Ga direct naar de content

De waarden van Nederlandse economen

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 15 1996

De waarden van Nederlandse economen
Aute ur(s ):
Dalen, H.P. van (auteur)
Klamer, A. (auteur)
De auteurs zijn werkzaam b ij het Onderzoekcentrum Financieel Economisch Beleid van de Erasmus Universiteit en het Ministerie van
Economische Zaken, respectievelijk de Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen van de Erasmus Universiteit. Dit artikel b ouwt voort op
een uitgeb reide, op enquêtes geb aseerde studie onder Nederlandse economen, waarvan verslag is gedaan in Telgen van Tinbergen, Het verhaal
van de Nederlandse economen, Balans, Amsterdam, 1996; een b oek waarin tevens vraaggesprekken zijn opgenomen met economen van divers
pluimage.
Ve rs che ne n in:
ESB, 81e jaargang, nr. 4058, pagina 444, 15 mei 1996 (datum)
Rubrie k :
Tre fw oord(e n):
economie-beoefening, normen, w aarden

Nederlandse economen voelen zich het meeste verwant met economiebeoefening in de stijl van Tinbergen, met een duidelijke
scheiding tussen (waardevrije) instrumenten en doeleinden (die het resultaat zijn van een politieke keuze). Toch lijken veel economen
zich niet aan deze scheiding te houden: niet alleen bestaat er geen consensus over de prioriteit die aan verschillende economische
problemen moet worden toegekend, maar ook hangt de steun voor bepaalde beleidsmaatregelen sterk samen met politieke kleur.
Wellicht dat meer openheid over hun waarden de economen goed zal doen.
Wetenschappers worden geacht waardenvrij te zijn. Wij economen dus ook. De bedoeling is dat wij, als beoefenaars van een positieve
wetenschap, onze vooroordelen, ideologieën, en waarden buiten beschouwing laten wanneer we de economische werkelijkheid
onderzoeken. Onze politieke kleur mag geen invloed hebben op onze diagnose van een probleem als de werkloosheid.
Nederlandse economen hebben strenge leermeesters in dit opzicht. Met name Hennipman maakte diepe indruk met zijn vermaningen
waarden buiten de wetenschap te laten. Maar ook Tinbergen, zonder meer de meest befaamde en meest populaire Nederlandse econoom
ooit, eiste objectiviteit van de wetenschapper. De invloed van deze toonaangevende figuren in de Nederlandse stamboom blijft merkbaar.
Als geen ander verdedigt Arnold Heertje het geestelijke erfgoed van Hennipman; iedere econoom die hij betrapt op vooringenomenheid,
kan op een bestraffende brief van zijn hand rekenen. Tinbergens geest leeft bijvoorbeeld voort in de opstelling van het CPB.
In ons onderzoek onder Nederlandse economen (zie Telgen van Tinbergen) herkenden wij hun invloed verder in het ontbreken van
duidelijk afgetekende scholen. In tegenstelling tot hun Amerikaanse collega’s weigeren Nederlandse zich in hokjes te laten plaatsen. Zij
staan liever te boek als nuchtere eclectici. Dezelfde enquête die voor Amerikaanse economen uitgesproken meningen liet zien, leverde
een saai beeld op van de Nederlandse economen. De voorkeur voor de midden- of compromispositie bleek overweldigend. De
Nederlandse econoom maakt de indruk kleurloos te zijn. Is dat wel zo?
Waarden verschillen
De persoon van ‘s lands meest bekende econoom, Jan Tinbergen, geeft al aan dat Nederlandse economen niet zo kleurloos zijn als ze
doen voorkomen. Want Tinbergen maakte geen geheim van zijn rode kleur en liet vooral op oudere leeftijd die kleur zonder voorbehoud
wapperen in zijn hartstochtelijke pleidooien voor één wereldregering, meer ontwikkelingshulp, volledig gelijke inkomensverdeling,
wereldvrede en een schoon milieu. Gevraagd of zijn meningen in deze zaken wetenschappelijk gefundeerd zijn, antwoordde Tinbergen:
“Natuurlijk uiteindelijk niet, maar je kunt, geloof ik, niet het hele leven zien als wetenschapsbeoefening” 1.
Dit neemt niet weg dat Tinbergen vasthield aan de scheiding tussen waardeoordelen en zijnsoordelen. Buitengewoon invloedrijk is zijn
model van economisch beleid geweest. Ook economen die zijn On the theory of economic policy uit 1952 niet gelezen hebben, zijn groot
geworden met zijn onderscheid tussen doeleinden en instrumenten. Zijn model van de economische politiek bepaalt het algemeen
gedeelde uitgangspunt dat de politiek de doeleinden van het economische beleid bepaalt terwijl economen de instrumenten aanreiken
waarmee die doeleinden het best benaderd kunnen worden. De veronderstelling is dat de instrumenten waardenvrij zijn en dus geen
invloed uitoefenen op de vaststelling van de doeleinden. Volgens dit model zijn economen ingenieurs die weten hoe ze aan de
economische machine moeten sleutelen maar zich onthouden van een mening over wat die machine moet doen.
Dit model is zeer moeilijk te toetsen. Goede studies van de invloed van economen op het politieke proces zijn zeldzaam2. We hebben
vastgesteld dat ze sterk vertegenwoordigd zijn in machtsposities maar of dat ook betekent dat de economische gedachtengang van deze
machtige economen hun beslissingen bepalen weten we niet. Het vermoeden is dat zulke economen veel water in de economenwijn
moeten doen om geloofwaardig te zijn. De zuivere wetenschappers onder de economen, zoals Robert Lucas, vermijden dan ook politieke
en maatschappelijke discussies, bevreesd als ze zijn hun wetenschappelijke waarden af te vallen. Paul Krugman noemt de economen die
opgaan in het politieke proces ‘policy entrepreneurs’ en maakt duidelijk geen hoge pet op te hebben van dat soort economen 3. Het zijn in
zijn beschrijving de economen die simplistische antwoorden geven op moeilijke vragen. Gelijk Lucas hecht ook Krugman waarde aan het
wetenschappelijke niveau van zijn inbreng. In zijn boek maakt hij duidelijk geschrokken te zijn van het politieke misbruik van zijn

wetenschappelijk onderzoek naar de beperkingen van vrije handel.
Economen als retorici
Een alternatief model, dat wij voorstaan, benadrukt het retorische karakter van zowel de economische wetenschap als de economische
politiek. Volgens dit model proberen economen elkaar en anderen te overtuigen van hun zienswijze. Economische politiek wordt dan een
proces van meningsvorming waarin economen een opvallende rol kunnen spelen. Hoe belangrijk die rol is hangt af van hun status en
vanzelfsprekend ook van de aard van hun argumenten. Om invloed te hebben op dit proces is niet zozeer neutraliteit geboden, dan wel
duidelijke en gefundeerde stellingnames. In veel gevallen zullen economen bijvoorbeeld optreden als pleitbezorgers van grotere
efficiëntie en betere prikkels. Dit is overigens ook het beeld dat Jules Theeuwes onlangs op een congres presenteerde 4.
Sommige economen zullen beter zijn in dit proces van meningsvorming dan anderen. Zuivere wetenschappers zullen in het algemeen
ineffectief zijn; zij zoeken erkenning voor hun ideeën in de eerste plaats van andere wetenschappers en zijn daarom niet ingesteld op het
retorisch gevecht in de politieke arena. Economen die de politieke arena wel kundig bespelen noemen we beleidseconomen; zij zoeken
ook vooral erkenning in het politieke strijdperk. Zij zijn in het algemeen van een ander slag dan de zuivere wetenschappers onder ons en
zijn meer behept in het behalen van hun ‘politiek haalbare’ gelijk. Slechts een enkele econoom weet beide rollen op bevredigende wijze te
combineren.
Bezien we de economen als retorici, dan is het redelijk te verwachten dat waarden, en dus ook politieke waarden, een rol spelen in hun
pleidooi. Om deze stelling te toetsen hebben wij een aantal Nederlandse economen vragen voorgelegd over de eigen keuze van
prioriteiten in het economisch beleid 5. tabel 1 biedt een overzicht van wat de Nederlandse econoom belangrijk vindt 6. De tweede kolom
geeft de gemiddelde waarden aan welke Nederlandse economen toekennen aan het belang van de opgesomde beleidsproblemen. De
derde tot en met de zesde kolom tonen de regressieresultaten van de rangschikking van beleidsproblemen met variabelen als leeftijd,
politieke kleur en opleiding van de econoom.

Tabel 1. Wat zijn de belangrijke beleidsproblemen volgens Nederlandseeconomen? Rangschikking, waarbij aan het
belangrijkste probleem een 1 wordt toegekend en aan het minst belangrijke probleem een 7 T-waarden tussen haakjes
Gemiddelde Constante

1. Hoge werkloosheid in Nederland

2,34

2. Armoede in ontwikkelingslanden

3,04

3. Milieuvervuiling

2,64
(15,22)

2,87
11,97)
3,16
3,18
(16,74)

4. Hoge kosten Nederlandse
verzorgingsstaat

3,55

5. Tanende concurrrentiekracht
NL bedrijven

4,35

6. Economische macht kartels
7. Ongelijkmatige inkomensverdeling
in NL

3,68
(16,77)

4,55
(20,25)
5,58
5,42
(30,39)

Lft

Polit. Geprokleur moveerd

-0,72 -0,02
(1,82) (0,68)
1,03
0,29
(1,88) (6,77)
0,38
0,24
(0,88) (7,21)

0,01
(0,11)
-0,35
(2,15)
-0,20
(1,51)

-0,98 -0,41
(1,99)(10,81)

0,05
(0,35)

-0,91
(1,79)
0,47
(1,17)

0,17
(1,08)
-0,09
(0,73)

– 0,29
(7,22
-0,02
(0,57)

5,96
5,94
0,14
(33,40)
(0,35) (5,97)

0,19
(1,98)

0,24

De prioriteitenkeuze van de beleidsproblemen heeft betrekking op de cijfers 1 (= het belangrijkste probleem) tot en met 7 (= het minst
belangrijke probleem). De kolom ‘gemiddelde’ geeft deze scores weer voor alle Nederlandse economen. In de overige kolommen geeft
een minteken (plusteken) bij de verschillende variabelen aan dat oudere, linkse en gepromoveerde economen aan het probleem in
kwestie een hogere (lagere) rangschikking toekennen.
De leeftijdsvariable is leeftijd in jaren maal 10 -2.
De politieke kleur is benaderd met een dummy met de volgende waarden: VVD en SGP/RPF/GPV = 2; CDA = 1; D66 = -1; PvdA = -2;
Groen Links = -3; overige partijen zijn buiten beschouwing gelaten. ‘Gepromoveerd’ is weergegeven met een dummy: middelbaar
onderwijs, kandidaats; hbo en doctoraal = 0; doctoraat = 1.

Werkloosheid is het meest prangende probleem volgens de Nederlandse econoom en de politieke kleur van de econoom lijkt daarbij geen
rol te spelen. Links en rechts vinden werkloosheid even belangrijk, en hetzelfde geldt voor het probleem van de macht van kartels.
Anders ligt het voor de overige vijf beleidsproblemen. Daar speelt de politieke kleur wel degelijk een rol. In sommige gevallen speelt zelfs
de opleiding en de leeftijd een rol. Gepromoveerde economen hechten bijvoorbeeld meer belang (0,35 punten) aan de armoede in
ontwikkelingslanden dan niet-gepromoveerde economen. En oudere economen vinden de houdbaarheid van de verzorgingsstaat een
belangrijker probleem dan jongere economen en het omgekeerde geldt voor de armoede in ontwikkelingslanden. Een leeftijdsverschil van
vijftig jaar impliceert ongeveer tot een bijstelling van de rangschikking van de beleidsprobroblemen met een half punt. De
leeftijdseffecten worden echter overschaduwd door de effecten van de politieke kleur van de economen.
Verschillen de denkramen waardoor we naar buiten kijken?
Op zich is het feit dat economen van mening verschillen over prioriteiten niet opzienbarend. Om onze stelling dat waarden de analyses
van economen beïnvloeden te onderbouwen, moeten we kunnen aantonen dat economen gekleurde brillen dragen met uiteenlopende
tinten. In navolging van Tinbergen willen de meeste van ons doen voorkomen dat hun bril ongetint is. Tussen het woord en de daad van

economen gaapt echter een gat zoals Van der Ploeg reeds aanduidde in zijn oratie: “een econoom kan binnen een linkse of rechtse
‘Weltanschauung’ denken, maar een econoom kan ook links of rechts voelen” 7. Kortom, niet alleen de voorkeuren verschillen maar ook
de denkramen waardoor we naar buiten kijken.
Om het denkraam van de Nederlandse econoom op de proef te stellen legden wij hem (de Nederlandse econoom is voornamelijk een man)
vijftien zowel positieve als normatieve stellingen voor. tabel 2 hebben we gerangschikt naar de mate van overeenstemming per vraag. De
meeste Nederlandse economen stemmen in hoge mate in met de stelling dat importtarieven en -quota’s de economische welvaart
verlagen, en men kan felle tegenstand ontmoeten wanneer men beweert dat de wetten die consumenten beschermen de economische
doelmatigheid verminderen.

Tabel 2. Meningen van Nederlandse economen van ‘eens’ (1), ‘geen mening’ (0) tot ‘oneens’ (-1) T-waarden tussen haakjes
Gemid.

Constante

Polit.
kleur

Gepromoveerd

0,64

0,57
(8,27)

0,16
(1,21)

0,03
(2,21)

0,05
(1,17)

2. Anti-kartelwetgeving moet met kracht
0,59
gebruikt worden om monopolies te bestrijden

0,48
(6,32)

0,20
(1,15)

-0,03
(2,31)

0,02
(0,52)

3. Een hoog begrotingstekort heeft
negatieve gevolgen

0,54

0,36
(4,42)

0,53
(2,87)

0,06
(4,48)

-0,00
(0,03)

4. Budgettair beleid kan effectief
stabilisatie-instrument zijn

0,54

0,22
(2,82)

0,80
(4,43)

-0,04
(2,82)

-0,12
(2,33)

5. Een ecotax werkt beter dan opleggen
van vervuilingsgrenzen of -plafonds

0,36

0,34
(3,48)

-0,15
(0,69)

-0,05
(2,68)

0,24
(3,76)

6. Minimumloon verhoogt werkloosheid
onder jonge en ongeschoolde arbeiders

0,36

0,14
(1,50)

0,64
(2,98)

0,13
(7,95)

0,15
(2,35)

7. Flexib.en vrije wisselkoersen vormen
een effectief co̦rdinatie Рmechanisme

0,08

-0,10
(1,01)

0,49
(2,13)

0,05
(2,56)

0,00
(0,01)

8. De inkomensverdeling in ontwikkelde
landen moet gelijkmatiger zijn

0,03

-0,52
(4,96)

1,04
-0,19
(4,31) (10,43)

0,02
(0,35)

9. Inflatie is voornamelijk een monetair
fenomeen

0,04

0,18
(1,62)

-0,51
(2,05)

0,04
(2,34)

0,04
(0,54)

10. Om inflatie te beteugelen moet een
-0,05
strakke loon- en prijspolitiek worden gevoerd

-0,03
(0,28)

0,07
(0,31)

-0,00
(0,26)

-0,14
(2,06)

11. De overheid moet welvaartsstaat hervormen langs de lijnen van een
basisinkomen

-0,14

-0,03

-0,04

(1,25) ( 0,71)

(1,75)

(0,48)

12. De transitie van een centraal geleide -0,20
economie naar een markteconomie kan het
beste snel en volledig geschieden

0,01
(0,09)

-0,33
(1,28)

0,10
(5,34)

-0,02
(0,31)

13. Handel in menselijke organen voor
transplantaties is economisch doelmatig

-0,22

-0,04
(0,34)

-0,55
(2,29)

0,04
(2,11)

0,21
(3,05)

14. De macht van vakbonden moet flink
worden ingeperkt

-0,31

-0,41
0,30
(3,90) (1,26)

0,11
(5,87)

0,06
(0,89)

15. Wetten die consumenten beschermen
verminderen economische doelmatigheid

-0,50

-0,50
0,17
(5,18) (0,74)

0,06
(3,25)

-0,07
(1,10)

1. Importtarieven en -quota’s verlagen
economische welvaart

-0,06

Lft

0,18

Zie voor de beschrijving van de variabelen tabel 1.

Opvallend in tabel 2 is dat de gepromoveerde economen meer dan ‘gewone’ economen het gedachtengoed van de nieuw klassieke
economie aanhangen. De Lucas-kritiek op de macro-economische beleidsvoorbereiding lijkt goed doorgedrongen te zijn tot de
gepromoveerde economen: zij hebben weinig vertrouwen in de stabiliserende werking van begrotingsbeleid en een centralistisch
inflatiebeleid wijzen zij ronduit af. Voorts zijn zij meer dan de doctorandi overtuigd van de merites van het prijsmechanisme: een ecotax
werkt beter dan het opleggen van vervuilingsgrenzen, het minimumloon verstoort de marktwerking en verhoogt de werkloosheid, en de
handel in menselijke organen voor transplantatiedoeleinden is economisch doelmatig.
Nu zijn de meeste van deze stellingen niet allemaal even actueel en de onenigheid onder economen is ook niet onthutsend. Maar hoe

staat het met de meningen van economen over de werkloosheid? Gezien de actualiteit en ook de urgentie van het werkloosheidsprobleem
verwachtten wij meer uitgesproken meningsverschillen onder de Nederlandse economen te vinden. Om deze veronderstelling te toetsen
voegden wij de volgende vraag toe aan de enquête: “In welke mate liggen de volgende factoren ten grondslag aan de hoge werkloosheid
in Nederland?” De antwoorden, die zijn weergegeven in tabel 3, bevestigen onze verwachtingen.

Tabel 3. Perceptie van de oorzaken van werkloosheid van zeer belangrijk (score 2) tot onbelangrijk (-2)a
Oorzaken werkloosheid

Gemid Const.

1. De ‘wig’: het verschil tussen
het bruto- en netto-loon

1,08

Lft

Poli.
kleur

Gepromoveerd

1,01
0,52
0,13
(7,29) (1,65) (5,42)

-0,08
(0,83)

2. Het geringe verschil tussen het
0,72 0,52
0,83
0,25
netto-minimumloon en de sociale uitkeringen
(3,17) (2,22) (8,54)

0,10
(0,92)

3. De hoge toename van het arbeidsaanbod

0,51

0,29
0,43 -0,06
(1,63) (1,03) (1,92)

0,07
(0,56)

4. Arbeidsbesparende techn. vooruitgang

0,37 -0,17
1,44 -0,10
(0,90) (3,32) (2,93)

0,37
(2,90)

5. Te lage bedrijfsinvesteringen

0,42

0,39
0,00 -0,07
(2,21) (0,00) (2,28)

-0,06
(0,47)

6. Te hoge lonen

0,03 -0,26
0,81
0,09
(1,44) (1,98) (2,79)

-0,01
(0,05)

7. De buitenlandse concurrentie

0,02 -0,08
0,34 -0,02
(0,43) (0,83) (0,66)

-0,20
(1,65)

8. Het algemeen-verbindendverklaren
van cao’s

-0,10

0,03 -0,14
0,16
(0,18)( 0,35) (5,20)

0,12
(1,04)

9. Gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef -0,65 -0,57 -0,18 -0,15
van het bedrijfsleven om de winst
(3,10) (0,41) (4,59)
om te zetten in banen

-0,32
(2,64)

a. De volgende waarden werden toegekend aan de antwoorden: zeer belangrijk = 2; belangrijk doch niet bepalend = 1; weet niet = 0;
van gering belang = -1; onbelangrijk = -2. Zie voor de beschrijving van andere variabelen tabel 1.

Het meningsverschil valt vooral op bij de inschatting van het prijsmechanisme op de arbeidsmarkt: de wig en de armoedeval (of
werkloosheidsval) als oorzaken van de werkloosheid kunnen rekenen op bijval van rechtse economen en tegenstand van linkse
economen. Voorts wijzen vooral rechtse economen het algemeen verbindend verklaren (avv) van cao’s als een belangrijke oorzaak aan.
Gezichtsbepalende en rechtse economen zoals Gerrit Zalm zijn blijkbaar tamelijk effectief in het scherp aanzetten van de argumenten.
Gezien de heibel die over het avv altijd gemaakt wordt is het verrassend te noemen dat economen het avv weinig waarde toedichten in
het veroorzaken van werkloosheid. Hoewel economen weinig belang toedichten aan ethische factoren zoals het
verantwoordelijkheidsbesef van het bedrijfsleven, hechten linkse economen duidelijk meer aan dit argument.
Een kwestie van autoriteit
Hennipman zal zich in zijn graf omdraaien als zijn geest achter onze bevindingen komt. De gekleurdheid van economen is in strijd met zijn
beeld van de waarden-loze econoom. Gaan we evenwel af op de voorstelling van economen als retorici die proberen te overtuigen dan is
de gekleurdheid niet noodzakelijk een kwaad; gekleurdheid heeft dan juist een functie: een linkse econoom die zegt dat de
verzorgingsstaat ingekrompen moet worden maakt meer indruk dan wanneer een rechtse econoom dat zegt 8. Als pleitbezorgers zullen
economen kleur moeten bekennen. Ook als zij geen politieke kleur, in navolging van Hennipman, willen bekennen zullen zij uitkomen voor
de kleur van de objectieve wetenschap en dus sterk staan voor de waarden waar de wetenschap voor staat.
Het retorische karakter van de meningsvorming over economische zaken blijkt verder uit de betekenis van de ethos van de econoom. In
het geval van economen blijkt belangrijk te zijn wie een mening verkondigt, of beter gezegd, tot welke soort economen de pleitbezorger
behoort. Lange tijd had vooral de CPB-econoom de ethos van de betrouwbare en wijze econoom maar die status is tanende. De jongere
economen keren zich steeds meer af van het CPB als raadgever en uit de gesprekken die wij voerden met jonge economen kregen we niet
de indruk dat men stond te popelen om bij het CPB aan de slag te gaan, terwijl vroeger het CPB als het Walhalla van de economische
wetenschap werd beschouwd 9. De associatie van het CPB met haar eclectische mammoetmodellen zal daar niet vreemd aan zijn;
dergelijke modellen zijn immers ‘not done’ onder academische economen. tabel 4 geeft een indruk van die tanende reputatie. Er is echter
één troost voor het Planbureau: onder gepensioneerde economen en economen die bij de overheid werken geldt het CPB nog steeds als
de autoriteit in Nederland. Om het tij te keren probeert het CPB met Henk Don en Lans Bovenberg een nieuwe weg in te slaan om haar
wetenschappelijke ethos te verbeteren. Want onder economen heeft de wetenschapper het voor het zeggen, blijkt ook uit tabel 4.
Economen van ministeries maken blijkbaar weinig indruk op collega-economen en de fractiespecialist van politieke partijen komt zelfs
nog achter de werknemer van adviesbureaus. (Het moet gezegd worden dat ten tijde van de enquête Rick van der Ploeg nog niet veel van
zich had laten horen in de Tweede Kamer.)

Tabel 4. Autoriteiten in de meningsvorming onder economen a
Gemiddelde
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.

Academische econoom gespecialiseerd op bewuste terrein
Buitenlandse beleidsinstelling (OESO, IMF, Wereldbank)
2,05
Centraal Planbureau
1,93
Man of vrouw in de praktijk
1,78
Ministeriële stafafdeling gespecialiseerd op bewuste terrein
Particulier adviesbureau (Berenschot, McKinsey, KPMG)
Fractiespecialist van de politieke partij van uw voorkeur
0,96

2,18

1,48
1,31

a. De vraag die gesteld werd luidde: “Indien u om een mening gevraagd wordt over een actueel economisch probleem waar u weinig
van weet, in welke mate hecht u belang aan de meningen van de volgende instanties of personen?” De volgende waarden werden
toegekend aan de antwoorden: zeer belangrijk = 3, redelijk belangrijk = 2, van gering belang = 1; van geen belang = 0. Zie voor de
beschrijving van andere variabelen tabel 1.

Pleidooi voor een waardevolle economie
Nu kunnen we in de geest van Hennipman en Tinbergen protest aantekenen tegen deze (retorische) gang van zaken. Economen van
ministeries kunnen bij hoog en laag volhouden dat de beeldvorming van hen onterecht is en consultants kunnen wellicht procedures
aanspannen tegen broodrovende laster. We kunnen ook gewoon erkennen dat de meningsvorming noodzakelijk retorisch is en dat dus
hun waarden en hun ethos de overtuigingskracht van economen medebepalen. Daaruit volgt niet noodzakelijk dat wij economen er goed
aan doen nadrukkelijk met onze politieke kleuren te gaan wapperen. Een koele en nuchtere instelling zou wel eens beter kunnen werken
wanneer de ethos van de wetenschapper belangrijk is. Maar in een politiek onderhandelingsproces komen markante meningen
waarschijnlijk beter tot hun recht. Het onderdrukken van de waarden van economen door volstrekte neutraliteit op te leggen
(bijvoorbeeld door ze in commissies te laten opereren) leidt alleen maar tot compromisanalyses en -voorstellen die de kern van problemen
miskennen en de angel uit beleidsvoorstellen haalt.
Verder volgt uit ons alternatief model dat economen verschillende rollen hebben. De zuivere wetenschapper heeft een andere rol dan de
beleidseconoom. Het is te begrijpen dat het CPB meer aansluiting bij de wetenschap zoekt, maar een wetenschappelijke instelling wordt
het nooit, tenminste niet zolang het functioneert als een beleidsondersteunende instelling. De waarden, prikkels en de retorische
vaardigheden die voor zo’n instelling gelden, zijn nu eenmaal anders dan die van de zuivere wetenschap. Om een verschil te noemen, de
wetenschapper dient zich te meten in het internationale veld van wetenschappers terwijl het gehoor van het CPB toch in de eerste plaats
uit Nederlandse politici en ambtenaren bestaat.
Uiteindelijk is dit een pleidooi voor een diversiteit van meningen en theorieën in beleid en wetenschap. Meningsverschillen zijn goed
want, om met Keynes te spreken “it is only by argument, conflict if you like, that economics makes progress.

1 Zie A. Klamer, Verzuilde dromen, 40 jaar SER, Balans, Amsterdam, 1990.
2 Zie bijvoorbeeld J.J. Cordes, A. Klamer, en T.C. Leonard, Academic rhetoric in the policy arena: the case of capital gains taxation,
Eastern Economic Journal, 1993, blz. 459- 479.
3 P. Krugman, Peddling prosperity, Norton, New York, 1994.
4 Zie voor een impressie hiervan F. Kalshoven, De koningin is ziek, Elsevier, 23 maart 1996, blz. 72-76.
5 Voor een uitgebreide beschrijving van de enquête verwijzen wij naar Van Dalen en Klamer, 1996, op.cit. Wij vermelden slechts dat ruim
43 procent (n = 627) van een steekproef van 1461 economen heeft gereageerd op onze enquête. De steekproef betrof 1000 leden van de
Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, ruim 356 aio’s en oud-aio’s en 105 hoogleraren economie.
6 Om zoveel mogelijk informatie in een tabel te presenteren is ervoor gekozen om de numerieke antwoordcategorieën te regresseren met
variabelen als leeftijd, politieke kleur en opleiding. Andere statistische methodes leverden geen afwijkende inzichten op.
7 F. van der Ploeg, Is de econoom een vijand van het volk?, Prometheus, Amsterdam, 1992.
8 Zie A. Cukierman en M. Tommasi, Why does it take a Nixon to go to China?, 1994, of You have to be left in order to do right, working
paper, Tel Aviv University; maar ook W. Letterie en O.H. Swank, Learning and signalling by advisor selection, working paper, Erasmus
Universiteit Rotterdam, 1995.
9 Zie voor de gesprekken Van Dalen en Klamer, op cit., 1996.

Copyright © 1996 – 2003 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteur

  • Harry van Dalen

    Hoogleraar aan Tilburg University en onderzoeker bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI)