Ga direct naar de content

De verplichtstelling van de Nederlandse pensioenen

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: december 11 2013

Er zijn goede economische redenen voor verplichte deelname van werknemers aan pensioenregelingen en van werkgevers aan pensioenfondsen, die bij de ontwikkeling van Nederlandse en Europese regelgeving goed in acht moeten worden gehouden.

ESB Pensioenen

Pensioenen

De verplichtstelling
van de Nederlandse
pensioenen
Er zijn sterke economische argumenten voor de verplichtstelling
in ons aanvullend-pensioenstelsel. De juridische houdbaarheid
hangt nauw samen met de mate van solidariteit in het stelsel. Recente ontwikkelingen in Nederland en Europa kunnen deze juridische houdbaarheid beïnvloeden, waardoor de benutting van de
economische voordelen mogelijk wordt ondermijnd.

roel beetsma
Hoogleraar en
vice-decaan aan
de Universiteit van
Amsterdam
Damiaan chen
Promovendus aan
de Universiteit van
Amsterdam

738

O

nder invloed van de vergrijzing en de ontwikkelingen op de financiële markten is
de houdbaarheid van onze aanvullende
pensioenen vaker dan vroeger onderwerp
van discussie. De tweede pijler van ons
pensioenstelsel zal daarom een aantal veranderingen ondergaan, zoals de invoering van het nieuwe pensioencontract
en een aangescherpt en aangepast toezichtkader vanaf 2015
waaronder straks zowel de oude als de nieuwe contracten
zullen vallen (Ministerie van SZW, 2013). Voorts wordt de
fiscale facilitering van onze aanvullende pensioenen ingeperkt, waardoor de jaarlijkse pensioenopbouw lager wordt en
werknemers gestimuleerd worden om langer door te werken.
Bovendien zien we een geleidelijke verschuiving van regelingen met een beschikbare uitkering (defined benefit, ofwel
DB) naar collectieve beschikbare-premieregelingen (collective
defined contribution, ofwel CDC),waarin de werkgever niet
langer het directe risico van mogelijke bijstortingen loopt.
Ten slotte is een toename van individuele DC-regelingen te
zien, hoewel het aantal mensen dat daaronder valt nog steeds
relatief beperkt is. De druk op de houdbaarheid van onze
aanvullende pensioenen leidt met name onder de jongere
werknemers tot de vraag of verplichte deelname aan een pensioenregeling nog wel in hun belang is. Immers, terwijl ze nu
bijdragen aan de regeling, vragen ze zich af wat er straks over

is, wanneer ze zelf met pensioen zijn. Daarnaast kunnen Europese ontwikkelingen ook invloed hebben op de houdbaarheid
van de verplichtstelling (Chen en Beetsma, 2013).
Een overzicht van de economische en juridische argumenten voor verplichte deelname in aanvullend-pensioenregelingen, inclusief een vergelijking tussen Nederland en
andere landen, laat de economische voordelen zien en de omstandigheden waaronder deze daadwerkelijk kunnen worden
genoten, in het licht van recente ontwikkelingen in Nederland en Europa.
Classificatie van pensioensystemen

Er zijn verschillende manieren om pensioensystemen te classificeren. Allereerst kunnen pensioensystemen worden ingedeeld in omslagstelsels, waarbinnen de huidige werkenden de
pensioenen betalen van de huidige gepensioneerden, en met
kapitaal gedekte systemen waarbinnen mensen sparen voor
hun eigen pensioen. Onze AOW is een omslagsysteem, zij het
niet in de meest pure vorm, omdat de kosten van de AOWpremies tegenwoordig deels betaald worden uit algemene
middelen. Ten tweede kunnen pensioensystemen worden
geclassificeerd in DB- en DC-regelingen. Deze regelingen
zijn formeel gedefinieerd in de Pensioenwet. DB (in de Pen­
sioenwet ‘uitkeringsovereenkomst’ genoemd) refereert aan
een regeling met een beloofde uitkering die vastligt in euro’s.
In de meest zuivere definitie van DB, zoals die ook in het buitenland vaak wordt gehanteerd, zou de uitkering niet vastliggen in euro’s, maar in koopkracht. DC is in de Pensioenwet
omschreven als ‘premieovereenkomst’, die bij pensionering
moet worden omgezet in een periodieke uitkering. Figuur
1 bevat een schematische rangschikking van pensioenregelingen van zuiver DC naar zuiver DB. Binnen een collectief
DC-systeem, dat niet expliciet in de wet is gedefinieerd, worden de risico’s gedeeld tussen alle cohorten van deelnemers,
maar deelt de werkgever niet in de risico’s anders dan door een
aanpassing van de premie eens in de vijf jaar. Het dichtst in
de buurt van een puur DB-systeem komt een systeem waarin

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
Jaargang 98 (4674 & 4675) 13 december 2013
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

Pensioenen ESB

de uitkering vastligt in termen van het laatste salaris, omdat
dit over de tijd in de regel omhooggaat met de gemiddelde
looninflatie en daarom in ieder geval gedurende het werkzame leven beschermd is tegen prijsinflatie, aangenomen dat de
looninflatie meestal hoger ligt.
Een derde manier om pensioenregelingen te classificeren is de mate waarin ze ‘actuarieel fair’ zijn, dat wil zeggen
de mate waarin de uitkering direct gelinkt is met de premie
die betaald wordt. Ten slotte kunnen pensioensystemen ingedeeld worden naar degene die ze uitvoert. Dit kunnen private
partijen zijn, maar ook de overheid.
De Nederlandse DB-regeling

De meestvoorkomende regeling voor aanvullend pensioen in
Nederland is een voorwaardelijk geïndexeerde middelloonregeling waarbinnen werknemers een nominaal pensioen opbouwen over het deel van hun loon dat hoger is dan een bepaalde
grens, ofwel de franchise. Dit is een DB-regeling. Ieder jaar dragen werknemers premie af – meestal over hun loon boven de
franchise – en bouwen ze extra pensioen op tegen een bepaald
opbouwpercentage. Doorgaans worden de opgebouwde pensioenrechten geïndexeerd voor looninflatie, prijsinflatie of een
combinatie van die twee over het afgelopen jaar, onder voorwaarde dat de financiële situatie van het fonds dit toelaat. Een
voorbeeld van solidariteit binnen de regeling is dat het premiepercentage, het opbouwpercentage en het indexatiepercentage
hetzelfde zijn voor alle deelnemers, zij het dat bij de indexatie
een onderscheid kan worden gemaakt tussen gepensioneerden
en slapers aan de ene kant en de actieve deelnemers aan de
andere kant. Het is niet ongebruikelijk dat de eerstgenoemde
groep prijsindexatie krijgt en de andere groep loonindexatie.
Er zijn drie typen pensioenfondsen, namelijk het ondernemingspensioenfonds, het bedrijfstakpensioenfonds en
het beroepspensioenfonds. De meeste werknemers hebben
een regeling via een bedrijfstakpensioenfonds, dat gebonden
is aan een aantal regels. Ten eerste kunnen bedrijfstakpensioenfondsen alleen pensioenregelingen aanbieden binnen
hun eigen sector. Ten tweede is ring-fencing verboden voor
bedrijfstakpensioenfondsen. Dat wil zeggen dat ze één financieel geheel vormen, dus dat het fonds niet meerdere financieel van elkaar afgebakende regelingen mag uitvoeren. Ten
slotte bestaat het bestuur van de bedrijfstakpensioenfondsen
uit vertegenwoordigers van de sociale partners.
De verplichtstelling

Binnen het Nederlandse pensioenstelsel zijn twee vormen van
verplichtstelling te onderscheiden. In de eerste plaats is er een
verplichting van deelnemers om deel te nemen in de pensioenregeling die de werkgever aanbiedt, de zogenaamde kleine
verplichtstelling. Door deze vorm van verplichtstelling bouwt
in Nederland meer dan negentig procent van de werknemers
een aanvullend pensioen op.
Een tweede vorm van verplichtstelling geldt alleen voor
bedrijfstakpensioenfondsen. Deze zogenaamde grote verplichtstelling behelst de verplichte aansluiting van werkgevers
bij een bedrijfstakpensioenfonds op verzoek van de sociale
partners binnen de bedrijfstak. De verplichtstelling geldt niet
voor alle bedrijfstakken, maar desondanks bouwt 75 procent
van de werknemers in Nederland pensioen op bij een bedrijfstakpensioenfonds door de combinatie van de kleine en de

grote verplichtstelling. Deze verplichtstelling voor bedrijfstakpensioenfondsen is geregeld in de Wet Bpf 2000.
Rechtvaardiging van de verplichtstelling

Er zijn ten minste vijf goede (gedrags)economische redenen
voor de verplichtstelling. Allereerst is er het argument dat,
wanneer werknemers niet verplicht zijn te sparen voor hun
oudedagsvoorziening, veel van hen dat ook niet zullen doen.
Deze mensen zouden eventueel te weinig middelen hebben
als ze oud zijn en dus een beroep moeten doen op de overheid. Kortzichtigheid, gebrek aan zelfcontrole en onvoldoende financiële geletterdheid zijn algemeen voorkomende
eigenschappen (Thaler en Shefrin, 1981; Benartzi en Thaler,
1995). Dit geldt zowel voor werknemers als voor – veelal
kleine – werkgevers die vanwege onvoldoende pensioenbewustzijn geen regeling aanbieden.
Een tweede argument is dat een collectieve pensioenvoorziening het mogelijk maakt de pensioenregeling tegen
relatief lage kosten aan te bieden (Bikker en De Dreu, 2009).
Wanneer de verplichtstelling wegvalt en fondsen deelnemers
moeten werven, zullen de kosten door de marketinginspanningen waarschijnlijk toenemen. Ten derde is er geen averechtse selectie in een verplichtgestelde pensioenregeling
(Bikker en De Dreu, 2009). Dit betreft de keuze tot deelname
die wordt beïnvloed door de leeftijdsverwachting van een
groep of individu. Zonder verplichtstelling zal het daarom
voor een werkgever met veel ouderen en vrouwen moeilijker
of duurder zijn om deel te nemen aan een pensioenregeling
dan voor een werkgever met veel jongeren en mannen.
Het vierde argument is de intergenerationele risicodeling.
De verplichtstelling maakt het mogelijk om risico’s tussen cohorten te delen. In afwezigheid van verplichte deelname zullen er deelnemers zijn die de regeling willen verlaten wanneer
de buffers moeten worden hersteld. Degenen met de minst
opgebouwde rechten, de jongsten, zullen dat waarschijnlijk als
eerste doen, gevolgd door de iets ouderen, enzovoort. Daarmee
zou de regeling onhoudbaar worden. Door een verplichtstelling op te leggen is iedereen vanuit een ex ante perspectief beter
af doordat zowel de goede als de slechte risico’s worden gedeeld.
Beetsma et al. (2012) en Beetsma en Romp (2013) analyseren
dit argument in een formeel model van een DB-pensioenfonds,
waarin jongeren de pensioenen van de ouderen garanderen en
waarin het fonds voorgoed verdwijnt zodra een generatie jongeren weigert deze garantie na te komen. De vrijwillige bereidheid van jongeren om de premie te betalen, wanneer nodig,
wordt gedreven door de verwachting dat toekomstige jongeren dit ook weer zullen doen. Simulaties laten zien dat dit
mechanisme enkel werkt bij onrealistisch grote onzekerheid op

Illustratie typen pensioenregelingen in Nederland
Zuiver DC

Geen garanties

Individueel
DC

Collectief
DC

Reële garanties

MiddelloonDB

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
Jaargang 98 (4674 & 4675) 13 december 2013
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

figuur 1

Zuiver DB

EindloonDB

739

ESB Pensioenen

de financiële markten en een hoge mate van risicoaversie, dus
wanneer de risicodeling tussen de opeenvolgende cohorten van
grote waarde is. In andere gevallen is er geen evenwicht waarin
mensen vrijwillig deelnemen. Verplichte deelname aan de regeling kan er dus voor zorgen dat de voordelen van intergenerationele risicodeling beter worden benut.
Ten vijfde hoeven werkgevers binnen een bedrijfstak in
mindere mate met elkaar te concurreren op de arbeidsvoorwaarde pensioen wanneer de verplichtstelling van toepassing
is op deze bedrijfstak (Lutjens, 2000). Zodoende wordt vermeden dat de pensioenpremies en dus de pensioenopbouw te
veel onder druk worden gezet. Vanuit dit principe is de grote
verplichtstelling ontstaan.

Werkgevers hoeven in mindere mate met elkaar
te concurreren op de arbeidsvoorwaarde pensioen
wanneer de verplichtstelling van toepassing is
Deze voordelen van handhaving van de verplichtstelling
kunnen echter alleen benut worden wanneer de verplichtstelling juridisch te rechtvaardigen is. In het verleden is de
vraag opgeworpen of met name de grote verplichtstelling
niet strijdig is met Europese mededingingsregelgeving. Volgens de jurisprudentie wordt noch de kleine, noch de grote
verplichtstelling als strijdig gezien met de Mededingingswet.
De verplichtstelling is gerechtvaardigd vanuit ‘aard’ en ‘doel’.
De aard betreft het feit dat het gaat om een collectieve overeenkomst, terwijl het doel van die overeenkomst is om de
solidariteit tussen de groepen van deelnemers te borgen. Verschillende pensioencontracten kunnen langs deze dimensies
gelegd worden om te bezien of de verplichtstelling gerechtvaardigd is voor deze contracten. Als wordt gekeken naar het
huidige standaard DB-contract zoals dat geldt bij Nederlandse fondsen, dan zijn er verschillende elementen die de
verplichtstelling rechtvaardigen. Allereerst is er de collectieve
overeenkomst tussen de sociale partners. Dit betreft vooral de
aard van het contract. Ten tweede is er sprake van een hoge
mate van solidariteit, die zich uit in een doorsneepremie,
een doorsneeopbouw, een indexatie die hetzelfde is voor alle
werknemers en hetzelfde voor gepensioneerden en slapers,
nominale garanties (en dus ook een hoge mate van risicodeling tussen de deelnemers) en afwezigheid van averechtse selectie van de deelnemers. Ten slotte is er een gezamenlijk, en
dus niet individueel toegedeeld, vermogen dat wordt belegd.
Dit alles betreft het doel van de overeenkomst.
Het andere extreem betreft een individueel DC-contract. De geïndividualiseerde aard van het contract laat geen
risicodeling tussen de deelnemers toe, terwijl overstappen
naar een ander pensioenfonds is toegestaan. Er is dus geen
sprake van solidariteit en in termen van doel zou de verplichtstelling niet houdbaar zijn voor een dergelijk contract.
Relevante recente ontwikkelingen

Een goede beoordeling van de mate waarin voordelen van
verplichtstelling zich ook in de nabije toekomst blijven voordoen, vereist een nadere blik op de aanstaande moderniserin740

gen van de pensioenregelingen in Nederland. Een belangrijke
aanpassing is dat schokken over een periode van maximaal
tien jaar worden uitgesmeerd, terwijl ze nu nog over een langere periode kunnen worden uitgesmeerd. Hierdoor wordt
de intergenerationele risicodeling beperkt (Mehlkopf, 2013).
Het nieuwe contract legt ook een expliciet en direct verband
tussen de pensioenleeftijd en de levensverwachting, alsmede
een verband tussen de rekenrente en de minimale (kostendekkende) premie. Al deze elementen zouden de mate van
solidariteit, althans juridisch gezien, kunnen verminderen
en daarmee de rechtvaardiging van de verplichtstelling kunnen beïnvloeden. Daarnaast zal er de komende tijd nog een
discussie worden gevoerd over de doorsneesystematiek, met
eenzelfde premie en opbouw voor alle actieve pensioendeelnemers, die wordt gezien als een belangrijk solidariteitskenmerk in Nederlandse pensioenregelingen.
Het Nederlandse pensioenstelsel staat in de wereld hoog
aangeschreven. De financiële houdbaarheid van ons stelsel
van aanvullende pensioenen staat echter onder druk, zoals de
analyse van de commissie-Goudswaard (Goudswaard et al.,
2010) heeft duidelijk gemaakt. Deze financiële houdbaarheid
is belangrijk om het maatschappelijke draagvlak onder de verplichtstelling te houden en dus de voordelen van ons stelsel
te blijven genieten. De financiële crisis heeft ervoor gezorgd
dat de rente waarmee de toekomstige pensioenverplichtingen
worden verdisconteerd naar een ongekend laag niveau is gedaald, terwijl de levensverwachting steeds verder toeneemt.
Beide factoren zorgen voor een daling in de mate waarin
toekomstige verplichtingen worden gedekt met huidige bezittingen, zoals gemeten aan de hand van de dekkingsgraden.
Indexatie van opgebouwde rechten is daarom bij veel fondsen de laatste jaren afwezig geweest, terwijl er zelfs een aantal
fondsen zijn geweest die rechten hebben moeten korten. Met
de invoering van het nieuwe contract wordt het toezichtkader
aangepast en aangescherpt, ook voor de bestaande oude regelingen. Ten slotte zal de fiscale facilitering van de aanvullende
pensioenen ingeperkt worden, zij het dat op dit moment nog
onduidelijk is in welke mate.
Europese ontwikkelingen

Voor de verplichtstelling wellicht net zo belangrijke ontwikkelingen zijn die in de Europese Unie, waarbinnen ons systeem van aanvullende pensioenen als vrij uitzonderlijk geldt,
en het dus lastig aan onze Europese partners is duidelijk te
maken welke nadelige gevolgen bepaalde Europese maatregelen eventueel kunnen hebben.
Binnen Europa staan we aan de vooravond van de herziening van de IORP-richtlijn. Deze richtlijn beoogt een verdere
integratie van de Europese pensioenmarkt door het stimuleren van meer marktwerking en het aanbieden van grensoverschrijdende pensioenproducten. Het is mogelijk dat daarbij
een toezichtkader voorzien wordt dat vergelijkbaar is met het
Solvency II-kader dat voor verzekeraars zal gelden. Volgens
Solvency II zouden pensioenfondsen hogere buffers moeten
aanhouden dan nu het geval is. Ook zou de hersteltermijn
in geval van onderdekking verkort worden. Fondsen zouden
hiermee ook gedwongen kunnen worden om meer in vastrentende waardepapieren dan in aandelen te beleggen. Recent
is echter besloten dat voorlopig in de aangepaste IORP IIrichtlijn nog geen solvency-regels zullen worden opgenomen.

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
Jaargang 98 (4674 & 4675) 13 december 2013
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

Pensioenen ESB

In antwoord op de ontwikkelingen in Europa probeert
de Nederlandse overheid binnen de wetgeving ruimte te creëren voor het ontwikkelen van grensoverschrijdende pensioenproducten door Nederlandse instellingen. Dit heeft geleid
tot de introductie van de premiepensioeninstelling (PPI), die
DC-producten grensoverschrijdend kan aanbieden. Het opzetten van grensoverschrijdende activiteiten verloopt echter
moeizaam, mede vanwege de zeer specifieke regelgeving binnen de verschillende Europese landen. Uiteindelijk was het
doel om de zogenaamde Algemene Pensioeninstelling (API)
mogelijk te maken, die ook DB-regelingen kan uitvoeren.
Het ontwikkelen van een API die ook grensoverschrijdende
DB-regelingen kan uitvoeren, is echter voor onbepaalde tijd
uitgesteld in afwachting van ontwikkelingen inzake de IORP
II-richtlijn. De domeinafbakening, het verbod op ring-fencing en de bestuurseisen waren de drie obstakels voor de introductie van de API op nationaal niveau. Wel zijn er stappen
gezet om samenwerking tussen pensioenfondsen makkelijker
te maken door de introductie van het zogenaamde Multiondernemingspensioenfonds (Multi-OPF) en straks wellicht
van het zogenaamde Multipensioenfonds (Ministerie van
SZW, 2013a). Hierdoor kunnen meerdere pensioenfondsen
samengaan met behoud van financieel gescheiden regelingen.
Op deze manier kunnen de oorspronkelijke fondsen gebruikmaken van schaalvoordelen. Het Multipensioenfonds moet
drempels verlagen die nu nog bestaan voor Multi-OPF’s, zoals bestuurseisen. Daarnaast zullen ook (niet verplichtgestelde) bedrijfstakpensioenfondsen aan kunnen sluiten bij een
Multipensioenfonds. Derde partijen, zoals verzekeraars en
uitvoeringsbedrijven, kunnen een ‘leeg’ Multipensioenfonds
oprichten, waarbij ondernemingspensioenfondsen en nietverplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen zich kunnen
aansluiten. Een Multipensioenfonds dient bestuurd te worden door onafhankelijke bestuurders. Er zijn momenteel echter geen plannen om het Multipensioenfonds over de grens te
laten opereren. Omdat de obstakels die voor de API gelden,
wegvallen voor het Multipensioenfonds, kan gesteld worden
dat de introductie van het Multipensioenfonds een stap is in
de richting van de introductie van de API.
Hoewel de API voorlopig niet verder wordt uitgewerkt,
wordt er op zeer korte termijn gekeken in hoeverre het mogelijk kan worden gemaakt om de PPI buitenlandse DB-regelingen te laten uitvoeren. De API kan met name ook interessant
zijn voor multinationals die regelingen in meerdere landen
moeten uitvoeren. Vooralsnog kunnen verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen zich niet aansluiten bij het Multipensioenfonds, omdat de kern van de verplichtstelling is dat
alle werkgevers binnen een bedrijfstak dezelfde pensioenregeling aanbieden en risico’s delen. Een verplicht bedrijfstakpensioenfonds zou er immers voor kunnen kiezen om zich om te
vormen tot Multipensioenfonds, waar zich dan ook pensioenfondsen van buiten de sector bij kunnen aansluiten. Dit zou de
solidariteit, en dus de verplichtstelling, onder druk kunnen zetten wanneer er mogelijkheden ontstaan voor het switchen tussen verschillende regelingen binnen het Multipensioenfonds.

geldt voor de meeste werknemers via hun cao. Daarentegen
is er in het Verenigd Koninkrijk geen sprake van een verplichting, maar daar is men zich dan ook pijnlijk bewust geworden
van de nadelen van de vrije keuze. Veel werknemers bouwen
geen of weinig aanvullend pensioen op en zijn op hun oude
dag dus gedoemd tot armoede. Daarom zijn werkgevers sinds
2012 verplicht hun werknemers onder te brengen in een pensioenregeling. Werknemers hebben het recht om uit de regeling te stappen, maar elke twee jaar moet hun werkgever ze
er weer in onderbrengen, waarna ze er zelf weer voor kunnen
kiezen om eruit te stappen. Dit beleid is in lijn met het bewijs
dat er is voor de effectiviteit van het aanbieden van een standaardoptie ofwel default. Mensen overzien de ingewikkelde
pensioenmaterie niet of ze zijn niet goed in staat om actieve
beslissingen te nemen ten aanzien van hun pensioen. Een
geschikte standaardoptie kan ze ertoe verleiden om aan een
adequate pensioenregeling deel te nemen.
Conclusie

Er zijn goede economische redenen voor de verplichtstelling
binnen het domein van aanvullende pensioenen. Zonder de
verplichtingstelling zouden veel mensen te weinig sparen
voor hun oudedagsvoorziening, zou er mogelijk geen gebruik
gemaakt kunnen worden van de kostenreductie die een collectieve voorziening biedt en zouden de voordelen van intergenerationele risicodeling grotendeels onbenut blijven. De juridische rechtvaardiging zit in de aard van de regeling, zijnde
de collectieve overeenkomst tussen de sociale partners, en het
doel van de regeling, zijnde de solidariteit van de deelnemers.
Recente ontwikkelingen vereisen echter waakzaamheid dat de
verplichtstelling juridisch kan blijven worden gehandhaafd.
Het gaat hierbij vooral om de ontwikkelingen in de Europese
regelgeving (IORP II) en in de Nederlandse regelgeving rond
het Multipensioenfonds en de Algemene Pensioeninstelling.

Literatuur
Beetsma, R. en W.E. Romp (2013) Participation constraints in Pension Systems. CEPR Discussion Paper, 9656.
Beetsma, R., W.E. Romp en S.J. Vos (2012) Participation and intergenerational risk sharing in
a funded pension system. European Economic Review, 56(6), 1310–1324.
Benartzi, S. en R. Thaler (1995) Myopic loss aversion and the equity premium puzzle. Quarterly Journal of Economics, 110(1), 73–92.
Bikker, J.A. en J. de Dreu (2009) Operating costs of pension funds: the impact of scale, governance and plan design. Journal of Pension Economics and Finance, 8, 63–89.
Chen, D. en R. Beetsma (2013) Mandatory participation in occupational pension schemes in the
Netherlands and other countries. Ongepubliceerd document. Amsterdam: UvA.
Goudswaard, K., R. Beetsma, T. Nijman en P. Schnabel (2010) Een sterke tweede pijler, naar
een toekomstbestendig stelsel van aanvullende pensioenen. Rapport van de Commissie Toekomstbestendigheid aanvullende pensioenregelingen. Den Haag: Ministerie van SZW.
Lutjens, E. (2000) Taakafbakening pensioenfondsen-verzekeraars. Tijdschrift voor pensioenvraagstukken, 2000(2), 31–35.
Mehlkopf, R. (2013) Evenwichtige belangenbehartiging tussen generaties. Presentatie
Bootcamp Pensioenlab, Utrecht.

Internationale vergelijking

Ministerie van SZW (2013) Kamerbrief over Algemene Pensioeninstelling, 4 november.

In een aantal landen, zoals Zweden en Zwitserland, is verplichte deelname in aanvullende regelingen wettelijk verankerd,
terwijl in Nederland en Denemarken een quasi-verplichting

Thaler, R. en H. Shefrin (1981) An economic theory of self-control. Journal of Political Economy,
89(2), 392–406.

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
Jaargang 98 (4674 & 4675) 13 december 2013
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

741

Auteurs

  • Damiaan Chen

    Promovendus aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), Tinbergen Instituut (TI) en MN

  • Roel Beetsma

    Hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam (UvA)