Ga direct naar de content

Een analyse van veertig jaar Philips

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 6 1990

– Jaar 1966, doelstelling: “… ons beleid zal er in 1966 op gericht zijn… de
rentabiliteit tenminste op het huidige
peil te handhaven.”
– Jaar 1966, werkelijkheid: “Ten einde
het hoofd te bieden aan de toenemende weerstanden in de markt en
de verscherpte concurrentie … hebben wij de verkoopprijzen van een
aantal produkten verlaagd ……”
“… Een en ander heeft ertoe geleid
dat de rentabiliteit van het eigen vervan de rentabiliteit van het groepsvermogen daalde van 9,2% tot 7,5%.”
Inleiding
mogen en het verloop van de werkge- – Jaar 1971, doelstelling: “Voor 1971 is
legenheid.
het onze doelstelling de ongunstige
Door het openbaar maken van het
De conclusie van dit artikel zal zijn
ontwikkeling van de resultaten een
resultaat over het eerste kwartaal van dat het verbazing wekt dat er niet veel
halt toe te roepen.”
dit jaar heeft Philips in twee opzichten eerder opschudding over Philips is ont- – Jaar 1971, werkelijkheid: “De winstdeining veroorzaakt. In de eerste plaats staan.
daling was groter dan voorzien.”
ontstond er – zacht uitgedrukt – verba”… De daling van het bedrijfsresulzing over het feit dat de publikatie van
taat … werd veroorzaakt door aanhoudend sterke kostenstijgingen,
het tegenvallende resultaat plaatsvond
Ontwikkeling van de winst
enkele weken na de aandeelhoudersdoor druk op het prijsniveau … en
vergadering, die gekenmerkt werd door
door onderbezettingsverliezen ….”
optimisme van de zijde van Philips. In
Sinds het jaar 1954 publiceert Phi- – Jaar 1975, verwachting: “Wij verde tweede plaats is er deining ontstaan lips kwartaalcijfers1. In figuur 1 zijn op
wachten dat 1975 een moeilijk jaar
over het bedroevende resultaat als zo- basis van deze kwartaalcijfers de netzal worden.”
danig.
to kwartaalwinsten (uit gewone be- – Jaar 1975, werkelijkheid: “De gang
Bovenstaande deining is te begrij- drijfsuitoefening) in procenten van de
van zaken in onze onderneming is in
1975 in ernstige mate be’invloed door
pen. In dit artikel wordt getracht aan te omzet weergegeven. Ook is een curve
tonen dat Philips bij herhaling te opti- opgenomen die de trend van de winsteen sinds de tweede wereldoorlog onmistisch is geweest en dat de trend van cijfers aangeeft2.
gekende daling van de economische
de resultaten van Philips al decennia
Ten minste twee dingen vallen op:
activiteit in vrijwel de gehele wereld.”
neerwaarts gericht is. Achtereenvol- – de neergang van de resultaten vanaf – Jaar 1980, doelstelling: “Ons streven
gens worden vier invalshoeken gekohet jaar 1961. Hierbij dient bedacht
is er op gericht door kostenverlagenzen om zicht te krijgen op de economite worden dat Philips in de bede maatregelen in de komende jaren
sche ontwikkeling van Philips. Na de
schouwde periode diverse keren het
te komen tot een noodzakelijke rentabiliteitsverbetering.”
beschrijving van het verloop van de
stelsel van winstbepaling wijzigde.
kwartaalwinsten in de afgelopen decenBelangrijke wijzigingen werden door- – Jaar 1980, werkelijkheid: “Anders dan
nia volgt een vergelijking van de intringevoerd in de jaren 1971 en 1981.
wij verwachtten was het bedrijfsresulsieke waarde (het eigen vermogen) met
Zonder deze stelselwijzigingen zoutaat echter lager dan in 1979. Als gevolg van de verslechterde economiden de curven in figuur 1 een nog
de beurswaarde van Philips. Daarna
sterker dalend verloop vertonen;
wordt voor een particuliere belegger
sche situatie hield de groei van de
aangegeven wat het rendement van – behalve in het eerste kwartaal 1990
afzetmogelijkheden geen gelijke tred
een belegging in aandelen Philips is
hebben zich ook in andere kwartalen
metde produktiviteitsverbetering in de
elektrotechnische industrie.”
geweest in de afgelopen veertig jaar.
forse dalingen voorgedaan.
Ter vergelijking zijn hierbij gegevens
– Jaar 1985, verwachting:”… verwachvermeld over een belegging in aandeAan de hand van de betreffende jaarten wij dat een geleidelijke structurelen Robeco. De vierde invalshoek be- verslagen worden enkele belangrijke
le verbetering van de winst zich de
komende jaren zal voortzetten.”
treft de relatie tussen de ontwikkeling dalingen nader bezien.
– Jaar 1985, werkelijkheid: “Het winstcijfer is … lager dan in 1984. Dit was
Figuur 1. Netto kwartaalwinsten in procenten van de omzet (1953-1990)
natuurlijk een tegenvaller.””… In 1985
stortte in de Verenigde Staten van
Amerika de markt voor ge’fntegreerde
schakelingen volledig ineen ….”

Een analyse van veertig
jaar Philips

6 –

1950

548

1955

1960

1965

1970

1975

1980

1985

1990

1. Over het vierde kwartaal publiceert Philips
geen kwartaalmededeling. Hoewel de gegevens over het vierde kwartaal in dit onderzoek wel steeds zijn berekend (aan de hand
van de jaarrekening en de gegevens over de
eerste drie kwartalen), zijn de berekende
gegevens over het vierde kwartaal niet in
figuur 1 verwerkt. De belangrijkste reden
daarvoor is dat de resultaten over het vierde
kwartaal om niet geheel duidelijke redenen
soms sterk fluctueerden. Omdat de kwartaalmededelingen van het jaar 1954 vergelijkende cijfers over de kwartalen van het jaar
1953 bevatten, zijn in figuur 1 ook de kwartaalgegevens van het jaar 1953 verwerkt.
2. De trend is hier gelijk aan het voortschrijdend gemiddelde van 15 kwartaalcijfers.

– Jaar 1990, verwachting: “Wij verwachten in alle groepen die in 1989
positief bijdroegen tot de winst een
voortgaande verbetering van Met bedrijfsresultaat. Daarnaast voorzien
wij op grond van genomen en te nemen maatregelen een verbetering
van het resultaat in de groepen die in
1989 met problemen kampten. Hierdoor zal de nettowinst uit gewone
bedrijfsuitoefening verder toenemen
en het aandeel daarvan in de totale
nettowinst stijgen. Daardoor zal de
kwaliteit van de winst verbeteren. Het
is vrijwel niet mogelijk de omvang
van de buitengewone baten en het
effect van de onzekere situatie op het
gebied van de wisselkoersen en de
rentabiliteit in te schatten. Wij hopen
evenwel de totale nettowinst verder
te verbeteren.”
– Jaar 1990, eerste kwartaal werkelijkheid: “Het bedrijfsresultaat bedroeg
in het eerste kwartaal 1990 / 450
miljoen (vorig Jaar / 611 miljoen).
Factoren die een belangrijke rol
speelden in de daling van het bedrijfsresultaat waren de gewijzigde
valutaverhoudingen (US dollar, Japanse yen, Britse pond) de vermindering van de post overige bedrijfsopbrengsten en de ten opzichte van
het eerste kwartaal van vorig Jaar
sterk verslechterde situatie op het
gebied van informatiesystemen.”3

Uit het voorgaande wordt duidelijk
dat het tegenvallende resultaat van het
eerste kwartaal 1990 niet als eenmalig
incident is te beschouwen. Voor het
concern was het wellicht beter geweest
dat reeds in een eerder stadium beroering was ontstaan, bij voorbeeld:
– aan het eind van de jaren zestig na
de dalingen van de nettowinsten in
procenten van de omzet;
– aan het eind van de jaren zeventig
toen de trend van de nettowinsten
nog steeds neerwaarts gericht was;
– in het voorjaar 1986 toen Philips over
het Jaar 1985 meedeelde: “Het winst-

cijfer is… lager dan in 1984″, terwijl
als verwachting was uitgesproken:
“… verwachten wij dat een geleidelijke structurele verbetering van de
winst zich de komende jaren zal
voortzetten.”

Vermogen, winst, beurswaarde
Onderzoek toont aan dat vanaf het
Jaar 1970 de beurswaarde van de aandelen4 Philips steeds lager is geweest
dan het eigen vermogen volgens de
balans.
Ook wordt duidelijk dat de beurswaarde beter verklaard kan worden met
de gekapitaliseerde winst dan met het
eigen vermogen5. Deze gekapitaliseerde winst, die aangemerkt kan worden
als (een) theoretische beurswaarde, is
berekend met de volgende formule:
GKWt = Wt/(0,01r t )

waarin:
GKWt = gekapitaliseerde winst in jaar t;
Wt = nettowinst (inclusief uitzonderlijke
baten en lasten) in jaar t;
n = procentueel rendement op staatsobligaties in jaar t, verhoogd met een
opslag van twee procentpunten6.
In figuur 2 zijn, na correctie voor inflatie7, de curven getekend van ‘het eigen vermogen’ (A), ‘de gekapitaliseerde winst’ (B) en ‘de beurswaarde’ (C).
Uit figuur 2 blijkt een sterke stijging
van de (reele) beurswaarde in de periode 1958 tot en met 1960. Deze stijging
correspondeert met de toeneming van
de nettowinsten in die periode (zie figuur 1). Ook valt te constateren dat in
de jaren 1986, 1987, 1988 en 1989de
beurswaarde lager is dan de gekapitaliseerde winst. Dit zou er op kunnen
duiden dat beleggers mede letten op de
‘kwaliteit’ van de winst. Bovendien
wordt in de figuur zichtbaar gemaakt dat
het eigen vermogen (in guldens van het
jaar 1950) in het jaar 1989 op het niveau
van het jaar 1973 ligt. (Het vreemd ver-

mogen is, gemeten in guldens van het
jaar 1950, in de periode 1973-1989 met
ruim 20% gestegen.)
Uit onderzoek blijkt dat de handhaving van de koopkracht van het eigen
vermogen (gemeten in guldens van het
jaar 1950) in de periode 1973-1989
slechts mogelijk is geweest door een
deel van de winst in te houden, door
emissies van aandelen en door conversie van obligaties in aandelen. De optimistische uitlatingen van het bestuur
van Philips in de periode 1973-1989
worden derhalve niet gestaafd door een
reele groei van het eigen vermogen.
Omdat het vreemd vermogen in reele
termen wel steeg, verslechterde de financiele structuur. Lang voordat de resultaten over het eerste kwartaal 1990
bekend werden gemaakt, zouden bovenstaande feiten onrust kunnen hebben veroorzaakt.

Philips en Robeco vergeleken
Het inzicht in de economische ontwikkeling van Philips kan vergroot worden door na te gaan wat de ontwikkeling
is geweest van de waarde van een belegging in gewone aandelen Philips.
Verondersteld is dat een particuliere
belegger per 1 januari 1950 tegen beurskoers een pakket gewone aandelen
Philips koopt. Verder is verondersteld dat
die belegger alle bonusaandelen, stockdividenden, opbrengsten van claims en
contant dividend gebruikt voor de verwerving van nieuwe aandelen Philips.
Ook is verondersteld dat de belegger
steeds 40% inkomstenbelasting betaalt
over het contante dividend en dat hij
geen vermogensbelasting betaalt.
Ter vergelijking is de waarde-ontwikkeling van aandelen Robeco berekend.

3. Kwartaalmededeling, eerste kwartaal
1990.
4. Van de gewone aandelen en zo lang deze

in omloop waren, ook van de preferente
aandelen.

5. De gegevens over de winst en het vermo-

Figuur 2. Ontwikkeling van het eigen vemogen (A), gekapitaliseerde winst (B) en
beurswaarde (C), gecorrigeerd voorinflatie (31-12-1950 – 31-12-1989)
7
C

gen zijn ontleend aan de jaarrekeningen van
Philips.
6. De gegevens over de rendementen op

staatsobligaties zijn ontleend aan Jaarverslagen van De Nederlansche Bank, diverse

•.

jaren. Ontbrekende gegevens werden ontleend aan de Officiele Prijscourant van Effecten, diverse jaargangen. De opslag van
twee procentpunten is te beschouwen als

een risico-ppslag. Zie daartoe ook: J. Keus,
Ondernemingswinst en werkgelegenheid,

Tweede druk, Stenfert Kroese, Leiden 1990,
biz. 199-201.
7. De gegevens over de inflatie zijn ontleend
aan label H 4 uit de Nationale rekeningen
1988, CBS, 1989. Uit deze label zijn de

indices gebruikt betreffende ‘Consumptieve
bestedingen gezinshuishoudingen’. De
prijsindex voor het jaar 1989 berust op een

raming.

1950

1955

1960

1965

1970

1975

1980

1985

8. In de plaats van “1 januari” leze men: “de

laatste beursdag voor 1 januari”.

ESB 13-6-1990

549

Figuur 3. Ontwikkeling van de waarde van een belegging in aandelen Philips en
Robeco (1-1′-1950 – 1-1-1990; 1950= 100)

1950

1960

1970

Hierbij gelden dezelfde veronderstellingen als bij de belegging in aandelen
Philips. Met onderzoek toonde aan dat
over de periode 1950-1990 de waarde
van de aandelen Philips sterker groeide
dan van de aandelen Robeco: voor aftrek van inkomensbelasting en inflatie
bedroeg het rendement op de aandelen
Philips (op basis van samengestelde interest) 11,5% per jaar; bij Robeco was dit
rendement 10,5% per jaar. Als rekening
wordt gehouden met 40% inkomstenbelasting (zodat minder nieuwe aandelen
kunnen worden gekocht) en met inflatie,
bedragen de rende-mentspercentages 5
voor Philips en 4,3 voor Robeco.
Hetverloopvandewaarde-index(1-11950 = 100) van de aandelen Philips en
Robeco is weergegeven in figuur 3. In
beide gevallen betreft het de ontwikkeling van de waarde na aftrek van 40%
inkomstenbelasting en van inflatie9.
Vergelijking van de curven in figuur 3
toont aan dat de waarde-ontwikkeling
van de aandelen Robeco gelijkmatiger
was dan van de aandelen Philips. Dit is
niet verwonderlijk als men bedenkt dat
Robeco een fonds is met een wereldwijd
gespreide belegging.
De waarde van Philips blijkt op 1
januari 1961 de hoogste stand bereikt

1980

1990

te hebben. Tegen de achtergrond van
de ontwikkeling van de winstpercentages is dit niet verwonderlijk10.
Ter vergroting van het inzicht in de
rendementsontwikkelingzijnintabel 1 de
rendementspercentages (na aftrek van
40% inkomstenbelasting en van inflatie)
over vier deelperioden weergegeven.
Uit tabel 1 kolom 4 valt af te lezen dat
voor de (hypothetische) belegger de
aandelen Philips reeds drie decennia
lang een lager rendement opleveren
dan de aandelen Robeco. Verder kan
men uit de tabel afleiden dat het rendement op de aandelen Philips over de
laatste dertig jaar (in totaal bezien) gemiddeld negatief (-0,4%) is geweest.
Deze feiten zouden al voor de recente
gebeurtenissen aanleiding kunnen zijn
geweest voor beroering.

Rentabiliteit en werkgelegenheid
Ook bij Philips geldt: ‘meer winst,
meer werk’ en ‘minder winst, minder
werk’. Om dit aan te tonen wordt hieronder de relatie beschreven tussen de
residuele rentabiliteit en de verandering
van de werkgelegenheid. De residuele

Figuur 4. Ontwikkeling van de residuele rentabiliteit en de verandering van de
werkgelegenheid (negenjaars voortschrijdende gemiddelde percentages)

rentabiliteit is hier gedefinieerd als: residuele groepswinst in procenten van
het groepsvermogen (waarbij het
groepsvermogen bestaat uit de som
van het eigen vermogen en het overig
groepsvermogen). Daarbij is de residuele groepswinst als volgt berekend.
De nettowinst (inclusief uitzonderlijke baten en lasten) is vermeerderd met
het aandeel van het overig groepsvermogen in de groepswinst. De uitkomst
van deze berekening geeft de groepswinst inclusief uitzonderlijke baten en
lasten. Op deze groepswinst zijn twee
correcties toegepast.
De eerste correctie (die mede ten
doel heeft de invloed van de belangrijkste wijzigingen van het winstbepalingsstelsel op te heffen) betreft vermogensmutaties die Philips niet via de winst- en
verliesrekening ‘Net lopen’. Deze correctie is van toepassing op de balansrekeningen: ‘herwaardering’, ‘goodwill’
en ‘omrekeningsverschillen vreemde
valuta’. De invloed van deze correcties
over de periode 1950 tot en met 1989

Tabel 1. Rendement na inkomstenbelasting en inflatie van aandelen Philips
en Robeco (1950-1990), in procenten

(1)

(2)

(3)

(4)

Periode3

Philips

Robeco

(2)-(3;

1950-1960
1960-1970
1970-1980
1980-1990
1950-1990

24,6
-0,2
-11,5
10,5
5,0

9,6
1,5

15,0
-1,7
-6,1
-1,7
0,7

-5,4
12,2
4,3

a. Per 1 januari van het betreffende jaar.

is

in totaal als volgt:
herwaardering: winst / 9.921 mln.;
goodwill: verlies / 1.168 mln;
omrekeningsverschillen
vreemde
valuta: verlies / 7.632 mln.
De tweede correctie is van een geheel andere aard. Het betreft een aftrekpost ter grootte van de ‘normaal’ te
achten winst. Deze ‘normaal’ te achten
winst is bepaald volgens de formule:
NGWt = 0,01 rt x GGVt, waarin

NGWt = normale groepswinst in jaar t;
n = procentueel rendement op staatsobligaties in jaar t, verhoogd met een
opslag van twee procentpunten11;
GGVt = gemiddeld groepsvermogen in
jaar t.

10 –

verandering werkgelegenheid

10. De koersstijging aan het eind van de
jaren vijftig is wellicht mede veroorzaakt door
een gewijzigde visie van beleggingsanalisten waardoor het groei-element bij de waardering van aandelen een sterker accent
kreeg. Zie daartoe: L Traas, De kritische

residuele rentabiliteit

-5

9. Zie noot 7.

rentabiliteit van internationale concerns: een

1950

550

1955

1960

1965

1970

1975

1980

1985

1990

kwantitatieve benadering, in: Vijftig jaar
MAB, Muusses, Purmerend, 1974, biz.
556, 557.

Na verwerking van de tweede correctie ontstaat een restpost die in dit artikel
wordt aangeduid met de term ‘residuele
groepswinst’12. De residuele rentabiliteit
is, zoals hiervoor werd aangegeven, gedefinieerd als residuele groepswinst in
procenten van het groepsvermogen. In
figuur 4 zijn de resultaten samengevat
van een onderzoek naar de relatie tussen residuele rentabiliteit en verandering
van de werkgelegenheid13 bij Philips.
Op lange termijn blijkt er (ook bij Philips) een verband te bestaan tussen
‘winsf en ‘werk’14. Verder is een ding
duidelijk: de neerwaartse trend van de
residuele rentabiliteit is, ondanks de saneringen van de laatste jaren, niet omgebogen in een positieve richting. Deze
uitspraak berust op gegevens waarin de
cijfers over het eerste kwartaal 1990 niet
zijn verwerkt. Ook zonder de tegenvallende resultaten van dat kwartaal zou er
reden voor opschudding zijn geweest.

De positie van vrouwen
op de arbeidsmarkt
Margo Brouns en Alie Schokker: Arbeidsvraagstukken en sekse, een trendrapport van de Stimuleringsgroep Emancipatie-Onderzoek (STEO), Den
Haag, 1990, 396 biz., / 45

Dit trendrapport geeft een becommentarieerd overzicht van onderzoek
naar arbeidsvraagstukken in relatie tot
sekse in de periode 1973-1989. Daartoe
hebben de schrijfsters een selectie gemaakt van boeken en tijdschriftartikelen
over vrouwenarbeid in deze periode.
In het eerste deel van het rapport
worden de achtergronden geschetst
van de maatschappelijke positie van
Conclusie
vrouwen. De schrijfsters constateren
dat het onderzoek uitwijst dat een zekeMet de publikatie van het bedroeven- re herverdeling van betaald werk heeft
de resultaat over het eerste kwartaal plaats gevonden, maar dat van herver1990 heeft Philips deining veroorzaakt. deling van onbetaalde arbeid nauweOnderzoek wijst uit dat het bedroeven- lijks sprake is, zodat de totale arbeidsde resultaat spoort met de neerwaartse belasting van vrouwen relatief zwaartrend van enkele decennia. Na de top- der is geworden. Ook op andere punjaren 1960 en 1961 is het met Philips in ten, zoals kwaliteit van de arbeid, omtal van opzichten minder goed gegaan: vang en soort arbeidscontracten, ar- de winst in procenten van de omzet beidsvoorwaarden, seksesegregatie, is
is geleidelijk tot bijna nul gedaald;
geen sprake van een wezenlijke voor- de beurswaarde van de aandelen is uitgang in de arbeidspositie van vroual vele jaren lager dan het eigen ver- wen.
mogen volgens de balans;
Het tweede deel van het trendrapport
– de financiele structuur is verslechterd; bespreekt themagewijs het inmiddels
– het ree’le rendement op aandelen is omvangrijke onderzoek. Een greep uit
(bij een matig tarief inkomstenbelas- de verschillende thema’s. Bij het thema
ting) sinds 1961 gemiddeld negatief; privesfeer merken de schrijfsters op dat
– de trend van de residuele rentabiliteit bij vrouwen uitgebreid is onderzocht
welke effecten de zorg voor de thuissiis onheilspellend;
– de werkgelegenheid is de laatste ja- tuatie heeft op de betaalde arbeidsverhoudingen. Zij vinden dat veel meer
ren afgebrokkeld.
onderzoek gedaan moet worden naar
Het wekt daarom verbazing dat er de invloed van de privesfeer op de arniet reeds veel eerder opschudding beidssituatie van mannen. Welke invloed heeft bij voorbeeld het vader worover Philips is ontstaan.
J. Keus den op de werksituatie van de man?
Een volgend thema is de scheiding
De auteur is universitair hoofddocent aan de
in vrouwen- en mannenberoepen. De
Erasmus Universiteit Rotterdam.
toeneming van mannen in vrouwenbanen verloopt tot dusverre vlotter dan
11. Zie noot 6.
omgekeerd. Het beeld dat men heeft
12. De term ‘residuele groepswinst’ kan als
van een bepaald beroep, de manier
synoniem beschouwd worden van de term
waarop functiewaarderingsystemen tot
‘benefice’ in de beroemde uitspraak van
stand komen en de cultuur van de werkWalras: “Ainsi, a I’etat d’equilibre de la production, les entrepreneurs ne font ni benefi- plek zijn mogelijke verklaringen voor de
ce ni perte”. L. Walras, Elements d’economie hardnekkige seksesegregatie. De sekpolitique pure (Theorie de la richesse sociasesegregatie komt ook tot uiting in loonle), Parijs/Lausanne, 1926, biz. 195.
verschillen, die slechts gedeeltelijk uit
13. Exclusief de verandering van de werkgeiegenheid uit hoofde van consolidaties en objectief aanwijsbare verschillen tusdeconsolidaties (verwerving en overdracht
sen mannen en vrouwen kunnen worvan deelnemingen).
den verklaard.
14. Zie voor uitvoerige beschouwingen over
Vrouwen vinden promotie maken
de relatie ‘winst en werk’: J. Keus, op.cit.,
minder belangrijk dan mannen. Met de
1990.

ESB 13-6-1990

loopbanen van vrouwen gaat het dan
ook niet zo goed. Maar er zijn ook belemmeringen zoals de manier van werven en selecteren en het bieden van
promotiekansen en de zorg voor kinderen en huishouding. De schrijfsters
merken op dat “zolang de structuur van
de arbeidsorganisaties is geent op de
maatschappelijke ongelijkheid tussen
de seksen, de gedachte van gelijke
kansen voor iedereen meer ideologic
dan werkelijkheid is.”
De cultuur van de werkplek is ook
van belang. Om vrouwen te weren uit
beroepen of functies die tot dusver nagenoeg uitsluitend door mannen worden bezet, hanteren mannen bewust of
onbewust allerlei mechanismen. Voorbeelden daarvan zijn grove taal, overdreven hoffelijkheid, een beschermende houding, onnodig werk uit handen
nemen, vrouwen uitsluiten doortoetredingseisen waar vrouwen niet aan kunnen voldoen, geintjes met seksuele lading, vrijpostigheden in woord en daad.
Daarmee zijn wij gekomen op het terrein van de ongewenste intimiteiten.
Deze worden in de verschillende onderzoeken niet steeds hetzelfde gedefinieerd en begrensd. Wel wordt duidelijk
dat ze, hoe ook gedefinieerd, op veel
grotere schaal voorkomen dan tot voor
kort mogelijk werd geacht. Het feit dat
vrouwen zich zelden verzetten tegen
ongewenste intimiteiten is tekenend
voor haar positie van onmacht. Macht
kan seksuele vormen aannemen, hoewel niet van seksuele oorsprong.
De organisatiegraad van vrouwen is
lager dan die van mannen. Uit onderzoek blijkt dat de oorzaak waarschijnlijk
is dat vrouwen vaker in kleine bedrijven
met een paternalistisch management
werken, waar het lidmaatschap van een
vakbond minder geaccepteerd wordt.
Over flexibele arbeidscontracten en
deeltijdwerk kan worden opgemerkt dat
het een paradoxale ontwikkeling is dat
arbeidsvormen die zouden moeten leiden tot een eerlijker verdeling van werk
tussen mannen en vrouwen, herverdeling van het werk in de privesfeer in de
weg staan. Kleine deeltijdbanen of flexibele arbeidscontracten leveren zo weinig inkomen op dat het kostwinnersin-

551

Auteur