Ga direct naar de content

Economische hervorming

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 23 1993

Economische hervorming
De standaardreceptuur die westerse adviseurs aan
Oosteuropese economische hervormers voorschrijven, is dat zij moeten zorgen voor een bestendig
macro-economisch beleid, een concurrerende particuliere sector en een voldoende vrije werking van
markten om te garanderen dat de economic zich adequaat aan snel veranderende omstandigheden aanpast. Nu de Nederlandse economic door de internationale recessie en de sterk oplopende werkloosheid
in serieuze problemen is geraakt, is het interessant
om aan de hand van de Miljoenennota 1994 na te
gaan of de goedbedoelde adviezen voor anderen wel
voldoende in het eigen beleid doorklinken.
De bestendigheid van het macro-economische beleid lijkt geen probleem. Sinds jaar en dag is het budgettaire beleid gericht op vermindering van het financieringstekort. Stapje voor stapje is het tekort teruggebracht van meer dan 10% van het nationaal inkomen aan het begin van de jaren tachtig tot 3,9% nu.
Hoewel dat niet genoeg is om aan de EMU-criteria te
voldoen en een stijging van de staatsschuld te voorkomen, zit Nederland hiermee in de Europese voorhoede. In dezelfde periode was het monetaire beleid
gericht op handhaving van een vaste koppeling van
de gulden aan de Duitse mark. Dit heeft bijgedragen
tot een structured lage inflatie en een harde gulden.
Tijdens de recente EMS-crisis was de gulden zelfs de
enige munt die de D-mark kon volgen. Op de financiele markten is dit bestendige macro-economische
beleid beloond met een lage rente.
In 1994 lijkt deze bestendigheid center teloor te
gaan. Minister Kok slaagt er niet in de in het regeerakkoord afgesproken doelstelling voor tekortreductie
te halen (“een tandje minder”). Reden is de ongunstige conjunctuur, die ervoor zorgt dat de belastinginkomsten sterk tegenvallen. Kok houdt via uitgavenbeperkende maatregelen die oplopen van/ 7,4 mrd.
in 1994 tot/ 14,3 mrd. structured in 1997, wel strak
de hand aan de afgesproken uitgavenbeheersing,
maar compenseert de belastingtegenvallers niet meer
volledig met extra bezuinigingen. Daarmee blijft Kok
veel strenger in de leer dan de meeste van zijn Europese collega’s. In vrijwel alle EG-landen worden de
EMU-criteria genegeerd vanwege de recessie en de
onderbesteding in de economic. Met zijn vasthoudendheid aan de tekortdoelstelling doet Kok zelfs
denken aan het braafste jongetje van de klas, dat
zijn lesje blijft herhalen, terwijl de rest naar buiten is
gerend omdat het schoolgebouw in brand staat.
Het oplopende financieringstekort zou nog makkelijker te accepteren zijn, als Kok wat meer deed
aan vermindering van de collectieve-lastendruk (zie
ook Van Wijnbergen in deze ESB). Terwijl aan Oosteuropese landen wordt aanbevolen de omvang van
hun collectieve sector drastisch terug te brengen, is
het kabinet-Lubbers/Kok tevreden dat het zijn doelstelling van stabilisatie van de collectieve-lastendruk
haalt. De lastendruk in Nederland blijft echter aan-

ESB 22-9-1993

merkelijk hoger dan die in concurrerende landen.
Dat is zorgelijk, want in de steeds scherper wordende internationale concurrentie vormen hoge belastingen en sociale premies een steeds zwaarder wegend
concurrentienadeel. Arbeid en kapitaal trekken naar
fiscaal gunstiger oorden. Bovendien belemmeren
hoge gemiddelde en marginale belastingtarieven de
werking van de arbeidsmarkt en vormen zij een rem
op ondernemerschap en initiatief.
Ten dele hangt het oordeel over de hoogte van
de collectieve lasten af van de vraag wat de burger
voor zijn collectieve gulden ontvangt. Om de kwaliteit van de collectieve uitgaven te verbeteren voert
het kabinet een beleid van bevordering van de overheidsinvesteringen. Voor de periode 1994-1998 wordt
/ 5 mrd. extra uitgetrokken voor additionele investeringen in fysieke infrastructuur, bodemsanering en
versterking van de kennisinfrastructuur. Deze bedragen komen boven op de reeds gereserveerde middelen voor de Betuwelijn en de hoge-snelheidslijn (f 3
mrd.). Het is positief dat er na jarenlange daling nu
meer geld voor overheidsinvesteringen wordt uitgetrokken, maar wat is het verwachte (maatschappelijke) rendement van deze investeringen? Een toelichting hierop ontbreekt in de Miljoenennota. Afweging
tegen andere overheidsuitgaven is daardoor niet mogelijk. Het afwegingsproces wordt nog extra bemoeilijkt doordat sommige inkomsten direct worden doorgesluisd naar een apart fonds ter versterking van de
infrastructuur.
Steevast wordt aan Oosteuropese landen ook aanbevolen te zorgen voor goed werkende markten, zodat de economic zich kan aanpassen aan veranderende omstandigheden. In Nederland echter wordt een
groeiend deel van de beroepsbevolking buiten de arbeidsmarkt gehouden door belemmeringen in de
loonvorming, de arbeidsomstandigheden, gebrekkige
opleiding en training, het sociale-zekerheidsstelsel,
de ontslagbescherming enz. Het gaat hier niet om
een conjunctureel probleem. De werkloosheid stijgt
veel sneller dan met de vertraging van de economische groei overeenkomt en blijft na elke recessie op
een structured hoger niveau steken. Van degenen
die langer dan een jaar werkloos zijn, komt de helft
niet meer aan de slag. De oplopende druk van werkloosheids- en andere uitkeringen heeft bovendien
een zelfversterkend effect op de inactiviteit. Ook op
de markten voor goederen en diensten, kennis en kapitaal valt het nodige te dereguleren en te dynamiseren. De Miljoenennota besteedt daar wel aandacht
aan, maar het kabinet laat maatregelen toch vooral
aan zijn opvolger over.
Langzaam maar zeker gaat het in Oost-Europa
wat beter. Hier echter kalft de concurrentiekracht af.
Nog even en wij krijgen van hen advies hoe onze
economic te hervormen.
L. van der Geest

Auteur