 oktober, 7.
Kets de Vries, M. (2003) Leiders, narren en bedriegers. Essays over de psychologie van het leiderschap. Schiedam: Scriptum.
Ridley, M. (1996) The origins of virtue. Londen: Penguin.
Rijsenbilt, A. (2011) CEO narcissism. Measurement and impact. Proefschrift. Erasmus Universiteit Rotterdam.
Smit, J. (2004) Het drama Ahold – ijdelheid en hebzucht aan de top. Amsterdam: Balans.
Smit, J. (2008) De Prooi. Amsterdam: Prometheus.
Smith, A. (1759) The theory of moral sentiments. Cambridge: Cambridge University Press
Swaan, A. de (1989) Zorg en de staat; welzijn, onderwijs, gezondheidszorg in Europa en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd. Amsterdam: Bert Bakker.
Woman’s Own (1987) Interview Thatcher met Douglas Keay. Woman’s Own, 31 oktober, 8–10.

136

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

Jaargang 99 (4680) 7 maart 2014

Auteur

  • Paul de Bijl

    Eigenaar Radicand Economics en ­senior lecturer aan de ­Universiteit Utrecht (UU)